201609823/1/A2. Datum uitspraak: 13 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], kantoorhoudend te [plaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 15 november 2016 in zaak nr. 16/3909 in het geding tussen: [appellant] en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad). Procesverloop Bij besluit van 15 september 2015 heeft de raad een aanvraag van [appellant] om toestemming voor besteding van 44 extra uren afgewezen. Bij besluit van 24 maart 2016 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 15 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] staat als toegevoegd advocaat een cliënt bij die - kort gezegd - ervan wordt verdacht dat hij verscheidene gekwalificeerde diefstallen heeft gepleegd. Voor die rechtsbijstand heeft de raad aan [appellant] 24 uur toegekend. [appellant] wenst 44 extra uren voor behandeling van de zaak te krijgen. 2. Bij besluit van de raad van 11 maart 2015 is [appellant] toegevoegd aan zijn cliënt. Op 5 augustus 2015 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om 44 extra uren toegekend te krijgen voor die toevoeging, met kenmerk 3IP0642/A. Daarbij heeft hij toegelicht dat zijn cliënt wordt verdacht van meerdere diefstallen door middel van braak. De aanvullende processen-verbaal beslaan volgens hem 4.500 bladzijden. Daarnaast heeft hij te kennen gegeven dat op 15 juni 2015 een pro formazitting van de meervoudige kamer is gehouden, dat op 4 september 2015 wederom een pro forma zitting van de meervoudige kamer zal worden gehouden en dat op 6 november 2015 de zaak ter zitting van de meervoudige kamer zal worden behandeld. Voorts heeft hij bij de aanvraag een overzicht van de tijdsbesteding van reeds uitgevoerde werkzaamheden en een begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden bijgevoegd. Bij brief van 17 augustus 2015 heeft de raad aan [appellant] gemeld onvoldoende informatie te hebben ontvangen om op zijn aanvraag te kunnen beslissen. De raad heeft hem verzocht om aan te geven waarin de feitelijke en/of juridische complexiteit van de zaak is gelegen. Bij brief van 4 september 2015 heeft [appellant] de raad bericht dat zijn cliënt eerst van drie strafbare feiten werd verdacht maar dat dit inmiddels zeventien strafbare feiten zijn geworden, dat er aanvullende processen-verbaal van ongeveer 4.500 bladzijden zijn opgemaakt, dat zijn cliënt sinds 6 maart 2015 in bewaring zit, dat zijn cliënt analfabeet is en derhalve alle stukken met hem dienen te worden besproken en dat de zittingen moeten worden voorbereid en met cliënt moeten worden besproken. Als bijlagen bij die brief heeft [appellant] de oproepingsbrief van de rechtbank gevoegd alsook de tenlasteleggingen aan zijn cliënt. Bij besluit van 15 september 2015, gehandhaafd bij besluit van 24 maart 2016, heeft de raad de aanvraag afgewezen. 3. Aan het besluit van 24 maart 2016 heeft de raad een advies van de commissie voor bezwaar ten grondslag gelegd. Volgens dit advies geven de geschetste feiten en omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van bijzondere rechtsvragen met de behartiging waarvan veel meer tijd dan gemiddeld gemoeid is of van een omvangrijk juridisch relevant feitencomplex. Het gaat weliswaar om een veelheid aan strafbare feiten, maar niet om feiten die in zijn algemeenheid als juridisch of feitelijk complex kunnen worden gekenschetst. Daarbij vertonen de vermeend gepleegde feiten, oordelend naar de tenlastelegging, onderling veel overeenkomsten wat pleegplaats, pleegdatum en modus operandi betreft. Met de enkele stelling dat sprake is van een omvangrijk dossier en mogelijk drie zittingen, is niet aannemelijk gemaakt dat de zaak bijzonder is, aldus het advies. Uit de ingediende processtukken is onvoldoende gebleken dat sprake is van feitelijke en/of juridische complexiteit. Dat er intensief overleg is gepleegd met de cliënt vanwege diens analfabetisme maakt de zaak tijdrovend, maar niet bewerkelijk. [appellant] heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat de zaak bewerkelijk is. 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad zijn aanvraag om toekenning van extra uren mocht afwijzen. Daartoe voert hij aan dat het in de Werkinstructie ‘Eerste aanvraag extra uren’ opgenomen criterium dat moet worden beoordeeld of een zaak zelf een bewerkelijk karakter heeft in vergelijking met soortgelijke zaken, ten onrechte niet is toegepast. Het bewerkelijke karakter van zijn zaak volgt volgens [appellant] uit het feit dat het om zeventien strafbare feiten gaat, waarbij telkens aan de hand van het proces-verbaal moet worden nagegaan of er voldoende bewijs is. In het geval dat dit twee uur per zaak kost, is alleen hiervoor al 34 uur noodzakelijk. Daarnaast dienen deze zaken met zijn cliënt te worden besproken, zeker gelet op het feit dat zijn cliënt analfabeet is, waarvoor hij zijn cliënt in het Huis van Bewaring dient te bezoeken. Voorts is de zaak behandeld door de raadkamer van de rechtbank op 18 maart 2015, op pro formazittingen op 15 juni 2015 en 4 september 2015, en op een inhoudelijke zitting op 6 november 2015. Ook deze zittingen vergen de nodige voorbereidingstijd. Daarnaast zijn er nog de nodige telefonische contacten en dient er correspondentie te worden gevoerd. Dit leidt er volgens [appellant] toe dat de zaak als bewerkelijk moet worden aangemerkt. Voorts voert hij aan dat de feitelijke complexiteit van de zaak onder meer kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat zijn cliënt ontkent, dat bezien dient te worden of de stukken in het dossier daadwerkelijk bijdragen aan de bewijslevering, dat het een grootschalige inzet betreft van het opsporingsapparaat, dat er door benadeelde partijen zeven vorderingen zijn ingediend en dat het openbaar ministerie strafverzwarende omstandigheden heeft aangevoerd. Ook de omvang van het dossier in relatie tot het aandeel dat verdachte daarin had, is volgens [appellant] groot. Dit leidt tot de slotsom dat er voldoende omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan de feitelijke complexiteit moet worden aangenomen. 4.1. Artikel 22 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: Bvr) luidt: "1. Ten aanzien van strafzaken die in de bijlage zijn aangemerkt als strafrecht verdachten wordt: a. indien in een strafzaak de tijdsbesteding aan de verlening van rechtsbijstand uitgaat boven het aantal uren dat gelijk is aan drie maal het aantal punten dat in de bijlage voor het desbetreffende rechtsterrein of soort zaak of op grond van artikel 15 is bepaald, voor elk uur waarin boven voornoemde grens rechtsbijstand wordt verleend, 0,955 punt toegekend, mits het bestuur de begroting van de tijdsbesteding voor de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid van artikel 31, heeft goedgekeurd; […]." Artikel 31 van het Bvr luidt: "1. In afwijking van het eerste lid van artikel 28 dient de rechtsbijstandverlener bij het bereiken van de in de artikelen 13 en 22 bedoelde tijdgrens een aanvraag in bij het bestuur tot vaststelling van de vergoeding voor de verrichte werkzaamheden. Tegelijkertijd legt hij een begroting over met betrekking tot de tijdsbesteding van de naar verwachting nog te verrichten werkzaamheden. 2. Het bestuur stemt geheel of gedeeltelijk in met de begroting, bedoeld in het eerste lid, indien het van oordeel is dat de rechtsbijstand doelmatig wordt verleend. […]." 4.2. De raad voert bij de toepassing van de Wet op de rechtsbijstand en het Bvr beleid dat is neergelegd in de werkinstructie ‘Eerste aanvraag extra uren’. In die werkinstructie is vermeld dat het uitgangspunt is dat alle zaken binnen het forfait kunnen worden afgehandeld. In een klein aantal gevallen kan van de advocaat in redelijkheid niet worden verwacht dat hij een heel complexe zaak binnen de tijdgrens van het forfait afhandelt. Voor deze uitzonderlijke gevallen kan toestemming worden gevraagd om meer uren aan de zaak te mogen besteden. In de werkinstructie is voorts vermeld dat in de nota van toelichting bij het Bvr doelmatig als volgt is toegelicht:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.