201609259/1/V
- Datum uitspraak: 27 december 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 november 2016 in zaak nr. 16/17751 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 4 augustus 2016 heeft de staatssecretaris de ongewenstverklaring van de vreemdeling opgeheven en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd. Bij uitspraak van 25 november 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Ramdhan, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen
- In grief 2 betoogt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris terecht niet heeft onderzocht of het gedrag van de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, nu het inreisverbod is gebaseerd op artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) en niet op het bepaalde onder b van dat artikellid.
- De in grief 2 opgeworpen rechtsvraag over de toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 heeft de Afdeling in de uitspraak van 4 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1725, beantwoord. Die overwegingen zijn ook in deze zaak van toepassing. Hieruit volgt reeds dat het hoger beroep kennelijk gegrond is. Hetgeen de vreemdeling overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 augustus 2016 alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.
- De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat aan de vreemdeling in hoger beroep is bericht dat vooralsnog wordt afgezien van het heffen van griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 25 november 2016 in zaak nr. 16/17751; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 4 augustus 2016, V-nummer […]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.488,00 (zegge: veertienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier. w.g. Sevenster w.g. Willems voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 27 december 2017 412-840.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.