(2009)1 (hierna: de Beschikking), overweegt de Afdeling als volgt. Daargelaten of deze bepaling rechtstreekse werking heeft, staat in dit artikel dat geen waterkrachtcentrales mogen worden gebouwd, tenzij voorzien wordt in een oplossing voor vrije vismigratie. Gelet op de getroffen maatregelen, met name de verschillende bypasses, is met de verleende vergunning hierin voorzien. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunning in strijd met de Beschikking is verleend. Het betoog faalt reeds daarom. Hetzelfde gaat op voor het betoog van Sportvisserij Nederland en Visstandverbetering Maas dat de vergunning is verleend in strijd met het Aalbeheerplan. Daargelaten of strijd met het Aalbeheerplan tot vernietiging van het besluit kan leiden, staat in het Aalbeheerplan niet dat geen nieuwe waterkrachtcentrales mogen worden gebouwd, maar dat bij de bouw van een nieuwe waterkrachtcentrale ook een visgeleidingssysteem moet worden gerealiseerd, hetgeen hier het geval is.
- Ten aanzien van het betoog van Sportvisserij Nederland en Visstandverbetering Maas dat de minister advies had moeten vragen aan de bestuursorganen die krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora en Faunawet bevoegd zijn vergunningen te verlenen ten behoeve van het project, overweegt de Afdeling dat de Waterwet niet de verplichting kent een dergelijk advies te vragen. Het betoog faalt.
- Sportvisserij Nederland en Visstandverbetering Maas hebben verder betoogd dat de minister niet heeft gemotiveerd waarom geen sprake zou zijn van nadelige gevolgen voor het milieu die tot het opstellen van een milieueffectrapport zouden moeten leiden. 16.
- In het verweerschrift bij de rechtbank heeft de minister uiteengezet dat hij aan de hand van de in artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit milieueffectrapportage genoemde selectiecriteria beoordeeld heeft of het nodig zou zijn om een m.e.r.-beoordeling te doorlopen en geconcludeerd dat dit niet het geval is. De minister heeft daartoe overwogen dat de belangrijkste milieu-effecten die zouden kunnen optreden de gevolgen voor vissen betreffen. Op dat gebied is alle redelijkerwijs te verkrijgen informatie beschikbaar en daaraan is de aanvraag getoetst. Uit die toetsing blijkt dat de visschade nihil zal zijn. De waterkrachtcentrale heeft voorts geen invloed op de chemische waterkwaliteit en er zijn geen hydromorfologische gevolgen omdat de waterkrachtcentrale in een al bestaande stuw zal worden gerealiseerd. Omdat de waterkrachtcentrale zich grotendeels onder water zal bevinden heeft deze geen invloed op landschap, landgebruik of landschappelijke waarden. De waterkrachtcentrale zal voorts geen verkeersaantrekkende werking van enige betekenis hebben en geen invloed hebben op de luchtkwaliteit. Verder zal er geen geluidbelasting optreden, omdat het geluid van het vallen van het water over de stuw harder is. Er zullen ten slotte geen effecten zijn op de grondwaterstand, omdat het tijdens de bouw onttrokken grondwater snel zal worden aangevuld en er geen bebouwing of infrastructuur op de zettingsgevoelige bodemlagen aanwezig is, en er zullen ook geen effecten op de bodemkwaliteit zijn. Gelet op het voorgaande heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom het opstellen van een milieueffectrapport niet noodzakelijk is. Het betoog faalt.
- Wat betreft het betoog van Sportvisserij Nederland dat de vergunning is verleend in strijd met de zogenoemde motie Jacobi/Van Veldhoven, overweegt de Afdeling dat een motie bestuursorganen niet bindt. Het betoog faalt reeds daarom.
- Ten slotte faalt het betoog van Sportvisserij Nederland dat de gevraagde activiteiten niet verenigbaar zijn met de maatschappelijke functies van de Maas, zoals de sportvisserij. De minister stelt zich op het standpunt dat de verschillende functies tegen elkaar zijn afgewogen en daarbij ook beoordeeld is wat het effect is van de waterkrachtcentrale op de vissterfte. Deze vissterfte is zo beperkt, dat de Afdeling geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de activiteiten niet verenigbaar zijn met de maatschappelijke functies van de Maas.
- Gelet op hetgeen onder 14 tot en met 18 is overwogen, geven de overige bij de rechtbank aangevoerde gronden geen aanleiding tot vernietiging van het besluit van 1 juli
- Eindconclusie en proceskosten
- Zoals hiervoor is overwogen, zijn de hoger beroepen gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de uitspraak betrekking heeft op de beroepen van WKC Borgharen, Sportvisserij Nederland, Sportvisserij Limburg, VBC Roerdal en Visstandverbetering Maas. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft voor zover daarbij het beroep van Eco Energie ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van WKC Borgharen, Sportvisserij Nederland, Sportvisserij Limburg, VBC Roerdal en Visstandverbetering Maas tegen het besluit van 1 juli 2015 van de minister alsnog ongegrond verklaren. Dit betekent dat de verleende vergunning in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Redelijke toepassing van artikel 8:114 van de Awb brengt met zich dat de griffier van de Raad van State aan WKC Borgharen en de minister het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht terugbetaalt. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de hoger beroepen gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 april 2017 in zaken nrs. 16/1738, 16/1745, 16/1748, 16/1749, 16/1751 en 16/1752, voor zover de uitspraak betrekking heeft op de beroepen van Waterkrachtcentrale Borgharen B.V., vereniging Sportvisserij Nederland, vereniging Sportvisserij Limburg, Stichting Visserijbeheercommissie Roerdal en vereniging Visstandverbetering Maas, organisatie tot behartiging van de belangen van de sportvisserij; III. verklaart de door Waterkrachtcentrale Borgharen B.V., vereniging Sportvisserij Nederland, vereniging Sportvisserij Limburg, Stichting Visserijbeheercommissie Roerdal en vereniging Visstandverbetering Maas, organisatie tot behartiging van de belangen van de sportvisserij, bij de rechtbank ingestelde beroepen ongegrond; IV. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan Waterkrachtcentrale Borgharen B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt. V. bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan de minister van Infrastructuur en Waterstaat het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Van Roessel voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 december 2017 457-811.