(2025)nog voldoende capaciteit hebben om de ontwikkeling van de Molenpolder af te kunnen wikkelen. Het college stelt dat de autonome groei aan de landelijke scenario’s is getoetst, die zijn opgesteld voor periodes met ronde jaren (en niet voor de periode 2016-2026, zijnde de planperiode van het wijzigingsplan). Op basis van deze scenario's is 1% volgens het college reëel ingeschat. Voor de woningen in Molenpolder zit de autonome groei al verwerkt in de kencijfers van het ASVV 2012, aldus het college. Ten aanzien van de breedte van de westelijke opgang van de Molenweg naar de Molendijk voert het college aan dat in het rapport van GraaffTraffic van 2014 is uitgegaan van een breedte van ongeveer 3,50 meter, terwijl [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5] stellen dat uit inmeting van de weg blijkt dat de breedte varieert van 2,91 tot 3,87 meter. Dit is volgens het college niet van invloed op de conclusies uit het rapport van GraaffTraffic van 2014, omdat reeds zodra de rijbaan smaller is dan 4,20 meter 2 auto's elkaar niet meer kunnen passeren en automobilisten daarop op dezelfde manier anticiperen. In dit verband wijst het college ook op de nadere notitie van GraaffTraffic van 5 augustus
- 16.5.
- In het Verkeerstechnisch onderzoek plangebied Molenpolder Oude-Tonge van Oranjewoud van 3 januari 2007 is geconcludeerd dat het plangebied Molenpolder met 150 woningen een verkeersproductie en -attractie heeft van ongeveer 750 motorvoertuigen/etmaal. Het gemotoriseerde verkeer van het plangebied wordt ontsloten via de Molenweg. De intensiteiten zijn in 2020 met en zonder plangebied relatief gezien een stuk hoger dan de huidige intensiteiten. De totale verkeersintensiteiten blijven echter beperkt en passen goed bij de functie van de wegen als erftoegangswegen. Op smalle wegen zoals de westelijke aansluiting van de Molenweg op de Molendijk kan het verkeer tijdens de spits afgewikkeld worden. Een verbreding van deze weg zorgt ervoor dat niet op tegenliggers gewacht hoeft te worden, dat de ontsluitingsstructuur voor verkeer uit het plangebied meer herkenbaar is en dat de verkeersveiligheid verbetert. In het rapport Actualisering verkeersonderzoek Molenpolder van GraaffTraffic van 18 december 2014, is geconcludeerd dat de telling en de kengetallen anno 2014 geen wezenlijk ander toekomstig verkeersbeeld laten zien dan in het rapport van
- Uitgaande van maximaal 100 woningen in dit wijzigingsplan bedraagt de ritgeneratie van de Molenpolder volgens dit rapport 760 autoritten per etmaal. Het aantal extra ritten per woning door de nieuwe ritgeneratiecijfers (7,6 tegenover 5,0 in het onderzoek van 2007) wordt gecompenseerd door een lager aantal woningen in het onderhavige wijzigingsplan (100 tegenover 150 in het onderzoek van 2007). De intensiteitenopbouw uit het rapport van Oranjewoud uit 2007 voor de prognose 2020 kan dus ook voor de prognose voor 2025 worden gebruikt (tabel 3.1). Zowel qua doorstroming als verkeersveiligheid zijn volgens het rapport op basis van de tellingen geen aanpassingen aan de ontsluitingswegen van en naar de Molenpolder noodzakelijk. Voor een optimale verkeerskundige ontsluiting kan wel overwogen worden om het smalle deel van de Molenweg van 3,50 meter op 4,80 meter te brengen. 16.5.
- De Afdeling overweegt dat in paragraaf 1.1 van het rapport van GraaffTraffic van 18 december 2014 als uitgangspunt is genomen dat na 2007 veranderingen in de bestaande verkeersstromen zijn opgetreden; onder andere dat bij de Molendijk het eenrichtingverkeer is omgedraaid en de planontwikkeling Suyssenwaarde. Verder zijn in paragraaf 3.1 van dit rapport de gevolgen van het omdraaien van het eenrichtingverkeer voor autoverkeer op de Molendijk bij het centrum meegenomen. Volgens paragraaf 2.1 van het rapport van GraaffTraffic heeft op donderdag 30 oktober 2014 van 16.00-19.00 uur een visuele telling plaatsgevonden van het fiets- en autoverkeer op het kruispunt Langeweg- Oudelandsedijk - Molendijk - Molenweg - Schoolstraat (5 takken) om een vergelijking te kunnen maken met eenzelfde telling uit
- Het was deze middag droog, zonnig en voor eind oktober relatief warm met 15°C. Het college heeft gesteld dat de donderdag representatief is, aangezien op woensdag en vrijdag veel mensen vrij zijn en maandag en vrijdag weekendeffecten kennen in de spits. Het college bestrijdt dat blijkens de tellingen van KuiperCompagnons van maart 2016 de periode van 14:00 tot 16:00 uur het drukst zou zijn. In dit verband overweegt de Afdeling dat blijkens de tellingen in de bijlage bij het rapport van KuiperCompagnons van 29 maart 2016, die bij de toelichting van het op 9 augustus 2016 vastgestelde plan zijn gevoegd, de periode van 16:00 tot 18:00 uur op vrijwel alle locaties het drukst is. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat de maanden maart en oktober verkeerskundig worden gezien als gemiddelde maanden. De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat niet van een representatieve dag, dagperiode of maand is uitgegaan. Het droge weer kan volgens het college als representatief worden gezien, aangezien slechts gedurende 7% van de tijd neerslag valt in Nederland. Ook in zoverre ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van een representatieve situatie is uitgegaan. In paragraaf 3.1 van het rapport van GraaffTraffic is ingegaan op de autonome groei. Hoewel de looptijd van de daar genoemde Structuurvisie Infrastructuur en Milieu niet parallel loopt met de planperiode, heeft het college onder verwijzing naar de in het rapport genoemde percentages mogen stellen dat het aanhouden van 1% autonome groei per jaar voor de periode tot 2025 een reëel uitgangspunt is. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een geheel nieuw onderzoek had moeten worden verricht ter vervanging van het onderzoek van Oranjewoud van 2007 en dat de actualisatie in het rapport van GraafTraffic van 18 december 2014 niet toereikend zou zijn. Volgens het rapport van GraaffTraffic zijn op basis van de daarin bepaalde verkeersgeneratie van 760 voertuigen per etmaal zowel qua doorstroming als verkeersveiligheid geen aanpassingen aan de ontsluitingswegen van en naar de Molenpolder noodzakelijk. Voor een optimale verkeerskundige ontsluiting kan volgens het rapport wel overwogen worden om het smalle deel van de Molenweg van 3,50 meter op 4,80 meter te brengen. Het college heeft onbestreden gesteld dat auto’s elkaar pas kunnen passeren bij een breedte van 4,20 meter. In dit licht is niet van invloed dat GraaffTraffic er ten onrechte van uit is gegaan dat de breedte van het smalle deel van de Molenweg 3,50 meter bedraagt, in plaats van de breedte van 2,91 meter die is bepaald in de nadere metingen die zijn verricht in opdracht van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5], aangezien dit de conclusies van het rapport niet beïnvloedt. Voor zover [appellant sub 4] en anderen onder verwijzing naar CROW-publicatie 230 stellen dat de maximum verkeersdruk op erftoegangswegen waarbij fietsers en gemotoriseerd verkeer nog van één rijbaan gebruik kunnen maken (5.000 voertuigen per etmaal) alleen geldt voor wegen die optimaal zijn ingericht en voldoen aan alle principes van verkeersveiligheid, overweegt de Afdeling dat in dit geval de verwachte intensiteit van 1.100 voertuigen per etmaal op de Molenweg zodanig veel lager is, dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat die lagere intensiteit de door [appellant sub 4] en anderen gestelde omstandigheden compenseert. De betogen falen. Verbreding Molenweg/Molendijk 16.
- [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5] kunnen zich niet verenigen met de bij het besluit van 9 augustus 2016 toegevoegde voorwaardelijke verplichting van artikel 2, lid 2.4.6, van de planregels, op grond waarvan een wegverbreding moet worden gerealiseerd in een driehoekig gedeelte perceel tussen de Molendijk en de Molenweg. [appellant sub 5] betoogt dat het college ten onrechte stelt dat de verbreding van dit gedeelte van de Molenweg strikt genomen niet noodzakelijk is. In dit verband voert [appellant sub 5] aan dat de weg, bij vergelijking van de feitelijke met de benodigde verhardingsbreedte, verbreed móét worden. Er is volgens hem geen sprake van een dorpse setting met een gemoedelijk verkeersbeeld waarvoor zou kunnen worden volstaan met een bescheiden verkeersprofiel waar verkeer bereid is even op elkaar te wachten. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat met de gestelde voorwaardelijke verplichting de wegbreedte van 2,91 meter bij de woning van [appellant sub 1] aan de [locatie 2] niet wordt aangepast. Voorts betogen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen dat de voorwaardelijke verplichting niet uitvoerbaar is. Volgens hen staat de feitelijke situatie ter plaatse hieraan in de weg. Aan de Molenweg en de Molendijk liggen woningen waarvan de voordeur direct aan de weg grenst, terwijl de berm aan de andere kant zeer schuin is, zodat niet voldoende ruimte beschikbaar is om een wegverbreding van minimaal 4,20 meter mogelijk te maken. Verbreding is volgens hen niet mogelijk zonder woningen af te breken. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] worden er echter geen onderhandelingen met de eigenaren gevoerd en zal er onteigend moeten worden. Daarnaast is verbreding volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen niet mogelijk, omdat door uitholling van de dijk het fundament van de molen zou worden aangetast. Verbreding van de weg kan volgens hen voorts worden belemmerd door mogelijk nadelige effecten voor eventueel beschermde flora en fauna. Daarnaast betogen zij dat de voorwaardelijke verplichting niet leidt tot een verkeersveilige situatie en meebrengt dat het woon- en leefklimaat, in het bijzonder bij de woning van [appellant sub 1] aan de [locatie 2], zal worden aangetast. Door de samenvoeging en splitsing van wegen zal een gevaarlijke situatie ontstaan. [appellant sub 1] zal zijn voordeur niet meer kunnen gebruiken. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wijzen erop dat de Molenweg onoverzichtelijk is met een bocht en een helling en zonder trottoir. Verder wordt volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] ten onrechte geen aandacht besteed aan fietsende en lopende kinderen en volwassenen. Daarbij voeren zij aan dat het verkeer naar de basisscholen, anders dan het college stelt, niet via de oostelijke, maar de westelijke route zal verlopen. [appellant sub 1] en [appellant sub 5] betogen voorts dat tijdens de aanlegfase van de woonwijk gevaar en overlast van bouwverkeer via deze route zal optreden. In dit verband voert [appellant sub 5] aan dat de voorwaardelijke verplichting ten onrechte slechts geldt vanaf de ingebruikneming van de eerste woning. Tot het moment van verbreding levert dit volgens hen een zeer gevaarlijke situatie op in verband met het bouwverkeer. 16.6.
- Het college stelt dat, hoewel uit de onderzoeken van 2007 en 2014 blijkt dat strikt genomen de verbreding van dit gedeelte van de Molenweg niet noodzakelijk is, in de anterieure overeenkomst met de grondeigenaar de voorwaarde is opgenomen dat de westelijke opgang van de Molenweg naar de Molendijk dient te worden verbreed. Bij het besluit van 9 augustus 2016 is de verbreding nu ook ruimtelijk vastgelegd, door in artikel 2, lid 2.4.6, van de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen. De verbreding kan volgens het college zonder onteigening van woningen plaatsvinden, aangezien het in deze planregel bedoelde vlak in eigendom is bij de gemeente Goeree-Overflakkee. Het college stelt dat de stabiliteit van de molen de belangen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen niet raakt, zodat zij zich hierop gelet op artikel 8:69a van de Awb niet kunnen beroepen. De route van het bouwverkeer wordt pas bij de uitvoeringsfase van het plan bepaald door de gemeente en kan ook niet in het plan worden geregeld, aldus het college. 16.6.
- Artikel 2, lid 2.4.6, van de planregels luidt: "Voor ingebruikneming van de eerste woning in het plangebied moet het wegprofiel van de ontsluiting van de Molenweg op de Molendijk ter plaatse van het vlak dat door middel van de arcering op de in Bijlage 1 bij deze regels opgenomen afbeelding is weergegeven, zijn verbreed tot minimaal 4,2 m en dient de aldus gerealiseerde verbreding daarna in stand te worden gehouden." 16.6.
- Nu het college artikel 2, lid 2.4.6, van de planregels heeft opgenomen, behoeft het betoog van [appellant sub 5] dat het college ten onrechte stelt dat de verbreding van dit gedeelte van de Molenweg strikt genomen niet noodzakelijk is, geen bespreking. De arcering als bedoeld in artikel 2, lid 2.4.6, van de planregels strekt zich uit tot voor het perceel [locatie 2]. Het betoog van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat de breedte bij de woning aan de [locatie 2] niet wordt aangepast, mist gelet hierop feitelijke grondslag. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is aannemelijk dat binnen het gearceerde gebied voldoende ruimte beschikbaar is om een wegverbreding van minimaal 4,20 meter mogelijk te maken, zodat geen woningen behoeven te worden afgebroken. Voorts heeft het college ter zitting aannemelijk gemaakt dat de molen niet, zoals [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben gesteld, op 5 maar op 15 meter van het gearceerde vlak is gelegen, zodat voor aantasting van het fundament van de molen niet behoeft te worden gevreesd. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen hebben verder niet onderbouwd dat er in het gearceerde gebied beschermde flora en fauna aanwezig zou zijn. Gelet op de berekende verkeersintensiteiten in samenhang met de in artikel 2, lid 2.4.6, van de planregels voorgeschreven wegbreedte, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de verbreding wordt voorzien in een verkeersveilige ontsluiting vanaf de Molenweg op de Molendijk, en dat voor een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 1] niet behoeft te worden gevreesd. Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 5] betogen dat tijdens de aanlegfase van de woonwijk gevaar en overlast van bouwverkeer zal optreden, overweegt de Afdeling dat dit bezwaar geen betrekking heeft op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze grond moet derhalve buiten beschouwing blijven. De betogen treffen geen doel. Parkeren 16.
- [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde van artikel 28, lid 28.3, onder d, van de planregels van het bestemmingsplan "Oude-Tonge" dat er binnen het bestemmingsvlak voorzien dient te worden in voldoende parkeerplaatsen conform de richtlijnen van de CROW. Volgens hen heeft het college ten onrechte niet verklaard waarom het in de plantoelichting aansluit bij de gemiddelde CROW-parkeerrichtlijnen behorend bij "rest bebouwde kom en niet stedelijk gebied". Voorts is het aantal parkeerplaatsen en de ligging daarvan volgens hen ten onrechte niet verankerd in de juridisch bindende delen van het plan. Hierdoor bestaat volgens hen de mogelijkheid dat de ontwikkelaar één grote parkeerplaats realiseert ter hoogte van de aansluiting van het plangebied op de Molenweg, dan wel dat de ontwikkelaar niet voldoende parkeerplaatsen aanlegt. De verwijzing naar de bouwverordening biedt volgens hen geen rechtszekerheid, aangezien voor de parkeervoorwaarden wordt verwezen naar een extern document dat kan worden veranderd. 16.7.
- Het college stelt dat op grond van artikel 5, aanhef en onder b, van de planregels de regels uit paragraaf 5 van de gemeentelijke bouwverordening van toepassing zijn voor zover het betreft parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen. Aangezien een aanvraag om omgevingsvergunning onder meer wordt getoetst aan de gemeentelijke bouwverordening, zal de ontwikkelaar moeten voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Zoals in de plantoelichting wordt vermeld worden hierbij de vigerende CROW-parkeerrichtlijnen toegepast en wordt ernaar gestreefd de gemiddelde parkeerrichtlijn te realiseren. Ter zitting heeft het college hierbij gesteld dat verwijzing naar de standaard parkeernormering van CROW publicatie 317 "kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" een voldoende normering inhoudt. Ter zitting heeft het college gesteld dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat gelet op de Reparatiewet BZK 2014 in artikel 5, aanhef en onder b, van de planregels de aanvullende werking van de bouwverordening ten aanzien van het parkeren had moeten worden uitgesloten. In dit verband verwijst het college naar de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:
- Het in die uitspraak gegeven oordeel dat onder wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 133, eerste lid, van de Woningwet niet moet worden verstaan de vaststelling van een uitwerkingsplan geldt volgens het college tevens voor een wijzigingsplan, aangezien dit eveneens een instrument van binnenplanse flexibiliteit betreft. 16.
- Artikel 5, aanhef en onder b, van de planregels luidt: "De regels van stedenbouwkundige aard en de bereikbaarheidseisen van paragraaf 5 van de bouwverordening zijn uitsluitend van toepassing, voor zover het betreft: […] parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen." 16.8.
- Op 29 november 2014 is de Reparatiewet BZK 2014 (Stb. 2014, 458) in werking getreden. Bij deze wet is onder meer de Woningwet gewijzigd. Ingevolge artikel XXIII, onder c, van de Reparatiewet BZK 2014 is het vijfde lid van artikel 8 van de Woningwet komen te vervallen. Dit artikel maakte het mogelijk om in de gemeentelijke bouwverordening voorschriften van stedenbouwkundige aard op te nemen. Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening Goeree-Overflakkee, dat voorschriften bevat over parkeren, is zo’n voorschrift van stedenbouwkundige aard waarvoor artikel 8, vijfde lid, (oud) van de Woningwet de grondslag vormde. Ingevolge artikel 133, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit is toegevoegd ingevolge artikel XXIII, onder H, van de Reparatiewet BZK 2014, blijven voor gebieden waar op het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 een bestemmingsplan als bedoeld in de Wro van toepassing is, de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, 7b, eerste lid, 8, vijfde en zevende lid, 9, 10 en 12, derde lid, zoals die laatstelijk luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, van toepassing tot het tijdstip van wijziging van het bestemmingsplan voor het gebied, doch uiterlijk tot 1 juli
- 16.8.
- Het onderhavige wijzigingsplan is vastgesteld na de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK
- Anders dan het college kennelijk meent, biedt de tekst van artikel 133, eerste lid, van de Woningwet geen ruimte voor de uitleg dat onder wijziging van het bestemmingsplan als bedoeld in die bepaling niet dient te worden verstaan de vaststelling van een wijzigingsplan door het college op grond van een daartoe op de voet van de in artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro in een bestemmingsplan opgenomen bevoegdheid. Het voorgaande betekent dat voor het onderhavige wijzigingsplan artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014, niet meer van toepassing is. De bepalingen uit de Bouwverordening Goeree-Overflakkee ten aanzien van onder meer de voorschriften over parkeren hebben dan ook geen gelding meer. Artikel 5, aanhef en onder b, van de planregels - dat nog wel van de geldigheid van de Bouwverordening Goeree-Overflakkee op dit punt uitgaat - is daarom in strijd met artikel 133, eerste lid, van de Woningwet. Gelet hierop heeft het college niet gewaarborgd dat wordt voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde van artikel 28, lid 28.3, onder d, van de planregels van het bestemmingsplan "Oude-Tonge". De betogen slagen. 16.
- Ten overvloede overweegt de Afdeling nog als volgt. 16.9.
- In paragraaf 3.3 van de plantoelichting wordt vermeld dat conform het bestemmingsplan "Oude-Tonge" de vigerende CROW-parkeerrichtlijnen worden toegepast. Voor bezoekers wordt altijd uitgegaan van 0,3 parkeerplaats per woning in openbaar gebied. De volgende richtlijnen − uitgaande van rest bebouwde kom en niet stedelijk gebied − worden aangehouden: Volgens de plantoelichting wordt gestreefd de gemiddelde aantallen parkeerplaatsen te realiseren. 16.9.
- Zoals ook blijkt uit het verhandelde ter zitting beoogt het college het parkeren aldus te regelen dat de in een beleidsregel neer te leggen normen zoals opgenomen in de CROW publicatie 317 "kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" dienen te worden gehanteerd. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2851, vergt dit weliswaar van het college een nadere beslissing omtrent de in het concrete geval toe te passen parkeernorm, maar naar het oordeel van de Afdeling is er geen aanleiding te oordelen dat zodanige planregel in strijd zou komen met de rechtszekerheid of artikel 3.1.2, tweede lid, van het Bro. De betogen falen in zoverre. Geschiktheid bodem 16.
- [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat niet is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarde van artikel 28, lid 28.3, onder i, van de planregels van het bestemmingsplan "Oude-Tonge", dat aangetoond dient te zijn dat de bodem geschikt is voor de beoogde functies. Zij betogen dat het in opdracht van de gemeente uitgevoerde historisch bodemonderzoek van IDDS Milieu van 3 december 2015 te algemeen en niet uitputtend is geweest. Naar aanleiding van het gestelde in het verweerschrift van het college hebben zij dit betoog ter zitting toegespitst op de gronden van het plangebied die zijn gelegen nabij het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 3]. [appellant sub 2] wijst erop dat in het verleden bij een verbouwing van zijn woning is gebleken dat de grond onder zijn woning vervuild was. Volgens [appellant sub 2] is nader onderzoek nodig om te voorkomen dat zijn gezondheid gevaar loopt als gevolg van bodemactiviteiten in vervuilde gronden en om aan te tonen dat de aanwezige vervuiling gesaneerd kan worden. 16.10.
- Het college stelt dat op basis van het uitgevoerde historisch bodemonderzoek van IDDS in combinatie met de bodemkwaliteitskaart in het plangebied nabij het perceel van [appellant sub 2] geen verontreinigingen zijn te verwachten. Om tegemoet te komen aan de bezwaren van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen is in opdracht van [belanghebbende A] met tussenkomst van Estate Invest Middelharnis II B.V. een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd door ATKB. 16.10.
- Voorafgaand aan de vaststelling van het besluit van 12 april 2016 heeft het college een historisch bodemonderzoek laten uitvoeren. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het Rapport betreffende een historisch onderzoek Projectlocatie Molenpolder te Oude-Tonge van IDDS van 3 december
- In het rapport wordt geconcludeerd dat uit de verzamelde historische gegevens kan worden afgeleid dat, op en in de nabijheid van het onderzoeksterrein met het oog op de potentiële realisatie van nieuwbouw alsmede het voorgenomen toekomstig gebruik, in het algemeen geen aandachtspunten aanwezig zijn met betrekking tot risico’s in relatie tot mogelijk aanwezige bodemverontreiniging. In aanvulling hierop is in opdracht van de ontwikkelaar door ATKB, Adviesbureau voor bodem, water en ecologie, een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Molenpolder te Oude-Tonge. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport Verkennend bodemonderzoek Molenpolder te Oude-Tonge van 15 augustus
- Blijkens de boorpuntentekening van Bijlage 3 bij dit rapport is onder meer onderzoek gedaan op de boorpunten 01 tot en met 04, die zijn gelegen nabij het perceel [locatie 3]. Bijlage 4 bij dit rapport bevat getekende bodemdoorsnedes met de resultaten van deze boringen. In het rapport wordt de locatie geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik. [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen hebben geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht die twijfel doen rijzen aan deze conclusie. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan de wijzigingsvoorwaarde van artikel 28, lid 28.3, onder i, van de planregels van het bestemmingsplan "Oude-Tonge" is voldaan. Conclusie wijzigingsvoorwaarden 16.
- Gelet op het vorenstaande bestaat op grond van hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan de wijzigingsvoorwaarden is voldaan en het college niet bevoegd was tot het vaststellen van een wijzigingsplan. Alternatieve ontsluitingsvarianten
- [appellant sub 4] en anderen betogen dat ten onrechte geen onderzoek is uitgevoerd naar andere ontsluitingsvarianten, zoals een verplichte ontsluiting via de Zuiddijk, waarmee autoverkeer van de Molenweg kan worden geweerd en mogelijk een betere doorstroming en verkeersveiligere situatie kan worden bereikt. Met de vaststelling van het wijzigingsplan dienen de aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van andere ontsluitingsvarianten nog te worden beoordeeld, aldus [appellant sub 4] en anderen. 17.
- Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan mag de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. 17.
- Aangezien in artikel 28, lid 28.3, onder e, van de wijzigingsvoorwaarden van het bestemmingsplan "Oude-Tonge" is bepaald dat de hoofdontsluiting moet zijn gericht op de Molenweg, mag de aanvaardbaarheid van het ontsluiten van het plangebied vanaf de Molenweg op de Molendijk in beginsel als een gegeven worden beschouwd. Het college heeft onderbouwd dat, in plaats van of in aanvulling op die ontsluiting, een randweg linksom niet kosteneffectief zou zijn en een ontsluiting via de Zuiddijk geen voordelen biedt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college zijn bezwaren tegen deze alternatieven onvoldoende heeft gemotiveerd en zich in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. De betogen falen. Ladder duurzame verstedelijking
- [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat het plan niet voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Bro en de Verordening ruimte 2014 van de Provincie Zuid-Holland (hierna: de Verordening ruimte 2014). Zij betwijfelen of het voorziene aantal van 100 woningen aansluit bij de actuele regionale behoefte. De Woonvisie 2014-2020 (en de aanvullingen daarop uit 2014 en 2015) en het woningbouwprogramma 2014-2020 van de gemeente Goeree-Overflakkee, waarin deze behoefte is bepaald, zijn volgens hen in zoverre gebaseerd op achterhaalde cijfers uit
- Verder is daarin volgens hen ten onrechte de woningbehoefte per kern van de gemeente (Ouddorp, Dirksland, Oude Tonge en het streekcentrum Middelharnis/Sommelsdijk) niet onderzocht. Voorts blijkt volgens hen uit de woonvisie en het woningbouwprogramma dat binnen de gemeente diverse locaties reeds als harde plancapaciteit beschikbaar zijn. Als gevolg van de flexibiliteit die het plan biedt kunnen er volgens hen woningen worden gebouwd die concurreren met locaties waarvoor harde plancapaciteit bestaat. Door het opnemen van een fasering erkent het college volgens hen de twijfel aan de actuele regionale behoefte. Daarbij wijzen zij erop dat in de beantwoording van de zienswijzen wordt gesteld dat het onzeker is of alle 100 woningen zullen worden gerealiseerd. Volgens hen is de fasering arbitrair en had deze moeten worden gekoppeld aan delen van het plangebied door bepalingen ten aanzien van grootte en situering van woningen en percelen op te nemen, dan wel had het plan moeten worden opgeknipt in verschillende plannen. Nu dit niet het geval is, is het mogelijk dat het gehele plangebied wordt benut voor een klein aantal woningen. 18.
- Het college stelt dat in de Woonvisie 2014-2020, door de raad van Goeree-Overflakkee vastgesteld op 16 oktober 2014 en geactualiseerd op 3 september 2015, wordt vermeld dat in de gemeente tot 2020 nog ongeveer 925 woningen kunnen worden toegevoegd. Daarnaast volgt hieruit dat tussen 2020-2029 een behoefte bestaat aan 850 woningen, aldus het college. In de Woonvisie 2014-2020 is Oude-Tonge samen met Ouddorp en Dirksland aangewezen als verzorgingskern, waar woningbouw wordt geconcentreerd. Daartoe is volgens het college aangesloten bij de indeling van kernen die reeds in de gemeentelijke Structuurvisie Goeree-Overflakkee was opgenomen. Het gaat daarbij volgens het college om kernen, die door aard, schaal en locatie een bijdrage leveren aan een blijvend goed functionerend voorzieningenniveau en een adequate zorgstructuur. Voor deze kernen is tot 2020 uitgegaan van een richtgetal van in totaal 300 woningen, uitgaande van 100 woningen per kern. Het is mogelijk om te salderen tussen kernen indien er in een kern minder behoefte blijkt te zijn. In de laatst geactualiseerde versie van het woningbouwprogramma van 3 september 2015 zijn 55 woningen van de Molenpolder voorzien in de periode tot
- De resterende 45 woningen zijn vanaf 2020 voorzien. Juist deze fasering zorgt er volgens het college voor dat andere ontwikkelingen in Oude-Tonge, uitgaande van het richtgetal van 100 woningen per kern, ook doorgang kunnen vinden. Het college wijst erop dat voor de woningbouwplannen die zijn opgenomen in categorie 2 en 4 van het woningbouwprogramma geldt dat deze voldoen als verantwoording van de woningbouwopgave in bestemmingsplannen als bedoeld in de Verordening ruimte 2014 (trede 1 van de ladder voor duurzame verstedelijking), zodat hiermee is voldaan aan die trede. Het woningbouwprogramma is volgens het college zo opgesteld dat er tot 2020 voldoende ruimte is om meerdere projecten tegelijkertijd uit te voeren. De aanwezige (harde) plancapaciteit staat de uitvoering van Molenpolder niet in de weg, aldus het college. Voor zover in de Woonvisie 2014-2020 wordt vermeld dat de huidige plancapaciteit van 1.650 woningen groter is dan de hiervoor genoemde woonbehoefteraming van 925 à 950 woningen, heeft het college ter zitting toegelicht dat, hoewel het aantal 1.650 van woningen slechts voor een deel uit harde plancapaciteit bestaat, in de gemeente sprake is van overprogrammering. Een groot deel van de plannen is nooit tot ontwikkeling gekomen, omdat deze niet aansluiten bij de markt. Volgens de Woonvisie 2014-2020 moet per woonkern de plancapaciteit worden geprioriteerd voor eventuele herprogrammering en is er inmiddels beleid ontwikkeld om tot herbestemming te kunnen overgaan, de zogenaamde Methode Bregman. In dit verband wijst het college erop dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland bij brief van 3 november 2015 de geactualiseerde woonvisie en het bijbehorende woningbouwprogramma voor de categorieën 2 en 4, heeft aanvaard, tot vooralsnog 1 juli 2017, als kader voor de verantwoording van de woningbouwopgave in bestemmingsplannen zoals bedoeld in de Verordening ruimte 2014, onder de voorwaarde dat het gemeentebestuur in 2016 stappen maakt in het saneren van de vastgestelde plannen, waarvan uitvoering de komende 10 jaar niet in zicht is. Hierbij heeft het college erop gewezen dat binnen twee weken na de zitting door de raad een voorstel zal worden behandeld om over te gaan tot actieve sanering ten aanzien van bestaande plannen. Daarbij heeft het college de plannen "Molenpolder fase 2", "Ebbe en Vloed", "Handelskade" en "Madeno Racing" genoemd. Er zal worden afgeprogrammeerd met behulp van de Methode Bregman, waardoor aanbod en behoefte de komende 10 jaar in evenwicht zullen zijn, aldus het college. 18.
- Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden: a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte; b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en; c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld." Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, luidt: "In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. wet: Wet ruimtelijke ordening; […]" Het derde lid, luidt: "In hoofdstuk 3 van dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt onder een bestemmingsplan mede begrepen een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet alsmede een rijksbestemmingsplan als bedoeld in artikel 10.3 van de wet." 18.
- Artikel 2.1.1, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 luidt: "Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte, die zo nodig regionaal is afgestemd; b. in die behoefte wordt binnen het bestaand stads- en dorpsgebied voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, of c. indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stads- en dorpsgebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt gebruik gemaakt van locaties die, i gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld, ii passen in de doelstellingen en richtpunten van de kwaliteitskaart van de Visie ruimte en mobiliteit, waarbij artikel 2.2.
- van toepassing is, en iii zijn opgenomen in het Programma ruimte, voor zover het gaat om locaties groter dan 3 hectare." 18.
- Ingevolge artikel 4, lid 4.3, van de planregels luidt: "a. Per fase mag het aantal woningen niet meer bedragen dan: 55 woningen in fase 1a; 45 woningen in fase 1b; Met de uitvoering van fase 1b mag gestart worden vanaf 1-1-2020; In afwijking van het bepaalde onder b, mag eerder gestart worden met de uitvoering van fase 1b, onder de voorwaarde dat: aantoonbaar is gemaakt dat er behoefte is aan de realisatie van fase 1b en tenminste 45 van de 55 woningen van fase 1a zijn afgenomen van de ontwikkelaar; of de woonvisie op dit onderdeel is aangepast waardoor de bouw van fase 1b eerder is toegestaan." 18.
- Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is beoogd vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1859) is het niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro dat in de plantoelichting wordt verwezen naar de uitkomst van de beoordeling van de actuele regionale behoefte en voor de onderbouwing hiervan naar de regionale woonvisie wordt verwezen. 18.
- In de Woonvisie 2014-2020 wordt op pagina 13 verwezen naar de Woonbehoefteraming 2010-2019 (WBR2010) per 1 mei 2013 voor Goeree-Overflakkee. Op basis van deze cijfers kunnen volgens de Woonvisie 2014-2020 in de periode tot 2020 nog ongeveer 925 woningen voor de behoefte van de eigen bevolking worden toegevoegd en in de periode van 2020-2029 ongeveer 850 woningen. Vervolgens wordt in de Woonvisie 2014-2020 ingegaan op de vraag hoe men deze voorraad over de kernen in zowel kwalitatief als kwantitatief opzicht wil verdelen. In de woonvisie wordt gekozen voor een onderverdeling in streekcentrum, verzorgingskern en steun- en/of kleine woonkern. Hierbij is aangesloten bij de kernprofilering zoals deze is opgenomen in de regionale structuurvisie voor Goeree-Overflakkee. In het bijzonder geldt dat woningbouw wordt geconcentreerd in die kernen, die door aard, schaal en locatie een bijdrage leveren aan een blijvend goed functionerend voorzieningenniveau en een adequate zorgstructuur. Voor de drie verzorgingskernen wordt een toename van 300 woningen toebedeeld. Voor de hand ligt volgens de Woonvisie 2014-2020 een richtgetal van 100 per woonkern tot 2020, zodat voor de woonkern Oude-Tonge een getal geldt van 100 woningen tot
- In de geactualiseerde Woonvisie van 3 september 2015 wordt onder "Woningbouwprojecten Oude-Tonge" onder meer het project Molenpolder genoemd: "Uitbreiding met maximaal 150 woningen in de Molenpolder opgenomen als wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan "Oude-Tonge, Dorp"." Op p. 7 van de plantoelichting wordt vermeld dat in het woningbouwprogramma voor 2014-2020 Molenpolder als ontwikkellocatie is aangeduid. Het woningbouwprogramma gaat voor de periode van 2015 tot en met 2019 uit van 55 woningen (fase 1a, aangeduid als gebied 1). De overige 45 woningen zijn geprogrammeerd na 2019 (fase 1b, aangeduid als gebied 2). 18.
- Voor zover in de Woonvisie 2014-2020 en de actualisatie daarvan, onder verwijzing naar de Woonbehoefteraming 2010-2019, als uitgangspunt wordt genomen dat in de gemeente Goeree-Overflakkee tot 2020 een behoefte bestaat aan 925 à 950 woningen en in de periode van 2020-2029 een behoefte aan 850 woningen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raming, die dateert van 1 mei 2013, zodanig verouderd zou zijn dat deze als achterhaald zou moeten worden beschouwd. Gelet op de in de Woonvisie 2014-2020 gegeven onderbouwing voor de toebedeling van woningen aan streekcentrum, verzorgingskernen en steun- of kleine woonkernen, en vervolgens aan de respectievelijke verzorgingskernen, heeft het college er in redelijkheid van uit kunnen gaan dat voor de verzorgingskern Oude-Tonge tot 2020 een behoefte bestaat aan 100 woningen. Het aantal van 67 woningen dat binnen deze periode wordt voorzien, bestaande uit 55 woningen op grond van het plan "Molenpolder fase 1" (fase 1a), 5 woningen op grond van het plan "Capelleweg" en 7 woningen op grond van het plan "Molendijk" valt hier op zichzelf binnen. Zoals de Afdeling evenwel eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:743), dient volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro bij de beoordeling of sprake is van een actuele regionale behoefte de behoefte te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. In de Woonvisie 2014-2020 wordt vermeld dat de huidige plancapaciteit van 1.650 woningen groter is dan de hiervoor genoemde woningbehoefteraming van 925 à 950 woningen. Hoewel uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat niet voor alle 1.650 woningen een rechtstreekse bouwtitel dan wel een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht bestaat, heeft het college niet kunnen aangeven hoe groot de zogeheten "harde" plancapaciteit is, noch wat de gemeente als geheel, noch wat de kern Oude-Tonge betreft. Wel heeft het college gesteld dat op zeer korte termijn zal worden overgegaan tot actieve sanering ten aanzien van de op de kern Oude-Tonge betrekking hebbende plannen "Molenpolder fase 2", "Ebbe en Vloed", "Handelskade" en "Madeno Racing", dat er zal worden afgeprogrammeerd met toepassing van de Methode Bregman en dat er in de gemeente een capaciteit van in totaal ongeveer 700 woningen op de saneringslijst staat. Naar het oordeel van de Afdeling zijn deze stellingen van het college echter gebaseerd op nog zodanig onzekere omstandigheden en een zodanig beperkte cijfermatige onderbouwing dat hiermee niet voldoende inzichtelijk is gemaakt op welke wijze de behoefte is afgewogen tegen het bestaande aanbod. Hierdoor is de actuele regionale behoefte onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Dat er vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening geen ongewenste leegstand zal optreden, is in dit geval derhalve evenmin toereikend verantwoord. Gelet op het vorenstaande verdraagt het bestreden besluit zich niet met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro, alsmede artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening ruimte
- De desbetreffende betogen slagen.
- [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen betogen voorts dat de Molenpolder niet is aan te merken als bestaand stads- en dorpsgebied. De polder betreft open agrarisch landschap dat omringd wordt door een dijklichaam. Uitsluitend langs een deel van het dijklichaam is lintbebouwing in wisselende dichtheden aanwezig, waarbij de bebouwing de Molenpolder niet omringt. Volgens hen is de polder dan ook onderdeel van het buitengebied. Ook in de Verordening ruimte 2014 is de Molenpolder niet aangewezen als bestaand bebouwd gebied. Het college heeft volgens hen ten onrechte niet gekeken naar de mogelijkheid om de 100 woningen in te passen op alternatieve en veelal beter ontsloten locaties. [appellant sub 4] en anderen stellen dat de aannames van het college over een dorps milieu met ruime planopzet en maximaal 25 woningen per hectare niet blijken uit het juridisch bindende deel van het plan. Volgens [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen is ten onrechte geen rekening gehouden met de kansen die leegstaande kantoren bieden voor woningbouw. 19.
- Het college stelt dat sprake is van bestaand dorpsgebied. Aan de noord- en oostzijde zijn er bestaande bebouwingslinten die deel uitmaken van het dorpsgebied van Oude-Tonge. Achter deze bebouwingslinten ligt eveneens stedelijk gebied. Aan de west- en zuidzijde van de Molenpolder is de Molenweg gelegen. Hier is sprake van lintbebouwing met aan beide zijden overwegend woonbestemmingen. Daarnaast is het volledige gebied opgenomen in het bestemmingsplan voor het dorpsgebied van Oude-Tonge. De locatie is dan ook gelegen te midden van voor woondoeleinden bestemde percelen en is geenszins een locatie in het buitengebied dan wel een uitleglocatie, aldus het college. Mocht de Afdeling evenwel tot de conclusie komen dat geen sprake is van bestaand dorpsgebied, dan stelt het college zich op het standpunt dat er geen andere locaties beschikbaar zijn die in deze behoefte kunnen voorzien. Op de overige locaties in Oude-Tonge is weinig fysieke ruimte aanwezig voor nieuwe woningbouw en voor de beschikbare ruimte zijn reeds plannen opgesteld, aldus het college. In de Molenpolder wordt ook ingezet op een dorps woonmilieu met een ruime planopzet waarbij ook woningen gerealiseerd zullen worden die op zeer ruime kavels worden gesitueerd. De woningdichtheid zal hierbij maximaal 25 woningen per hectare bedragen. Voorts is er volgens het college op Goeree-Overflakkee geen grootschalige leegstand van kantoren. De kantorenmarkt op Goeree-Overflakkee is van zeer beperkte omvang. 19.
- Artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro luidt: "In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur; […]" Artikel 2.2.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2014 luidt: "Onder bestaand stads- en dorpsgebied als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." 19.
- Ter beoordeling staat of het plangebied is aan te merken als bestaand stedelijk gebied. Het plangebied heeft op grond van het bestemmingsplan "Oude-Tonge" een agrarische bestemming die bebouwing ten behoeve van wonen niet bij recht mogelijk maakt. Ter zitting heeft het college erop gewezen dat het bestemmingsplan "Oude-Tonge" reeds de aanduiding "Wro-zone - wijzigingsgebied 2" en de wijzigingsbevoegdheid van artikel 28, lid 28.3, van de planregels bevat, op grond waarvan de agrarische bestemming kan worden gewijzigd in een woonbestemming. In zoverre wijkt de zaak volgens het college af van de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1340, waarin de Afdeling oordeelde over een situatie waar het plangebied op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan alleen een agrarische bestemming had. In het onderhavige geval geldt volgens het college de benadering van de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1295, betreffende een uitwerkingsplan, op grond van welke benadering volgens het college ook in dit geval moet worden geconcludeerd dat sprake is van bestaand stedelijk gebied. De Afdeling volgt het college hierin niet. In de zaak waarop de uitspraak van 18 mei 2016 betrekking heeft, was in het moederplan aan de gronden in het plangebied de bestemming "Gemengd—Uit te werken" toegekend, op grond waarvan stedelijke functies waren toegestaan, terwijl in het bestemmingsplan "Oude-Tonge" een agrarische bestemming is toegekend die nog geen stedelijke functies toelaat. De vergelijking met deze uitspraak gaat daarom niet op. Een wijzigingsbevoegdheid is naar het oordeel van de Afdeling niet op één lijn te stellen met een uitwerkingsplicht. Anders dan bij een uitwerkingsplicht, waarbij de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven geldt, mag bij een wijzigingsbevoegdheid de aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft slechts in beginsel als een gegeven worden beschouwd. Terwijl voor een uitwerkingsplicht gelet op artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro geldt dat burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken, geldt voor een wijzigingsbevoegdheid gelet op het eerste lid, onder a, dat burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen. Daarbij moet, zoals hiervoor onder
- is overwogen, niet alleen worden voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden maar dient ook te worden nagegaan of uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd. In zoverre bestaat er bij de wijzigingsbevoegdheid derhalve nog onzekerheid over realisatie van de in beginsel aanvaardbaar geachte bestemming. Het bestemmingsplan "Oude-Tonge" maakt in zoverre dan ook niet reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro en artikel 2.2.1, tweede lid, van de Verordening ruimte 2014 mogelijk. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het plan niet ziet op een gebied dat is aan te merken als bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, en artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro en artikel 2.2.1, tweede lid, en artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte
- De desbetreffende betogen slagen. 19.
- Aangezien het college reeds een standpunt heeft ingenomen voor het geval de Afdeling tot de conclusie mocht komen dat het plangebied niet is aan te merken als bestaand stedelijk gebied, zal de Afdeling voorts ingaan op het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen dat niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro, dat wordt beschreven in hoeverre in de actuele regionale behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. 19.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:307, volgt uit artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro niet dat eerst alle mogelijke inbreidings- en transformatielocaties moeten zijn bebouwd voordat tot uitbreiding van bestaand stedelijk gebied kan worden besloten. Het college kan, mits deugdelijk gemotiveerd, ervoor kiezen om een uitbreiding mogelijk te maken voordat alle inbreidings- en transformatielocaties zijn benut, indien de actuele regionale behoefte groter is dan de binnen bestaand stedelijk gebied en bestaand stads- en dorpsgebied aanwezige mogelijkheden ter leniging daarvan. In verweer heeft het college gesteld dat op de overige locaties in het dorp Oude-Tonge weinig fysieke ruimte aanwezig is voor nieuwe woningbouw en dat voor de beschikbare ruimte reeds plannen zijn opgesteld. Ter zitting heeft het college hieraan toegevoegd dat op zeer korte termijn zal worden overgegaan tot actieve sanering ten aanzien van plannen die betrekking hebben op de kern Oude-Tonge en dat er zal worden afgeprogrammeerd met toepassing van de Methode Bregman. Zoals hiervoor is overwogen, zijn deze stellingen van het college gebaseerd op te onzekere omstandigheden en een te beperkte cijfermatige onderbouwing. Indien het gestelde over de afprogrammering komt vast te staan, is niet uitgesloten dat daardoor binnen bestaand stedelijk gebied geschikte ruimte beschikbaar komt voor de voorziene ontwikkeling. Het college dient dan ook aan de hand van de uitkomsten van nader onderzoek naar de actuele regionale behoefte bij handhaving van het voornemen de voorziene woningen buiten bestaand stedelijk gebied te realiseren nader te motiveren waarom voor die uitbreiding is gekozen voordat alle inbreidings- en transformatielocaties zijn benut. Gelet op het vorenstaande verdraagt het bestreden besluit zich niet met artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro, alsmede artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte
- De desbetreffende betogen slagen. Geluid
- [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat het rapport Akoestisch onderzoek Molenpolder Oude-Tonge van KuiperCompagnons van 29 maart 2016 niet volledig is en dat op grond daarvan niet kan worden geconcludeerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. In het onderzoek wordt volgens hen ten onrechte uitsluitend uitgegaan van 30 km/u-wegen binnen het plangebied en ontsluiting van het plangebied op de Molenweg. Nu binnen het gehele bestemmingsvlak "Woongebied" wegen mogen worden aangelegd, had volgens hen bij het bepalen van de geluidbelasting ook de mogelijkheid van de aanleg van een weg direct aan de achterzijde van het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] moeten worden meegenomen. Er zou volgens hen een grote parkeerplaats voor alle nieuwe woningen aan de oostzijde van het plangebied kunnen worden aangelegd met een ontsluiting direct langs dit perceel. Verder is het effect van brommers volgens hen ten onrechte buiten beschouwing gelaten. Voorts is volgens hen ten onrechte niet gemotiveerd waarom ter plaatse van onder andere de toetspunten 116A en B, 126A en 134A tot en met 138B een verdere overschrijding van de voorkeursgrenswaarde aanvaardbaar is. 20.
- Het college stelt dat in het plan de maximale snelheid op een weg niet kan worden gereguleerd. De gehele omgeving van het plangebied (Molenweg, Zuiddijk, Molendijk) bestaat uit wegen met een maximale snelheid van 30 km/u. Dat zal voor de nieuwe wegenstructuur in het plangebied vanzelfsprekend niet anders zijn, zodat daarvan in het verkeersonderzoek terecht is uitgegaan, aldus het college. Voorts is er volgens het college terecht van uitgegaan dat de enige ontsluiting voor gemotoriseerd verkeer via de Molenweg zal zijn, zodat het niet noodzakelijk was om in het akoestisch rapport andere ontsluitingswegen te onderzoeken. Ten aanzien van de geluidbelasting ter plaatse van het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] (toetspunt 100) stelt het college dat deze vanwege de voorziene ontsluitingsweg naar de Molenweg (westzijde) maximaal 45 dB bedraagt, hetgeen voldoet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het college stelt dat het in theorie mogelijk is dat direct aan de achterzijde van het perceel [locatie 3] ook een weg wordt aangelegd. Gezien het feit dat over dit weggedeelte nooit de volledige verkeersgeneratie zal verlopen (aangezien het niet de ontsluitingsroute is), is het volgens het college niet aannemelijk dat de geluidbelasting dan boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal komen. Ten aanzien van het geluid van brommers stelt het college dat de geluidbelasting voor wegverkeerslawaai is berekend op grond van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, zoals dat ook wordt vereist door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh). Het geluid van brommers wordt volgens het college alleen specifiek meegewogen indien er concrete aanleiding bestaat dat deze voor een relevante geluidtoename zorgen. Er is volgens het college echter geen aanleiding om te verwachten dat de ontwikkeling van de Molenpolder zal leiden tot meer bromfietsverkeer dan gemiddeld in Nederland en daarmee tot een significante geluidbelasting. Ten aanzien van de genoemde toetspunten stelt het college dat op wegen waar een toegestane rijsnelheid geldt van 30 km/u de Wgh niet van toepassing is. Vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening heeft het college in beeld gebracht of en welke gevolgen de realisatie van de nieuwe woonwijk heeft op de geluidsituatie bij de bestaande woningen langs de wegen waarop een relevante toename van de verkeersintensiteit optreedt. Om dit te kunnen beoordelen heeft het college de rekensystematiek van de Wgh toegepast. Dit betekent dat het college een geluidbelasting tot 48 dB aanvaardbaar acht en een geluidtoename van afgerond 1 dB als niet significant beschouwt. Behoudens toetspunt 119A en 119B is voor alle overige toetspunten de geluidtoename lager dan 1,5 dB boven de grens van 48 dB, aldus het college. Daarbij is volgens het college alleen op toetspunten 134A tot en met 138B de waarde hoger dan 48 dB in de bestaande situatie (dus zonder ontwikkeling Molenpolder). Dat in de bestaande situatie zonder de ontwikkeling van de Molenpolder sprake is van een geluidbelasting boven 48 dB kan niet toegeschreven worden aan de ontwikkeling van de Molenpolder, aldus het college. 20.
- In het Akoestisch onderzoek Molenpolder Oude-Tonge van KuiperCompagnons van 29 maart 2016 wordt het gehanteerde toetsingskader weergegeven. Vermeld wordt dat de Wgh uitsluitend van toepassing is voor situaties waarin bijvoorbeeld nieuwe woningen worden geprojecteerd langs wegen waarlangs een onderzoekszone is gelegen. Wegen waarop een wettelijk toegestane rijsnelheid geldt van 30 km/u hebben vanuit de Wgh geen onderzoeksverplichting. Daarnaast is onderzoek noodzakelijk bij de aanleg van een 50 km/u weg of de fysieke wijziging van zo’n weg. Omdat de meeste bestaande en de nieuw aan te leggen ontsluitingswegen in en direct rond het plan "Molenpolder" binnen de kom van Oude-Tonge zijn gelegen en een wettelijk toegestane rijsnelheid kennen van 30 km/u is een onderzoek op grond van de Wgh daar niet noodzakelijk. Omdat uitsluitend een toename van het verkeer zonder fysieke wijzigingen aan een bestaande weg met een wettelijk toegestane rijsnelheid van 50 km/u (zoals op de Langeweg en de Capelleweg aan de orde is) niet onder de noemer van een reconstructie valt, is de Wgh ook in deze situatie niet van toepassing. Vermeld wordt voorts dat het voorgaande niet wegneemt dat vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beeld moet worden gebracht of en welke gevolgen de realisatie van de nieuwe woonwijk heeft op de geluidsituatie bij de bestaande woningen langs de wegen waarop een relevante toename van de verkeersintensiteit optreedt. Om de verandering kwantitatief te kunnen beoordelen zijn wel de rekensystematiek en het normenstelsel van de Wgh gehanteerd. In de Wgh is voor wegverkeerslawaai een voorkeursgrenswaarde vastgelegd van 48 dB. Bij een geluidbelasting die 48 dB of lager is, is sprake van een redelijke geluidsituatie en zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk. Van een reconstructie in de zin van de Wgh is sprake als gevolg van een verandering van een weg de geluidbelasting toeneemt met 1,5 dB of meer. Bovengenoemd toetsingskader is ook toegepast voor het beoordelen van de (verandering van de geluidsituatie) bij de bestaande woningen. Dit betekent dat een geluidbelasting tot 48 dB aanvaardbaar wordt geacht en dat een geluidtoename van afgerond 1 dB als niet significant wordt beschouwd. 20.
- Artikel 2, lid 2.1, aanhef en onder c, van de planregels luidt: "De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: […] c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water en watergangen, groen toegangswegen- en paden en parkeervoorzieningen op eigen terrein." 20.
- Zoals hiervoor is overwogen, onder 16.2.2, is bij het besluit van 9 augustus 2016 aan de noordwestelijke uitstulping van het plangebied die aansluit op de Molenweg de functieaanduiding "ontsluiting" toegekend. Het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 3] grenst aan de bovenzijde van deze uitstulping. Tevens is bij het besluit van 9 augustus 2016 artikel 2, lid 2.4.4, van de planregels opgenomen, op grond waarvan uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "ontsluiting" een ontsluiting voor autoverkeer op de bestaande wegenstructuur mag worden gerealiseerd, niet zijnde een wijkontsluitingsweg. Zoals hiervoor is overwogen is door de uitsluiting van een wijkontsluitingsweg - waar met een snelheid van 50 of 70 km/u moet kunnen worden gereden − de vrees dat daarvan wel sprake zal zijn, niet gerechtvaardigd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het onderzoek ten onrechte is uitgegaan van 30 km/u-wegen binnen het plangebied en ontsluiting van het plangebied op de Molenweg. Uit artikel 77 in samenhang met artikel 74, eerste lid en tweede lid onder b, van de Wgh volgt dat deze wet niet van toepassing is op 30 km/u-wegen. Dit laat onverlet dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of ter plaatse van de woning van betrokkenen wat betreft de geluidbelasting een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Daargelaten of de aanleg van een parkeerplaats aan de oostzijde van het plangebied, met een ontsluiting van die parkeerplaats direct achter het perceel van [appellant sub 2] aan de [locatie 3], realistisch is, moet worden vastgesteld dat de afstand van de woning op het perceel [locatie 3] tot de plangrens ongeveer 24 meter bedraagt. Gelet op de geluidbelasting van 45 dB die de woning zal ondervinden van de ontsluitingsweg van het plangebied op de Molenweg (westzijde) acht de Afdeling het niet aannemelijk dat met de bijdrage van een weg achter het perceel [locatie 3] langs, de door het college gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB zou worden overschreden. In artikel 1.1, tweede lid, van Bijlage III behorende bij Hoofdstuk 3 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012, waarbij het college aansluiting heeft gezocht, worden categorieën motorvoertuigen onderscheiden. Volgens paragraaf 7.1 van de toelichting in deze bijlage is gebleken dat motorrijwielen slechts een zodanig gering deel uitmaken van de totale verkeersstroom, dat ze doorgaans ook geen significante invloed hebben op het equivalente geluidniveau. Ze zijn daarom niet opgenomen in de in ogenschouw te nemen categorieën motorvoertuigen. In gevallen waar voertuigentypen als bromfietsen en trams een relevante bijdrage leveren aan het equivalent geluidniveau, kan volgens de toelichting nader onderzoek nodig zijn. In dergelijke gevallen is een beschrijving en verantwoording van de gekozen methode nodig, aldus de toelichting. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college heeft miskend dat bromfietsen in dit geval een relevante bijdrage zullen leveren aan het equivalente geluidniveau. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat hiernaar geen nader onderzoek nodig was. De toetspunten worden weergegeven in Bijlage 4 van het akoestisch rapport van KuiperCompagnons. Uit de tabel blijkt dat er op de punten 116A en B en 126A zonder planontwikkeling geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is. Het plan leidt wel tot een toename, maar die blijft binnen de gehanteerde marge van afgerond 1 dB. Op de punten 134A tot en met 138B is zonder het plan wel reeds sprake van een overschrijding. Het plan leidt tot een toename van deze overschrijding, maar die blijft binnen de gehanteerde marge van afgerond 1 dB. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college deze waarden in redelijkheid aanvaardbaar kunnen achten. De betogen falen.
- [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat de voorwaardelijke verplichting die in artikel 2, lid 2.4.5, van de planregels is opgenomen voor de woning [locatie 2] rechtsonzekerheid meebrengt, aangezien wordt verwezen naar een voor onder anderen de uitvoerder niet juridisch bindende bijlage bij de plantoelichting. Dat met de uitvoerder privaatrechtelijke afspraken zijn gemaakt geeft omwonenden evenmin rechtszekerheid. [appellant sub 1] stelt dat voor zover de aanvullende maatregelen dienen te leiden tot een beperking van de geluidtoename van maximaal 1,5 dB het besluit onuitvoerbaar is, nu er geen ruimte is voor een verbreding. Een drempel zorgt voor nog meer verkeersonveiligheid en kan niet omdat er daardoor geen mogelijkheid bestaat om uit te wijken voor andere verkeersdeelnemers. Eenrichtingverkeer zou er toe leiden dat de Molendijk niet gezien kan worden als hoofdontsluitingsweg. Geluidisolatie lijkt alleen aan de orde als de Molendijk geschikt is als hoofdontsluiting en dat is de Molendijk niet, aldus [appellant sub 1]. [appellant sub 4] en anderen betogen dat uit artikel 2, lid 2.4.5, van de planregels niet blijkt wat het referentiepunt is, waar de waarde van 1,5 dB moet worden bepaald. 21.
- Het college stelt dat bij de woning [locatie 2] ten gevolge van het plan een geluidtoename van meer dan 1,5 dB zal optreden. Daarom was in het plan van 12 april 2016 een voorwaardelijke verplichting opgenomen, welke bij het besluit van 9 augustus 2016 is gecorrigeerd en aangescherpt. Het is volgens het college toegestaan om te verwijzen naar een bijlage die onderdeel uitmaakt van het wijzigingsplan. 21.
- Artikel 2, lid 2.4.5, van de planregels luidt: "a. Bij de ingebruikneming van de eerste woning in het plangebied moet de Molendijk en Molenweg zijn ingericht en daarna in stand worden gehouden met toepassing van het asfalt-type waardoor toename van de geluidbelasting binnen de waarde van 1,5 dB blijft één en ander zoals aangegeven in bijlage 3 van de toelichting "Notitie akoestisch onderzoek". Het bepaalde onder a is niet van toepassing indien aan de woning aan de [locatie 2] zodanige gevelmaatregelen zijn getroffen dat daarmee de binnenwaarde van 33 dB is gewaarborgd, op basis van een geluidsbelasting zoals berekend in de "Notitie akoestisch onderzoek" (bijlage 3 van de toelichting) bij een maximale planinvulling." 21.
- In artikel 2, lid 2.4.5, van de planregels wordt verwezen naar bijlage 3 van de plantoelichting. Dit betreft het Akoestisch onderzoek Molenpolder Oude-Tonge van KuiperCompagnons van 29 maart
- Bijlage 4 van dit rapport bevat een kaart betreffende "Aanduiding gedeelte wegdek ter vervanging door een stiller type verharding". Dat dit een niet juridisch bindend document is, is niet van belang. De gehoudenheid om te voldoen aan het gestelde in het Akoestisch onderzoek Molenpolder Oude-Tonge volgt uit de verwijzing hiernaar in artikel 2, lid 2.4.5, van de planregels. Anders dan [appellant sub 1] kennelijk meent, wordt in artikel 2.4.5, onder a, van de planregels niet beoogd de geluidbelasting terug te brengen door het verbreden van de weg. Het gaat om toepassing van het asfalt-type waardoor toename van de geluidbelasting binnen de waarde van 1,5 dB blijft. Artikel 2.4.5, onder b, van de planregels ziet op het treffen van gevelmaatregelen. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat geluidisolatie niet aan de orde is, omdat de Molendijk niet geschikt is als hoofdontsluiting, overweegt de Afdeling dat het betoog dat de Molendijk ongeschikt is als hoofdontsluiting geen doel treft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 16.3.
- Overigens heeft [appellant sub 1] niet nader onderbouwd waarom artikel 2.5.4, onder b, van de planregels in dat geval niet had kunnen worden gesteld. Het betoog dat uit artikel 2, lid 2.4.5, van de planregels niet blijkt wat het referentiepunt is, treft geen doel omdat het referentiepunt