(2015)212 final) in het kader van de toetredingsprocedure van Macedonië betrokken. Het door de vreemdelingen in beroep aangehaalde 'report 2014/15' van Amnesty International en rapport 'Human Rights in Macedonia' van 22 juni 2015 van Civil Rights Defenders leiden niet tot een andere conclusie dan in die uitspraak. De aangehaalde passages uit die rapporten zijn te summier en onvoldoende om de conclusie te dragen dat de Macedonische autoriteiten in het geheel geen bescherming aan Roma kunnen of willen bieden. 2.
- Het ligt op de weg van de vreemdelingen om aannemelijk te maken dat Macedonië in hun specifieke omstandigheden toch niet veilig is. Niet in geschil is dat de vreemdelingen eenmaal de bescherming van de autoriteiten hebben gezocht door bij de politie aangifte te doen van de bekogeling met stenen van hun woning. Hierop heeft de politie volgens vreemdeling 1 alles opgeschreven en toegezegd te zullen optreden. De vreemdelingen hebben vervolgens het optreden van de politie niet afgewacht, maar zijn vertrokken toen de tegen hen gerichte agressie niet meteen ophield. Dat de agressie niet onmiddellijk ophield nadat zij aangifte hadden gedaan bij de politie maakt niet dat het vragen van bescherming bij de autoriteiten bij voorbaat zinloos moest worden geacht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1913)) brengt het feit dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat niet reeds met zich dat in feite geen bescherming kan worden verkregen. Voorts staat vast dat de vreemdelingen naar aanleiding van de andere problemen waarover zij hebben verklaard nooit bescherming bij de autoriteiten hebben gezocht. Gelet op het voorgaande voert de staatssecretaris terecht aan dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat de autoriteiten in hun geval geen bescherming kunnen of willen bieden tegen hun geloofwaardig geachte problemen. 2.
- Vreemdeling 1 heeft verklaard dat zijn werk altijd heeft bestaan uit het op vuilnisbelten verzamelen van oud ijzer en plastic voor de verkoop, waarbij hij steeds naar een andere plaats gaat, en dat hij daar geen moeite mee heeft, zolang hij met rust wordt gelaten. Met deze werkzaamheden kon hij voorzien in de basisbehoeften van het gezin. Voorts volgt uit de verklaringen van de vreemdelingen dat zij een woning hadden, van medische voorzieningen gebruik konden maken, vrij konden reizen met behulp van paspoorten en dat de kinderen naar school konden. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit deze verklaringen van de vreemdelingen niet volgt dat zij als Roma stelselmatig gediscrimineerd zijn. 2.
- De grief slaagt. Conclusie hoger beroep
- Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de besluiten van 10 december 2015 toetsen in het licht van de daartegen voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist. Beroepsgrond
- De vreemdelingen hebben betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte heeft geweigerd uitstel van vertrek te verlenen met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 in verband met de medische klachten van vreemdeling 1 en vreemdeling
- Hiertoe hebben zij aangevoerd dat uit overgelegde stukken blijkt dat vreemdeling 1 en vreemdeling 2 medisch worden behandeld, nu hun klachten door huisartsen zijn gediagnosticeerd en zij voor het verrichten van nader onderzoek en behandeling naar specialisten zijn doorverwezen. Beoordeling beroepsgrond 4.
- De vreemdelingen hebben kopieën van afspraakbrieven van Treant Zorggroep, gericht aan vreemdeling 1, en van een patiëntkaart van vreemdeling 2 overgelegd. Uit deze stukken blijkt dat voor vreemdeling 1 en vreemdeling 2 afspraken zijn gemaakt in het ziekenhuis voor onderzoek. Uit deze stukken noch uit het doorverwijzen naar een specialist als zodanig blijkt echter dat een diagnose is gesteld of dat vreemdeling 1 en vreemdeling 2 een noodzakelijke medische behandeling ondergaan. Evenmin heeft de staatssecretaris daaruit moeten afleiden dat vreemdeling 1 en vreemdeling 2 wegens hun gezondheid niet in staat zijn om te reizen. Gelet hierop, heeft de staatssecretaris terecht ambtshalve geen aanleiding gezien om met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek te verlenen. De beroepsgrond faalt. Conclusie beroepen en proceskosten
- De beroepen zijn ongegrond.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 23 december 2015 in zaken nrs. 15/21898 en 15/22048; III. verklaart de door de vreemdelingen in die zaak ingestelde beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Troostwijk w.g. Hanrath voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2017 392.