← Nederland

ECLI:NL:RVS:2017:3530

201607260/1/R

  1. Datum uitspraak: 20 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. [appellant sub 1], wonend te Hunsel, gemeente Leudal,
  3. [appellante sub 2], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,
  4. [appellante sub 3], waarvan de maten zijn [maat A] en anderen, gevestigd te Neeritter, gemeente Leudal,
  5. [appellante sub 4], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Baexem, gemeente Leudal,
  6. Vokar Onroerend Goed B.V., gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,
  7. [appellante sub 6], gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,
  8. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], beiden wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
  9. [appellant sub 8A] en [appellante sub 8B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 8]), beiden wonend te Heibloem, gemeente Leudal,
  10. [appellant sub 9], wonend te Heibloem, gemeente Leudal,
  11. Holmel B.V., gevestigd te Heibloem, gemeente Leudal,
  12. Dubeco B.V. en Dubeco Beheer B.V. (hierna: Dubeco), gevestigd te Roggel, gemeente Leudal,
  13. [appellant sub 12], gevestigd te Roggel, gemeente Leudal,
  14. [appellant sub 13], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
  15. [appellant sub 14], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
  16. [appellante sub 15], gevestigd te [plaats],
  17. [appellant sub 16], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,
  18. [appellante sub 17], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Ell, gemeente Leudal,
  19. [appellante sub 18], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Grathem, gemeente Leudal,
  20. [appellant sub 19], wonend te Baexem, gemeente Leudal,
  21. [appellante sub 20], waarvan de maten zijn [maat A] en [maat B], gevestigd te Heythuysen, gemeente Leudal,
  22. [appellant sub 21], wonend te Heythuysen, gemeente Leudal,
  23. [appellante sub 22], waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], gevestigd te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,
  24. [appellant sub 23], wonend te Hunsel, gemeente Leudal, en de raad van de gemeente Leudal, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 12 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Reparatie- en veegplan Buitengebied Leudal 2016" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 en 28 september 2017, waar het merendeel van de partijen in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Overwegingen Toetsingskader
  25. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het plan
  26. Het plan is vastgesteld als reparatie- en veegplan naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
  27. In deze uitspraak heeft de Afdeling het besluit van de raad van 18 november 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" gedeeltelijk vernietigd. Door middel van het plan heeft de raad opnieuw besloten over de vernietigde planonderdelen. Daarnaast heeft de raad op eigen initiatief enkele aan het licht gekomen omissies beoogd te herstellen. Bijlage
  28. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De beroepen Definitie begrip "bestaande veestapel" ([appellant sub 1], Vokar Onroerend Goed B.V., [appellante sub 6], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellante sub 15] en [appellant sub 16])
  29. [appellant sub 1], Vokar Onroerend Goed B.V., [appellante sub 6], [appellant sub 13], [appellant sub 14], [appellante sub 15] en [appellant sub 16] (hierna allen gezamenlijk: veehouders) zijn exploitanten van (intensieve) veehouderijen in het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met de definitie van het begrip "bestaande veestapel" in artikel 1, lid 1.31, onder c, van de planregels. Volgens de veehouders volgt uit deze definitie niet eenduidig hoe de referentiesituatie dient te worden vastgesteld, hetgeen leidt tot een rechtsonzekere situatie. In dit verband is van belang dat op grond van de gebruiksbepalingen voor de onderscheidenlijke agrarische bestemmingen die het plan kent, geldt dat een uitbreiding van de veestapel van veehouderijen niet is toegestaan, indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie. Volgens de veehouders is onduidelijk op welke wijze het aantal gehouden dieren "op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan" dient te worden bepaald. Uit de definitiebepaling lijkt te volgen dat het feitelijke aantal dieren dat - toevalligerwijs - in de stal legaal aanwezig is (net) voor de inwerkingtreding van het plan beslissend is. Een dergelijke wijze van het vaststellen van de omvang van de bestaande veestapel betreft een momentopname, waarbij geen rekening wordt gehouden met de onvermijdelijke fluctuaties in de omvang van de veestapel gedurende het jaar, althans met een bepaalde "productiecyclus". Ook is volgens de veehouders niet duidelijk wat wordt bedoeld met een "legale" omvang van de veestapel. De veehouders voeren verder aan dat in geval voor de veehouderij een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) is verleend beoogd is voor de toegelaten omvang van de veestapel aan te sluiten bij de vergunde situatie. Artikel 1, lid 1.31, onder c, van de planregels is volgens de veehouders evenwel onduidelijk en onvolledig in geval voor het toegelaten gebruik de vergunde situatie beslissend is. Volgens de veehouders valt niet in te zien waarom in dit verband uitsluitend betekenis toekomt aan een Nbw-vergunning. De Nbw 1998 kent ook andere instrumenten die - materieel bezien - toestemming geven voor een bepaalde stikstofemissie. De veehouders wijzen in dit verband op de situatie waarin gebruik kan worden gemaakt van de in het kader van het "Programma Aanpak Stikstof" gereserveerde depositieruimte. Dit kan gaan om activiteiten waarvoor op grond van het PAS geen individueel toestemmingsvereiste geldt en volstaan kan worden met een melding alsook om activiteiten die vanwege de (zeer) geringe stikstofdepositie (minder dan 0,05 mol per hectare per jaar) niet gemeld behoeven te worden. Ook dient een verklaring van geen bedenkingen, die is afgegeven in het kader van een omgevingsvergunning voor een project dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, gelijkgesteld te worden aan een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998, aldus de veehouders. 4.
  30. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) in werking getreden en zijn de Nbw 1998 en Flora- en faunawet ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil, nu het plan is vastgesteld vóór 1 januari 2017, moet worden beoordeeld aan de hand van het voor die datum geldende recht. 4.
  31. Ten aanzien van de planologische regeling voor het houden van vee staat in de plantoelichting dat de meest pragmatische en robuuste regeling een regeling is, waarin ontwikkelingen alleen zijn toegelaten indien deze niet leiden tot een toename van stikstofemissie, het zogenaamde "slot op de schoorsteen". Met deze in het plan opgenomen regeling is geborgd dat er geen toename van stikstofemissie optreedt op Natura 2000-gebieden, ook niet cumulatief. Er is geen uitstel van onderzoek of afweging: bij vaststelling van het bestemmingsplan is duidelijk dat er geen toename van stikstofemissie/depositie optreedt en daarmee geen negatief effect op Natura 2000-gebieden. Er is verder geen relatie met de Nbw 1998 en daarmee geen sprake van doorkruisen van bevoegdheden van verschillende bevoegde gezagen. Een regeling uitgaande van "geen toename van stikstofemissie" is uitvoerbaar. Veehouders kunnen door gebruik van schonere stalsystemen de stikstofstofemissie op het bestaande bedrijf verminderen en daarmee ruimte creëren voor uitbreiding (intern salderen), aldus de plantoelichting. In de plantoelichting staat verder dat voor zover op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan vergunningen op grond van de Nbw 1998 aanwezig zijn, de omvang van de bestaande veestapel het maximum aantal dieren betreft zoals krachtens de vergunningen op grond van de Nbw 1998 is toegestaan. Indien geen vergunningen op grond van de Nbw 1998 zijn verleend, wordt de omvang bepaald op basis van de feitelijk legaal aanwezige veestapel en de feitelijk aanwezige stalsystemen en voorzieningen ter beperking van de emissie van stikstof op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. De omvang van de feitelijk legaal aanwezige veestapel betreft in dat geval de meest gangbare oftewel de gemiddeld aanwezige veestapel, aldus de plantoelichting. Voor een nadere toelichting van de planregeling die de raad heeft beoogd vast te stellen wordt in de plantoelichting verwezen naar het document "Aanvullende motivatie aspecten m.e.r. en passende beoordeling" van 9 maart 2016, dat gevoegd is als bijlage bij de plantoelichting. 4.
  32. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat wat betreft de vaststelling van de referentiesituatie, is aangesloten bij de systematiek die is uiteengezet in de uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 (Weststellingwerf). De referentiesituatie wordt afgeleid uit het feitelijk aantal legaal aanwezige dieren op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan. Omdat in concrete situaties rekening wordt gehouden met emissiebeperkende voorzieningen, dient als referentie evenwel niet het aantal dieren, maar de bestaande legale stikstofemissie. Volgens de raad wordt met "feitelijk legaal aanwezige veestapel" bedoeld de gemiddelde omvang van de veestapel of het aantal dieren in de gemiddelde bedrijfssituatie, voor zover deze situatie niet in strijd was met het (voorheen geldende) bestemmingsplan. Indien op een agrarisch perceel dieren worden gehouden in een stal waar geen (omgevings)vergunning voor is verleend, tellen deze dieren derhalve niet mee voor het bepalen van de referentiesituatie. In geval voor een veehouderij een vergunning is verleend krachtens de Nbw 1998 geldt de vergunde emissie als planologisch toegelaten emissie, omdat in dat geval de gevolgen van een uitbreiding van de veestapel reeds (eerder) passend zijn beoordeeld, namelijk in het kader van de vergunningaanvraag, aldus de raad. 4.
  33. Uit de door de raad gegeven toelichting en gelet ook op het rapport "Aanvullende motivatie aspecten m.e.r. en passende beoordeling" dat ten grondslag is gelegd aan de "stikstof-regeling" in het plan, volgt dat de raad bij het vaststellen van de planregeling voor veehouderijen heeft willen aansluiten bij de systematiek die is uiteengezet in de genoemde uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2016 en dat een planregeling is beoogd die niet (of niet opnieuw) passend beoordeeld behoeft te worden ingevolge artikel 19j van de Nbw
  34. De door de raad vastgestelde planregeling wijkt evenwel op essentiële onderdelen af van de regeling die is uiteengezet in de uitspraak "Weststellingwerf". De regeling zoals beschreven in die uitspraak gaat uit van het feitelijk aanwezige legale veebestand ten tijde van de vaststelling van het plan en niet - zoals thans is vastgelegd in artikel 1.31, onder c, van de planregels - de inwerkingtreding daarvan. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling kan een passende beoordeling achterwege blijven indien als referentiesituatie geldt de feitelijke en planologisch toegestane situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan of - in andere bewoordingen - de planologisch legale situatie voor de vaststelling van het plan, echter alleen voor zover deze ook feitelijk is gerealiseerd. Als voorbeeld wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ
  35. Daarnaast kan in een plan, zonder dat een passende beoordeling behoeft te worden gemaakt, worden aangesloten bij de situatie die voortvloeit uit een Nbw-vergunning die ten tijde van het vaststellen van het plan onherroepelijk was en waaraan een passende beoordeling ten grondslag heeft gelegen en die in het plan een één op één inpassing heeft gekregen. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, kan gelet op artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw 1998 een (nieuwe) passende beoordeling achterwege blijven. Verder wijst de Afdeling erop dat indien in de planregels wordt verwezen naar een natuurbeschermingswetvergunning, dit uit een oogpunt van rechtszekerheid slechts aanvaardbaar is indien volstrekt duidelijk is om welke vergunning het gaat, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de datum en het kenmerk van de vergunning. Uit het voorgaande volgt dat de door de raad vastgestelde planregeling niet voldoet aan de voorwaarden voor het achterwege laten van een passende beoordeling. Voor het vastleggen van de referentiesituatie dient te worden aangesloten bij de (feitelijke) situatie op het moment van de vaststelling van het plan. Hoewel dit uitgangspunt wordt genoemd in het rapport "Aanvullende motivatie aspecten m.e.r. en passende beoordeling" is de in artikel 1.31, onder c, van de planregels vastgelegde regeling daar niet mee in overeenstemming, omdat daarin voor het peilmoment wordt aangeknoopt bij het moment van de inwerkingtreding van het plan. De definitiebepaling is verder ook niet in overeenstemming met de hiervoor uiteengezette voorwaarden voor het toepassen van artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw
  36. Uit het voorgaande volgt dat de raad een andere planregeling heeft vastgesteld dan hij heeft beoogd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 1.31, onder c, van de planregels is vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. 4.
  37. Bij de bespreking van de overige bezwaren van de veehouders tegen de definitie van het begrip "bestaande veestapel" wordt als uitgangspunt genomen dat de raad een planregeling voor veehouderijen heeft beoogd vast te stellen die niet (of niet opnieuw) passend beoordeeld behoeft te worden, omdat significante negatieve effecten van een uitbreiding van de veestapel op voorhand kunnen worden uitgesloten. Ten opzichte van de huidige redactie van artikel 1.31, onder c, van de planregels houdt dit in dat aangesloten dient te worden bij het juiste peilmoment voor de referentiesituatie (vaststelling van het plan) en dat, in geval een veehouderij over een vergunning krachtens de Nbw 1998 beschikt, aangesloten kan worden bij deze vergunning indien het een voor de vaststelling van het plan in rechte onaantastbare vergunning betreft, waar een passende beoordeling aan ten grondslag ligt en die één op één is ingepast in het plan. 4.
  38. Voor zover de veehouders betogen dat niet duidelijk is of (de begrenzing van) de referentiesituatie ziet op het aantal dieren of de stikstofemissie, overweegt de Afdeling als volgt. Hoewel in de bestreden definitiebepaling niet nadrukkelijk staat dat voor de referentiesituatie wordt aangesloten bij de stikstofemissie, kan hierover geen misverstand bestaan in geval de definitiebepaling wordt bezien in samenhang met de onderscheidenlijke gebruiksverboden voor gronden met een agrarische bestemming. Uit deze gebruiksverboden blijkt dat een uitbreiding van de veestapel niet is toegestaan, indien dit leidt tot een toename van de stikstofemissie vanaf het betreffende agrarische bedrijf. Dit betekent dat een uitbreiding van de veestapel is toegestaan, indien op het bedrijf zelf zodanige maatregelen worden getroffen dat de stikstofemissie vanaf het bedrijf ten opzichte van de referentiesituatie niet toeneemt. Het betoog faalt. 4.
  39. De Afdeling overweegt dat de raad niet heeft beoogd de feitelijke omvang van de veestapel afhankelijk te stellen van een momentopname, (net) voor de vaststelling van het plan. Een dergelijke handelwijze kan er immers toe leiden dat vanwege toevallige fluctuaties in de omvang van de veestapel, die inherent (kunnen) zijn aan de agrarische bedrijfsvoering, de gebruiksmogelijkheden van (intensieve) veehouderijen onnodig worden beperkt. Hoewel de raad de intentie heeft gehad een planregeling vast te stellen waarin rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat de stalbezetting op het peilmoment onder de representatieve feitelijke bedrijfssituatie kan liggen, is dit niet duidelijk geborgd in het plan, daar in artikel 1, lid 1.31, van de planregels enkel wordt gerefereerd aan de feitelijk aanwezige veestapel op het peilmoment. Genoemde bepaling is in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. 4.
  40. De Afdeling volgt het standpunt van de raad dat met "legaal aanwezig" wordt gedoeld op "planologisch legaal", in de zin dat de feitelijke situatie niet in strijd mag zijn met het geldende planologische regime voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Zoals hiervoor in 4.4 is overwogen, is deze uitleg in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de Afdeling. Een nadere duiding van het begrip "legaal" is naar het oordeel van de Afdeling niet noodzakelijk. Het betoog faalt. 4.
  41. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat hij onder "vergunningen op grond van de Nbw 1998" als bedoeld in artikel 1, lid 31, onder c, van de planregels ook verstaat andere gevallen waarin op grond van het PAS toestemming bestaat voor een toename van de stikstofemissie, zoals de situatie waarin kan worden volstaan met een melding en in geval van activiteiten die vanwege de (zeer) geringe stikstofdepositie (minder dan 0,05 mol per hectare per jaar) niet gemeld behoeven te worden. Naar het oordeel van de Afdeling volgt deze bedoeling van de raad evenwel niet uit de huidige redactie van artikel 1, lid 31, onder c, van de planregels. Zoals overwogen in 4.4 heeft de raad beoogd voor veehouderijen een planregeling vast te stellen die niet (of niet opnieuw) passend beoordeeld behoeft te worden ingevolge artikel 19j van de Nbw
  42. De Afdeling overweegt dat zij thans, gelet op haar uitspraak van 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1259, de vraag of voor een planregeling die voorziet in een ontwikkeling die een toename van stikstofemissie ten opzichte van de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan mogelijk maakt en waarvoor voor de vaststelling van het plan een melding is gedaan op grond van het PAS-beoordelingskader, toepassing kan worden gegeven aan artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw 1998, niet kan bespreken. Datzelfde geldt voor de gevallen die onder de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar blijven. Zij ziet hierin echter, gelet op de hiervoor onder 4.4 geconstateerde gebreken in de regeling, geen aanleiding voor aanhouding van deze zaak. 4.
  43. Voor zover een aantal veehouders betoogt dat voor het bepalen van de omvang van de bestaande veestapel (ook) rekening dient te worden gehouden met vergunningen krachtens artikel 19d van de Nbw, die ten tijde van de vaststelling van het plan in voorbereiding waren en pas worden verleend (of: in rechte onaantastbaar worden) nadat het plan is vastgesteld, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 (Weststellingwerf), onder 49.9, dat de vaststelling van een plan dat een dergelijke regeling bevat op grond van een passende beoordeling de zekerheid dient te zijn verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Gelet op het uitgangspunt van de raad een planregeling voor veehouderijen vast te stellen, die niet passend beoordeeld behoeft te worden, heeft de raad terecht afgezien van deze door de veehouders gewenste aanvulling (of: verruiming) van de definitie van het begrip "bestaande veestapel". Het betoog faalt. 4.
  44. De Afdeling is ten slotte van oordeel dat een omgevingsvergunning voor een project dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, die is verleend met toepassing van artikel 2.27 van de Wabo en nadat de noodzakelijke toestemming als bedoeld in artikel 47b van de Nbw 1998 (thans: artikel 6.10a van het Bor) is verleend, in materieel opzicht een vergunning krachtens artikel 19d van de Nbw 1998 (thans: artikel 2.7, tweede lid van de Wnb) betreft. Nu de raad heeft beoogd een planregeling vast te stellen waarbij voor de toegelaten omvang van de bestaande veestapel wordt aangesloten bij een voor de vaststelling van het plan in rechte onaantastbaar geworden vergunning krachtens artikel 19d, van de Nbw 1998, bestaat geen aanleiding om niet dezelfde betekenis toe te kennen aan de "Nbw 1998-toestemming" die is afgegeven in het kader van een verleende omgevingsvergunning, mits voldaan wordt aan de voorwaarden die voor de toepassing van artikel 19j, vijfde lid, van de Nbw 1998 voor het achterwege laten van een (nieuwe) passende beoordeling (onherroepelijk voor de vaststelling, verleend met passende beoordeling en het plan moet een één op één inpassing zijn). Het betoog slaagt. Conclusie 4.
  45. Samenvattend volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen dat de definitie van het begrip "bestaande veestapel" in artikel 1.31, onder c, van de planregels gebrekkig is. In geval voor het bepalen van de toegelaten omvang van de veestapel wordt aangesloten bij de bestaande situatie is de definitie onzorgvuldig tot stand gekomen, omdat de raad - anders dan hij heeft beoogd - niet heeft aangesloten bij de systematiek die (onder meer) is uiteengezet in de uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1515 (Weststellingwerf). Ook in geval voor het toegelaten gebruik wordt aangesloten bij een verleende Nbw 1998-vergunning, voldoet de planregeling niet aan de ingevolge het vijfde lid van artikel 19j, van de Nbw 1998 geldende voorwaarden voor het achterwege laten van een passende beoordeling. Het beroep van [appellant sub 1] voor het overige
  46. [appellant sub 1] exploiteert een akkerbouwbedrijf en varkenshouderij op het perceel [locatie 1] in Hunsel. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met de aanduiding "overige zone - kernrandzone", voor zover deze rust op het deel van zijn perceel dat is aangeduid als "bouwvlak". De bestreden aanduiding heeft volgens [appellant sub 1] tot gevolg dat hij zijn intensieve veehouderij ter plaatse niet mag uitbreiden. Volgens [appellant sub 1] dient de aanduiding te worden geschrapt. Als uitgangspunt voor de ligging van de kernrandzone is de afstand tot de begrenzing van de dorpskern van Hunsel gehanteerd. Concreet is uitgegaan van de afstand tot de begrenzing van het plangebied van het bestemmingsplan "Kern Hunsel" uit
  47. De raad heeft volgens [appellant sub 1] bij het vastleggen van de contour van de kernrandzone ten onrechte geen rekening gehouden met de planologische mogelijkheden van de gronden die deel uitmaken van de kern van Hunsel. Indien de raad wel rekening had gehouden met het toegelaten gebruik van de gronden binnen de dorpskern, zou het bouwvlak van [appellant sub 1] buiten de kernrandzone vallen, daar de afstand tussen het bouwvlak van [appellant sub 1] en "milieugevoelige bestemmingen" binnen de kern van Hunsel meer dan 200 m bedraagt. In dit verband wijst [appellant sub 1] in het bijzonder op de gronden met de bestemming "Agrarisch" in het noordoostelijke deel van de kern van Hunsel. [appellant sub 1] betoogt tevens dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom een betrekkelijk grote afstand van 200 m aangehouden dient te worden tussen de kern van Hunsel en het buitengebied. Ook is de planregeling voor de kernrandzone, die inhoudt dat het aantal dieren niet mag toenemen, onnodig beperkend en niet doeltreffend, aldus [appellant sub 1]. 5.
  48. Volgens de raad wordt met het vastleggen van de "kernrandzone" beoogd een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen dorpskernen en gebieden/percelen met hoge dierconcentraties. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 november 2015 geoordeeld dat het beleid dat ten grondslag ligt aan het vastleggen van de kernrandzone niet onredelijk is, aldus de raad. 5.
  49. Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 1] de bestemming "Agrarisch" toegekend. Een deel van het perceel is aangeduid als "bouwvlak". Ter plaatse van het bouwvlak rust de aanduiding "intensieve veehouderij". Een groot deel van het bouwvlak is tevens aangeduid als "kernrandzone". 5.
  50. In de plantoelichting staat dat rond de kernen een kernrandzone van 200 m geldt. Deze zone is geïntroduceerd om een scheiding aan te brengen tussen mens- en dierconcentraties. Binnen deze aanduiding mag geen uitbreiding plaatsvinden van de bestaande intensieve veehouderij en zijn geen agrarische bedrijven mogelijk met een bouwvlak groter dan 2,5 ha. Om deze scheiding tussen mens- en dierconcentraties verder te vervolmaken, is de gemeente voornemens hiertoe actief beleid te voeren. Indien op een locatie langer dan drie jaar (aangesloten) geen gebruik is gemaakt van de aanwezige mogelijkheden voor intensieve veehouderij, kan de gemeente deze aanduiding "intensieve veehouderij" verwijderen. Hiertoe is in de regels van dit bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt de aanduiding "intensieve veehouderij" van een perceel te schrappen. Zodra de aanduiding is geschrapt is het uitvoeren van intensieve veehouderij-activiteiten niet meer toegestaan, aldus de plantoelichting. 5.
  51. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 november 2015 geoordeeld over de aanvaardbaarheid van de kernrandzone en in het bijzonder over de wijze waarop de afstand tussen agrarische bedrijven en de woonkernen is bepaald. Zij heeft in haar uitspraak van 18 november 2015 als volgt overwogen: "De Afdeling is verder van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het ongewenst is dat intensieve veehouderijen in een kernrandzone rond dorpskernen doorgroeien. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in dit verband terecht gewezen op de grote ruimtelijke impact van intensieve veehouderijen op de omgeving. De stallen hebben een grote omvang en door hun verschijningsvorm is sprake van een grote impact op het landschap. Voorts heeft de raad er in redelijkheid belang aan kunnen hechten dat het vanuit het oogpunt van volksgezondheid wenselijk is een scheiding tussen mens- en dierconcentraties tot stand te brengen. [appellant sub 1] heeft ter zitting niet aannemelijk gemaakt dat de gekozen breedte van de kernrandzone van 200 m rondom een kleine landelijke kern zoals Hunsel onredelijk zou zijn. Voor zover [appellant sub 1] heeft betoogd dat de gebiedsaanduiding "overige zone - kernrandzone" had moeten worden toegekend aansluitend aan de bestaande woningen en niet aansluitend aan de begrenzing van het plangebied van het bestemmingsplan "Kern Hunsel", omdat in het noordoostelijke deel van dat plangebied ten noorden van de woningen aan de Beukenstraat en ten zuiden van de kruising Schansstraat/Kraakstraat thans geen woningen aanwezig zijn maar enkel een hoveniersbedrijf en een agrarisch bedrijf, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij het toekennen van voornoemde aanduiding onder meer rekening is gehouden met toekomstige uitbreidingsmogelijkheden voor woningbouwlocaties in het gebied. Zo is inmiddels vergunning verleend voor de bouw van woningen ten oosten van de Kraakstraat. De keuze van de raad acht de Afdeling niet onredelijk." 5.
  52. De Afdeling ziet thans geen aanleiding anders te oordelen over deze beroepsgrond van [appellant sub 1] dan zij heeft gedaan in haar uitspraak van 18 november
  53. Het door de raad gehanteerde uitgangspunt dat de kernrandzone het gebied betreft binnen een afstand van 200 m tot de (begrenzing van de) dorpskern van Hunsel is ingegeven door de overweging dat voorkomen dient te worden dat eventuele toekomstige ontwikkelingen binnen de dorpskern, in het bijzonder woningbouw, worden gehinderd door een - tussentijdse - uitbreiding van omliggende intensieve veehouderijen. Om deze reden heeft de raad bij het vastleggen van de contour van de kernrandzone geen belang toegekend aan het planologisch toegelaten gebruik van de gronden binnen de kern. Het betoog faalt. 5.
  54. Met de gekozen breedte van de kernrandzone van 200 m wordt beoogd een effectieve ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen dichtbevolkte gebieden en intensieve veehouderijen, met het oog op het voorkomen of verminderen van vormen van hinder en risico’s voor de volksgezondheid. Gelet op de belangen die zijn gemoeid met het vastleggen van de kernrandzone ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een breedte van 200 m onredelijk is. Het betoog faalt. 5.
  55. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat een absoluut verbod op het uitbreiden van het aantal dieren binnen de kernrandzone niet noodzakelijk is, omdat de ruimtelijke gevolgen van een intensieve veehouderij niet uitsluitend afhankelijk zijn van het aantal gehouden dieren, maar ook van onder meer de gehouden soort en het gebruikte stalsysteem, overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het ruimtelijk instrument van de kernrandzone niet uitsluitend tot doel heeft het tegengaan van (geur)overlast. Met het vastleggen van de kernrandzone wordt beoogd een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen gebieden met hoge dierconcentraties en woongebieden. Dit beleid is mede gericht op het ontmoedigen van de intensieve veehouderij als zodanig binnen het gebied dat is aangewezen als kernrandzone. Het beperken van de uitbreidingsmogelijkheden, ook in gevallen waarin intern gesaldeerd zou kunnen worden, kan volgens de raad een stimulans zijn voor de verplaatsing van intensieve veehouderijen naar andere - meer geschikte - gebieden. Gelet op de door de raad gegeven toelichting is de Afdeling van oordeel dat het uitgangspunt dat binnen het gebied dat is aangewezen als kernrandzone het aantal dieren niet mag toenemen, niet onredelijk is. Het betoog faalt. Conclusie
  56. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft artikel 1, lid 1.31, onder c, van de planregels. De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld. Het beroep van [appellante sub 2]
  57. [appellante sub 2] exploiteert een pluimveehouderij op het perceel [locatie 2] in Heythuysen.
  58. [appellante sub 2] betoogt dat in het plan ten onrechte niet is voorzien in een bepaling die correspondeert met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" voor haar gronden. De aanduiding is thans zinledig, hetgeen de raad niet heeft beoogd, aldus [appellante sub 2]. 8.
  59. De raad stelt dat per abuis is nagelaten een bepaling op te nemen in artikel 5 van de planregels die correspondeert met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" voor gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 2". Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.
  60. [appellante sub 2] betoogt dat de situering van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" op haar perceel onjuist is ingetekend op de verbeelding. Als gevolg hiervan is een planregeling vastgesteld die de raad niet heeft beoogd. 9.
  61. Volgens de raad is de situering en de omvang van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" op het perceel van [appellante sub 2] niet deugdelijk vastgelegd op de verbeelding. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.
  62. [appellante sub 2] betoogt dat de aanduiding "overige zone - kernrandzone", leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van haar gronden. Deze aanduiding verbiedt een toename van het aantal gehouden dieren, hetgeen betekent dat [appellante sub 2] haar intensieve veehouderij ter plaatse niet kan uitbreiden. Volgens [appellante sub 2] is een dermate strikte regeling niet doeltreffend en niet nodig voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De gevolgen van een toename van het aantal dieren kunnen worden gemitigeerd door het treffen van aanvullende technische voorzieningen, aldus [appellante sub 2]. 10.
  63. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het ruimtelijk instrument van de kernrandzone niet uitsluitend tot doel heeft het tegengaan van (geur)overlast. Met het vastleggen van de kernrandzone wordt beoogd een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen gebieden met hoge dierconcentraties en woongebieden. Dit beleid is mede gericht op het ontmoedigen van de intensieve veehouderij als zodanig binnen het gebied dat is aangewezen als kernrandzone. Het beperken van de uitbreidingsmogelijkheden, ook in gevallen waarin intern gesaldeerd zou kunnen worden, kan volgens de raad een stimulans zijn voor de verplaatsing van intensieve veehouderijen naar andere - meer geschikte - gebieden. Gelet op de door de raad gegeven toelichting is de Afdeling van oordeel dat het uitgangspunt dat binnen het gebied dat is aangewezen als kernrandzone het aantal dieren niet mag toenemen, niet onredelijk is. Het betoog faalt.
  64. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover in artikel 5 van de planregels geen bepaling is opgenomen die het gebruik normeert van de voor "Agrarische doeleinden - 2" bestemde gronden, waarop tevens de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" rust. Het bestreden besluit dient tevens te worden vernietigd wat betreft de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" voor het perceel [locatie 2] in Heythuysen. Het beroep van [appellante sub 3]
  65. [appellante sub 3] exploiteert een fruitteeltbedrijf op de percelen [locatie 3] en [locatie 4] in Neeritter. [appellante sub 3] komt in beroep op tegen de planregeling voor de gronden van het nabijgelegen perceel Ringstraat 21 en tegen de aanduiding "spuitvrije zone" voor een deel van haar eigen gronden.
  66. [appellante sub 3] betoogt dat de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Ringstraat 21, direct ten noordwesten van haar perceel, leidt tot een onaanvaardbare beperking van haar bedrijfsvoering. In het voorheen geldende bestemmingsplan was aan dit perceel een agrarische bestemming toegekend. Op het perceel vindt feitelijk opslag plaats van agrarische producten. Dit gebruik, dat ook op grond van het plan is toegelaten, heeft geen gevolgen voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 3]. Echter, het plan laat volgens [appellante sub 3] zowel bij recht als na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid een wijziging van het gebruik toe. De gronden kunnen in gebruik worden genomen voor een milieugevoelige activiteit, zoals een kantoor of verkoopruimte. Een dergelijk gebruik is volgens [appellante sub 3] niet verenigbaar met de agrarische bedrijfsvoering op haar eigen perceel. 13.
  67. Volgens de raad zijn de gebruiksmogelijkheden van het perceel Ringstraat 21 verruimd ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan, met het oog op een eventuele verkoop van het perceel. Op het perceel zijn activiteiten toegelaten die vallen in milieucategorie 1 en 2 als bedoeld in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Deze activiteiten zijn over het algemeen inpasbaar in een woonomgeving, aldus de raad. 13.
  68. Aan het perceel Ringstraat 21 is de bestemming "Bedrijf" toegekend, met de aanduidingen "bouwvlak", "maximum bebouwingspercentage: 40" en "specifieke vorm van bedrijf - agrarisch opslagbedrijf". 13.
  69. Het beroep van [appellante sub 3] heeft geen betrekking op het als zodanig bestemmen van het bestaande gebruik van het perceel Ringstraat
  70. Haar bezwaar ziet op een eventuele wijziging van het gebruik ter plaatse, al dan niet na toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. Het gaat [appellante sub 3] in het bijzonder om activiteiten die als milieugevoelig aangemerkt kunnen worden, omdat het toestaan hiervan kan leiden tot beperkingen van de eigen (agrarische) bedrijfsvoering. 13.
  71. Het standpunt van [appellante sub 3] dat het plan reeds bij recht gevoelige functies toelaat op het perceel Ringstraat 21 is juist. Blijkens artikel 8, lid 8.1, onder a, van de planregels zijn op de gronden met de bestemming "Bedrijf" bedrijfsmatige activiteiten toegelaten in de categorieën 1 en 2 als opgenomen in de "Lijst van Bedrijfsactiviteiten", die gevoegd is als bijlage bij de planregels. Deze lijst van bedrijfsactiviteiten is (nagenoeg) gelijk aan de lijst die deel uitmaakt van de VNG-brochure. Op de lijst komen milieugevoelige functies voor in de categorieën 1 en 2, zoals verschillende vormen van de kantoorfunctie. Nu het bouwvlak op het perceel van [appellante sub 3] grenst aan het bouwvlak van het perceel Ringstraat 21, wordt niet voldaan aan de in de VNG-brochure aanbevolen richtafstanden tussen milieugevoelige en milieubelastende functies. In dit verband is van belang dat het fruitteeltbedrijf van [appellante sub 3] in de VNG-brochure wordt gekwalificeerd als een categorie 2-activiteit. Hierdoor dient in beginsel een richtafstand van 30 m in acht te worden genomen tussen de (agrarische) bedrijfsbebouwing en het perceel Ringstraat
  72. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre het toelaten van een milieugevoelige functie op het perceel Ringstraat 21 leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden op het perceel van [appellante sub 3]. Het betoog slaagt.
  73. [appellante sub 3] betoogt dat de aanduiding "milieuzone - spuitvrije zone" voor het noordelijke deel van haar perceel leidt tot een ernstige beperking van haar gebruiksmogelijkheden. Deze gronden zijn feitelijk in gebruik voor een fruitboomgaard. Een dergelijk gebruik was toegelaten in het voorheen gronden bestemmingsplan "Ringstraat/Op den Heuvel", vastgesteld door de raad bij besluit van 25 maart
  74. Op grond van dit bestemmingsplan was het toegelaten bestrijdingsmiddelen te gebruiken op het gehele perceel. Vanwege de toegekende aanduiding "milieuzone - spuitvrije zone" aan het noordelijke deel van het perceel is het gebruik van bestrijdingsmiddelen ter plaatse thans niet langer toegestaan. Zonder het gebruik van bestrijdingsmiddelen kan de fruitboomgaard niet (optimaal) worden geëxploiteerd. Het plan leidt tot een beperking van het bestaande legale gebruik van het perceel, aldus [appellante sub 3]. 14.
  75. De raad stelt dat hij in het plan een spuitvrije zone van ongeveer 50 m heeft opgenomen, met het oog op de bescherming van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen ten noorden van het perceel van [appellante sub 3]. In het voorheen geldende bestemmingsplan was voor het perceel van [appellante sub 3] per abuis nagelaten een spuitvrije zone vast te leggen. Deze omissie is thans hersteld, aldus de raad. 14.
  76. Aan het perceel van [appellante sub 3] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Aan de strook in het noorden van haar perceel, parallel aan de perceelgrens, is tevens de aanduiding "milieuzone - spuitvrije zone" toegekend. De breedte van deze strook bedraagt 30 m. Het gebied ten noordoosten van het perceel van [appellante sub 3] is een woongebied. Parallel aan de perceelsgrens van het perceel van [appellante sub 3] loopt een strook van woonpercelen. Deze "woonstrook" wordt gescheiden van het perceel van [appellante sub 3] door de Ringstraat en een groenstrook/grasveld. De afstand van het perceel van [appellante sub 3] tot de woningen bedraagt ongeveer 25 m. Het meest westelijke perceel van de genoemde woonstrook is feitelijk onbebouwd. Dit betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Hunsel, sectie A, nr.
  77. 14.
  78. Aan het perceel van [appellante sub 3] was in het voorheen geldende bestemmingsplan "Ringstraat/Op den Heuvel" de bestemming "Agrarisch" toegekend. Een groot deel van het bestemmingsvlak was tevens aangeduid als "bouwvlak". Het bouwvlak was niet toegekend aan de gronden in het noordelijke deel van het perceel, meer concreet aan een strook met een breedte van ongeveer 30 m, parallel aan de perceelgrens met de Ringstraat. Deze strook betreft (grofweg) het gedeelte van het perceel waar thans de aanduiding "milieuzone - spuitvrije zone" aan is toegekend. 14.
  79. Ter zitting is vast komen te staan dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan "Ringstraat/Op den Heuvel" overleg is gevoerd tussen de gemeente en [appellante sub 3]. In dit bestemmingsplan is de planregeling voor het perceel van [appellante sub 3] geactualiseerd en daarnaast is aan het meest westelijke perceel (A 3662) van de in 14.2 genoemde "woonstrook" een woonbestemming toegekend. [appellante sub 3] heeft ter zitting toegelicht dat zij bij de voorbereiding van het bestemmingsplan Ringstraat/Op den Heuvel heeft ingestemd met een spuitvrije zone van 50 m met betrekking tot het perceel A
  80. Haar beroep is niet gericht tegen de aanduiding "milieuzone - spuitvrijezone", voor zover deze rust op het deel van haar gronden dat gesitueerd is binnen een afstand van 50 m tot het perceel A
  81. Het beroep heeft betrekking op de aanduiding voor zover deze rust op het overige deel van haar perceel, daar de vastgelegde spuitvrije zone in zoverre is vastgelegd ten behoeve van de andere - ten tijde van het vaststellen van het plan reeds bestaande - woningen ten noorden van het perceel van [appellante sub 3]. 14.
  82. Uit de planregels van het bestemmingsplan "Ringstraat/Op de Heuvel" blijkt dat op het noordelijke deel van de gronden van [appellante sub 3] - waarop geen bouwvlak rustte - fruitteelt was toelaten. Het plan verzette zich niet tegen het gebruik van bestrijdingsmiddelen op het perceel. Thans rust op de noordelijke strook van het perceel de aanduiding "milieuzone - spuitvrijezone". Blijkens artikel 51, lid 51.9, van de planregels is het gebruik van bestrijdingsmiddelen niet toegelaten op deze gronden. Het voorgaande betekent dat het bestaande legale gebruik van het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 3], voor zover het gaat om fruitteelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt, onder de werking van het (algemeen) overgangsrecht van het plan is gebracht. In beginsel dient legaal bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht, mits de raad aannemelijk maakt dat het gebruik binnen de planperiode wordt beëindigd. Met het overgangsrecht wordt immers beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen. [appellante sub 3] heeft gesteld dat zij niet bereid is binnen de planperiode het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het kader van de exploitatie van haar fruitteeltbedrijf te staken. Niet is gebleken dat het gemeentebestuur tot aankoop of onteigening van de gronden in kwestie over zal gaan. Onder deze omstandigheden is het niet toegestaan het bestaande legale gebruik onder de werking van het algemene overgangsrecht te brengen. Het besluit is vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening voor zover het betreft de aanduiding "milieuzone - spuitvrijezone" voor het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 3], evenwel niet voor zover deze aanduiding rust op gronden binnen een straal van 50 m tot het perceel kadastraal bekend gemeente Hunsel, sectie A, nr. 3662, omdat [appellante sub 3] heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen de aanduiding voor dit deel van haar perceel. 14.
  83. Ter voorlichting van de raad overweegt de Afdeling dat geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. De raad dient bij het vaststellen van het bestemmingsplan de belangen die betrokken zijn bij het vastleggen van een spuitvrije zone te inventariseren en deze tegen elkaar af te wegen. Het zal hierbij in het bijzonder gaan om het belang van het tegengaan van gezondheidsrisico’s voor de bewoners van nabijgelegen woningen en het belang van [appellante sub 3] bij een ongestoorde voortzetting van haar (bestaande) bedrijfsvoering. De Afdeling heeft in haar jurisprudentie aanvaard dat als vuistregel een afstand van 50 m kan worden aangehouden. Deze afstand betreft evenwel geen minimaal aan te houden afstand. Een kleinere afstand dan 50 m kan onder omstandigheden aanvaardbaar zijn, indien aan die keuze een deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. In dit geval heeft [appellante sub 3] onweersproken gesteld dat zij in het kader van haar bedrijfsvoering gebruik maakt van een zogeheten dwarsstroomspuit die is voorzien van "venturi-spuitdoppen" en dat de bomenrijen op het noordelijke deel van haar perceel haaks staan op de "woonstrook" ten noorden daarvan. Als gevolg van de gebruikte techniek en de fysieke situatie ter plaatse wordt de drift volgens [appellante sub 3] in aanmerkelijke mate beperkt. De Afdeling wijst er verder op dat tussen het perceel van [appellante sub 3] en de woningen ten noorden daarvan gronden liggen die in het bestemmingsplan "Kern Neeritter" bestemd zijn voor "Groen". In genoemde omstandigheden kan een rechtvaardiging liggen voor het hanteren van een spuitvrije zone met een breedte van minder dan 50 m. Ook kan betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat het in dit geval gaat om de gevolgen van een reeds bestaand gebruik voor bestaande woningen ten noorden van het perceel van [appellante sub 3]. In dit verband geldt evenwel dat de enkele omstandigheid dat sprake is van een bestaande situatie niet met zich brengt dat geen belang behoeft te worden toegekend aan de milieuhygiënische gevolgen van een boomgaard voor de omgeving. Het laten voortbestaan van een bestaande historisch gegroeide situatie kan onder omstandigheden in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, indien blijkt dat de nadelige gevolgen hiervan zo groot zijn dat deze in redelijkheid niet langer aanvaardbaar kunnen worden geacht. Dit is met name het geval indien de gezondheid van omwonenden niet kan worden gegarandeerd (uitspraak van de Afdeling van 26 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1085). Uit het voorgaande volgt dat de raad de concrete omstandigheden van het geval nader in kaart dient te brengen en dient te beslissen over een aanvaardbare breedte van de spuitvrije zone. Indien de raad tot de conclusie komt dat de feitelijke afstand van ongeveer 25 m tussen het perceel van [appellante sub 3] en de bestaande woningen ten noorden daarvan voldoende is ter borging van een veilig woon- en verblijfsklimaat, is een spuitvrije zone op het perceel van [appellante sub 3] niet noodzakelijk en behoeft het gebruik van haar gronden dus niet te worden beperkt. In geval de raad uit het oogpunt van de volksgezondheid een grotere afstand dan 25 m noodzakelijk acht en andere driftbeperkende maatregelen onvoldoende zijn, maar zonder dat sprake is van een acuut gevaar vanwege het gebruik van bestrijdingsmiddelen, kan de raad een uitsterfregeling in overweging nemen. Een dergelijke regeling houdt in dat het bestaande legale gebruik van het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 3] voor fruitteelt met gebruik van bestrijdingsmiddelen voortgezet mag worden. Indien een dergelijk gebruik wordt gestaakt - en voor een bepaalde periode gestaakt blijft - mag het niet worden hervat. Indien de raad na een nadere afweging tot de conclusie komt dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen leidt tot een acuut gezondheidsrisico voor de bewoners van de Ringstraat, is een uitsterfregeling evenwel niet doelmatig. In dat geval kan de raad het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 3] in het bestemmingsplan verbieden, onder de voorwaarde dat hij aannemelijk maakt dat aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen daadwerkelijk een einde komt binnen de planperiode van 10 jaar. De Afdeling wijst in dit verband naar haar uitspraak van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
  84. Conclusie
  85. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Ringstraat
  86. Het bestreden besluit dient verder te worden vernietigd wat betreft de aanduiding "milieuzone - spuitvrijezone" voor het noordelijke deel van het perceel van [appellante sub 3], evenwel niet voor zover deze aanduiding rust op gronden binnen een straal van 50 m tot het perceel kadastraal bekend gemeente Hunsel, sectie A, nr.
  87. Het beroep van [appellante sub 4]
  88. [appellante sub 4] exploiteert een varkenshouderij en een akkerbouwbedrijf op het perceel [locatie 5] in Baexem. [appellante sub 4] kan zich niet verenigen met het plan vanwege de gevolgen van de aanduiding "overige zone - kernrandzone" voor de gebruiksmogelijkheden van haar gronden. Deze aanduiding verbiedt een toename van het aantal gehouden dieren, hetgeen betekent dat [appellante sub 4] haar intensieve veehouderij ter plaatse niet kan uitbreiden. Volgens [appellante sub 4] is een dermate strikte regeling niet doeltreffend en niet nodig voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving. De gevolgen van een toename van het aantal dieren kunnen worden gemitigeerd door het treffen van aanvullende technische voorzieningen, aldus [appellante sub 4]. 16.
  89. Aan het perceel van [appellante sub 4] is de bestemming "Agrarisch" toegekend. Op een deel van haar gronden rust de aanduiding "bouwvlak". Op de gronden van het bouwvlak rust tevens de aanduiding "intensieve veehouderij". Een groot deel van het bouwvlak is aangeduid als "kernrandzone". 16.
  90. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het ruimtelijk instrument van de kernrandzone niet uitsluitend tot doel heeft het tegengaan van (geur)overlast. Met het vastleggen van de kernrandzone wordt beoogd een ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen gebieden met hoge dierconcentraties en woongebieden. Dit beleid is mede gericht op het ontmoedigen van de intensieve veehouderij als zodanig binnen het gebied dat is aangewezen als kernrandzone. Het beperken van de uitbreidingsmogelijkheden, ook in gevallen waarin intern gesaldeerd zou kunnen worden, kan volgens de raad een stimulans zijn voor de verplaatsing van intensieve veehouderijen naar andere - meer geschikte - gebieden. Gelet op de door de raad gegeven toelichting is de Afdeling van oordeel dat het uitgangspunt dat binnen het gebied dat is aangewezen als kernrandzone het aantal dieren niet mag toenemen, niet onredelijk is. Het betoog faalt. Conclusie
  91. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 4] ongegrond. Het beroep van Vokar Onroerend Goed B.V. voor het overige
  92. Vokar Onroerend Goed B.V. is exploitante van een rundveehouderij en akkerbouwbedrijf op de percelen Karreveld 4 in Heibloem en Hollander 13 in Heythuysen. Zij heeft beroep ingesteld tegen het plan, omdat volgens haar de planregeling voor de genoemde percelen onnodig beperkend is voor haar bedrijfsvoering. Beekdal
  93. Vokar Onroerend Goed B.V. kan zich niet verenigen met de aanduiding "overige zone - beekdal" voor een deel van haar perceel Karreveld
  94. Deze aanduiding is toegekend aan de gronden buiten het bouwvlak. Als gevolg van deze aanduiding is het volgens Vokar Onroerend Goed B.V. uitgesloten dat zij gebruik kan maken van de in het plan opgenomen wijzigingsbevoegdheden voor het vergroten van haar bouwvlak of het wijzigen van de ligging daarvan. Volgens Vokar Onroerend Goed B.V. betekent dit dat zij ter plaatse niet kan uitbreiden. De binnen het bouwvlak beschikbare planologische mogelijkheden zijn reeds nagenoeg geheel ingevuld. Een dermate verregaande beperking van de toekomstige uitbreidingsmogelijkheden is niet noodzakelijk met het oog op de - door de raad beoogde - bescherming van de hydrologische en landschappelijke waarden van het beekdal, aldus Vokar Onroerend Goed B.V.. 19.
  95. Aan het perceel Karreveld 4 zijn de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 1" en "Agrarisch met waarden - 4" toegekend. De gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" zijn tevens aangewezen als bouwvlak. De oppervlakte hiervan bedraagt ongeveer 2,5 ha. Op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" rust de aanduiding "overige zone - beekdal". 19.
  96. In de plantoelichting staat dat de door de provincie aangewezen "bronsgroene landschapszone" wordt gevormd door de rivier- en beekdalen en de steilere hellingen, voor zover die niet reeds onderdeel uitmaken van de "goudgroene" of "zilvergroene" natuurzones, én de relatieve rijkdom aan cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Het betreft overwegend landbouwgronden maar ook andere functies als verblijfsrecreatieve terreinen, woningen en linten van bebouwing kunnen voorkomen. De zonering is indicatief op kaart gezet, gemeenten kunnen dit verder specificeren. De gemeente Leudal heeft dat voor haar grondgebied gedaan. In een onderzoek is een beekdalprofiel opgesteld bestaande uit drie zones, te weten: zone A - de beekloop, zone B - het fysieke en zichtbare beekdal en zone C - de invloedssfeer van de beek. Zone A en B vormen het feitelijke beekdal. Zone C is een belangrijk hydrologisch en/of landschappelijk aandachtsgebied. Binnen zone C zijn ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan mits deze geen afbreuk doen aan de natuurlijke waterhuishouding of de landschappelijke structuur van het beekdal. Voor zone A en B geldt een algemeen bouwverbod, aldus de plantoelichting. 19.
  97. Op de gronden van Vokar Onroerend Goed B.V. die haar bestaande bouwvlak omringen rust de aanduiding "overige zone - beekdal". Het plan laat niet toe dat op deze gronden wordt gebouwd, anders dan het oprichten van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 m. De aanduiding "overige zone - beekdal" is toegekend aan de hiervoor in 19.2 genoemde zones A (beekloop) en B (beekdal). Aan deze keuze ligt het rapport "Inventarisatie beekdalen gemeente Leudal" van 29 februari 2015 van Geonius (hierna: rapport Inventarisatie beekdalen) ten grondslag. De eerstgenoemde zone (A) is een zone van beperkte omvang, die zich uitstrekt over een afstand van 25 m van de beek. De ligging en omvang van deze zone komt voort uit de keur van het waterschap en het "Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014" vastgesteld door provinciale staten bij besluit van 12 december 2014 (hierna: POL 2014). Deze beschermingszone ziet op gronden die zijn gereserveerd voor de fysieke inpassing van de natuurbeek. Het beroep van Vokar Onroerend Goed B.V. is niet gericht tegen de aanduiding "overige zone - beekdal" voor de gronden die zijn aangemerkt als beekloop. Vokar Onroerend Goed B.V. wenst een planregeling waarin alleen op de gronden van de beekloop (zone A) een bouwverbod geldt. De raad heeft echter besloten ook de gronden die behoren tot het beekdal (zone B) te beschermen, door ter plaatse geen nieuwe bebouwing toe te laten, behoudens erf- en terreinafscheidingen. Volgens de raad liggen de gronden die zijn aangewezen als beekdal binnen de hydrologische invloedsfeer van de beek(loop). Het bebouwen van deze gronden heeft nadelige hydrologische gevolgen voor het gebied, onder meer als gevolg van de aantasting van de infiltratiecapaciteit. Met het uitsluiten van bouwmogelijkheden wordt tevens beoogd de landschappelijke en natuurwaarden van het fysiek waarneembare beekdal te beschermen en waar nodig te versterken, alsook om het doorzicht naar de (natuur)beek te behouden. De Afdeling ziet in hetgeen Vokar Onroerend Goed B.V. heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de hiervoor genoemde (algemene) belangen dan aan het belang dat Vokar Onroerend Goed B.V. heeft bij een wijzigingsbevoegdheid voor het faciliteren van een eventuele toekomstige uitbreiding van haar (intensieve) veehouderij, onderscheidenlijk haar akkerbouwbedrijf, op het perceel Karreveld
  98. Niet is gebleken dat Vokar Onroerend Goed B.V. concrete uitbreidingsplannen heeft die een vergroting van haar bouwvlak vereisen en Vokar Onroerend Goed B.V. heeft niet aannemelijk gemaakt dat haar bedrijfsvoering anderszins ernstig wordt geschaad door de omstandigheid dat het plan geen binnenplanse instrumenten biedt voor een uitbreiding van haar bouwvlak. Het betoog faalt. Bouwhoogte sleufsilo’s
  99. Vokar Onroerend Goed B.V. kan zich niet verenigen met de in het plan bij recht toegelaten bouwhoogte voor sleufsilo’s van maximaal 2 m. Deze hoogtebeperking heeft negatieve gevolgen voor de opslagcapaciteit op haar percelen. Vanuit ruimtelijk oogpunt bestaat geen noodzaak voor een dermate geringe bouwhoogte, nu sleufsilo’s uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegelaten. Het plan laat binnen het bouwvlak andersoortige bebouwing toe met een aanmerkelijk grotere bouwhoogte dan 2 m. Volgens Vokar Onroerend Goed B.V. dient voor sleufsilo’s bij recht een hoogte van (maximaal) 4 m te worden toegelaten. Voor zover de raad de hoogtebeperking motiveert door te wijzen op een advies van de "Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna CRK)", stelt Vokar Onroerend Goed B.V. dat dit advies niet is overgelegd, zodat niet duidelijk is wat het standpunt van de commissie ter zake is geweest. 20.
  100. Volgens de raad is een maximale bouwhoogte voor sleufsilo’s van 2 m niet onnodig beperkend voor de bedrijfsvoering van Vokar Onroerend Goed B.V.. In de meeste gevallen kan met een dergelijke bouwhoogte worden volstaan. Indien in bijzondere situaties een grotere bouwhoogte noodzakelijk is, kan gebruik worden gemaakt van een in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Met toepassing hiervan is de door Vokar Onroerend Goed B.V. gewenste bouwhoogte van (maximaal) 4 m mogelijk, aldus de raad. 20.
  101. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 18 november 2015 geoordeeld over het betoog van Vokar Onroerend Goed B.V. dat een maximale bouwhoogte voor sleufsilo’s van 2 m niet deugdelijk is gemotiveerd, gelet op de nadelige gevolgen van deze geringe bouwhoogte voor haar bedrijfsvoering. Zij heeft als volgt overwogen: "De raad heeft in beginsel beleidsvrijheid om uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening te kiezen voor algemeen geldende hoogtebeperkingen van bepaalde voorzieningen in agrarisch gebied. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad echter onvoldoende gemotiveerd waarom de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s zodanig verschilt van de ruimtelijke uitstraling van bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, mestsilo’s en voedersilo’s waarvoor een hogere maximale bouwhoogte is toegestaan, te meer nu uit het deskundigenbericht volgt dat sleufsilo's doorgaans worden geplaatst direct bij of te midden van de overige bedrijfsbebouwing, zoals op het perceel van Vokar Onroerend Goed B.V. B.V. het geval is, zodat de silo’s niet of nauwelijks zichtbaar zijn in het open agrarisch gebied. Verder heeft de raad niet gemotiveerd waarom sleufsilo’s hoger dan 2 m door het stellen van nadere eisen niet landschappelijk zouden kunnen worden ingepast. Voorts is van belang dat Vokar Onroerend Goed B.V. B.V. ter zitting erop heeft gewezen dat vanwege de groei van haar bedrijf behoefte bestaat aan meer opslagcapaciteit van veevoer. Bij een hoogte van 2 m van de sleufsilowanden kan het voer minder goed uitgespreid en aangestampt worden dan bij een hoogte van 4 m, terwijl een luchtarme en compacte opslag van belang is voor een betere kwaliteit van het veevoer. Uit het bestreden besluit volgt niet op welke wijze de raad rekening heeft gehouden met het belang van Vokar Onroerend Goed B.V. B.V. bij extra opslagcapaciteit. De raad heeft ter zitting ten slotte toegelicht dat de ruimtelijke uitstraling van sleufsilo’s met name wordt gekenmerkt door de met plastic en autobanden bedekte "kop" van de kuil die boven de silowanden uitsteekt. Voor de opslag van veevoer in de sleufsilo’s is echter geen maximale hoogte opgenomen, zodat met het opnemen van een maximale bouwhoogte voor sleufsilo’s de hoogte van deze "kop" niet wordt beperkt." 20.
  102. In de plantoelichting staat dat gezien het feit dat een verhoging van sleufsilo's van 2 m naar 4 m ruimtelijke en stedenbouwkundige gevolgen heeft, advies is gevraagd aan de CRK. De CRK heeft negatief geadviseerd over een bouwhoogte van 4 m. Ten aanzien van agrarische bedrijfsgebouwen heeft de gemeente Leudal beleid vastgesteld. Kern van dit beleid is dat "industrialisatie van het buitengebied" voorkomen moet worden en dat bestaande kwaliteiten behouden en versterkt moeten worden. Sleufsilo's bestaan veelal uit betonnen elementen die een markant onderdeel vormen van de agrarische bedrijfspercelen. Bij een maximale bouwhoogte van 2 m zijn de sleufsilo's ondergeschikt aan de overige agrarische bedrijfsgebouwen, waardoor dergelijke bouwwerken ruimtelijk en esthetisch inpasbaar zijn. Bij een bouwhoogte van maximaal 4 m zouden de sleufsilo's zowel wat betreft vormgeving als materialisatie de concurrentie aan kunnen gaan met de overige agrarische bedrijfsgebouwen. Op basis van deze overwegingen van de CRK wordt in het bestemmingsplan de bouwhoogte van sleufsilo's vastgesteld op maximaal 2 m. Met een afwijkingsbevoegdheid wordt het onder voorwaarden mogelijk sleufsilo's tot een bouwhoogte van maximaal 4 m toe te staan. Met deze aanvullende voorwaarden wordt de ruimtelijke en esthetische kwaliteit gewaarborgd. De afwijkingsvoorwaarden voor het toestaan van sleufsilo’s met een hoogte tot 4 m hebben betrekking op het materiaalgebruik, een verdiepte aanlegging, de situering (niet of niet direct zichtbaar) en de inpassing in het landschap. Een bouwplan voor een nieuwe sleufsilo wordt ter beoordeling voorgelegd aan de CRK, aldus de plantoelichting. 20.
  103. Blijkens artikel 2 van de "Verordening commissie ruimtelijke kwaliteit gemeente Leudal", vastgesteld door de raad bij besluit van 15 december 2014, is de CRK een commissie die is ingesteld krachtens artikel 8, vijfde lid, van de Woningwet en artikel 15, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (thans nog steeds van toepassing op grond van artikel 9.1, eerste lid, van de Erfgoedwet). Dit betreft derhalve de zo geheten welstands-, tevens monumentencommissie, die door het gemeentebestuur geraadpleegd dient te worden, alvorens wordt besloten op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen, onderscheidenlijk de commissie die adviseert in het kader van aanvragen om omgevingsvergunning waarbij een rijksmonument aan de orde is. De CRK heeft in zoverre geen wettelijke adviestaak in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan. Uit de Nota van Zienswijzen volgt dat de raad bij het voorbereiden van het plan een bouwhoogte voor sleufsilo’s van meer dan 2 m vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst heeft geacht. Dit uitgangspunt kan volgens de raad op instemming rekenen van de CRK. In de plantoelichting heeft de raad de gemaakte planologische keuze gemotiveerd. Nu aan het uitgangspunt dat sleufsilo’s met een hoogte van meer dan 2 m ongewenst zijn een eigen ruimtelijke afweging van de raad ten grondslag ligt, ziet de Afdeling geen aanleiding voor de bespreking van het betoog van Vokar Onroerend Goed B.V. dat niet inzichtelijk is geworden dat de CRK een onafhankelijke externe commissie betreft en dat het advies of standpunt van de CRK niet is overgelegd. 20.
  104. Gelet op het hiervoor weergegeven onderdeel van de plantoelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bij recht voorziene bouwhoogte van 4 m voor sleufsilo’s vanuit ruimtelijk oogpunt ongewenst is. De raad heeft onderkend dat afhankelijk van de concrete omstandigheden op een agrarisch perceel, een bouwhoogte van maximaal 4 m aanvaardbaar kan zijn. Om deze reden is in het plan - anders dan in het besluit van 18 november 2015 - voorzien in een afwijkingsmogelijkheid waarmee sleufsilo’s met de door Vokar Onroerend Goed B.V. gewenste bouwhoogte van (maximaal) 4 m kunnen worden toegelaten. Als voorwaarde voor toepassing geldt onder meer dat aangetoond dient te worden dat de landschappelijke waarden van de omgeving niet onevenredig worden aangetast. Blijkens de plantoelichting komt hierbij betekenis toe aan de situering van de silo op het bouwperceel. In geval de situering van een sleufsilo zodanig is dat deze niet, althans beperkt zichtbaar is, zal in beginsel geen sprake zijn van een (onevenredige) aantasting van de landschappelijke waarden. Uit de omstandigheid dat voorzien is in de afwijkingsbevoegdheid volgt dat de raad thans heeft onderkend dat agrarische bedrijven behoefte kunnen hebben aan een grotere opslagcapaciteit. Het betoog faalt. 20.
  105. Wat betreft de door Vokar Onroerend Goed B.V. gestelde discrepantie tussen de planregels en de plantoelichting, waar het gaat om de voorwaarden voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting concrete omstandigheden worden genoemd die relevant (kunnen) zijn bij de beoordeling of voldaan is aan de in de planregels opgenomen afwijkingsvoorwaarden. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de plantoelichting en de planregels in zoverre met elkaar in tegenspraak zijn, daargelaten de omstandigheid dat de toelichting geen juridisch bindend onderdeel is van het bestemmingsplan. Het betoog faalt. 20.
  106. Wat betreft het betoog van Vokar Onroerend Goed B.V. dat bestaande legale sleufsilo’s op haar percelen ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd overweegt de Afdeling dat Vokar Onroerend Goed B.V. niet nader heeft toegelicht om welke silo’s het hier gaat, zodat niet aannemelijk is geworden dat de raad in zoverre geen rekening heeft gehouden met de bestaande rechten van Vokar Onroerend Goed B.V.. Het betoog faalt. "Western ranch"
  107. Vokar Onroerend Goed B.V. betoogt dat in het plan ten onrechte is voorzien in een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van het perceel Asbroek 10/10a, ten zuiden van haar perceel Karreveld
  108. Op het perceel Asbroek 10/10a is een zo geheten "western ranch" gevestigd. Dit betreft een (verblijfs)recreatieve functie. Anders dan het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leudal 2014", maakt het plan verblijfsrecreatie mogelijk op het gehele perceel. Als gevolg hiervan zijn op het perceel nieuwe hindergevoelige objecten toegelaten, zowel op de gronden die zijn aangewezen als "bouwvlak" als daarbuiten. Volgens Vokar Onroerend Goed B.V. kan dit leiden tot beperkingen van de agrarische bedrijfsvoering op haar perceel Karreveld 4, hetgeen de raad niet heeft onderkend. 21.
  109. Volgens de raad is de planregeling voor de western ranch op het perceel Asbroek 10/10a in overeenstemming met een bij besluit van 12 december 2008 met vrijstelling verleende bouwvergunning. 21.
  110. Aan het perceel Asbroek 10/10a is de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" toegekend, met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch met waarden - westernranch". Het zuidelijke deel van het perceel is tevens aangeduid als "bouwvlak". Op het - grofweg - noordelijke deel van het bouwvlak rust ook de aanduiding "verblijfsrecreatie". 21.
  111. Bij besluit van 12 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders met vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning bouwen en strijdig gebruik) verleend voor het bouwen van een western ranch met ontmoetingsruimte op het perceel Asbroek 10 in Heibloem. In de vergunning staat dat het bouwplan in strijd was met het toentertijd geldende bestemmingsplan "Roggel en Neer", omdat de aanvraag betrekking had op een gebouw (groepsaccommodatie voor 8 tot 10 personen) voor recreatief gebruik op gronden met de bestemming "agrarisch bouwblok". Aan de aanvraag om vrijstelling is de ruimtelijke onderbouwing "Realisering Westernranch Asbroek 10 Heibloem" ten grondslag gelegd. De aanvraag en vergunning hadden betrekking op een gebouw op het centrale deel van het perceel Asbroek
  112. Het betreft het gedeelte van het perceel waar in het thans voorliggende plan de aanduidingen "bouwvlak" en "verblijfsrecreatie" aan zijn toegekend. Het beroep van Vokar Onroerend Goed B.V. is niet gericht tegen deze aanduidingen, maar tegen de aanduiding "western ranch", die rust op het gehele perceel Asbroek 10/10a. De reden dat Vokar Onroerend Goed B.V. zich niet kan verenigen met de aanduiding "western ranch" is gelegen in de omstandigheid dat ingevolge artikel 7, lid 7.11, van de planregels, bezien in samenhang met de definitiebepaling van artikel 1.168 (western ranch), verblijfsrecreatie, waar ook nachtverblijf onder wordt verstaan, toegelaten is ter plaatse van deze aanduiding en derhalve op het gehele perceel Asbroek 10/10a. 21.
  113. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de raad in het plan meer heeft gedaan dan het uitsluitend vastleggen van de rechten uit de met vrijstelling verleende bouwvergunning van 12 december
  114. Deze vergunning zag immers alleen op een groepsaccommodatie voor 8 tot 10 personen op het centrale deel van het perceel. Het standpunt van Vokar Onroerend Goed B.V. dat het plan voorziet in een verruiming van de planregeling voor het perceel Asbroek 10/10a is derhalve juist. 21.
  115. Wat betreft de vrees van Vokar Onroerend Goed B.V. voor beperkingen van haar bedrijfsvoering vanwege de eventuele uitbreiding van de bebouwing voor verblijfsrecreatie, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens artikel 7, lid 7.2.1, onder a, van de planregels zijn op gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" gebouwen alleen binnen het bouwvlak toegelaten. De afstand van het bouwvlak op het perceel Asbroek 10/10a tot het bouwvlak op het perceel Karreveld 4 bedraagt ruim 210 m. Het is gelet op deze afstand niet aannemelijk dat de uitbreiding van de recreatieve faciliteiten binnen het bouwvlak op het perceel Asbroek 10/10a nadelige gevolgen zal hebben voor de bestaande bedrijfsvoering van Vokar Onroerend Goed B.V.. Het betoog faalt. 21.
  116. Voor zover Vokar Onroerend Goed B.V. klaagt over gevolgen voor de bedrijfsvoering op haar gronden die grenzen aan het perceel Asbroek 10/10a, waarop geen bouwvlak rust en die in gebruik zijn als weiland en/of akkerbouwgrond, overweegt de Afdeling dat deze gronden in beginsel geen deel uitmaken van haar inrichting. Vokar Onroerend Goed B.V. heeft niet gesteld dat in dit geval aanleiding bestaat om deze gronden wel tot de inrichting te rekenen. Gelet hierop heeft Vokar Onroerend Goed B.V. niet aannemelijk gemaakt dat de uitbreiding van de gebruiksmogelijkheden voor het perceel Asbroek 10/10a leidt tot beperkingen van het bestaande gebruik van de weilanden en/of akkerbouwgrond van Vokar Onroerend Goed B.V.. Het betoog faalt. 21.
  117. De raad heeft ten slotte terecht geen groot gewicht toegekend aan de eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van Vokar Onroerend Goed B.V., die een (nieuw) bouwvlak zouden vereisen in de nabijheid van de grens met het perceel Asbroek 10/10a, reeds omdat niet is gebleken dat binnen de planperiode een dergelijk scenario aan de orde zal zijn en daargelaten de omstandigheid dat daartoe een nieuw bestemmingsplan voor de gronden van Vokar Onroerend Goed B.V. dient te worden vastgesteld. Het betoog faalt. Hoeksituaties
  118. Vokar Onroerend Goed B.V. kan zich niet verenigen met artikel 4, lid 4.2.1, onder i, en lid 4.2.4, onder l, van de planregels voor zover deze bepalingen betrekking hebben op haar perceel Hollander
  119. Dit betreft de planregeling voor de zo geheten "hoeksituaties". Op grond hiervan kan Vokar Onroerend Goed B.V. geen nieuwe gebouwen en overige bouwwerken oprichten op het deel van haar bouwvlak dat gesitueerd is binnen een afstand van 20 m tot de openbare weg. Dit leidt tot een ernstige beperking van de gebruiksmogelijkheden van haar gronden, aldus Vokar Onroerend Goed B.V.. 22.
  120. Aan het perceel Hollander 13 is de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" toegekend. Op het noordwestelijke deel van het perceel rust de aanduiding "bouwvlak". Het bouwvlak grenst in het noorden aan de weg Aan de Grave en in het westen aan de Hollander. Niet in geschil is dat hierdoor sprake is van een hoeksituatie als bedoeld in artikel 1, lid 1.74, van de planregels. 22.
  121. In de plantoelichting staat dat in het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" de toegelaten bouwhoogte van bedrijfsgebouwen is vergroot ten opzichte van het bestemmingsplan dat dáárvoor van kracht was. Het betrof een algemene verruiming van de bouwmogelijkheden voor agrarische percelen. Volgens de raad is het vanuit esthetische en stedenbouwkundige overwegingen niet wenselijk dat ook in hoeksituaties bedrijfsgebouwen met een nok- en bouwhoogte van onderscheidenlijk 7,2 m en 12 m kunnen worden opgericht in de nabijheid van de openbare weg. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" was per abuis geen nadere regeling voor hoeksituaties opgenomen. Deze omissie is volgens de raad in het thans voorliggende plan hersteld. Hiertoe is onder meer in artikel 4, lid 4.2.1, onder i, van de planregels vastgelegd dat daar waar het bouwvlak grenst aan de openbare weg en geen sprake is van een achtergevelrooilijn (hoeksituatie), de afstand van bedrijfsgebouwen tot de grens van het bouwvlak minimaal 20 m dient te bedragen. Blijkens artikel 4, lid 4.2.4, onder i, van de planregels geldt dezelfde regeling voor de situering van overige bouwwerken, geen overkappingen zijnde. De beperking van de situeringsmogelijkheden van bouwwerken is volgens de raad noodzakelijk teneinde de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving te waarborgen. In artikel 7, lid 7.4.1, van de planregels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen waarmee (nieuwe) bebouwing op een minimale afstand van 10 m tot de openbare weg kan worden toegelaten. 22.
  122. Uit het voorgaande volgt dat het standpunt van Vokar Onroerend Goed B.V. dat de regels voor de situering van bedrijfsbebouwing in hoeksituaties nadeliger zijn geworden ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Leudal" juist is, nu in genoemd bestemmingsplan geen bijzondere beperkingen waren opgenomen voor de situering van bedrijfsbebouwing bij hoeksituaties. De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat het beleid van de raad om bij hoeksituaties nadere (beperkende) regels te stellen aan de situering van bedrijfsbebouwing, in het algemeen onredelijk is. Wat betreft het concrete geval van Vokar Onroerend Goed B.V. geldt dat haar bouwvlak niet volledig is bebouwd. In zoverre kan Vokar Onroerend Goed B.V. ter plaatse nog uitbreiden. Niet is gebleken dat haar eventuele uitbreidingsmogelijkheden ernstig worden beperkt door de omstandigheid dat op een gedeelte van haar bouwvlak geen nieuwe bedrijfsgebouwen en andere bouwwerken zijn toegelaten. Het betoog faalt. 22.
  123. Bij de behandeling van het beroep is niet gebleken dat op het perceel van Vokar Onroerend Goed B.V. binnen een afstand van 20 m tot de openbare weg bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken zijn gesitueerd. Reeds hierom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bestaande gebouwen op haar perceel ten onrechte niet als zodanig zijn bestemd. Het betoog faalt. Conclusie
  124. Gelet op het voorgaande is het beroep van Vokar Onroerend Goed B.V. gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft artikel 1, lid 1.31, onder c, van de planregels. De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld. Het beroep van [appellante sub 6]
  125. [appellante sub 6] exploiteert een intensieve veehouderij (varkenshouderij) op het perceel [locatie 6] in Heibloem.
  126. Ter zitting heeft [appellante sub 6] haar beroepsgrond dat een deel van haar perceel, waaronder de gronden van haar bestaande bouwvlak, ten onrechte buiten het plan is gelaten, ingetrokken.
  127. [appellante sub 6] kan zich niet verenigen met de aanduiding "overige zone - beekdal" voor een deel van haar perceel [locatie 6]. Deze aanduiding is toegekend aan de gronden ten zuiden, oosten en westen van haar bouwvlak. Als gevolg van deze aanduiding is het volgens [appellante sub 6] uitgesloten dat zij gebruik kan maken van de in artikel 7, lid 7.8.3, van de planregels, opgenomen wijzigingsbevoegdheid voor het vergroten van haar bouwvlak ten behoeve van een eventuele uitbreiding van haar intensieve veehouderij. Een dermate vergaande beperking van de toekomstige uitbreidingsmogelijkheden is niet noodzakelijk met het oog op de - door de raad beoogde - bescherming van de hydrologische en landschappelijke waarden van het gebied in de nabijheid van de beek, aldus [appellante sub 6]. 26.
  128. In de plantoelichting staat dat de door de provincie aangewezen "bronsgroene landschapszone" wordt gevormd door de rivier- en beekdalen en de steilere hellingen, voor zover die niet reeds onderdeel uitmaken van de "goudgroene" of "zilvergroene" natuurzones, én de relatieve rijkdom aan cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Het betreft overwegend landbouwgronden maar ook andere functies als verblijfsrecreatieve terreinen, woningen en linten van bebouwing kunnen voorkomen. De zonering is indicatief op kaart gezet, gemeenten kunnen dit verder specificeren. De gemeente Leudal heeft dat voor haar grondgebied gedaan. In een onderzoek is een beekdalprofiel opgesteld bestaande uit drie zones, te weten: zone A - de beekloop, zone B - het fysieke en zichtbare beekdal en zone C - de invloedssfeer van de beek. Zone A en B vormen het feitelijke beekdal. Zone C is een belangrijk hydrologisch en/of landschappelijk aandachtsgebied. Binnen zone C zijn ruimtelijke ontwikkelingen toegestaan mits deze geen afbreuk doen aan de natuurlijke waterhuishouding of de landschappelijke structuur van het beekdal. Voor zone A en B geldt een algemeen bouwverbod, aldus de plantoelichting. 26.
  129. Aan de gronden van [appellante sub 6] aansluitend op haar bouwvlak is de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" toegekend. De gronden ten noordwesten, zuiden en oosten zijn aangeduid als "overige zone - beekdal". Het plan laat niet toe dat op deze gronden wordt gebouwd, anders dan het oprichten van erf- en terreinafscheidingen met een bouwhoogte van maximaal 2 m. De aanduiding "overige zone - beekdal" is toegekend aan de hiervoor in 26.1 genoemde zones A (beekloop) en B (beekdal). Aan deze keuze ligt het rapport "Inventarisatie beekdalen gemeente Leudal" van 29 februari 2015 van Geonius ten grondslag. De eerstgenoemde zone (A) is een zone van beperkte omvang, die zich uitstrekt over een afstand van 25 m van de beek. De ligging en omvang van deze zone komt voort uit (onder meer) de keur van het waterschap en het POL
  130. Deze beschermingszone ziet op gronden die zijn gereserveerd voor de fysieke inpassing van de natuurbeek. Het beroep van [appellante sub 6] is niet gericht tegen de aanduiding "overige zone - beekdal" voor de gronden die zijn aangemerkt als beekloop. [appellante sub 6] wenst een planregeling waarin alleen op de gronden van de beekloop (zone A) een bouwverbod geldt. De raad heeft echter besloten ook de gronden die behoren tot het beekdal (zone B) te beschermen, door ter plaatse geen nieuwe bebouwing toe te laten, behoudens erf- en terreinafscheidingen. Volgens de raad liggen de gronden die zijn aangewezen als beekdal binnen de hydrologische invloedsfeer van de beek(loop). Het bebouwen van deze gronden kan nadelige hydrologische gevolgen hebben voor het gebied, onder meer als gevolg van een aantasting van de infiltratiecapaciteit. Met het uitsluiten van bouwmogelijkheden wordt tevens beoogd de landschappelijke en natuurwaarden van het fysiek waarneembare beekdal te beschermen en waar nodig te versterken alsook om het doorzicht naar de (natuur)beek te behouden. De Afdeling ziet in hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan de hiervoor genoemde (algemene) belangen dan aan het belang dat [appellante sub 6] heeft bij een wijzigingsbevoegdheid voor het faciliteren van een eventuele toekomstige uitbreiding van haar (intensieve) veehouderij. De Afdeling wijst er verder op dat de gronden direct ten noorden van het bestaande bouwvlak van [appellante sub 6] niet zijn aangeduid als "beekdal". Het betoog faalt. Conclusie
  131. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 6] gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft artikel 1, lid 1.31, onder c, van de planregels. De Afdeling ziet aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld. De beroepen van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] voor zover die betrekking hebben op de aanduiding "co-vergisting" en op artikel 1, lid 1.48, van de planregels
  132. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] wonen allen in de (directe) omgeving van het perceel Aan de Heibloem 21, waarop de co-vergistingsinstallatie van Holmel B.V. aanwezig is. Hun beroep richt zich tegen de aanduiding "co-vergisting" die aan het perceel is toegekend en tegen artikel 1, lid 1.48, van de planregels. Zij voeren aan dat het plan ten onrechte mogelijk maakt dat de co-vergistingsinstallatie in werking is in het buitengebied en verwijzen in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 22 augustus 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2167, en van 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM
  133. Tevens stellen zij dat de raad te kennen heeft gegeven dat met de definitie in artikel 1, lid 1.48, van de planregels is aangesloten bij de vergunde situatie, maar dat dit niet betekent dat een afweging in het kader van een goede ruimtelijke ordening achterwege kon blijven. [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] wijzen er daarbij op dat zij van de co-vergistingsinstallatie stank- en geluidoverlast ondervinden en dat tegen Holmel B.V. handhavend zou kunnen worden opgetreden als de definitie in artikel 1, lid 1.48, van de planregels zou worden vernietigd. Om voorts te voorkomen dat op het perceel Aan de Heibloem 21 al te omvangrijke bedrijfsactiviteiten worden verricht, had de raad in artikel 1, lid 1.48, van de planregels moeten opnemen dat slechts bedrijfseigen mest mag worden vergist, waartoe een juridische link had moeten worden gelegd met het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 6]. Voorts had in de definitie moeten worden opgenomen dat de maximale capaciteit van de co-vergistingsinstallatie 10.000 ton per jaar bedraagt. Ten slotte had de raad in artikel 1, lid 1.48, van de planregels moeten vaststellen dat het digestaat voor ten minste 50% uit dierlijke mest moet bestaan en voor het overige uit co-substraten van de positieve lijst co-vergisting. Nu dit niet is gebeurd, is het bedrijf dat volgens [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] op grond van de definitie wordt mogelijk gemaakt niet passend in een agrarische, maar eerder in een industriële omgeving. 28.
  134. De raad stelt zich op het standpunt dat de situatie die aan de orde was in de twee door appellanten aangehaalde uitspraken niet met de onderhavige situatie is te vergelijken. Verder stelt de raad dat met de definitie in artikel 1, lid 1.48, van de planregels is beoogd aan te sluiten bij de vergunde situatie op het perceel Aan de Heibloem
  135. Hierdoor is het niet mogelijk om in de planregels op te nemen dat de maximale capaciteit van de co-vergistingsinstallatie 10.000 ton bedraagt. Evenmin is het mogelijk om in de planregels op te nemen dat slechts bedrijfseigen mest mag worden vergist, omdat het bedrijf dat is gevestigd op het perceel Aan de Heibloem 21 geen eigen veestapel heeft en dus ook geen eigen mest produceert. De raad stelt voorts geen aanleiding te zien om in de planregels een juridische verbinding te leggen tussen het bedrijf op het perceel Aan de Heibloem 21 en het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 6]. 28.
  136. In de door [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] aangehaalde uitspraken van 22 augustus 2007 en 21 april 2010 heeft de Afdeling onder meer een oordeel gegeven over de vraag of het opwekken van elektriciteit door middel van co-vergisting kan worden aangemerkt als het voortbrengen van een agrarisch product. De reden hiervoor was dat in beide gevallen op gronden met een agrarische bestemming - die ingevolge de planregels slechts mochten worden gebruikt voor het voortbrengen van een agrarisch product - een co-vergistingsinstallatie aanwezig was. De Afdeling heeft in de aangehaalde uitspraken geoordeeld dat het opwekken van elektriciteit door middel van co-vergisting niet kan worden aangemerkt als het voortbrengen van een agrarisch product, zodat in beide gevallen eveneens tot het oordeel werd gekomen dat co-vergisting op gronden met een agrarische bestemming niet was toegestaan. Nu in artikel 4, lid 4.1.1, onder m, van de planregels bij het in geding zijnde plan is bepaald dat gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" ter plaatse van de aanduiding "co-vergisting" tevens zijn bestemd voor co-vergisting, doet de situatie die in aangehaalde uitspraken aan de orde was, zich thans niet voor. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de co-vergistingsinstallatie op het perceel Aan de Heibloem 21 niet is toegestaan. Het betoog faalt in zoverre. 28.
  137. De Afdeling overweegt voorts als volgt. Vast staat dat aan Holmel B.V. in 2007 een vergunning is verleend op grond van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie met drie warmtekrachtkoppelingen. De vergunde capaciteit van de mestvergistingsinstallatie bedraagt 35.000 ton per jaar. Voorts dient op grond van de vergunning minimaal 50% van de jaarlijkse input te bestaan uit dierlijke mest, die mag worden vergist tezamen met co-substraten van de positieve lijst co-vergisting. De dierlijke mest die wordt verwerkt, is in de vergunning omschreven als bedrijfsvreemd. In verband met de rechtszekerheid is de raad bij de vaststelling van een bestemmingplan in beginsel gehouden om bestaand gebruik dat onherroepelijk is vergund, als zodanig te bestemmen in het bestemmingsplan. Dat betekent echter niet dat in het geheel geen betekenis hoeft te worden toegekend aan de milieuhygiënische gevolgen van de bedrijfsactiviteiten op het perceel Aan de Heibloem 21 voor de omgeving. Het laten voortbestaan van een bestaande situatie kan onder omstandigheden in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening indien blijkt dat de nadelige gevolgen hiervan zo groot zijn, dat dit in redelijkheid niet aanvaardbaar kan worden geacht. De enkele stelling van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] dat zij van de co-vergistingsinstallatie op het perceel Aan de Heibloem 21 stank- en geluidoverlast ondervinden, acht de Afdeling in dit verband echter onvoldoende. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van artikel 1, lid 1.48, van de planregels niet in redelijkheid aansluiting kon zoeken bij de vergunde situatie. De Afdeling wijst er voorts op dat in het voorheen geldende plan "Buitengebied Leudal" aan het perceel Aan de Heibloem 21 ook de aanduiding "co-vergisting" was toegekend. Het enkele feit dat in dat plan niet werd voorzien in een definitie van het begrip co-vergisting, brengt niet met zich dat - als de definitie die thans in artikel 1, lid 1.48, van de planregels is opgenomen, zou worden vernietigd - tegen de vergunde co-vergistingsinstallatie op het perceel Aan de Heibloem 21 handhavend kan worden opgetreden. Het betoog faalt ook in zoverre. Conclusie
  138. Gelet op het voorgaande treffen de beroepen van [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] voor zover die betrekking hebben op de aanduiding "co-vergisting" en op artikel 1, lid 1.48, van de planregels, geen doel. Nu [appellant sub 7A] en [appellant sub 7B] geen andere gronden naar voren hebben gebracht, is hun beroep ongegrond. Het beroep van [appellant sub 8] voor het overige
  139. [appellant sub 8] is eigenaar van het perceel [locatie 7] te Heibloem. Zijn beroep richt zich tevens tegen de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen uitgesloten - geurgevoelige functies" aan een deel van zijn perceel. Nu deze aanduiding strak is gelegd langs de achtergevel van de woning die op het perceel aanwezig is - en op dat deel van het perceel daardoor niet in woonfuncties mag worden voorzien - brengt zij volgens [appellant sub 8] een onevenredige aantasting van zijn belangen met zich. [appellant sub 8] wijst erop dat uit de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2015 voortvloeit dat de raad nader diende te onderzoeken of de bouw- en gebruiksmogelijkheden op - onder andere - het perceel [locatie 7] zouden leiden tot een beperking in de bedrijfsvoering van het agrarische bedrijf dat aanwezig is op het perceel [locatie 6] en zo ja, of dat aanvaardbaar zou zijn vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening. Volgens [appellant sub 8] heeft een dergelijke beoordeling echter niet plaatsgevonden, maar stelt de raad zich enkel op het standpunt dat handhaving van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van het voorheen geldende plan, van invloed kan zijn op de vergunde bedrijfsvoering. [appellant sub 8] betoogt dat de raad dit standpunt ten onrechte niet motiveert en dat hij voorts niet van de vergunde situatie, maar van de planologische mogelijkheden diende uit te gaan. 30.
  140. De raad stelt dat de begrenzing van de aanduiding "specifieke vorm van wonen uitgesloten - geurgevoelige functies" is ingetekend op basis van de bestaande situatie in samenhang met de vergunde situatie. Hierbij is volgens de raad het uitgangspunt geweest dat bij toekomstige ontwikkelingen ofwel van het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 6], ofwel van geurgevoelige functies op het perceel [locatie 7], dient te worden getoetst vanuit de bestaande situatie. Volgens de raad is uitbreiding van de agrarische activiteiten op het perceel [locatie 6] slechts toegestaan als geen belemmering van geurgevoelige functies plaatsvindt. De raad wijst er voorts op dat in artikel 29, lid 29.6.6, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen ten behoeve van het gebruik van gebouwen binnen de bestemming "Wonen" voor geurgevoelige functies. 30.
  141. Op het perceel [locatie 6] wordt door [appellante sub 6] een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensieve varkenshouderij geëxploiteerd. Tussen partijen is niet in geschil dat de geurbelasting op de woning van [appellant sub 8], als gevolg van de activiteiten op het bedrijf van [appellant sub 9] ongeveer 13,5 odour units per m³ (OU/m³) lucht bedraagt. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat met het oog op toekenning van de gewraakte aanduiding een afweging is gemaakt tussen enerzijds het belang van [appellant sub 8] bij het gebruik van zijn gehele perceel ten behoeve van woonfuncties, en anderzijds het belang van het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 6] bij het voorkomen van belemmeringen in de bedrijfsvoering. Daarbij is rekening gehouden met de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van geurgevoelige functies op het perceel [locatie 7] en met de vergunde situatie op het perceel [locatie 6]. De Afdeling acht deze benadering van de raad op zichzelf niet onredelijk. De Afdeling overweegt voorts dat de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen uitgesloten - geurgevoelige functies" aan een gedeelte van het perceel [locatie 7] weliswaar een verkleining van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van dat perceel met zich brengt, maar dat uitbreiding van de woonruimte daarmee niet geheel onmogelijk is geworden. Uitbreiding kan plaatsvinden op het gedeelte van het perceel van [appellant sub 8] waaraan de gewraakte aanduiding niet is toegekend. Tevens kan uitbreiding - met toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 29, lid 29.6.6, van de planregels - plaatsvinden in het aanduidingsgebied. Gelet hierop, en mede gelet op de omstandigheid dat [appellant sub 8] ter zitting heeft gesteld vooralsnog geen concrete uitbreidingsplannen te hebben, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre leidt tot een ernstige beperking van de bouw- en gebruiksmogelijkheden ten behoeve van woonfuncties op het perceel [locatie 7]. Het betoog faalt. Conclusie
  142. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] voor het overige ongegrond. Het beroep van [appellant sub 9] voor het overige
  143. Ter zitting heeft [appellant sub 9] zijn beroepsgrond omtrent het begrip "intensieve graasdierveehouderij" als gedefinieerd in artikel 1, lid 1.84, van de planregels, ingetrokken. Aangezien het beroep voor zover het is gehandhaafd geen doel treft, is het ongegrond. Het beroep van Holmel B.V.
  144. Holmel B.V. exploiteert op het perceel Aan de Heibloem 21 te Heythuysen een inrichting in de vorm van een co-vergistingsinstallatie met warmtekrachtkoppeling. Aan het perceel zijn in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - 1" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - co-vergisting" toegekend. Holmel B.V. betoogt dat de definitie van het begrip "co-vergisting" zoals opgenomen in artikel 1, lid 1.48, van de planregels, niet aansluit bij het vergunde gebruik van het perceel en bij de begripsomschrijving in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet en het Besluit omgevingsrecht. Zij voert hiertoe aan dat de definitie in de planregels slechts ziet op het vergisten van biomassastromen in een vergistingsinstallatie ten behoeve van de productie van biogas. Onder de definitie valt niet het omzetten van biogas door de warmtekrachtkoppelingen in elektriciteit en warmte, terwijl dat volgens haar nu juist als hoofdactiviteit van de inrichting moet worden beschouwd. Volgens Holmel B.V. leidt de definitie in de planregels derhalve tot een aanzienlijke inperking van de bestaande, vergunde gebruiksmogelijkheden van het perceel. Daarbij komt dat Holmel B.V. subsidie ontvangt voor het opwekken van elektriciteit en niet voor het produceren van biogas. Als gevolg van de definitie in de planregels kan Holmel B.V. nog slechts op grond van het overgangsrecht voldoen aan de voorwaarden voor een subsidie, hetgeen volgens haar een te wankele basis is. De continuïteit en de waarde van het bedrijf komen hierdoor onder druk te staan. Verder betoogt Holmel B.V. dat zij voor de vaststelling van het plan een aanvraag voor een omgevingsvergunning en een ruimtelijke onderbouwing daarvan heeft ingediend ten behoeve van de uitbreiding van de haar vergunde activiteiten. De definitie in artikel 1, lid 1.48, van de planregels sluit volgens haar ten onrechte niet aan bij de uitbreiding waar zij om heeft verzocht. Volgens Holmel B.V. is sprake van een voldoende concreet initiatief waarmee de raad in het plan ten onrechte geen rekening heeft gehouden. 33.
  145. De raad stelt dat met de definitie in artikel 1, lid 1.48, van de planregels is beoogd aan te sluiten bij de vergunde situatie op het perceel Aan de Heibloem
  146. Daartoe is in artikel 1, lid 1.48, van de planregels het begrip "co-vergisting" omschreven als het gelijktijdig vergisten van co-substraten en 50% dierlijke mest tot eindproducten, waarbij biogas wordt geproduceerd als bron voor duurzame energie. Dat deze energie vervolgens wordt aangewend of verkocht, ligt voor de hand, zo stelt de raad. Derhalve sluit de definitie van het begrip "co-vergisting" volgens de raad aan bij het vergunde gebruik van het perceel. 33.
  147. Op 24 juli 2007 is voor de locatie Aan de Heibloem 21 op grond van artikel 19, eerste lid, van de Wet Ruimtelijke Ordening vrijstelling verleend van het bepaalde in het toenmalige bestemmingsplan "Buitengebied Heythuysen 1999" tot uitbreiding van het agrarische bouwvlak ten behoeve van het realiseren van een co-vergistingsinstallatie. Op 4 maart 2007 is op grond van de Wet milieubeheer een vergunning verleend voor het oprichten en in werking hebben van een co-vergistingsinstallatie met drie warmtekrachtkoppelingen met een totaal vermogen van 1.956 kWhel en de bouw van drie vergistingssilo’s met een inhoud van elk 2.078 m³ en een silo ten behoeve van vooropslag met een inhoud van 750 m³. De co-vergistingsinstallatie heeft een capaciteit van 35.000 ton per jaar. Er worden mest van bedrijven uit de omgeving en co-substraten vergist, waarbij minimaal 50% van de jaarlijkse input bestaat uit dierlijke mest. De co-vergisting levert biogas en digestaat op. Het biogas wordt door de warmtekrachtkoppelingen omgezet in elektriciteit en warmte. De elektriciteit wordt deels benut op het eigen bedrijf en voor het overige aan het net geleverd. De warmte wordt ingezet voor de vergister en voor verwarming van nabijgelegen bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen. 33.
  148. Tussen partijen is niet in geschil dat de co-vergistingsinstallatie met warmtekrachtkoppeling op het perceel Aan de Heibloem 21 legaal is opgericht. Evenmin is in geschil dat de bedrijfsactiviteiten door Holmel B.V. in overeenstemming met de verleende milieuvergunning worden verricht. De Afdeling stelt vast dat door Holmel B.V. conform de verleende milieuvergunning biogas wordt geproduceerd, dat vervolgens wordt omgezet in elektriciteit en warmte. Dat brengt met zich dat - anders dan de definitie in artikel 1, lid 1.48, van de planregels vermeldt - niet slechts biogas als bron voor duurzame energie wordt geproduceerd, maar tevens elektriciteit en warmte. Nu de raad dit ten onrechte niet heeft onderkend, is het plan naar het oordeel van de Afdeling in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt. Conclusie
  149. In hetgeen Holmel B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft artikel 1, lid 1.48, van de planregels, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van Holmel B.V. is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.
  150. Ter zitting zijn alternatieve formuleringen van artikel 1, lid 1.48, van de planregels besproken. Gebleken is dat zowel Holmel B.V. als de raad kan instemmen met de definitie van het begrip co-vergisting als in artikel 1, lid 1.48, van de planregels na "biogas" de woorden "elektriciteit en warmte" worden ingevoegd. Als artikel 1, lid 1.48 van de planregels in bedoelde zin wordt gewijzigd, is tussen partijen niet langer in geschil dat ook de door Holmel B.V. gewenste uitbreiding van de haar vergunde activiteiten binnen de definitie valt. Gelet hierop, en nu niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden in hun belangen worden geschaad, ziet de Afdeling geen beletsel om op dit punt toepassing te geven aan artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb en zelf in de zaak te voorzien. Daarbij wordt artikel 1, lid 1.48, van de planregels zodanig gewijzigd dat de woorden "elektriciteit en warmte" worden ingevoegd na het woord "biogas" in dit artikellid. Voorts zal de Afdeling bepalen dat deze uitspraak ten aanzien van artikel 1, lid 1.48, van de planregels in de plaats treedt van het bestreden besluit. Het beroep van Dubeco Aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning"
  151. Dubeco is eigenaar van de agrarische bedrijfsopstallen die aanwezig zijn op het perceel [locatie 8] te Kelpen-Oler, waaraan in het plan in zoverre de bestemming "Agrarisch" is toegekend, en exploiteert hier een bessenkwekerij. Op het perceel [locatie 8] is tevens een woning aanwezig. Deze is in eigendom van [persoon A]. Aan het deel van het perceel waarop de woning aanwezig is, is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" toegekend. Het beroep van Dubeco richt zich tegen de toekenning van deze aanduiding aan het deel van het perceel waarop de woning aanwezig is. Dubeco betoogt dat de toekenning van deze aanduiding in strijd is met gemeentelijk beleid zoals weergegeven in het document "Ruimtelijke onderbouwing [locatie 8] Kelpen-Oler" van 29 februari 2016, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Zo hanteert de raad voor het aanduiden van een woning als plattelandswoning kennelijk als voorwaarde dat de bedrijfswoning niet meer noodzakelijk is voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf. Aan deze voorwaarde is volgens Dubeco niet voldaan. Dubeco geeft te kennen dat het ten behoeve van de bedrijfsvoering noodzakelijk is dat op het perceel arbeidsmigranten worden gehuisvest, maar dat in het gemeentelijk beleid de voorwaarde is gesteld dat op deze huisvesting toezicht vanuit de bedrijfswoning dient plaats te vinden. Nu het om die reden voor de uitoefening van het bedrijf noodzakelijk is dat de woning de status van bedrijfswoning behoudt, is de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" volgens Dubeco ten onrechte toegekend. 36.
  152. De raad stelt dat het gehele bedrijfscomplex - dus inclusief de woning - destijds door de vorige eigenaar te koop is aangeboden. Dubeco heeft toen bewust afgezien van de aankoop van de woning en daarmee zelf te kennen gegeven de woning niet nodig te hebben voor de uitoefening van het bedrijf. De huidige eigenaar van de woning heeft functioneel geen binding met het bedrijf, zodat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" terecht is toegekend aan het gedeelte van het perceel waarop de woning aanwezig is. 36.
  153. De Afdeling overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat op het perceel [locatie 8] tot 2011 een bloemenkwekerij aanwezig is geweest. De woning werd destijds bewoond door personen die bij de bloemenkwekerij werkzaam waren. Vanaf 2011 hebben de opstallen leeggestaan en zijn zij te koop aangeboden. In 2013 heeft Dubeco de agrarische opstallen zonder de woning gekocht. De woning is in 2015 door [persoon A] - die geen binding heeft met het bedrijf van Dubeco - gekocht en wordt sindsdien door hem bewoond. De raad heeft te kennen gegeven dat de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" voor de woning is opgenomen, omdat zij in de directe nabijheid van een agrarisch bedrijf is gelegen en permanent voor burgerbewoning wordt gebruikt. Gelet hierop heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in redelijkheid voor kunnen kiezen om aan de woning op het perceel [locatie 8] de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" toe te kennen. Voor zover het ontbreken van een bedrijfswoning aan de [locatie 8] voor Dubeco met zich brengt dat op grond van gemeentelijk beleid geen arbeidsmigranten op het perceel kunnen worden gehuisvest, doet dat aan het voorgaande niet af. De Afdeling overweegt hiertoe dat de gesplitste verkoop aan verschillende (rechts)personen van de agrarische opstellen en de woning op het perceel [locatie 8], ertoe heeft geleid dat thans feitelijk geen relatie meer bestaat tussen de beide delen van het perceel. Op de relatie die hiertussen vóór 2013 bestond, kan in het kader van de vaststelling van het plan geen succesvol beroep meer worden gedaan. Het betoog faalt. Landschappelijke inpassing en woon- en leefklimaat
  154. Dubeco betoogt voorts dat niet vaststaat dat ter plaatse van de woning aan de Graetheideweg sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens Dubeco stelt de raad ten onrechte dat milieuhinder die afkomstig is van het bedrijf waarbij de woning eerder behoorde, niet behoeft te worden getoetst. De raad heeft, zo stelt Dubeco, daarom onvoldoende bezien in hoeverre hinder van geluid en van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen vanwege de bessenkwekerij aan een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning in de weg staan. Dubeco stelt tevens dat door de raad, anders dan in zijn beleid is voorgeschreven, ten onrechte geen landschapsplan is opgesteld waaruit blijkt dat sprake is van een verbetering van de omgevingskwaliteit. Ook is ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen waarmee de aanleg en instandhouding van een landschapsplan worden gegarandeerd. 37.
  155. De raad stelt dat - zoals ook is vermeld in de ruimtelijke onderbouwing van 29 februari 2016 die als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd - ter plaatse van de woning sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en een goede landschappelijke inpassing. 37.
  156. Zoals eerder is overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1159) volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen dat met de figuur van de plattelandswoning is beoogd om niet het feitelijk gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning, maar de planologische status bepalend te laten zijn voor bescherming tegen milieuhinder. Indien een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieuemissie van deze inrichting. De inrichting wordt op deze manier niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Dit betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van die woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. 37.
  157. Volgens het document "Ruimtelijke onderbouwing [locatie 8] Kelpen-Oler" van 29 februari 2016 dat deel uitmaakt van de plantoelichting, is de geluidoverlast ter plaatse van de woning beperkt. De weg die in de directe nabijheid van de woning aanwezig is, heeft een lage verkeersintensiteit, zodat daarvan geen onaanvaardbare geluidhinder te verwachten valt. Voorts heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de bedrijfsactiviteiten van Dubeco niet zodanig van aard en omvang zijn dat in de woning onaanvaardbare geluidoverlast wordt ondervonden. Ten aanzien van het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen is in het genoemde document een uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2011 aangehaald, waarin is overwogen dat toepassing van de vuistregel om een afstand aan te houden van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk is. De woning aan de Graetheideweg ligt op een kortere afstand van de gronden waar gewasbestrijdingsmiddelen worden gebruikt, namelijk op 31 m. Volgens de raad is deze kortere afstand in dit geval acceptabel, nu tussen de woning en de betreffende gronden een haag aanwezig is die driftreducerend werkt. [persoon A] heeft voorts een aanvullend onderzoek laten verrichten naar het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning met het oog op het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen. Uit dit onderzoek, dat is getiteld "Spuitzone onderzoek Plangebied [locatie 8] te Kelpen Oler, gemeente Leudal" en is gedateerd op 11 september 2017, volgt dat geen sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [persoon A], mits wordt voorzien in een wintergroene windhaag. De Afdeling stelt vast dat in het plan niet is voorzien in een voorwaardelijke verplichting waarmee de aanleg en de instandhouding van een wintergroene windhaag op het gedeelte van het perceel [locatie 8] waar de woning van [persoon A] aanwezig is, worden verzekerd. Nu de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat hij de aanleg en instandhouding van de windhaag op het genoemde perceel noodzakelijk acht voor de aanvaardbaarheid van het plan, is hiertoe ten onrechte geen voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen. Het betoog slaagt. 37.
  158. Met betrekking tot de landschappelijke inpassing van de woning op het perceel [locatie 8] heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat het opstellen van een landschapsplan in dit geval niet noodzakelijk is. De Afdeling acht dit - gelet op de feitelijke situatie op het gedeelte van het perceel waarop de woning aanwezig is - niet onredelijk. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onder deze omstandigheden in redelijkheid kunnen afzien van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het plan, voor zover deze verder strekt dan de aanleg en instandhouding van de wintergroene windhaag zoals hiervoor, onder 37.3 is besproken. Het betoog faalt. Conclusie
  159. In hetgeen Dubeco heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - plattelandswoning" ter plaatse van het perceel [locatie 8], is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover ter plaatse niet is voorzien in een voorwaardelijke verplichting ten behoeve van de aanleg en instandhouding van een wintergroene windhaag. Het beroep van Dubeco is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Het beroep van [appellant sub 12] Aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan"
  160. [appellant sub 12] is eigenaar van het perceel [locatie 9] te Roggel, waaraan in het plan de bestemming "Agrarisch met waarden - 4" is toegekend. Zijn beroep richt zich in de eerste plaats tegen het ontbreken van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" aan een deel van dit perceel. Volgens [appellant sub 12] had de raad - gelet op de beantwoording van de door hem ingediende zienswijze - de intentie om deze aanduiding aan een deel van het perceel toe te kennen. 39.
  161. De raad erkent dat bij de vaststelling van het plan abusievelijk is nagelaten de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" aan een deel van het perceel [locatie 9] toe te kennen. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. Maximale goot- en bouwhoogte in hoeksituatie
  162. [appellant sub 12] betoogt voorts dat de raad in artikel 7, lid 7.2.1, onder m, van de planregels ten onrechte de voorwaarde heeft gesteld dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" de maximale goothoogte van te realiseren bebouwing niet meer mag bedragen dan de maximale goot- en bouwhoogte van de reeds aanwezige bebouwing. Deze regeling is beperkter dan de regeling die in het voorheen geldende plan en in het ontwerpplan was opgenomen. [appellant sub 12] voert aan dat het niet in de rede ligt dat de raad een dergelijk ingrijpende wijziging opneemt in een reparatie- en veegplan waarin omissies worden hersteld, maar dat voor het overige conserverend van aard moet worden geacht. Hij wijst er voorts op dat hem in 2014 op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning is verleend ten behoeve van de herontwikkeling van het perceel [locatie 9]. Op grond van deze vergunning is de bedrijfswoning op een andere plaats binnen het bouwvlak herbouwd. Op termijn zal ook de loods worden herbouwd. [appellant sub 12] voert aan dat het voor hem onevenredig bezwarend is als hij dan wordt gehouden aan de maten van de bestaande bebouwing. De beoogde ontwikkeling van het bedrijf - zoals vergund door het gemeentebestuur in 2014 - wordt volgens hem op deze wijze in gevaar gebracht. 40.
  163. In de plantoelichting staat dat na vaststelling van het voorheen geldende plan "Buitengebied Leudal" een aantal omissies is geconstateerd en zich een aantal nieuwe ontwikkelingen heeft voorgedaan. De aanpassing van de maximale goot- en bouwhoogte in vergelijking tot het voorheen geldende plan valt volgens de plantoelichting in eerstgenoemde categorie. Gelet hierop - en mede gelet op de omstandigheid dat ook een conserverend plan ruimte kan bieden voor nieuwe ontwikkelingen - ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het plan ontwikkelingen zijn opgenomen die hierin niet zouden mogen worden opgenomen. Het betoog faalt in zoverre. 40.
  164. Voorts staat in de plantoelichting dat in het voorheen geldende plan "Buitengebied Leudal" voor het eerst een maximale bouwhoogte van 12 m voor bedrijfsgebouwen is opgenomen. Daarmee is besloten tot een vergroting van de bouwhoogte ten opzichte van het dáárvoor geldende plan, zo stelt de raad. Samenhangend met deze vergroting is ervoor gekozen om bebouwing verder van de weg af te situeren, teneinde te voorkomen dat een gebouw met een hoogte van 12 m direct aan de weg geprojecteerd zou kunnen worden. Vanuit esthetische en stedenbouwkundige overwegingen acht de raad het niet aanvaardbaar dat bedrijfsgebouwen met een dergelijke hoogte in de nabijheid van de openbare weg kunnen worden gerealiseerd, omdat de impact op de omgeving dan te groot is. Volgens de raad was in het voorheen geldende plan echter per abuis geen regeling voor hoeksituaties opgenomen. Deze omissie is in het thans in geding zijnde plan hersteld. Hiertoe is onder meer in artikel 7, lid 7.2.1, onder j, van de planregels geregeld dat daar waar het bouwvlak grenst aan de openbare weg en geen sprake is van een achtergevelrooilijn (hoeksituatie), de afstand van bedrijfsgebouwen tot de grens van het bouwvlak minimaal 20 m dient te bedragen. In artikel 7, lid 7.2.1, onder m, van de planregels is voorts bepaald dat - in afwijking van het voorgaande - ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" gebouwen mogen worden gebouwd. Indien sprake is van bestaande bebouwing mag ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bebouwing toegestaan" de maximale goot- en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan de bestaande goot- respectievelijk bouwhoogte. De afweging die de raad aan de door [appellant sub 12] betwiste planregel ten grondslag heeft gelegd, acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk. Dat neemt niet weg dat de raad zich bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekenschap dient te geven van bestaande rechten, zoals de in 2014 aan [appellant sub 12] verleende vergunning en de daarbij behorende ruimtelijke onderbouwing. Hierop zal de Afdeling in het navolgende ingaan. 40.
  165. [appellant sub 12] heeft terecht gesteld dat de goot- en bouwhoogte van de bebouwing die op het perceel [locatie 9] aanwezig is, kleiner is dan de op grond van het voorheen geldende plan maximaal toegestane goot- en bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen. Vast staat derhalve dat de bouwmogelijkheden van [appellant sub 12] in zoverre zijn verkleind. Niet gebleken is echter dat deze verkleining in de weg staat aan de realisering van de vergunde herontwikkeling van het perceel [locatie 9]. Voor zover [appellant sub 12] zich op het standpunt heeft gesteld dat artikel 7, lid 7.2.1, onder m, van de planregels mogelijk aan toekomstige, verdere uitbreiding van de bedrijfsbebouwing in de weg staat, oordeelt de Afdeling dat de raad hieraan geen doorslaggevend belang heeft hoeven toekennen. Daarbij betrekt de Afdeling dat in artikel 7, lid 7.4.1, van de planregels een afwijkingsbevoegdheid is opgenomen, op grond waarvan onder voorwaarden van de regeling over hoeksituaties kan worden afgeweken. Het betoog faalt. Kwaliteitsverbetering
  166. [appellant sub 12] richt zich voorts tegen artikel 7, lid 7.2.1, onder n, van de planregels. Hij stelt dat met deze regeling ten onrechte nieuw beleid van de gemeente wordt verankerd in een reparatie- en veegplan dat hiervoor volgens hem niet geschikt is. Voorts betoogt [appellant sub 12] dat uit de Nota Kwaliteit weliswaar valt af te leiden dat bij ruimtelijke ontwikkelingen - zoals uitbreiding van een bouwvlak of een functiewijziging - kwaliteitsverbetering dient plaats te vinden, maar niet als gebruik wordt gemaakt van bouwmogelijkheden waarin het plan reeds voorziet. Dit blijkt evenmin uit de gemeentelijke structuurvisie. Daarbij komt dat de voorwaarden niet zijn gesteld aan de omgevingsvergunning voor gebouwen ten behoeve van andere functies, zoals horeca of recreatie. [appellant sub 12] wijst er daarnaast op dat in de Nota Kwaliteit staat wanneer een kwaliteitsverbetering nodig is, maar dat niet is vermeld hoe een kwaliteitsverbetering er dient uit te zien. Dat betekent dat de aanvrager van een vergunning van te voren niet kan weten welke kwaliteitsverbetering gerealiseerd dient te worden, zodat de planregel in zoverre strijdt met de rechtszekerheid. [appellant sub 12] geeft voorts te kennen dat in het kader van de vergunningprocedure ten behoeve van de herontwikkeling van het perceel een landschapsplan is opgesteld. Met de gemeente is een overeenkomst gesloten over de realisering en de instandhouding hiervan. Volgens [appellant sub 12] is het onevenredig bezwarend als hij in het kader van een vergunningaanvraag opnieuw maatregelen ten behoeve van de landschappelijke inpassing zou moeten nemen, maar sluit de redactie van de bepaling dat niet uit. 41.
  167. De raad stelt zich op het standpunt dat artikel 7, lid 7.2.1, onder n, van de planregels geen nieuw beleid verankert en dat uit de Nota Kwaliteit kan worden afgeleid dat een te realiseren kwaliteitsverbetering ook kan worden gekoppeld aan vergunningen ten behoeve van de realisering van rechtstreeks door het plan toegestane bouwmogelijkheden. Voorts stelt de raad dat [appellant sub 12] er kennelijk van uitgaat dat de bepaling impliceert dat de voorwaarde die aan een omgevingsvergunning wordt verbonden, altijd een verbetering van de omgevingskwaliteit dient in te houden. Volgens de raad kan de voorwaarde ook betrekking hebben op handhaving van de bestaande situatie als de omgevingskwaliteit ten tijde van de beslissing op de aanvraag reeds toereikend is. 41.
  168. De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat, zoals hiervoor, onder 40.1, reeds is vermeld, in de plantoelichting staat dat na vaststelling van het voorheen geldende plan "Buitengebied Leudal" een aantal omissies is geconstateerd en zich een aantal nieuwe ontwikkelingen heeft voorgedaan. Daargelaten of in dit geval sprake is van een nieuwe ontwikkeling - zoals [appellant sub 12] stelt - of van een andersoor

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.