201600689/1/R
- Datum uitspraak: 29 maart 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Egchel, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 2], wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 3], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 4], wonend te Panningen, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 5], wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 6], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
- [ appellante sub 7], wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 8], wonend te Koningslust, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 9], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 10A], handelend onder de naam [bedrijf], gevestigd te Grasbroek, gemeente Peel en Maas en [appellant sub 10 B], wonende te Beringe, gemeente Peel en Maas, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 10]),
- [ appellant sub 11], wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 11A] en [appellante sub 11B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]), beiden wonend te Beringe, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 13], wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
- [ appellante sub 14A] en [appellant sub 14B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
- [ appellante sub 15], gevestigd te Grashoek, gemeente Peel en Maas,
- [ appellant sub 16], wonend te Baarlo, gemeente Peel en Maas,
- [ appellante sub 17], gevestigd te Kessel, gemeente Peel en Maas,
- [ appellante sub 18], gevestigd te Beringe, gemeente Peel en Maas,
- [ appellante sub 19], gevestigd te Beringe, gemeente Peel en Maas,
- [ appellante sub 20], gevestigd te Kessel, gemeente Peel en Maas, en anderen, en de raad van de gemeente Peel en Maas, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 15 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "1e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft een aantal appellanten beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal appellanten en andere partijen hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. Bij besluit van 18 oktober 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "3e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas" vastgesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 en 29 november 2016, waar een aantal partijen is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook de raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Overwegingen Toetsingskader
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Bestemmingsplan
- Het bestemmingsplan dat op 15 december 2015 is vastgesteld dient ter reparatie van het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" dat is vastgesteld door de raad van de gemeente Peel en Maas op 5 februari 2013 (hierna: het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas"). Van het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" is bij de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, een aantal plandelen vernietigd. Wijzigingsbesluit
- Op 18 oktober 2016 heeft de raad ten behoeve van de percelen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] het bestemmingsplan "3e reparatieherziening bestemmingsplan buitengebied Peel en Maas" (hierna: het wijzigingsbesluit) vastgesteld. Daarbij heeft de raad getracht een aantal geconstateerde gebreken in de besluitvorming van 15 december 2015 te herstellen. De Afdeling merkt het wijzigingsbesluit aan als een besluit zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De beroepen van [appellant sub 8], [appellant sub 9], [appellante sub 20] en anderen en de [appellante sub 17] zien ook op deze gronden. Bij de bespreking van de beroepen van deze appellanten zal tevens ingegaan worden op het wijzigingsbesluit. Voormalige bedrijfswoningen
- Alvorens in te gaan op de individuele beroepen ziet de Afdeling in verband met de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellante sub 7], [appellant sub 8] en [appellant sub 9] aanleiding om in algemene zin het volgende te overwegen. Aan de percelen van voormelde appellanten heeft de raad de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegekend waarbij per bouwvlak in beginsel maximaal één bedrijfswoning is toegestaan. De agrarische landbouwinrichtingen die op deze percelen werden gedreven, zijn echter reeds jaren geleden opgeheven, met dien verstande dat de voormalig agrariër, de zogenoemde "agrariër in ruste", de bedrijfswoning die bij de opgeheven landbouwinrichting behoorde, is blijven bewonen, dan wel deze heeft overgedragen aan een derde die geen voornemen heeft ter plaatse opnieuw een inrichting op te richten waarbij uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten worden verricht, dan wel activiteiten die daarmee verband houden. 4.
- In verband met de vrees van een aantal "agrariërs in ruste" voor handhaving omdat op grond van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" reguliere bewoning van de bedrijfswoning niet is toegestaan, voert de raad aan dat uit de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ1730, volgt dat het blijven bewonen van een (voormalige) bedrijfswoning door een agrariër in ruste niet in strijd is met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden". De Afdeling plaatst daarbij de kanttekening dat dit, zoals uit de uitspraak van 8 november 2006 ook kan worden afgeleid, alleen geldt indien de oorspronkelijk bij het agrarisch bedrijf behorende gronden niet zijn verkocht en evenmin aan een derde in gebruik zijn gegeven. Indien de bij het bedrijf behorende gronden wel zijn verkocht of aan een derde in gebruik zijn gegeven, kan de (voormalige) bedrijfswoning niet langer de hoedanigheid van een woning behorend bij een agrarisch bedrijf worden toegedicht en kan de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning door de agrariër in ruste niet langer in overeenstemming worden geacht met de agrarische bestemming. De raad heeft dit in zijn algemeenheid miskend. 4.
- Een aantal van voormelde appellanten stelt dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" op hun perceel niet uitvoerbaar is, omdat het (her)oprichten van een (zelfstandig) agrarisch bedrijf ter plaatse niet meer rendabel is vanwege de geringe omvang van het desbetreffende perceel en de schaalvergroting die momenteel plaatsvindt in de agrarische sector. Deze stellingname van appellanten wordt in de meeste situaties door het deskundigenbericht onderschreven. De raad betwist deze stellingname van appellanten echter, omdat de betreffende percelen volgens de raad ook kunnen worden aangekocht of verpacht aan omliggende bedrijven. De Afdeling acht dit standpunt van de raad op zichzelf niet onaannemelijk, met dien verstande dat de raad daarbij miskent dat met de verkoop en/of het in gebruik geven van de bij het (voormalige) agrarische bedrijf behorende gronden aan een derde, de bewoning door een agrariër in ruste van de voormalige bedrijfswoning, gelet op hetgeen reeds hiervoor is overwogen, niet langer in overeenstemming kan worden geacht met de agrarische bestemming. Niet inzichtelijk is in hoeverre de raad dit bij zijn afwegingen heeft betrokken. 4.
- Ten aanzien van de figuur van de plattelandswoning, als bedoeld in artikel 1.1a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), overweegt de Afdeling in algemene zin het volgende. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, heeft overwogen is de wettelijke regeling voor plattelandswoningen uit artikel 1.1a van de Wabo niet van toepassing op de situatie dat de landbouwinrichting is opgeheven en vanwege de toegekende planologische bestemming ter plaatse ook niet meer kan worden (her)opgericht. In aanvulling hierop overweegt de Afdeling dat de wettelijke regeling voor de plattelandswoningen wel toepassing kan vinden in een situatie waarbij de gronden waarop voorheen landbouwinrichting A werd geëxploiteerd en waarop nog steeds de daarbij van oudsher behorende (voormalige) bedrijfswoning A staat, worden betrokken bij een andere nabijgelegen landbouwinrichting B. De (voormalige) bedrijfswoning A wordt daarmee onderdeel van landbouwinrichting B. Uiteraard dient daarbij wel in ieder geval deugdelijk te worden gemotiveerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de (voormalige) bedrijfswoning A gewaarborgd blijft. Voorts moet in het bestemmingsplan duidelijk worden aangegeven dat toepassing is gegeven aan artikel 1.1a van de Wabo en dient de relatie van de voormalige bedrijfswoning met het (nieuwe) bijbehorende agrarische bedrijf duidelijk te worden weergegeven in de planregels en/of op de verbeelding. Dat is noodzakelijk, omdat duidelijk moet zijn van welke landbouwinrichting de plattelandswoning onderdeel uitmaakt. Het voorgaande kan planologisch worden verankerd door bijvoorbeeld een agrarische bestemming toe te kennen aan de gronden waarop voorheen landbouwinrichting A (inclusief bijbehorende bedrijfswoning A) werd geëxploiteerd, waarbij aan de (voormalige) bedrijfswoning A een aanduiding "plattelandswoning" wordt toegekend, met dien verstande dat in de planregels en/of de verbeelding de relatie van de bedrijfswoning A wordt aangegeven met het agrarisch bedrijf dat wordt geëxploiteerd op de gronden waar voorheen landbouwinrichting A werd gedreven. Voorts kan daarbij - indien dat gelet op de gekozen plansystematiek in het desbetreffende geval nodig is - worden geregeld dat landbouwinrichting B mag beschikken over twee bedrijfswoningen (waarvan één de plattelandswoning). 4.
- Onder verwijzing naar haar uitspraak van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:236, hecht de Afdeling er nog wel aan te overwegen dat de omstandigheid dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden en daarom voor de toepassing van de Wabo en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting, losstaat van de vraag of ingevolge artikel 5.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer de luchtkwaliteit ter plaatse van het perceel waarop die woning staat moet worden beoordeeld. Het beroep van [appellant sub 1] Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 5]. [appellant sub 1] exploiteerde tot 2011 een vleesvarkenshouderij op dit perceel en is nadien de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel blijven bewonen. Woonbestemming 5.
- [appellant sub 1] betoogt dat aan zijn perceel in strijd met het vertrouwensbeginsel geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat hij in november 2008 met het gemeentebestuur is overeengekomen dat de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 5] zou worden beëindigd in ruil voor de toekenning van een woonbestemming aan dat perceel en dat de intensieve veehouderij inmiddels is opgeheven. Gelet op hetgeen in november 2008 is overeengekomen heeft de raad volgens [appellant sub 1] niet kunnen volstaan met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]". In dit verband voert [appellant sub 1] onder meer aan dat een agrarische bestemming niet in overeenstemming is met het bestaande gebruik. Daarnaast mag de voormalige bedrijfswoning volgens [appellant sub 1] thans niet ten behoeve van de reguliere woonfunctie worden uitgebreid of verbouwd. Verder betoogt [appellant sub 1] dat, kort gezegd, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse is gewaarborgd. 5.
- De relevante wettelijke bepalingen van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: de Wgv) zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 5.
- Op het perceel [locatie 5], voor zover dat in het plangebied ligt, staan blijkens het deskundigenbericht de (voormalige) bedrijfswoning en een loods van 400 m². Aan het perceel [locatie 5] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegekend met onder meer de aanduidingen "bouwvlak", "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]" en "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - rundveehouderij uitgesloten". Artikel 1, lid 1.34, van de planregels luidt: "Bedrijfswoning: een woning in of bij een bedrijfsgebouw of op dan wel bij een terrein, dienend voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden of maximaal vier personen die geen huishouden vormen, wiens huisvesting ter plaatse, gelet op de bedrijfsvoering, noodzakelijk is." Artikel 5, lid 5.1, luidt: "De voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een grondgebonden bedrijf, al dan niet met als nevenactiviteit;
- een niet-grondgebonden bedrijfstak; b. wonen in een bedrijfswoning; c. een plattelandswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning"; d. wonen in een bedrijfswoning door een derde van maximaal één huishouden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie wonen [locatie 5]". Indien deze functie gedurende een aaneengesloten periode van één jaar niet meer ter plaatse is uitgeoefend, is uitoefening van deze functie niet meer is toegestaan." Lid 5.2.1 luidt: "Op de voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden mag uitsluitend ten behoeve van de in lid 5.1 genoemde bestemming worden gebouwd: a. gebouwen; b. een bedrijfswoning; c. bijbehorende bouwwerken; d. bouwwerken, geen gebouw zijnde." 5.
- In het deskundigenbericht staat dat op het perceel [locatie 5] een vleesvarkenshouderij werd geëxploiteerd door [appellant sub 1], doch dat hij in 2008 is ingegaan op een aanbod van de toenmalige gemeente Helden om de vleesvarkenshouderij op het perceel [locatie 5] te beëindigen per uiterlijk 1 december
- Uit het deskundigenbericht volgt dat het gemeentebestuur daartoe met [appellant sub 1] in november 2008 een overeenkomst heeft gesloten. De varkensstallen op het perceel zijn blijkens het deskundigenbericht inmiddels gesloopt en de milieuvergunning voor het houden van 2.200 vleesvarkens op het perceel is op 1 december 2012 ingetrokken. Uit de overeenkomst volgt verder dat [appellant sub 1] heeft ingestemd met de wijziging van de agrarische bestemming naar een woonbestemming en dat de intentie bestond om deze bestemmingswijziging met de eerstvolgende algehele herziening van het bestemmingsplan buitengebied van de voormalige gemeente Helden te laten plaatsvinden. 5.
- Naar het oordeel van de Afdeling kon [appellant sub 1] aan de overeenkomst met het gemeentebestuur niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan de overeenkomst met het gemeentebestuur dat aan het perceel een reguliere woonbestemming zou worden toegekend. Hierbij is van belang dat, mede gelet op de bewoordingen in die overeenkomst, voor alle partijen duidelijk was of had moeten zijn, dat definitieve besluitvorming omtrent de toekenning van een woonbestemming aan het perceel [locatie 5] pas bij de vaststelling van het bestemmingsplan zou plaatsvinden. Een overeenko³st als de onderhavige kan niet leiden tot een verplichting van de raad aan gronden een bestemming te geven die de raad niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening zou achten. Het aanvaarden van gebondenheid van de raad aan het leggen van de bestemming zoals in de overeenkomst voorzien, zou zich niet verdragen met de door de wetgever in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) aan de raad toegekende bevoegdheid om, in het belang van een goede ruimtelijke ordening, bestemmingsplannen vast te stellen na het volgen van de daartoe in deze wet dwingend voorgeschreven en met waarborgen omklede procedure. De definitieve beslissing over de vaststelling van het bestemmingsplan kan mede afhankelijk van alle in de loop van de procedure naar voren gekomen feiten en belangen - ook de mogelijke belangen van derden - anders uitvallen dan door het college van burgemeester en wethouders bij het sluiten van de overeenkomst is ingeschat. Dat met de overeenkomst van november 2008 enige verwachtingen zijn gewekt, betekent niet dat de raad in de bestemmingsplanprocedure geen andere afweging heeft mogen maken. Gelet op het voorgaande heeft de raad het bestreden besluit in zoverre niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt. Dat tussen [appellant sub 1] en de gemeente een overeenkomst is gesloten, is wel een omstandigheid die de raad bij de vaststelling van het plan in zijn overwegingen dient te betrekken. 5.
- De raad stelt dit met de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]" te hebben gedaan. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen volstaan met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]" aan het perceel [locatie 5]. Hiertoe overweegt de Afdeling het volgende. 5.
- De afstand van de (voormalige) bedrijfswoning van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 5] tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 6] bedraagt blijkens het deskundigenbericht ongeveer 65 m en ongeveer 48 m tot het agrarisch bouwvlak van het perceel [locatie 6]. Nu de woning van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 5] een geurgevoelig object betreft dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van de (inmiddels gestaakte) intensieve veehouderij op datzelfde perceel, staat vast dat in de bestaande situatie kan worden voldaan aan de vaste afstandsnorm van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv. [appellant sub 1] stelt in dit verband terecht dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv, de in dat artikel genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7725). Voorts stelt [appellant sub 1] terecht dat het voor omliggende veehouderijen bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wgv niet uitmaakt of het geurgevoelige object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, als burgerwoning of bedrijfswoning wordt bestemd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1593). 5.7.
- Het voorgaande leidt evenwel niet tot het oordeel dat de raad daarmee gehouden is de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 5] als burgerwoning te bestemmen. Er kunnen zich immers bijzondere omstandigheden voordoen die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redelijkerwijs nopen tot een andere keuze. Uit het rapport "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het onderzoeksrapport van Arcadis), dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd, volgt dat op de woning op het perceel [locatie 5] de voorgrondbelasting in de bestaande situatie reeds 19,93 odour units per m3 lucht bedraagt en de achtergrondbelasting 20,32 odour units per m3 lucht. [appellant sub 1] heeft de conclusies van dit onderzoek niet bestreden. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat voor het plangebied geen geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv is vastgesteld en dat de raad voor de beoordeling of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd vanwege geurhinder van omliggende veehouderijen, aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat een voorgrondbelasting van 19,93 odour units per m3 lucht in de Handreiking geurhinder en veehouderij wordt gewaardeerd als een zeer slecht woon- en leefklimaat. Gelet hierop stelt de raad zich in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het standpunt dat - ondanks dat in de bestaande situatie kan worden voldaan aan de vaste afstanden van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv - een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gewaarborgd is vanwege geurhinder van omliggende intensieve veehouderijen en dat reeds daarom is afgezien van de toekenning van een woonbestemming. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog faalt. 5.
- Gelet op het voorgaande behoeft het betoog van [appellant sub 1] ten aanzien van het aspect geluid geen bespreking meer. 5.
- Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat de bestaande woning op het perceel thans niet kan worden verbouwd, uitgebreid of vernieuwd, overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. De woning op het perceel is immers oorspronkelijk als bedrijfswoning opgericht en planologisch ook als zodanig bestemd en mag derhalve met inachtneming van de bouwregels binnen de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" als zodanig worden verbouwd, uitgebreid en vernieuwd, en met inachtneming van artikel 5, lid 5.1, onder d, van de planregels ook door derden worden bewoond. Het betoog faalt. 5.
- Verder volgt de Afdeling de stelling van [appellant sub 1] dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 5] niet uitvoerbaar is, niet. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 1], als agrariër in ruste, niet voornemens is om nog een agrarisch bedrijf op te richten, maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 5] onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat bij een eventuele verkoop van het perceel een derde ter plaatse een agrarisch bedrijf opricht. De Afdeling ziet hiervan een bevestiging in het deskundigenbericht. Voorts heeft de raad toegelicht dat evenmin op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Daar komt bij dat de bedrijfswoning op het perceel op grond van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - uitsterfconstructie [locatie 5]" overeenkomstig artikel 5, lid 5.1, onder d, van de planregels door derden mag worden bewoond, zolang dit gebruik maar niet langer dan een aaneengesloten periode van één jaar wordt onderbroken. Het betoog faalt. 5.
- Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het onroerend goed van [appellant sub 1] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. 5.
- [appellant sub 1] heeft er verder op gewezen dat inmiddels een ontwerpplan ter inzage is gelegd waarbij aan het perceel [locatie 5] een woonbestemming is toegekend en dat de raad zich daarmee op een ander standpunt heeft gesteld dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Reeds hierom is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid, aldus [appellant sub 1]. De Afdeling volgt dit betoog echter niet, reeds omdat het desbetreffende ontwerpplan voor het perceel [locatie 5] (nog) niet is vastgesteld door de raad. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 2] Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft zijn perceel aan de [locatie 7]. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 2] zijn varkensmesterij op het perceel [locatie 7] in 2002 heeft opgeheven, omdat hij heeft deelgenomen aan de Regeling beëindiging veehouderijtakken (hierna: Rbv), tweede tranche. Derhalve is op 7 januari 2003 de milieuvergunning ten behoeve van het perceel voor het houden van 393 mestvarkens ingetrokken door het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Helden. [appellant sub 2] is de (voormalige) bedrijfswoning na de beëindiging van zijn varkensmesterij blijven bewonen. Woonbestemming
- [ appellant sub 2] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat de voormalige veehouderij op het perceel in 2002 met toepassing van de Rbv is beëindigd en dat de toekenning van een woonbestemming derhalve, mede gelet op het bestaande gebruik, voor de hand had gelegen. Ten aanzien van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] wordt voldaan aan de vaste afstandsnorm van artikel 3, tweede lid, van de Wgv, zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege geurhinder volgens [appellant sub 2] gegeven is. Voorts wordt het bedrijf op het perceel [locatie 8] als gevolg van de toekenning van een woonbestemming aan zijn perceel, kort gezegd, niet beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden, aldus [appellant sub 2]. Verder betoogt [appellant sub 2] dat zijn woning vanwege het ontbreken van een woonbestemming onverkoopbaar wordt, omdat geen hypotheek wordt verleend voor woningen zonder reguliere woonbestemming. 9.
- De relevante wettelijke bepalingen uit de Wgv zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 9.
- Op het perceel [locatie 7] staan blijkens het deskundigenbericht een woning en een voormalige varkensstal. De voormalige varkensstal is thans in gebruik als berging en hobbyruimte. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - rundveehouderij" toegekend. 9.
- De meest nabijgelegen intensieve veehouderij ligt op het perceel [locatie 8]. Het agrarisch bouwvlak van deze intensieve veehouderij ligt op ongeveer 75 m van het gedeelte van het perceel [locatie 7] dat binnen het plangebied ligt. De afstand van de woning van [appellant sub 2] tot het dichtstbijzijnde emissiepunt van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] bedraagt ongeveer 98 m. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 2] op het perceel [locatie 7] een geurgevoelig object betreft dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van de (inmiddels gestaakte) intensieve veehouderij op datzelfde perceel, zodat vast staat dat ten aanzien van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] wordt voldaan aan de vaste afstandsnorm van 50 m zoals neergelegd in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv. 9.
- [appellant sub 2] stelt terecht dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv de in dat artikel genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7725). Voorts stelt [appellant sub 2] terecht dat het voor omliggende veehouderijen bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wgv niet uitmaakt of het geurgevoelige object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, als burgerwoning of bedrijfswoning wordt bestemd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1593). Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat de raad de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 7] als burgerwoning dient te bestemmen. Er kunnen zich immers bijzondere omstandigheden voordoen die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redelijkerwijs nopen tot een andere keuze. Uit het rapport "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het onderzoeksrapport van Arcadis), dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd, volgt dat op de woning op het perceel [locatie 7] de voorgrondbelasting in de bestaande situatie reeds 35,35 odour units per m3 lucht bedraagt en de achtergrondbelasting 47,14 odour units per m3 lucht. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat voor het plangebied geen geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv is vastgesteld en dat de raad voor de beoordeling of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd vanwege geurhinder van omliggende veehouderijen, aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat een voorgrondbelasting van 35,35 odour units per m3 lucht in de Handreiking geurhinder en veehouderij wordt gewaardeerd als een extreem slecht woon- en leefklimaat. Gelet hierop stelt de raad zich in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het standpunt dat - ondanks dat in de bestaande situatie kan worden voldaan aan de vaste afstanden van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv - een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gewaarborgd is vanwege geurhinder van omliggende intensieve veehouderijen en dat reeds daarom is afgezien van de toekenning van een woonbestemming. Hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. 9.
- Voor zover [appellant sub 2] heeft gesteld dat uit de omgevingsvergunning die ten behoeve van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] is verleend voor het veranderen van de inrichting, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo volgt dat de voorgrondbelasting op zijn woning 25,6 odour units per m³ lucht bedraagt, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, de raad heeft toegelicht dat het woon- en leefklimaat blijkens paragraaf 4.3 van de plantoelichting bij 25,6 odour units eveneens wordt gewaardeerd als extreem slecht. 9.
- Aan de door [appellant sub 2] gestelde omstandigheid dat het voormalige agrarische bedrijf met toepassing van de Rbv is beëindigd, noch aan de omstandigheid dat bij de bepaling van de WOZ-waarde de woning wordt aangemerkt als een burgerwoning, kan [appellant sub 2] het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat zijn woning in dit plan als reguliere woning zou worden bestemd. (vgl. de uitspraken van de Afdeling van 24 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL5321 en 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1593). 9.
- Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat bij de verlening van de milieuvergunningen ten behoeve van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] ten onrechte geen rekening is gehouden met het gebruik van zijn voormalige bedrijfswoning voor reguliere bewoning en dat deze op grond van de voormalige Wet stankemissie veehouderijen niet verleend hadden mogen worden, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, deze vergunningen thans in rechte onaantastbaar zijn geworden. Voor zover het betoog van [appellant sub 2] aldus moet worden begrepen dat het hem bevreemdt dat zijn woning bij de verlening van de omgevingsvergunningen voor het wijzigen van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] geen belemmering oplevert, terwijl in de voorliggende bestemmingsplanprocedure de raad meent dat bij zijn woning geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd, overweegt de Afdeling het volgende. Anders dan bij een omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo dient de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond van artikel 3.1 van de Wro - behalve of kan worden voldaan aan de relevante milieutechnische wetgeving - eveneens te beoordelen of bij de keuze van een bepaald planologisch regime in het kader van de goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gewaarborgd is. Naar aanleiding van juist die toets stelt de raad zich op het standpunt dat de toekenning van een woonbestemming niet wenselijk is. Het betoog faalt. 9.
- Voor zover het betoog van [appellant sub 2] aldus moet worden begrepen dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 7] niet uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 2], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch bedrijf op te richten, maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Het betoog faalt. 9.
- Ten overvloede hecht de Afdeling er aan in verband met de situatie van [appellant sub 2] te wijzen op overweging 4.1, nu uit het deskundigenbericht volgt dat het gedeelte van het perceel [locatie 7] dat buiten het plangebied ligt, momenteel in gebruik is bij de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 8] en de reguliere bewoning van [appellant sub 2] van zijn voormalige bedrijfswoning derhalve thans niet in overeenstemming kan worden geacht met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden", noch met de voorheen ter plaatse geldende agrarische bestemming. De Afdeling geeft het gemeentebestuur van Peel en Maas dan ook in overweging om te onderzoeken of de verlening van een persoonsgebonden gedoogbeschikking in de voorliggende uitzonderlijke situatie mogelijk is. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 3] Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 3] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Helden, sectie N, nummer 128 (hierna: [locatie 9]). Op dit perceel was voorheen een pluimveehouderij gevestigd, die blijkens het deskundigenbericht ongeveer twintig jaar geleden is opgeheven. [appellant sub 3] heeft het perceel blijkens het deskundigenbericht in 2012 aangekocht en de ter plaatse aanwezige voormalige bedrijfswoning datzelfde jaar betrokken. Woonbestemming
- [ appellant sub 3] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat het pluimveebedrijf dat voorheen op het perceel werd geëxploiteerd reeds twintig jaar geleden is beëindigd en dat het perceel te klein is om aldaar een volwaardig agrarisch bedrijf te exploiteren. De toekenning van een woonbestemming aan zijn perceel belemmert volgens [appellant sub 3] niet het streven van de raad om omliggende glastuinbouwbedrijven ontwikkelruimte te bieden, mede nu aan de naastgelegen percelen [locatie 10] en [locatie 11] reeds onderscheidenlijk een woon- en een recreatiebestemming zijn toegekend en thans geen glastuinbouwbedrijven in de directe omgeving van zijn perceel gevestigd zijn. Daarnaast betoogt hij dat veel glastuinbouwbedrijven in de omgeving vanwege economische redenen juist worden gestaakt. [appellant sub 3] betoogt dat zijn woning vanwege het ontbreken van een woonbestemming onverkoopbaar wordt, omdat banken geen hypotheek verlenen voor woningen zonder reguliere woonbestemming. 13.
- De raad voert aan dat het gebied waarin het perceel [locatie 9] ligt, is aangewezen als ontwikkelingsgebied voor glastuinbouw en dat andere ontwikkelingen die de glastuinbouwbranche belemmeren beleidsmatig in het gebied worden geweerd. Daarmee wordt volgens de raad ruimte geboden aan niet alleen de uitbreiding van bestaande glastuinbouw, maar ook de nieuwvestiging daarvan. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan volgens de raad op het perceel [locatie 9] bovendien niet worden gewaarborgd. De raad stelt verder dat op het perceel nog steeds een agrarisch bedrijf kan worden gevestigd. 13.
- Het perceel [locatie 9] heeft, voor zover dat in het plangebied ligt, een oppervlakte van ongeveer 5.200 m². Op het perceel staan de voormalige bedrijfswoning, een kleine schuur en een oude stal. Aan het perceel is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1" toegekend. Artikel 44, lid 44.2.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "concentratiegebied glastuinbouw 1" (lees: overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1) zijn de gronden tevens bestemd als glastuinbouw concentratiegebied met mogelijkheden voor nieuwvestiging." 13.
- In het deskundigenbericht staat dat zowel ten zuidwesten als ten zuidoosten van het perceel [locatie 9] twee glastuinbouwbedrijven worden geëxploiteerd. De kleinste afstand tussen het perceel [locatie 9] en de glasopstanden van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 12] bedraagt blijkens het deskundigenbericht ongeveer 130 m. Het waterbassin dat bij dat glastuinbouwbedrijf hoort ligt blijkens het deskundigenbericht op ongeveer 95 m. Ten westen van het perceel [locatie 9] ligt het perceel [locatie 11] waaraan in het voorliggende bestemmingsplan de bestemming "Wonen" is toegekend. Ten oosten van het perceel [locatie 9] ligt het perceel [locatie 10] waarop een bed and breakfast wordt geëxploiteerd en waaraan reeds in het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" is toegekend. 13.
- Uit de gemeentelijke structuurvisie "Structuurvisie Buitengebied gemeente Peel en Maas", die is vastgesteld door de raad op 3 februari 2015, (hierna: de gemeentelijke structuurvisie) volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de Landbouwontwikkelingsgebieden (hierna: LOG’s). Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de gemeentelijke structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling in zijn algemeenheid niet onredelijk. Overeenkomstig dit beleidsuitgangspunt heeft de raad geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 9]. Hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad redelijkerwijs niet heeft kunnen vasthouden aan dit beleid. 13.
- Wat betreft de stelling van [appellant sub 3] dat thans geen behoefte bestaat aan glastuinbouw in de omgeving, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 3] de juistheid van deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de glastuinbouwbranche weer opbloeit en dat weer concrete aanvragen worden ingediend voor de ontwikkeling en/of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de gemeente. Gelet hierop faalt het betoog. 13.
- Voor zover de gemachtigde van [appellant sub 3] ter zitting heeft toegelicht dat zij met haar verwijzing naar de percelen [locatie 10] en [locatie 11] bedoelt te betogen dat deze percelen, gelet op de aldaar geldende bestemmingen, reeds belemmeringen opleveren voor de ontwikkeling en/of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de omgeving, heeft de raad ter zitting toegelicht dat ten behoeve van die percelen reeds bestaande rechten worden gerespecteerd en dat de raad, gelet op het gemeentelijk beleid ten aanzien van glastuinbouw, in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in nog meer beperkingen in een concentratiegebied voor de glastuinbouw. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat ten zuiden van het perceel [locatie 9] geen andere reguliere woon- of recreatiebestemmingen zijn voorzien. Het betoog faalt. 13.
- Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 9] betekent echter niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, mede gelet op hetgeen reeds in overweging 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 9]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging heeft betrokken de omstandigheid dat het gemeentebestuur sinds het vertrek van de agrariër in ruste uit de voormalige bedrijfswoning nooit handhavend heeft opgetreden, de meest nabijgelegen glasopstand op ongeveer 130 m afstand op het perceel [locatie 12] ligt en in het deskundigenbericht staat dat daarmee ruimschoots wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 9] niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd. Het betoog slaagt. 13.
- Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor het perceel [locatie 9] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellant sub 3] slaagt. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 3] geen bespreking meer. Conclusie
- In hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 9], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Proceskosten
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 3] te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 4] Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 4] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 13]. Uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant sub 4] zijn varkenshouderij op het perceel in 2002 heeft opgeheven, doch de bijbehorende voormalige bedrijfswoning ter plaatse nadien is blijven bewonen. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 5,5 ha, waarvan ongeveer 0,33 ha in het plangebied ligt. Op het gedeelte van het perceel dat in het plangebied ligt staan een woning, een garage en een schuur. Formele aspecten
- [ appellant sub 4] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt. Inhoudelijke aspecten
- [ appellant sub 4] betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat zijn perceel weliswaar in het zoekgebied landbouwontwikkelingsgebied (hierna: LOG) Laagheide ligt, maar dat het niet voor de hand ligt dat binnen de planperiode in dit zoekgebied een intensieve veehouderij wordt gevestigd. Allereerst is dit volgens [appellant sub 4] zo omdat eerst het LOG Egchelse Heide en het zoekgebied LOG Egchelse Heide volledig zullen moeten worden benut. Daarnaast is het zoekgebied Laagheide volgens [appellant sub 4] minder geschikt, vanwege de ligging van een aantal burgerwoningen in de directe omgeving en is in het zoekgebied bovendien niet bij recht voorzien in intensieve veehouderijen. Verder voert [appellant sub 4] aan dat zijn woning geen beperking voor veehouderijen oplevert, nu in de bestaande situatie wordt voldaan aan de vereiste afstand die op grond van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv moet worden aangehouden tussen zijn woning en een veehouderij. De gronden binnen een straal van 50 m van zijn woning zijn namelijk ofwel zijn eigendom, dan wel als openbare weg bestemd. Gelet op het voorgaande is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in zijn woning gegeven. Bovendien maakt het voor omliggende veehouderijen volgens [appellant sub 4] geen verschil of een voormalige bedrijfswoning als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv wordt bestemd als burger- of als bedrijfswoning. Subsidiair voert [appellant sub 4] aan dat indien de toekenning van een woonbestemming aan zijn perceel niet mogelijk is, de raad ten onrechte niet langer heeft voorzien in de vestiging van een intensieve veehouderij. 18.
- De raad stelt zich op het standpunt dat de toekenning van een woonbestemming ter plaatse in strijd is met het gemeentelijk beleid met betrekking tot de nieuwvestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijen, omdat het perceel ligt in een gebied dat is aangewezen als LOG. Daarnaast volgt uit geuronderzoek dat ter plaatse sprake is van een zeer slecht woon- en leefklimaat vanwege de geurhinder van nabijgelegen veehouderijen. 18.
- De relevante wettelijke bepalingen uit de Wgv zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 18.
- Aan het perceel [locatie 13] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - rundveehouderij" toegekend. 18.
- Aan het perceel was in het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied" dat op 16 september 1991 is vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Helden, en in zoverre goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg op 28 april 1992, een agrarische bestemming toegekend op grond waarvan burgerbewoning niet was toegestaan. 18.
- Uit het deskundigenbericht volgt dat de dichtstbijzijnde stal van een intensieve veehouderij ([locatie 14]) op ongeveer 76 m staat. Het bouwvlak van [locatie 13] ligt op een afstand van ongeveer 23 m van het bouwvlak [locatie 14]. Niet in geschil is dat de woning van [appellant sub 4] op het perceel [locatie 13] een geurgevoelig object betreft dat na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van de (inmiddels gestaakte) intensieve veehouderij op datzelfde perceel, zodat vast staat dat in de bestaande situatie ten opzichte van de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 14] wordt voldaan aan de vaste afstandsnorm van 50 m zoals neergelegd in artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv. 18.
- [appellant sub 4] stelt terecht dat indien tussen de veehouderij en een geurgevoelig object als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wgv de in dat artikel genoemde afstand wordt aangehouden, in beginsel mag worden aangenomen dat bij het geurgevoelig object een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7725). Voorts stelt [appellant sub 4] terecht dat het voor omliggende veehouderijen bij de toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wgv niet uitmaakt of het geurgevoelige object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden deel uit te maken van een veehouderij, als burgerwoning of bedrijfswoning wordt bestemd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1593). Dit leidt evenwel niet tot het oordeel dat de raad de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 13] als burgerwoning dient te bestemmen. Er kunnen zich immers bijzondere omstandigheden voordoen die de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening redelijkerwijs nopen tot een andere keuze. Uit het rapport "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het onderzoeksrapport van Arcadis), dat als bijlage 6 bij de plantoelichting is gevoegd, volgt dat op de woning op het perceel [locatie 13] de voorgrondbelasting in de bestaande situatie reeds 20,43 odour units per m3 lucht bedraagt en de achtergrondbelasting 20,95 odour units per m3 lucht. Uit een nadere berekening van de geurbelasting die in opdracht van de raad met inachtneming van het verspreidingsmodel V-Stacks is gemaakt, blijkt dat de voorgrondbelasting bij de woning 17,2 odour units per m³ lucht bedraagt. Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat voor het plangebied geen geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv is vastgesteld en dat de raad voor de beoordeling of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd vanwege geurhinder van omliggende veehouderijen, aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat een voorgrondbelasting van 20,43 odour units per m3 lucht onderscheidenlijk 17,3 odour units per m³ lucht in de Handreiking geurhinder en veehouderij wordt gewaardeerd als een zeer slecht onderscheidenlijk slecht woon- en leefklimaat. Gelet hierop stelt de raad zich in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het standpunt dat - ondanks dat in de bestaande situatie kan worden voldaan aan de vaste afstanden van artikel 3, tweede lid, onder b, van de Wgv - een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gewaarborgd is vanwege geurhinder van omliggende intensieve veehouderijen en dat reeds daarom is afgezien van de toekenning van een woonbestemming. Hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Gelet hierop behoeven de beroepsgronden van [appellant sub 4] ten aanzien van de ontwikkeling van het LOG Laagheide geen bespreking meer. 18.
- Voor zover het betoog van [appellant sub 4] aldus moet worden begrepen dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 13] niet uitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 4], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch bedrijf op te richten, maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. Daargelaten of de oprichting van een zelfstandig agrarisch bedrijf op de gronden van [appellant sub 4] binnen en buiten het plangebied mogelijk is, heeft de raad toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Het betoog faalt. 18.
- Wat betreft het betoog van [appellant sub 4] dat de raad op het perceel [locatie 13] niet langer heeft voorzien in een intensieve veehouderij, overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 2.04, tweede lid, onder b, van de planvoorschriften van het voorgaande bestemmingsplan "Buitengebied 1991" de nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf op de gronden met de bestemming "Agrarische doeleinden A" niet bij recht was toegestaan, doch alleen na toepassing van een wijzigingsbevoegdheid en dat niet gebleken is van concrete plannen van [appellant sub 4] tot de oprichting van een intensieve veehouderij. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid niet hoeven voorzien in een intensieve veehouderij op het perceel [locatie 13]. 18.
- Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van het perceel [locatie 13] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. 18.
- Ten overvloede hecht de Afdeling er aan in verband met de situatie van [appellant sub 4] te wijzen op overweging 4.1, nu uit het deskundigenbericht volgt dat de gronden van [appellant sub 4] gedeeltelijk worden verpacht, zodat de reguliere bewoning van [appellant sub 4] van zijn voormalige bedrijfswoning thans niet in overeenstemming kan worden geacht met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden", noch met de voorheen ter plaatse geldende agrarische bestemming. De Afdeling geeft het gemeentebestuur van Peel en Maas dan ook in overweging te onderzoeken of de verlening van een persoonsgebonden gedoogbeschikking in de voorliggende uitzonderlijke situatie mogelijk is. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 4] ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 4] bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 5] Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 5] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 15]. [appellant sub 5] heeft het perceel met daarop een (voormalige bedrijfs)woning met garage blijkens het deskundigenbericht in 1996 gekocht. Uit het deskundigenbericht volgt dat het perceel oorspronkelijk hoorde bij een zeugenbedrijf dat in 1999 is gesaneerd. De overige bij het zeugenbedrijf behorende gronden zijn in 2000 aan een derde verkocht. Agrarische bestemming
- [ appellant sub 5] betoogt dat aan het perceel ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat op het perceel geen agrarisch bedrijf meer gevestigd is en dat dit, gelet op de omvang van het perceel, ook niet mogelijk is. [appellant sub 5] verzoekt derhalve om de toekenning van een passende bestemming waarmee het bestaande gebruik van het perceel voor reguliere woondoeleinden als zodanig wordt bestemd. Nu wordt voldaan aan de minimale richtafstand van 30 m ten opzichte van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 16] en het bouwvlak van dat perceel nagenoeg volledig benut is, had de raad volgens [appellant sub 5] een woonbestemming aan zijn perceel moeten toekennen. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel betoogt [appellant sub 5] dat op het perceel [locatie 17] wel is voorzien in een plattelandswoning, terwijl dit gebied ook in een concentratiegebied voor glastuinbouw ligt. 22.
- Aan het perceel [locatie 15] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1" toegekend. 22.
- Uit de gemeentelijke structuurvisie volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de LOG’s. Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de gemeentelijke structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling in zijn algemeenheid niet onredelijk. Vast staat dat het perceel ligt in het glastuinbouwconcentratiegebied "Platveld". Gelet hierop heeft de raad overeenkomstig voormeld beleidsuitgangspunt geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 15]. Hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan dit beleid door geen woonbestemming toe te kennen aan het perceel [locatie 15]. 22.
- Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 15] betekent niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, mede gelet op hetgeen reeds in overweging 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 15]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging de omstandigheid heeft betrokken dat het gemeentebestuur sinds het vertrek van de agrariër in ruste uit de voormalige bedrijfswoning nooit handhavend heeft opgetreden, de stelling van [appellant sub 5] dat het bouwvlak van het glastuinbouwbedrijf op het perceel [locatie 16] volledig is benut en de omstandigheid dat de meest nabijgelegen glasopstand op 37 m afstand ligt en in het deskundigenbericht staat dat wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 9] niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd en evenmin inzichtelijk heeft gemaakt waarom wel op het perceel [locatie 17] is voorzien in een plattelandswoning. Het betoog slaagt. 22.
- Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor het perceel [locatie 15] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellant sub 5] slaagt. Conclusie
- In hetgeen [appellant sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 15] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 5] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Proceskosten
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 5] te worden veroordeeld. Het beroep van [appellant sub 6] Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 6] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 18]. In het deskundigenbericht staat dat het perceel [locatie 18] bestaat uit drie percelen kadastraal bekend gemeente Helden, sectie N, nummers 525, 526 en
- Deze drie percelen hebben tezamen een omvang van 5.070 m². Op deze percelen werd voorheen een varkenshouderij geëxploiteerd. [appellant sub 6] heeft de percelen in 2008 aangekocht teneinde ter plaatse een bed en breakfast op te richten. Na een omvangrijke verbouwing van de woning heeft hij deze betrokken, zo volgt uit het deskundigenbericht. Agrarische bestemming
- [ appellant sub 6] betoogt dat aan het perceel ten onrechte een agrarische bestemming is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat op het perceel geen agrarisch bedrijf gevestigd is en dat dit, gelet op de omvang van het perceel, ook niet mogelijk is. [appellant sub 6] verzoekt derhalve om de toekenning van een passende bestemming waarmee het bestaande gebruik van het perceel voor reguliere woondoeleinden als zodanig wordt bestemd. [appellant sub 6] erkent dat het perceel in een concentratiegebied voor glastuinbouw ligt, maar voert aan dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt welke ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt met de toekenning van een woonbestemming aan zijn perceel. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel betoogt [appellant sub 6] dat op het perceel [locatie 17] wel is voorzien in een plattelandswoning, terwijl dit perceel ook in een concentratiegebied voor glastuinbouw ligt. 26.
- Aan het perceel [locatie 18] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1" toegekend. 26.
- In het deskundigenbericht staat dat ten westen van de [locatie 18] aan de Ontginningsweg en de Kievit twee glastuinbouwbedrijven zijn gesitueerd. Ten zuidoosten van het perceel van [appellant sub 6] zijn eveneens twee glastuinbouwbedrijven gevestigd. Het glastuinbouwbedrijf Heliflor B.V. (Marisbaan 19) ligt het meest nabij het perceel [locatie 18]. De kleinste afstand tussen het perceel [locatie 18] en de glasopstanden bedraagt ongeveer 110 m. Het waterbassin dat bij het bedrijf hoort, ligt op ongeveer 75 m afstand. 26.
- Uit de gemeentelijke structuurvisie volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de LOG’s. Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de gemeentelijke structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling in zijn algemeenheid niet onredelijk. Vast staat dat het perceel ligt in het glastuinbouwconcentratiegebied "De Kievit". Gelet hierop heeft de raad overeenkomstig voormeld beleidsuitgangspunt geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 18]. Hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval redelijkerwijs niet heeft kunnen vasthouden aan dit beleid. 26.
- Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 18] betekent niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, mede gelet op hetgeen reeds in overweging 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 18]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging heeft betrokken de omstandigheid dat het gemeentebestuur sinds het vertrek van de agrariër in ruste uit de voormalige bedrijfswoning nooit handhavend heeft opgetreden, de meest nabijgelegen glasopstand op 110 m afstand ligt en in het deskundigenbericht staat dat thans wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 18] niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd en evenmin inzichtelijk heeft gemaakt waarom wel op het perceel [locatie 17] is voorzien in een plattelandswoning. Het betoog slaagt. 26.
- Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of op het perceel [locatie 18] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellant sub 6] slaagt. Conclusie
- In hetgeen [appellant sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 18] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep van [appellant sub 6] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Proceskosten
- De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellant sub 6] te worden veroordeeld. Het beroep van [appellante sub 7] Inleiding
- Het beroep van [appellante sub 7] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 2" wat betreft het perceel [locatie 19]. In het deskundigenbericht staat dat de echtgenoot van [appellante sub 7] in 1963 op het perceel een glastuinbouwbedrijf heeft opgericht met een omvang van ongeveer 0,5 ha, doch dat hij zijn bedrijf in 1985 heeft gestaakt. Agrarische bestemming
- [ appellante sub 7] betoogt dat aan het perceel ten onrechte een agrarische bestemming voor (onder meer) glastuinbouw is toegekend. Hiertoe voert zij aan dat op het perceel geen agrarisch bedrijf meer wordt geëxploiteerd en dat dit, gelet op de omvang van het perceel, ook niet mogelijk is. Daarnaast sluit de agrarische bestemming volgens haar niet aan bij het bestaande gebruik op het perceel voor woondoeleinden en kan haar woning nu ook niet ten behoeve van dat gebruik worden verbouwd. [appellante sub 7] erkent dat het perceel in een concentratiegebied voor glastuinbouw ligt, maar betwist dat de toekenning van een woonbestemming aan haar (voormalige) bedrijfswoning de ontwikkelingsmogelijkheden van glastuinbouw in het gebied beperkt. In dit verband voert zij onder meer aan dat haar perceel aan de rand van het concentratiegebied ligt en dat het perceel in het voorgaande bestemmingsplan eveneens - onder verwijzing naar dezelfde gemeentelijke structuurvisie - was aangewezen als concentratiegebied voor de glastuinbouw, en dat die aanwijzing toen volgens de raad niet in de weg stond aan de toekenning van de bestemming "Wonen - plattelandswoning". Verder stelt [appellante sub 7] dat ruimschoots wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure. Daarnaast leent het gebied zich niet voor de uitbreiding van glasopstanden en bestaat daaraan bovendien geen behoefte, aldus [appellante sub 7]. Tot slot voert zij aan dat de agrarische bestemming voor haar perceel, gelet op het feitelijke gebruik voor reguliere woondoeleinden sinds 1985, niet uitvoerbaar is en haar perceel onverkoopbaar maakt. Daarnaast vreest zij thans voor handhaving door het gemeentebestuur van de agrarische bestemming. 30.
- Op het perceel, voor zover dat in het plangebied ligt, staan de voormalige bedrijfswoning en een kassengebouw. Aan het perceel [locatie 19] zijn de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" en onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 2" toegekend. Artikel 44, lid 44.3.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "concentratiegebied glastuinbouw 2" zijn de gronden tevens bestemd als glastuinbouw concentratiegebied met mogelijkheden voor uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven, maar zonder mogelijkheden voor nieuwvestiging." 30.
- Uit de gemeentelijke structuurvisie volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de LOG’s. Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling in zijn algemeenheid niet onredelijk. Vast staat dat het perceel ligt in het glastuinbouwconcentratiegebied "De Kaumeshoek". Gelet hierop heeft de raad overeenkomstig voormeld beleidsuitgangspunt geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 19]. Hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval redelijkerwijs niet heeft kunnen vasthouden aan dit beleid. 30.
- Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 19] betekent niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is. 30.
- Wat betreft de stelling van [appellante sub 7] dat thans geen behoefte bestaat aan glastuinbouw in de omgeving, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 7] de juistheid van deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de glastuinbouwbranche weer opbloeit en dat weer concrete aanvragen worden ingediend voor de ontwikkeling en/of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de gemeente. Gelet hierop faalt het betoog. 30.
- Voor zover [appellante sub 7] betoogt dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 19] onuitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellante sub 7], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch glastuinbouwbedrijf op te richten, daargelaten of dit gelet op het voorziene planologische regime ter plaatse mogelijk is, maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Het betoog faalt. 30.
- Voor zover [appellante sub 7] vreest voor handhaving van de reguliere bewoning van de voormalige bedrijfswoning, overweegt de Afdeling, dat niet in geschil is dat [appellante sub 7], na beëindiging van haar agrarisch bedrijf, de bijbehorende bedrijfswoning is blijven bewonen en de bij het (voormalig) agrarische bedrijf behorende gronden niet zijn verkocht en thans evenmin in gebruik zijn bij derden. Gelet op overweging 4.1 kan onder die omstandigheden de (voormalige) bedrijfswoning nog steeds de hoedanigheid van een woning behorend bij een agrarisch bedrijf worden toegedicht en kan de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning door [appellante sub 7] in overeenstemming worden geacht met de agrarische bestemming. 30.
- Het voorgaande neemt naar het oordeel van de Afdeling niet weg dat de raad, mede gelet op hetgeen reeds in overweging 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 19]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging de omstandigheid heeft betrokken dat op het perceel [locatie 19] de oprichting van een agrarisch glastuinbouwbedrijf, gelet op artikel 44, lid 44.3.1, slechts mogelijk is indien de gronden van [appellante sub 7] worden betrokken bij een omliggend reeds bestaand glastuinbouwbedrijf, dat de meest nabijgelegen glasopstand op 64 m afstand ligt en dat in het deskundigenbericht staat dat daarmee wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure en dat de gronden langs de westgrens van het Concentratiegebied "Kaumeshoek" liggen. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 19] niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd. 30.
- Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor het perceel [locatie 19] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellante sub 7] slaagt. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellante sub 7] geen bespreking meer. Conclusie
- In hetgeen [appellante sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 19] is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Proceskosten
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van [appellante sub 7] niet gebleken. Het beroep van [appellant sub 8] Het wijzigingsbesluit
- Zoals hiervoor is overwogen is het perceel [locatie 2] opgenomen in het wijzigingsbesluit van 18 oktober
- Aan deze gronden is met dat besluit de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegekend. 33.
- Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."
- [ appellant sub 8] heeft beroep tegen het bestemmingsplan ingesteld, omdat aan zijn perceel [locatie 2] geen woonbestemming is toegekend. Met het wijzigingsbesluit is aan de bezwaren van [appellant sub 8] niet tegemoet gekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is voor [appellant sub 8] een beroep van rechtswege ontstaan tegen het wijzigingsbesluit. 34.
- Het beroep van [appellant sub 8] is van rechtswege gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 2]. In het deskundigenbericht staat dat [appellant sub 8] van 1976 tot ongeveer 1996 een klein glastuinbedrijf exploiteerde op het perceel [locatie 2] en dat hij sinds 1973 de bijbehorende (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 2] bewoont. 34.
- [appellant sub 8] betoogt dat de raad ten onrechte geen woonbestemming heeft toegekend aan het perceel [locatie 2]. Hiertoe voert hij aan dat het glastuinbouwbedrijf dat hij voorheen op het perceel exploiteerde reeds ongeveer twintig jaar geleden is beëindigd, en dat hij de (voormalige) bedrijfswoning sindsdien regulier bewoont. Daarnaast voert [appellant sub 8] aan dat het voor omliggende bedrijven bijvoorbeeld in verband met de aspecten geluid en geur niet uitmaakt of zijn (voormalige) bedrijfswoning wordt bestemd als burgerwoning of bedrijfswoning, want het blijft een gevoelig object waar de bedrijven bij uitbreiding en/of wijziging van hun bedrijfsactiviteiten mee worden geconfronteerd. Het bevreemdt [appellant sub 8] bovendien dat de raad een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten behoeve van een bedrijfswoning wel gewaarborgd acht, maar niet ten behoeve van een burgerwoning. Verder voert [appellant sub 8] aan dat zijn woning thans onverkoopbaar is. Teneinde eventuele belemmeringen voor de agrarische bedrijven in zijn omgeving te voorkomen, stelt [appellant sub 8] dan ook voor de woonbestemming te begrenzen tot de muren van zijn bestaande woning. 34.
- De relevante wettelijke bepalingen uit de Wgv zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 34.
- Op het gedeelte van het perceel dat in het plangebied ligt staan een woning, een garage en een schuur. Aan het gedeelte van het perceel [locatie 2] dat in het plangebied ligt zijn de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" en onder meer de aanduidingen "bouwvlak" en "specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - rundveehouderij" toegekend. Artikel 4, lid 4.1, van de planregels van het wijzigingsbesluit luidt: "De voor "Agrarisch - Grondgebonden" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik, in de vorm van een grondgebonden bedrijf, al dan niet met als nevenactiviteit;
- een niet-grondgebonden bedrijfstak; b. wonen in een bedrijfswoning; met daaraan ondergeschikt: c. mestverwerking van mest afkomstig van het eigen bedrijf; […]" 34.
- In het deskundigenbericht staat dat tegenover het perceel [locatie 2], op ongeveer 20 m afstand van de (voormalige) bedrijfswoning, het bouwvlak van het perceel Zandstraat 15 ligt en dat het meest nabijgelegen bestaande bedrijfsgebouw op het perceel Zandstraat 15 op ongeveer 34 m afstand ligt. Aan het perceel Zandstraat 15 is in het bestemmingsplan "Buitengebied", dat is vastgesteld door de raad op 24 december 2014, de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" toegekend. 34.
- Voor zover [appellant sub 8] vreest voor handhaving van de reguliere bewoning van zijn voormalige bedrijfswoning, overweegt de Afdeling, dat niet in geschil is dat [appellant sub 8], na beëindiging van zijn agrarisch bedrijf, de bijbehorende bedrijfswoning is blijven bewonen. Niet gebleken is dat de bij het (voormalig) agrarische bedrijf behorende gronden zijn verkocht of anderszins in gebruik zijn bij derden. Gelet op overweging 4.1 kan onder die omstandigheden de (voormalige) bedrijfswoning nog steeds de hoedanigheid van een woning behorend bij een agrarisch bedrijf worden toegedicht en kan de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning door [appellant sub 8] in overeenstemming worden geacht met de agrarische bestemming. 34.
- Uit het rapport "Onderzoek woon- en leefklimaat geur/fijnstof Arcadis" (hierna: het onderzoeksrapport van Arcadis), dat als bijlage 6 bij de plantoelichting van het bestreden besluit van 15 december 2015 is gevoegd en waar de raad tevens in het kader van de motivering van het wijzigingsbesluit naar verwijst, volgt dat op de woning op het perceel [locatie 2] een voorgrondbelasting van 15,39 odour units per m3 lucht is berekend en een achtergrondbelasting van 21,47 odour units per m3 lucht. Voor zover [appellant sub 8] heeft aangevoerd dat niet inzichtelijk is hoe deze berekeningen tot stand zijn gekomen, heeft de raad toegelicht dat de geurbelasting met behulp van het programma V-stacks rekenmodel (rekenmodel voor geur uit stallen van veehouderijen) is berekend waarbij gebruik is gemaakt van de Web-BVB databestanden van de provincies Limburg en Noord-Brabant. Gemeenten zijn verplicht om alle milieuvergunningen daarin op te nemen, zodat bij het onderzoek ook alle destijds verleende vergunningen zijn betrokken, aldus de raad. [appellant sub 8] heeft de juistheid van deze berekeningsmethode niet bestreden, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het onderzoeksrapport dusdanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich daar niet in redelijkheid op heeft mogen baseren. 34.
- Uit paragraaf 4.3 van de plantoelichting volgt dat voor het plangebied geen geurverordening als bedoeld in artikel 6 van de Wgv is vastgesteld en dat de raad voor de beoordeling of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gewaarborgd vanwege geurhinder van omliggende veehouderijen, aansluiting heeft gezocht bij de Handreiking geurhinder en veehouderij. In paragraaf 4.3 van de plantoelichting staat dat een voorgrondbelasting van 15,39 odour units per m3 lucht in de Handreiking geurhinder en veehouderij wordt gewaardeerd als een slecht woon- en leefklimaat. Gelet hierop stelt de raad zich in het kader van een goede ruimtelijke ordening op het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gewaarborgd is vanwege geurhinder van omliggende intensieve veehouderijen en dat reeds daarom is afgezien van de omzetting van een agrarische bedrijfsbestemming naar een woonbestemming. Hetgeen [appellant sub 8] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. 34.
- Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 2] onuitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 8], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch glastuinbouwbedrijf op te richten maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Het betoog faalt. Conclusie wijzigingsbesluit
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] tegen het wijzigingsbesluit ongegrond. Het bestemmingsplan
- Het beroep van [appellant sub 8] richt zich voorts tegen het bestemmingsplan voor zover daarbij aan het perceel [locatie 2] de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" is toegekend. Nu het beroep van [appellant sub 8] tegen het wijzigingsbesluit ongegrond is, is het wijzigingsbesluit daarmee in zoverre onherroepelijk geworden. Dit brengt met zich dat het bestemmingsplan in zoverre geen betekenis meer heeft. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat [appellant sub 8] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen het bestemmingsplan, waarbij de Afdeling van belang acht dat ook niet anderszins van enig belang daarbij is gebleken. Het beroep van [appellant sub 8] tegen het bestemmingsplan is dan ook niet-ontvankelijk. Proceskosten
- Nu [appellant sub 8] tegen het oorspronkelijke besluit heeft aangevoerd dat de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Glastuinbouw" op de verbeelding niet overeenkomt met de beantwoording in de nota van zienswijzen en de raad dit heeft erkend en bij het wijzigingsbesluit de bestemming overeenkomstig de beantwoording in de nota van zienswijzen heeft gewijzigd naar "Agrarisch - Grondgebonden", ziet de Afdeling in de omstandigheden van het geval aanleiding de raad op navolgende wijze te veroordelen in de proceskosten van [appellant sub 8]. Tevens ziet de Afdeling onder deze omstandigheden aanleiding de raad te gelasten het betaalde griffierecht aan [appellant sub 8] te vergoeden. Het beroep van [appellant sub 9] Het wijzigingsbesluit
- Zoals hiervoor onder 3 is overwogen is het perceel [locatie 3] opgenomen in het wijzigingsbesluit van 18 oktober
- Aan deze gronden is met dat besluit de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" toegekend.
- [ appellant sub 9] heeft beroep tegen het bestemmingsplan ingesteld, omdat aan zijn perceel [locatie 3] geen woonbestemming is toegekend. Met het wijzigingsbesluit is aan de bezwaren van [appellant sub 9] niet tegemoet gekomen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is voor [appellant sub 9] een beroep van rechtswege ontstaan tegen het wijzigingsbesluit.
- Het beroep van [appellant sub 9] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 3]. Op het perceel werd voorheen door [appellant sub 9] een varkenshouderij geëxploiteerd die enkele jaren geleden is opgeheven. Op het gedeelte van het perceel dat in het plangebied ligt, staat blijkens het deskundigenbericht naast een voormalige varkensstal en een schuur, ook een voormalige bedrijfswoning die is opgericht met toepassing van de omgevingsvergunning die daartoe op 19 november 2014 voor de activiteit bouwen is verleend. Formele aspecten
- [ appellant sub 9] betoogt dat zijn zienswijze ten onrechte niet is beantwoord en dat het bestemmingsplan derhalve in strijd met artikel 3:46 is vastgesteld. 41.
- De raad erkent dat de zienswijze van [appellant sub 9] ten onrechte niet is beantwoord. Gelet hierop biedt hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel [locatie 3] in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is vastgesteld. Het betoog slaagt. 41.
- De Afdeling ziet aanleiding om met het oog op een finale geschilbeslechting nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in zoverre in stand gelaten kunnen worden. Daartoe wordt het volgende overwogen. Inhoudelijke aspecten 41.
- [appellant sub 9] betoogt dat aan het perceel [locatie 3] ten onrechte de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" is toegekend. Hiertoe voert hij onder meer aan dat op het perceel geen agrarisch bedrijf meer wordt geëxploiteerd en dat de agrarische bestemming niet aansluit bij het bestaande gebruik op het perceel voor woondoeleinden. Voorts is de omgevingsvergunning voor de (her)bouw van zijn plattelandswoning daarmee volgens hem ten onrechte niet als zodanig bestemd. [appellant sub 9] vreest voorts voor handhaving van de reguliere bewoning van zijn plattelandswoning. Daarnaast voert hij aan dat zijn woning met een agrarische bestemming onverkoopbaar wordt. [appellant sub 9] voert tevens aan dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op zijn perceel niet gewaarborgd is. Daarnaast maakt het volgens hem voor omliggende bedrijven niet uit of zijn woning als bedrijfswoning of als reguliere woning wordt bestemd. Verder voert [appellant sub 9] onder meer aan dat geen behoefte bestaat aan gronden voor glastuinbouw.
- De raad stelt zich onder verwijzing naar de VNG-brochure en de gemeentelijke structuurvisie op het standpunt dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 3] niet gewaarborgd is vanwege de ligging nabij een dierenpension, een mestverwerkingsbedrijf en de ligging van het perceel in het glastuinbouwconcentratiegebied. 42.
- Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" met onder meer de aanduiding "overige zone - concentratiegebied glastuinbouw 1" toegekend. Artikel 14, lid 14.1.1, luidt: "Ter plaatse van de aanduiding "concentratiegebied glastuinbouw 1" zijn de gronden tevens bestemd als glastuinbouw concentratiegebied met mogelijkheden voor nieuwvestiging." 42.
- In het deskundigenbericht staat dat het perceel [locatie 3] een oppervlakte heeft van ongeveer 2,2 ha, waarvan 5.500 m² in het plangebied ligt. Het dichtstbijgelegen glastuinbouwbedrijf wordt op het perceel [locatie 12] geëxploiteerd. De afstand tussen het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" wat betreft het perceel van [appellant sub 9] en de meest nabijgelegen glasopstand van het glastuinbouwbedrijf bedraagt ongeveer 135 m. 42.
- Uit de gemeentelijke structuurvisie volgt dat als algemeen uitgangspunt geldt dat het woon- en leefklimaat in het buitengebied niet mag verslechteren, doch dat dit algemene uitgangspunt niet geldt voor woningen in de glastuinbouwconcentratiegebieden en de LOG’s. Het primaat van deze gebieden ligt bij de ontwikkelmogelijkheden voor respectievelijk de glastuinbouw en de intensieve veehouderij en in principe wordt wonen niet toegestaan, zo volgt uit de gemeentelijke structuurvisie. Dat de raad met dit beleidsuitgangspunt in het kader van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet wenst te voorzien in reguliere woonfuncties in een concentratiegebied voor glastuinbouw acht de Afdeling niet onredelijk. De omstandigheid dat het in verband met de aspecten geur en geluid voor omliggende bedrijven geen verschil maakt of wordt voorzien in een reguliere woning of een bedrijfswoning doet daar, wat daar ook van zij, niet aan af. Vast staat dat het perceel [locatie 3] in het glastuinbouwconcentratiegebied "De Kievit" ligt. Gelet hierop heeft de raad overeenkomstig voormeld beleidsuitgangspunt geen woonbestemming toegekend aan het perceel [locatie 3]. Hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het onderhavige geval niet in redelijkheid heeft kunnen vasthouden aan dit beleid. 42.
- Dat de raad redelijkerwijs geen woonbestemming heeft kunnen toekennen aan het perceel [locatie 3] betekent niet dat met de toekenning van de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" aan het perceel een bestemming in het kader van een goede ruimtelijke ordening gegeven is. 42.
- Wat betreft de stelling van [appellant sub 9] dat thans geen behoefte bestaat aan glastuinbouw in de omgeving, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 9] de juistheid van deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat de glastuinbouwbranche weer opbloeit en dat weer concrete aanvragen worden ingediend voor de ontwikkeling en/of uitbreiding van glastuinbouwbedrijven in de gemeente. Gelet hierop faalt het betoog. 42.
- Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat de bestemming "Agrarisch -Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] onuitvoerbaar is, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De enkele omstandigheid dat [appellant sub 9], als agrariër in ruste, niet voornemens is om ter plaatse nog een agrarisch glastuinbouwbedrijf op te richten maakt niet dat de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel onuitvoerbaar moet worden geacht binnen de planperiode. De raad heeft in dit verband toegelicht dat niet op voorhand is uitgesloten dat het perceel binnen de planperiode wordt betrokken bij een omliggend agrarisch bedrijf, hetgeen de Afdeling niet onaannemelijk acht. Het betoog faalt. 42.
- Voor zover [appellant sub 9] vreest voor handhaving van de reguliere bewoning van zijn voormalige bedrijfswoning, overweegt de Afdeling, dat niet in geschil is dat [appellant sub 9], na beëindiging van zijn agrarisch bedrijf, de bijbehorende bedrijfswoning is blijven bewonen en dat niet gebleken is dat de bij het (voormalig) agrarische bedrijf behorende gronden zijn verkocht of anderszins in gebruik zijn bij derden. Gelet op overweging 4.1 kan onder die omstandigheden de (voormalige) bedrijfswoning nog steeds de hoedanigheid van een woning behorend bij een agrarisch bedrijf worden toegedicht en kan de bewoning van de (voormalige) bedrijfswoning door [appellant sub 9] in overeenstemming worden geacht met de agrarische bestemming. 42.
- Het voorgaande neemt naar het oordeel van de Afdeling niet weg dat de raad, mede gelet op hetgeen reeds in 4.3 is overwogen, onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom is afgezien van de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 3]. Zo is onduidelijk of de raad in zijn afweging de omgevingsvergunning van 19 november 2014 voor de verbouwing van de woning op het perceel [locatie 3] heeft betrokken. Deze omgevingsvergunning is door het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas getoetst aan het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas", dat ten tijde van belang, in werking was getreden - doch in zoverre nog niet onherroepelijk was - en op grond waarvan voor het perceel [locatie 3] de bestemming "Wonen - Plattelandswoning" gold. Op grond van die bestemming was wonen in een plattelandswoning als bedoeld in artikel 1, lid 1.132, van de planregels van dat plan toegestaan. Tevens is onduidelijk of de raad de omstandigheid in zijn afweging heeft betrokken dat de meest nabijgelegen glasopstand op 135 m afstand ligt en dat uit het deskundigenbericht volgt dat daarmee in zoverre wordt voldaan aan de aanbevolen richtafstand uit de VNG-brochure van 30 m. Voorts acht de Afdeling van belang dat de raad zijn stelling dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel [locatie 3] vanwege de ligging in een glastuinbouwconcentratiegebied niet kan worden gewaarborgd, niet met enig onderzoek heeft onderbouwd. 42.
- Voor zover de raad heeft aangevoerd dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat evenmin kan worden gewaarborgd vanwege het nabijgelegen dierenpension en het composteringsbedrijf, overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenbericht staat dat aan de Kievit 38 het bedrijf Kultura Veenproducten is gevestigd, dat ooit begonnen is als mestverwerker, maar blijkens de vergunning van november 1995 op grond van de Wet milieubeheer inmiddels kan worden aangemerkt als een groothandel in biologische potgrond, tuinaarde en mest. Verder staat in het deskundigenbericht dat op het perceel Kievit 38a het dierenpension Jodija is gevestigd. In de VNG-brochure wordt in verband met een groothandel in kunstmeststoffen een richtafstand aanbevolen van maximaal 30 m tot de woning. In verband met het aspect geluid wordt voor een dierenpension een richtafstand aanbevolen van maximaal 100 m tot de woning. De afstand tussen de voormalige bedrijfswoning van [appellant sub 9] op het perceel [locatie 3] en de percelen Kievit 38/38a bedraagt blijkens het deskundigenbericht 109 m. Gelet hierop staat vast dat, ten tijde van belang, werd voldaan aan de richtafstanden van de VNG-brochure. 42.
- Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt of voor het perceel [locatie 3] kan worden voorzien in een plattelandswoning, is het besluit ook in zoverre onzorgvuldig tot stand gekomen. Het betoog van [appellant sub 9] slaagt. Gelet hierop bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het wijzigingsbesluit in zoverre in stand te laten en behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 9] tegen het wijzigingsbesluit geen bespreking meer. Conclusie wijzigingsbesluit
- In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] is genomen in strijd met artikel 3.2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden wijzigingsbesluit in zoverre dient te worden vernietigd. Bestemmingsplan
- Het beroep van [appellant sub 9] richt zich voorts tegen het bestemmingsplan wat betreft het plandeel voor het perceel [locatie 3]. Nu het beroep van [appellant sub 9] tegen het wijzigingsbesluit gegrond is, heeft [appellant sub 9] belang bij een inhoudelijke bespreking van zijn beroep tegen het bestemmingsplan. Nu aan het bestemmingsplan hetzelfde gebrek kleeft als is geconstateerd ten aanzien van het wijzigingsbesluit in overweging 41.1, is het bestemmingsplan wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] eveneens in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb vastgesteld. Het betoog slaagt. Conclusie bestemmingsplan
- In hetgeen [appellant sub 9] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit wat betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Grondgebonden" voor het perceel [locatie 3] is genomen in strijd met artikel 3.2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Proceskosten
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van [appellant sub 9] niet gebleken. Het beroep van [appellant sub 10] Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 10] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant" voor het perceel [locatie 20], voor zover daaraan de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" is toegekend. [appellant sub 10] is eigenaar en exploitant van een agrarisch loonbedrijf op het perceel [locatie 21]. Op het perceel [locatie 20] staat een (voormalige) bedrijfswoning die oorspronkelijk behoorde bij de champignonkwekerij die voorheen op het perceel [locatie 21] werd geëxploiteerd. Plattelandswoning
- [ appellant sub 10] betoogt dat ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning" is toegekend aan de (voormalige) bedrijfswoning op het perceel [locatie 20]. Hiertoe voert hij aan dat de wettelijke regeling ten aanzien van de plattelandswoning niet van toepassing is op de desbetreffende woning, omdat de inrichting waartoe de woning oorspronkelijk behoorde niet langer in werking is en het bedrijf waartoe de woning thans planologisch behoort geen agrarisch bedrijf is. Voor het geval hun niet-agrarische bedrijf op het perceel [locatie 21] kan worden ondergebracht onder "activiteiten die daarmee verband houden" als bedoeld in artikel 1.1a, tweede lid, van de Wabo, betoogt [appellant sub 10] dat de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant", vanwege het ontbreken van de aanduiding "agrarisch loonbedrijf" ook voorziet in een (niet-agrarisch) loonbedrijf. Gelet hierop wordt in strijd met artikel 1.1a, van de Wabo voorzien in een plattelandswoning bij een niet-agrarisch bedrijf. Voorts laat de toepassing van artikel 1.1a van de Wabo volgens [appellant sub 10] onverlet dat de raad op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer de effecten van het "eigen bedrijf" voor de luchtkwaliteit bij de voormalige bedrijfswoning moet beoordelen, hetgeen de raad heeft nagelaten. 48.
- De relevante wettelijke bepalingen uit de Wabo zijn opgenomen in bijlage 1 bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 48.
- Aan het perceel [locatie 21] is de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant" met de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 60" toegekend. Aan het perceel [locatie 20] is de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant" toegekend met onder meer de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - 60" en "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning". De percelen [locatie 21] en [locatie 20] liggen in hetzelfde bestemmingsvlak met de aanduiding "bouwvlak". Artikel 1, lid 1.15, van de planregels luidt: "Agrarisch loonbedrijf: een bedrijf, dat uitsluitend dan wel overwegend gericht is op het verlenen van diensten aan agrarische bedrijven met daaraan ondergeschikt onderhoudswerkzaamheden aan (openbare) groenvoorzieningen en grond-/onderhoudswerkzaamheden aan (infrastructurele) voorzieningen, met behulp van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur, alsmede het verrichten van werkzaamheden tot onderhoud en reparatie van landbouwwerktuigen en landbouwapparatuur." Artikel 10, lid 10.1, luidt: "De gronden met de bestemming "Bedrijf - Agrarisch verwant" zijn bestemd voor: a. agrarisch verwante bedrijven in categorie 1 en 2 conform de "Lijst van bedrijfsactiviteiten" (bijlage 1 bij deze regels), met als nevenactiviteit:
- bestaande grondgebonden bedrijfsactiviteiten; […] een loonbedrijf met ondergeschikt een grondverzetbedrijf, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 60"; e. een agrarisch loonbedrijf met een bedrijfsvloeroppervlakte van minimaal 500 m², uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "agrarisch loonbedrijf"; f. wonen in een bedrijfswoning; g. een plattelandswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - plattelandswoning"." 48.
- In het deskundigenbericht staat dat op de percelen [locatie 21] en [locatie 20] tot 2005 een champignonkwekerij werd geëxploiteerd. Op het zuidelijke deel van het perceel [locatie 21] stond de bedrijfsbebouwing en op het noordelijke deel van het perceel [locatie 20] stond de bijbehorende bedrijfswoning. Het perceel [locatie 20] is in 1998 afgesplitst van het perceel [locatie 21] en is sindsdien door derden in gebruik voor (burger)woondoeleinden. Op het perceel [locatie 21] wordt sinds 2005 door [appellant sub 10] een agrarisch loonbedrijf geëxploiteerd. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, heeft geoordeeld, brengt de omstandigheid dat thans een ander bedrijf is gevestigd op het perceel [locatie 21] op zichzelf niet met zich dat de wettelijke regeling voor plattelandswoningen niet kan worden toegepast. Het betoog faalt in zoverre. 48.
- Voorts is de regeling voor de plattelandswoning van toepassing op een agrarisch loonwerkbedrijf, nu dit naar het oordeel van de Afdeling kan worden aangemerkt als een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Ter zitting is komen vast te staan dat de bestaande bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 10] op het perceel [locatie 21] in hoofdzaak bestaan uit activiteiten die verband houden met agrarische activiteiten. Het betoog van [appellant sub 10] dat het bestemmingsplan op het perceel [locatie 21] voorts voorziet in een niet-agrarisch loonbedrijf, volgt de Afdeling niet. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van artikel 10, lid 10.1, van de planregels met zich dat wordt voorzien in een agrarisch loonbedrijf, reeds nu de benaming van de bestemming waarop deze planregeling ziet impliceert dat het moet gaan om bedrijvigheid die agrarisch verwant is. Dat in artikel 10, lid 10.1, onder e, van de planregels, anders dan in lid 10.1, onder d, van de planregels, wordt gesproken van een "agrarisch loonbedrijf" maakt dit naar het oordeel van de Afdeling niet anders. 48.
- [appellant sub 10] voert verder terecht aan dat het feit dat een plattelandswoning als bedoeld in artikel 1.1a, eerste lid, van de Wabo voor de toepassing van de Wabo en de daarop rustende bepalingen wordt beschouwd als onderdeel van de inrichting waartoe deze planologisch behoort, losstaat van de vraag of ingevolge artikel 5.16 van de Wet milieubeheer de luchtkwaliteit vanwege die landbouwinrichting al dan niet moet worden beoordeeld (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:236). De Afdeling acht echter niet aannemelijk dat als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 10] de uitstoot van fijnstof boven de voorgeschreven norm uitkomt. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de uitstoot van fijnstof blijkens de nota "Onderbouwing Locatie 088: [locatie 20] te Grashoek", zoals opgenomen in bijlage 1 van de plantoelichting, als gevolg van fijnstof emissies van veehouderijen in de omgeving ruim onder de wettelijke norm blijft, zoals deze gold ten tijde van belang. 48.
- [appellant sub 10] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 10] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 10] bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 11]
- Het beroep van [appellant sub 11] heeft betrekking op het perceel [locatie 22]. Hij betoogt dat aan zijn perceel ten onrechte geen woonbestemming is toegekend. Het perceel [locatie 22] ligt echter buiten het plangebied. Voor zover het betoog van [appellant sub 11] aldus moet worden begrepen dat zijn verzoek om een reguliere woonbestemming ten onrechte niet in deze bestemmingsplanprocedure is betrokken, overweegt de Afdeling het volgende. Vast staat dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" een agrarische bestemming was toegekend aan het perceel van [appellant sub 11] en dat hij daartegen geen beroep heeft ingesteld. Met het thans voorliggende bestemmingsplan heeft de raad beoogd geconstateerde gebreken in het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" te herstellen en reeds verleende omgevingsvergunningen als zodanig te bestemmen. Volgens de raad bestond geen aanleiding om het perceel [locatie 22] daarbij te betrekken, omdat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan nog een milieuvergunning gold voor het houden van 415 vleesvarkens, door [appellant sub 11] niet was verzocht om intrekking daarvan en [appellant sub 11] in zijn zienswijzen tegen het voorliggende bestemmingsplan niet eenduidig heeft verzocht om een reguliere woonbestemming. [appellant sub 11] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat voormelde standpunten van de raad onjuist zijn. Gelet op het voorgaande biedt hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het perceel [locatie 22] niet in redelijkheid buiten de grenzen van het voorliggende bestemmingsplan heeft kunnen laten. Voor zover [appellant sub 11] in dit verband nog aanvoert dat hij zijn verzoek om een reguliere woonbestemming in de zienswijze niet kenbaar heeft gemaakt, omdat hij gedurende de totstandkoming van het bestemmingsplan nog overleg voerde met het gemeentebestuur omtrent de ontwikkeling van een horecagelegenheid en een visvijver op zijn perceel en dat pas na afloop van de zienswijzentermijn duidelijk werd dat die ontwikkeling geen doorgang kon vinden, overweegt de Afdeling dat niet gebleken is dat [appellant sub 11] nadien, doch voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan, zijn wens om een reguliere woonbestemming alsnog bij de raad kenbaar heeft gemaakt. Het betoog faalt. 51.
- [appellant sub 11] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 11] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11] ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 11] bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 11] Inleiding
- Het beroep van [appellant sub 11] is gericht tegen het gewijzigd vastgestelde plandeel met de bestemming "Agrarisch" wat betreft het perceel kadastraal bekend gemeente Helden, sectie N, perceelnummer 78 (hierna: [locatie 23]). Agrarische bestemming
- [ appellant sub 11] betoogt dat de in het ontwerpplan toegekende woonbestemming bij de vaststelling van het bestemmingsplan ten onrechte naar aanleiding van de zienswijze van zijn buurman is gewijzigd in een agrarische bestemming. Hiertoe voert hij aan dat in het verleden ter plaatse een paardrijbak aanwezig was en dat hij voornemens is deze binnen de planperiode weer op te richten. Volgens [appellant sub 11] was dit op grond van de oorspronkelijk toegekende woonbestemming - in tegenstelling tot de thans toegekende agrarische bestemming - toegestaan. In het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" dat door de raad is vastgesteld op 5 februari 2013 was ook een woonbestemming aan het desbetreffende plandeel toegekend. [appellant sub 11] acht het derhalve in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel dat binnen een periode van drie jaar de destijds toegekende bestemming al weer wordt gewijzigd. Om die reden meent [appellant sub 11] voorts dat de zienswijze van zijn buurman niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Voorts acht [appellant sub 11] de toekenning van de agrarische bestemming niet overeenkomstig het feitelijke gebruik van het perceel, gelet op de aanwezigheid van een septic tank ter plaatse ten behoeve van de afvoer en infiltratie van het huishoudelijke afvalwater van de woning op het perceel. 55.
- De raad heeft toegelicht dat de paardrijbak met lichtmasten op het perceel inmiddels is verwijderd en bovendien niet was vergund of op enig andere wijze planologisch verankerd. De raad wenst niet te voorzien in een nieuwe paardenbak ter plaatse, teneinde verstening in het buitengebied tegen te gaan. 55.
- Aan het perceel [locatie 23] is gedeeltelijk de bestemming "Agrarisch" toegekend. Artikel 3, lid 3.1, van de planregels luidt: "De voor "Agrarisch" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch bedrijfsmatig gebruik; […] met daaraan ondergeschikt […] m. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen." Lid 3.2.2, aanhef en onder b, luidt: "Op de voor "Agrarisch" aangewezen gronden mogen geen bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gebouwd, met uitzondering van bestaande paardrijbakken en daarbij behorende lichtmasten, waarvan de bouwhoogte maximaal 8 m bedraagt." Lid 3.4.1, aanhef en onder c, luidt: "Onder gebruiken of het laten gebruiken in strijd met de bestemming "Agrarisch" wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden en bouwwerken voor en/of als paardenbakken, anders dan bedoeld in lid 3.2.2." 55.
- Wat betreft het betoog van [appellant sub 11] dat de zienswijze van zijn buurman niet-ontvankelijk verklaard had moeten worden, overweegt de Afdeling het volgende. Ten behoeve van het bestemmingsplan is opnieuw afdeling 3.4 van de Awb doorlopen, zodat gelet op artikel 3.8, eerste lid, onder d, van de Wro door een ieder zienswijzen omtrent het ontwerp bij de gemeenteraad naar voren konden worden gebracht, zo ook door de buurman van [appellant sub 11]. Het betoog faalt. 55.
- Niet in geschil is dat thans geen paardrijbak meer op het perceel [locatie 23] aanwezig is. Hetgeen [appellant sub 11] heeft aangevoerd biedt geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van de toekenning van een woonbestemming of een andere bestemming aan het gedeelte van het perceel [locatie 23] waaraan thans de bestemming "Agrarisch" is toegekend ten behoeve van de oprichting van een paardrijbak. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad verstening in het buitengebied wenst tegen te gaan, niet gebleken is van concrete plannen van [appellant sub 11] om een nieuwe paardrijbak op te richten en de op het perceel aanwezige septic tank, gelet op artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder m, van de planregels met de toekenning van de bestemming "Agrarisch" als zodanig is bestemd. Het betoog van [appellant sub 11] dat het in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel is om binnen een periode van drie jaar een bestemming te wijzigen, volgt de Afdeling niet, omdat noch de Wro, noch enig geschreven of ongeschreven rechtsbeginsel zich daartegen verzet. Het betoog faalt. Conclusie
- Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11] ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 11] bestaat geen aanleiding. Het beroep van [appellant sub 13], [appellante sub 14A] en anderen en [appellante sub 15] Inleiding
- [ appellant sub 13] exploiteert een kwekerij op het perceel [locatie 24] en [locatie 25] te Grashoek. [appellante sub 14A] en anderen exploiteren een varkenshouderij op de percelen [locatie 26] en [locatie 27] te Grashoek. [appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen vrezen dat hun bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden zullen worden beperkt door de planregeling die is toegekend aan de percelen [locatie 28] en [locatie 29] te Grashoek, omdat het plan daar nu geur- en geluidgevoelige objecten toestaat. [appellante sub 15] exploiteert aan de [locatie 30] en [locatie 31] te Grashoek een varkenshouderij. Zij vreest om dezelfde redenen dat haar bedrijfs- en gebruiksmogelijkheden zullen worden beperkt door de planregeling die aan het perceel [locatie 28] is toegekend. Algemeen
- [ appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen betogen dat de belangen van belanghebbenden bij het plan zijn geschaad doordat in de publicatie van het vaststellingsbesluit een onjuiste beroepstermijn is genoemd. In plaats van op 9 maart 2016 eindigde de beroepstermijn op 10 maart
- De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond betrekking heeft op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kan aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt. [locatie 28]
- [ appellant sub 13], [appellante sub 14A] en anderen en [appellante sub 15] betogen dat aan het perceel [locatie 28] ten onrechte een uitsterfregeling is toegekend. Volgens [appellant sub 13] en [appellante sub 14A] en anderen moet juist handhavend worden opgetreden tegen het wonen aldaar. [appellante sub 15] betoogt dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of ook tegen de woning zelf handhavend opgetreden kan worden. Het standpunt van de raad dat de woning legaal aanwezig is klopt volgens haar niet, nu de Afdeling in de uitspraak van 24 december 2014 al heeft geoordeeld dat de woning illegaal aanwezig is. Ook is volgens haar niet gebleken dat toestemming is gegeven om het gebouw als bedrijfsgebouw of bijgebouw bij de woning [locatie 32] te gebruiken. [appellant sub 13], [appellante sub 14A] en anderen en [appellante sub 15] betogen voorts dat de uitsterfregeling voor het gebouw op het perceel [locatie 28] ten onrechte is toegekend, omdat daardoor hun bedrijfsvoering wordt belemmerd. 60.
- De raad stelt zich op het standpunt dat het gebouw legaal aanwezig is, maar dat het gebruik als woning illegaal is. Er is onderzocht of het wonen aldaar als zodanig bestemd kan worden. Dit is niet mogelijk, omdat ter plaatse geen goed woon- en leefklimaat heerst. Ook zou het de uitbreidingsmogelijkheden van de omliggende agrarische bedrijven beperken. Door het toekennen van een uitsterfregeling zal het gebruik voor wonen op termijn stoppen en levert het gebruik geen hinder op voor de omliggende agrarische bedrijven, aldus de raad. 60.
- Aan het perceel [locatie 28], kadastraal bekend sectie A, nr. 5911, is de bestemming "Wonen" toegekend. Aan het perceel is een bouwvlak toegekend dat zich tevens uitstrekt over het perceel [locatie 32]. Aan een deel van het perceel is de aanduiding "specifieke vorm van wonen - uitsterfconstructie" toegekend. Ter plaatse van die aanduiding ligt een gebouw waarin gewoond wordt. Artikel 22, lid 22.1, van de planregels luidt: "De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; […] f. wonen in een gebouw door maximaal één huishouden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - uitsterfconstructie wonen [locatie 28]' . Indien deze functie gedurende een aaneengesloten periode van één jaar niet meer ter plaatse is uitgeoefend, is uitoefening van deze functie niet meer is toegestaan." 60.
- Uit de stukken volgt dat op 24 september 1965 een bouwvergunning is verleend om op het perceel [locatie 33], kadastraal bekend sectie A, nr. 5911, een krot te verbouwen tot bedrijfsruimte. Het perceel [locatie 33] is later [locatie 28] gaan heten. De Afdeling stelt vast dat, anders dan ten tijde van de uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, bekend was, het gebouw op het perceel [locatie 28] is vergund. Handhavend optreden daartegen is dan ook niet mogelijk. Het gebruik van het perceel voor wonen was met het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" toegestaan. Onder deze omstandigheden heeft de raad kunnen bezien of een uitsterfregeling mogelijk is. De betogen falen. 60.
- In de plantoelichting staat waarom de raad is overgegaan tot het toekennen van een uitsterfregeling aan het voormalige bedrijfsgebouw op het perceel [locatie 28]. Het gebouw is in het vorige bestemmingsplan bestemd als een bijgebouw bij een woning, aldus de plantoelichting. Er staat voorts dat uit de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4653, blijkt dat de raad had moeten onderzoeken of het opnemen van een uitsterfconstructie mogelijk is. Er staat dat het toekennen van een woonbestemming niet mogelijk is, omdat ter plaatse geen goed woon- en leefklimaat heerst. Voorts staat er dat het gebruik niet onder het overgangsrecht gebracht kan worden, omdat niet is te verwachten dat het gebruik binnen de planperiode eindigt. Er is een uitsterfregeling toegekend omdat dit volgens de raad de enig mogelijke oplossing is. De woning wordt in dit geval bestemd als bedrijfswoning met de daarbij behorende bouwregels. Er is niet gekozen voor het toekennen van persoonsgebonden overgangsrecht, omdat het toekennen van een uitsterfregeling mogelijk is. 60.
- Blijkens de Nota van zienswijzen heeft de raad beoogd met de planregeling ervoor te zorgen dat het gebruik van het gebouw op [locatie 28] voor wonen op termijn zal stoppen en dat dit gebruik geen hinder oplevert voor de omliggende agrarische bedrijven. 60.
- Artikel 1 van de Wgv luidt: "[…]; geurgevoelig object: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, waarbij onder «gebouw, bestemd voor menselijk wonen of menselijk verblijf» wordt verstaan: gebouw dat op grond van het bestemmingsplan, bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, […] mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; […]." 60.
- De Afdeling overweegt dat het gebouw op het perceel [locatie 28] ingevolge artikel 22, lid 22.1, aanhef en onder f, van de planregels is bestemd voor wonen. Ook is het blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of verblijf en wordt het gebouw ook op die wijze gebruikt. Dit maakt dat het gebouw op het perceel [locatie 28] een geurgevoelig object is in de zin van de Wgv. 60.
- Voor het bedrijf van [appellante sub 15] kan de woning op het perceel [locatie 28] een belemmering vormen voor de bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden op haar perceel [locatie 31]. Het betoog van de raad dat voor het bedrijf van [appellante sub 15] de woning op het perceel [locatie 34] dichterbij staat dan de woning op het perceel [locatie 28] treft geen doel, nu [appellante sub 15] ter zitting onweersproken heeft gesteld dat deze woning deel uitmaakt van haar inrichting en daarom geen belemmering voor haar bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden vormt. Vast staat dat de raad deze gevolgen van het plan niet heeft beoogd. Tevens staat vast dat de raad niet heeft bezien in hoeverre de planregeling een belemmering vormt voor het bedrijf van [appellante sub 15]. Het is dan ook onduidelijk of en in hoeverre de bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden van haar bedrijf worden beperkt door dit geurgevoelige object. Het betoog van [appellante sub 15] slaagt. 60.
- Omdat voor het bedrijf van [appellante sub 14A] en anderen de woningen op de percelen [locatie 32] en [locatie 35] op vergelijkbare afstand liggen, zal de omstandigheid dat de woning op het perceel [locatie 28] een geurgevoelig object is de bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden van het bedrijf van [appellante sub 14A] en anderen niet schaden. [appellante sub 14A] en anderen moeten immers al met de woningen op de percelen [locatie 32] en [locatie 35] rekening houden. Voorts is niet gebleken van andere omstandigheden die ertoe leiden dat de woning op het perceel [locatie 28] de bedrijfs- en ontwikkelingsmogelijkheden van [appellante sub 14A] en anderen schaden. Het betoog van [appellante sub 14A] en anderen faalt. 60.
- Wat betreft [appellant sub 13] overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat deze planregeling de bedrijfs- en uitbreidingsmogelijkheden van het kwekerijbedrijf van [appellant sub 13] belemmert. Dat dit het geval zou zijn acht de Afdeling ook niet aannemelijk, gelet op de substantiële afstand tussen de bedrijfspercelen van [appellant sub 13] en de woning op het perceel [locatie 28]. Het betoog van [appellant sub 13] faalt. [locatie 29]
- Aan het perceel [locatie 29] is de bestemming "Wonen" toegekend, met een bouwvlak dat het gehele perceel omvat. Aan een deel van het perceel is de aanduiding "geluidzone" toegekend. Spuitzone
- [ appellant sub 13] betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de spuitzone om zijn perceel. Volgens hem had de raad de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op zijn percelen [locatie 24] en [locatie 25] moeten onderzoeken. Hij wijst op de korte afstand tussen zijn perceel [locatie 24] en het perceel [locatie 29], op de omstandigheid dat niet uitgegaan kan worden van driftarme spuittechnieken nu dat niet is gereguleerd en op de overheersende windrichting, waardoor het aannemelijk is dat de drift van zijn perceel [locatie 24] naar [locatie 29] zal uitwaaien. 62.
- Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overwee
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.