(1979)niet was toegestaan en volgens de raad niet is aangetoond dat op de peildatum 20 december 2000 op het perceel [locatie B] de gronden in gebruik waren voor detailhandel. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de beperkte openingstijden aanleiding zijn geweest voor het standpunt dat de verkoopactiviteiten een ondergeschikt karakter hebben. 11.
- Het perceel [locatie E] is sinds 20 september 2000 gesplitst in twee percelen, te weten [locatie B] en [locatie E]. [appellant sub 3] is eigenaar van het perceel [locatie B] dat het achterste deel van het perceel is. In het voorliggende plan heeft het perceel van [appellant sub 3] de bestemming "Gemengd" gekregen en is een bouwvlak met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid" toegekend. Binnen deze bestemming zijn onder meer een woonfunctie, dienstverlening tot maximaal 100 m², aan huis verbonden beroepen en ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid" tevens kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid toegestaan. Detailhandel als hoofdactiviteit is niet toegestaan. [appellant sub 3] gebruikt zijn deel van het perceel als nevenvestiging van het bedrijf, dat aan de [locatie C] is gevestigd en waarin hij ambachtelijke manden maakt en verkoopt. Dat is in zoverre niet in geschil. De raad stelt zich op het standpunt dat detailhandel als zelfstandige (hoofd)activiteit nooit legaal gebruik is geweest op het perceel [locatie B]. In geschil zijn de vragen in welke omvang de verkoopactiviteiten hebben plaatsgevonden op bedoeld perceel, of deze activiteiten als kleinschalige detailhandel moeten worden beschouwd en wanneer deze activiteiten zijn begonnen. 11.
- Artikel 28, lid 28.2, van de regels van het voorliggende plan bevat het overgangsrecht voor gebruik en luidt: "Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet." Artikel 1, lid 1.16, verstaat onder bestaand bij gebruik: het legale gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het moment van de inwerkingtreding van het plan. 11.
- In het daarvoor geldende bestemmingsplan "Wijk en Aalburg" uit 2000 had het gehele perceel de bestemming "Gemengd gebied", welke gronden bestemd waren voor onder andere detailhandel. Uit de beschrijving in hoofdlijnen volgt dat het moest gaan om bestaande detailhandel. Nieuwvestiging van detailhandel was binnen deze bestemming uitsluitend via vrijstelling toegestaan. Ingevolge artikel 1 van de begripsbepalingen van dat plan dient voor gebruik onder bestaande situatie te worden verstaan het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft gekregen. 11.
- Gelet op de voornoemde bepalingen van het bestemmingsplan "Wijk en Aalburg" is de vraag of [ijzerwarenbedrijf] onder het bestemmingsplan "Bebouwde Kom Wijk en Aalburg"
(1979)het gebruik voor detailhandel illegaal is begonnen niet van belang, aangezien het bestemmingsplan "Wijk en Aalburg" uit 2000 voor het begrip bestaand gebruik geen onderscheid maakt in legaal of illegaal aangevangen gebruik. Gelet op de bepalingen van het bestemmingsplan "Wijk en Aalburg" uit 2000 is relevant wat het gebruik was ten tijde dat dat bestemmingsplan rechtskracht verkreeg. [appellant sub 3] stelt dat hij het gebouw, afgezien van een verbouwing ten behoeve van het gebruik van het gebouw voor de verkoop van ambachtelijke manden, steeds voor detailhandel heeft gebruikt en heeft hiertoe stukken ingediend. Uit deze stukken is af te leiden dat op de [locatie E] tot en met 15 september 2000 [ijzerwarenbedrijf] was gevestigd, die het perceel voor detailhandel gebruikte. Verder is uit een leveringsakte van 22 augustus 2000 af te leiden dat [appellant sub 3] het perceel van [ijzerwarenbedrijf] heeft gekocht op 31 juli
- [appellant sub 3] heeft in de stukken en ter zitting nader toegelicht dat detailhandel in de zin van de verkoop van manden/ambachtelijke producten de hoofdactiviteit was en is op het perceel [locatie B]. Gezien het vorenstaande acht de Afdeling het standpunt van de raad dat op het perceel slechts sprake is van gebruik van de gronden voor ondergeschikte detailhandelsdoeleinden en dus kon worden volstaan met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid" onvoldoende gemotiveerd. Het betoog slaagt. Bebouwing achter perceel [locatie B]
- Verder betoogt [appellant sub 3] dat een deel van de bestaande bebouwing aan de achterzijde van [locatie B] ten onrechte voor een tweede maal onder de werking van het overgangsrecht is gebracht. De bebouwing is al tientallen jaren aanwezig maar nooit opgenomen in een bouwvlak. [appellant sub 3] wenst deze bebouwing te behouden. 12.
- De Afdeling stelt vast dat de bedoelde bebouwing in dit plan binnen de bestemming "Agrarisch" ligt. Dat bestemmingsvlak heeft geen bouwvlak, zodat de aanwezige bebouwing niet als zodanig is bestemd. Verder is volgens de planregels buiten het bouwvlak geen bijgebouw toegestaan zonder de aanduiding "bedrijfswoning". Niet in geschil is dat het gebouw er al voor 1999 stond. 12.
- De raad heeft ter zitting erkend dat het gebouw ten onrechte niet als zodanig is bestemd. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt. Perceel F 3220
- [appellant sub 3] heeft tussen de [locatie B] en [locatie C] en [locatie D] nog een perceel in eigendom, dat kadastraal bekend staat als gemeente Wijk en Aalburg, sectie F nummer
- Hij betoogt dat ten onrechte voor het perceel F 3220 een agrarische bestemming is gehandhaafd. Voor de naastgelegen percelen F 3955, 3811, 3954 en 2746 heeft de raad gekozen voor een bestemming "Recreatie". Volgens [appellant sub 3] heeft de raad het onderscheid tussen deze percelen onvoldoende gemotiveerd. Dat er volkstuinen op de percelen F 3955, 3811, 3954 en 2746 aanwezig zijn, is volgens [appellant sub 3] niet relevant, aangezien deze al jaren aanwezig zijn. Ook perceel F 3220 wordt al jaren niet meer agrarisch gebruikt. 13.
- Over de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking met de percelen F 3955, 3811, 3954 en 2746 overweegt de Afdeling als volgt. Deze percelen hebben de bestemming "Recreatie" gekregen, omdat de gronden als volkstuinen worden gebruikt. Voor deze bestemming heeft de raad aangesloten bij de SVBP 2012, hetgeen de Afdeling niet onredelijk acht. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestaande gebruik op de naastgelegen percelen F 3955, 3811, 3954 en 2746 verschilt van het bestaande gebruik op perceel F
- Reeds hierom gaat de door [appellant sub 3] gemaakte vergelijking niet op. Het betoog faalt. 13.
- Het perceel F 3220 heeft in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch". Het perceel is onbebouwd en voor een deel als grasland in gebruik. Voorheen werd dit perceel voor agrarische doeleinden gebruikt. In het vorige bestemmingsplan had het perceel dan ook de bestemming "Agrarisch". Gelet op deze omstandigheden heeft de raad, naar het oordeel van de Afdeling, in redelijkheid de bestemming "Agrarisch" kunnen handhaven. Het betoog faalt. Bestuurlijke lus
- De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de in deze uitspraak geconstateerde gebreken te herstellen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. De raad dient: a. met inachtneming van overweging 10.1 van deze uitspraak voor de percelen Nijverheidstraat 11 en 39 en Ambachtsstraat 15 in de planregeling de daar bestaande metaalbedrijven toe te staan; b. met inachtneming van overweging 11.5 van deze uitspraak nader te motiveren waarom met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - kleinschalige ambachtelijke bedrijvigheid" voldoende recht wordt gedaan aan de bestaande situatie. Eventueel dient te raad nader te onderzoeken of een andere bestemming meer recht doet aan het bestaande gebruik en dat gebruik als zodanig te bestemmen; c. met inachtneming van overweging 12.2 van deze uitspraak de bebouwing aan de achterzijde van de [locatie B] als zodanig te bestemmen. Bij het nemen van een nieuw besluit behoeft geen toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb. Een nieuw besluit dient op de wettelijk voorgeschreven wijze te worden bekendgemaakt en medegedeeld. Proceskosten en griffierecht
- In de einduitspraak zal met betrekking tot de beroepen van Bomatech BV en anderen en [appellant sub 3] worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. draagt de raad van de gemeente Aalburg op om: - binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 10.1, 11.5 en 12.2 is overwogen de daar omschreven gebreken in het besluit van 20 december 2016 te herstellen en − de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen; II. verklaart het beroep van [appellanten sub 1] ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.L. Mercker, griffier. w.g. Kranenburg w.g. Mercker voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2017 661.