(2009)" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. De raad heeft, gelet op de bedrijfsactiviteiten van [appellante], de afstanden voor een manege als uitgangspunt genomen. Ter zitting heeft [appellante] toegelicht dat haar bedrijfsactiviteiten met name bestaan uit het zadelmak maken en trainen van paarden. Daarnaast bestaat er een fokprogramma. Er zijn 25 stallen aanwezig op het perceel. 7.
- De Afdeling is van oordeel dat de raad gelet op de activiteiten die feitelijk worden uitgevoerd en het aantal paarden dat op het perceel gemiddeld aanwezig is in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij de afstanden die volgens de VNG-brochure in het geval van een manege in acht moeten worden genomen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de verwachte overlast die de bedrijfsactiviteiten met zich brengen dusdanig zal zijn dat grotere afstanden moeten worden aangehouden. Voor een manege dient volgens de VNG-brochure voor het aspect geur een afstand van 50 m te worden aangehouden en voor stof en geluid een afstand van 30 m. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht wordt voldaan aan deze afstanden. De raad heeft daarbij geen rekening hoeven houden met de aanwezige paardenbak, nu de paarden daar slechts voor een korte periode aanwezig zijn. Voor zover [appellante] heeft aangevoerd dat zij wenst uit te breiden in de richting van de voorziene woningen en deze uitbreiding op een kortere afstand dan 50 m van de woningen is voorzien, overweegt de Afdeling dat deze uitbreidingsplannen ten tijde van de vaststelling van het plan niet dusdanig concreet waren dat de raad daaraan meer waarde heeft moeten hechten dan hij heeft gedaan. Bovendien volgt uit de tekening die [appellante] heeft overgelegd dat deze uitbreiding buiten het huidige bouwvlak zal komen te liggen en derhalve op basis van het huidige bestemmingsplan niet mogelijk is. Voorts acht de Afdeling van belang dat [appellante] voldoende ruimte heeft het bedrijf elders op het perceel uit te breiden, waarbij de afstanden uit de VNG-brochure wel worden gehaald. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat [appellante] door de voorziene woningen dusdanig zal worden beperkt in haar bedrijfsvoering dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.
- Het beroep is ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Brock, griffier. w.g. Van der Wiel w.g. Brock lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017 603.