201609650/1/A3 en 201609650/2/A3. Datum uitspraak: 9 januari 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 19 december 2016 in zaak nrs. 16/7565 en 16/7566 in het geding tussen: [appellant] en de korpschef van politie. Procesverloop Bij besluit van 18 augustus 2016 heeft de korpschef de voor [appellant] gevraagde toestemming, bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr), onthouden Bij besluit van 4 november 2016 heeft de korpschef het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 19 december 2016 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 januari 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. J.S.T. Peek, zijn verschenen. Overwegingen 1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. 2. Op 23 juni 2016 heeft beveiligingsorganisatie Connect Beveiliging te Gouda een aanvraag ingediend tot het verkrijgen van toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming onthouden, omdat [appellant] in 2013 een strafbeschikking heeft aanvaard waarbij hem wegens overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 een geldboete van € 490,00 is opgelegd en hij op 4 februari 2016 is veroordeeld tot een taakstraf van 84 uren subsidiair 42 dagen hechtenis en een maand voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van twee jaren wegens overtreding van artikel 2, aanhef en onder B, van de Opiumwet. Deze delicten zijn misdrijven. Volgens de korpschef heeft [appellant] niet de juiste houding en geschiktheid om werkzaamheden binnen de beveiligingsbranche te verrichten. [appellant] is het hiermee niet eens. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep ongegrond heeft verklaard. Hiertoe voert hij aan dat uit de aanvaarde strafbeschikking en de veroordeling niet kan worden afgeleid dat hij onvoldoende betrouwbaar voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden is. Het hoger beroep tegen de veroordeling loopt nog. Verder staan de feiten die aan de strafbeschikking en de veroordeling ten grondslag liggen geheel los van beveiligingswerkzaamheden. Hij voert voorts aan dat de korpschef ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast. Dat hij voor een opiumdelict is veroordeeld, is onvoldoende reden om de hardheidsclausule niet toe te passen. Er is geen reden om aan te nemen dat hij de belangen van de beveiligingsbranche schaadt en er is geen sprake van een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Voorts heeft hij alleen een diploma voor beveiligingswerkzaamheden. Het onthouden van toestemming heeft tot gevolg dat hij niet kan werken en op een uitkering is aangewezen. Het onthouden van toestemming levert hem onevenredig nadeel op, omdat hij daardoor financiële en mentale problemen ondervindt, aldus [appellant]. 3.1. Artikel 7, tweede lid, van de Wpbr luidt: "Een beveiligingsorganisatie of recherchebureau als bedoeld in het eerste lid stelt geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan bedoeld in het eerste lid, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef. […]." Het vierde lid luidt: "De toestemming, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk. […]." Paragraaf 2.3, Betrouwbaarheid personeel en leidinggevenden, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (hierna: de Beleidsregels) luidt: "De toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.