(2022), en daarmee een toename van het aantal personen ten opzichte van de huidige situatie, is betrokken. Zoals ook volgt uit hetgeen hiervoor onder 12.
- is overwogen, heeft DSM voorts niet geconcretiseerd waarin de aanmerkelijke wijzigingen in de omstandigheden waarvan bij de vaststelling van het bestemmingsplan is uitgegaan zijn gelegen, op grond waarvan voor de vaststelling van het uitwerkingsplan in redelijkheid niet kan worden verwezen naar de gegevens en rapporten die aan het bestemmingsplan ten grondslag zijn gelegd. Derhalve heeft het college in dit geval kunnen volstaan met de verwijzing naar de in het kader van het bestemmingsplan gegeven verantwoording van het groepsrisico en de daarop gegeven aanvulling. 14.
- Met betrekking tot de in het bestemmingsplan geformuleerde uitgangspunten voor de invulling van de uit te werken woonbestemming, overweegt de Afdeling dat de situering van de te realiseren woningen niet is geregeld in het uitwerkingsplan. De plantoelichting is geen juridisch bindend onderdeel van het uitwerkingsplan. Voorts is in het bestemmingsplan aan het gehele plangebied van het uitwerkingsplan een uit te werken woonbestemming toegekend en geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven. Voor het college bestond derhalve niet de mogelijkheid om aan een deel van het plangebied een andere bestemming dan een woonbestemming toe te kennen. 14.
- Voor zover in het moederplan als uitgangspunt is geformuleerd dat een verdere uitwerking van het bestemmingsplan geen negatief effect mag hebben op het groepsrisico, overweegt de Afdeling dat, zoals het college ter zitting heeft aangevoerd, dit uitgangspunt ziet op het gehele plangebied van het moederplan, waar het uitwerkingsplan slechts een klein onderdeel van is. Nu de ontwikkeling van het gehele plangebied van het moederplan zich voorts nog in een zeer pril stadium bevindt en ook de uitwerking van het resterende deel van dat plangebied in dezen van belang is, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat als gevolg van dit uitwerkingsplan niet aan voormeld uitgangspunt wordt of kan worden voldaan. Het betoog faalt.
- DSM stelt dat het uitwerkingsplan in strijd is met provinciale regelgeving. Daartoe wijst DSM op (de toelichting op) artikel 2.1.3 van de Verordening ruimte 2014, waarin als uitgangspunt voor bestemmingsplannen is opgenomen het mogelijk maken van de hoogst mogelijke categorie op het bedrijventerrein en dat daarvan alleen kan worden afgeweken indien daartoe aanleiding bestaat in verband met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een vigerend bestemmingsplan of het Programma ruimte. Voorts voert DSM aan dat uit zowel de Visie ruimte en mobiliteit als het Programma ruimte volgt dat de provincie veel waarde hecht aan HMC-bedrijven en dat deze bedrijven voldoende (milieu)ruimte moet worden geboden. Ook beoogt de provincie zich in te zetten voor de bescherming van grote groepen burgers tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen, door risicovolle activiteiten zo veel mogelijk te clusteren op daarvoor geschikte terreinen. Het uitwerkingsplan gaat hier ten onrechte aan voorbij. Dit klemt temeer, nu dit plan wel degelijk zal leiden tot een beperking van de milieuruimte van DSM. 15.
- Artikel 2.1.3, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 ziet op bestemmingsplannen die betrekking hebben op een bedrijventerrein en is, nu het uitwerkingsplan betrekking heeft op een woningbouwlocatie, derhalve niet van toepassing op de voorliggende situatie. 15.
- Voorts overweegt de Afdeling dat, nog daargelaten dat het college niet is gebonden aan beleid van de provincie dat is opgenomen in structuurvisies of in andere beleidsdocumenten, in dit geval geen bestemmingsplan maar een uitwerkingsplan ter beoordeling voorligt. De keuze om binnen het plangebied woningbouw toe te staan moet in beginsel aanvaardbaar worden geacht. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3298) kan gestelde strijd van het uitwerkingsplan met provinciaal beleid niet als zodanig worden aangemerkt. Het betoog faalt. Slotoverwegingen
- De beroepen van DSM tegen het besluit hogere waarden en het uitwerkingsplan, voor zover ingesteld door Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V. en DSM Gist Services B.V., zijn niet-ontvankelijk. Voor zover ingesteld door DSM Delft B.V., DSM Food Specialties B.V., DSM Bio-based Products & Services B.V., DSM Delft Permit B.V. en de overige betrokken DSM vennootschappen, waaronder DSM Sinochem Pharmaceuticals Netherlands B.V. en de Vereniging Overige Delft Site Users zijn de beroepen ongegrond. De vraag in hoeverre de relativiteitseis die is neergelegd in artikel 8:69a van de Awb in de weg zou staan aan een eventuele vernietiging van het plan kan derhalve buiten bespreking blijven.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen, voor zover ingesteld door Koninklijke DSM N.V., DSM Gist Holding B.V. en DSM Gist Services B.V., niet-ontvankelijk; II. verklaart de beroepen, voor zover ingesteld door DSM Delft B.V., DSM Food Specialties B.V., DSM Bio-based Products & Services B.V., DSM Delft Permit B.V. en de overige betrokken DSM vennootschappen, waaronder DSM Sinochem Pharmaceuticals Netherlands B.V. en de Vereniging Overige Delft Site Users, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Wijker-Dekker, griffier. w.g. Michiels w.g. Wijker-Dekker voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2017 562.