(1075)zal worden aangeplant. Verder wordt bij de kap en de nieuwe aanplant volgens het beheerplan nadrukkelijk rekening gehouden met het oorspronkelijke beplantingsplan van Copijn en is kap en aanplant blijkens de Toelichting mede bedoeld om in het park een revitalisatieslag te maken. Ook in het advies van RCE wordt vermeld dat het plan in grote lijnen de oorspronkelijke parkaanleg respecteert en tevens een restauratie betekent. Dit ondanks het feit dat veel zal worden gekapt en aangeplant. Mede gelet op dit advies, heeft de door SVJ en UBS aan de orde gestelde omstandigheid dat van de te kappen bomen er 91 een doorsnede hebben tussen 70 en 150 cm en deze daarmee waarschijnlijk zijn aan te merken als oorspronkelijk in het park aangeplante bomen, het college geen reden hoeven geven om van het verlenen van de vergunning af te zien. Daarbij is verder van belang dat blijkens de Toelichting veel van de bomen met een dikte van meer dan 70 cm gelet op de leeftijd in verval zijn. Overigens heeft De Haar in haar brief aan de Afdeling van 22 augustus 2016 vermeld dat de in het Toetsingskader expliciet vermelde bijzondere soorten, te weten de sequoia’s en de platanengroep bij de kunstmatige heuvels bij het westelijke formele uitzichtpunt, behouden zullen blijven. Dat, zoals UBS naar voren heeft gebracht, in het besluit ten onrechte geen rekening is gehouden met de opmerking in het advies van RCE dat in het beplantingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de oorspronkelijke bomendiversiteit in het Zuiderpark, is niet gebleken. In de hiervoor genoemde Toelichting is een nadere toelichting gegeven op de sortimentkeuze voor het Zuiderpark en daarbij blijkt ook van een aanzienlijk grotere sortimentkeuze voor de herplant dan waarvan aanvankelijk in het beheerplan werd uitgegaan. Het betoog van UBS dat het college zich ten onrechte niet heeft afgevraagd of uitgebreide gladgeschoren gazons, gelet op de volgens UBS niet milieuvriendelijke wijze van onderhoud daarvan, geen te grote aanslag op de flora en fauna ter plaatse betekent, leidt evenmin tot het daarmee beoogde doel. In de bestemmingsplanprocedure is reeds de afweging gemaakt dat ter plaatse de uitbreiding van de golfbaan kan worden toegestaan. Verder zijn de gevolgen van de met de omgevingsvergunning toegestane uitbreiding in het kader van de Ffw beoordeeld bij het eerdergenoemde besluit van de staatssecretaris van 4 maart 2011 en de reactie op het wijzigingsverzoek van 17 februari 2014, waarbij geen grond is gevonden voor het standpunt dat deze niet kon worden toegestaan. De conclusie is dat het college zijn standpunt dat het project niet in onevenredige mate afbreuk doet aan de ecologische-, natuur- en cultuurhistorische waarden van de gronden, voldoende heeft gemotiveerd. Het betoog faalt.
- SVJ en UBS betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat zowel het college, als de staatssecretaris in het besluit van 4 maart 2011 geen juist onderscheid heeft gemaakt tussen mitigerende en compenserende maatregelen. Dit is van belang, omdat compenserende maatregelen naar zij stellen volgens jurisprudentie van de Afdeling niet in aanmerking mogen worden genomen bij de vraag of de nadelige gevolgen van een activiteit voor de door de Ffw beschermde waarden worden voorkomen. Zowel de staatssecretaris, als het college lijken dit ten onrechte wel te doen, aldus SVJ en UBS. 8.
- Zoals hiervoor onder 5.3 is overwogen, heeft de staatssecretaris bij besluit van 4 maart 2011 op de aanvraag van De Haar besloten dat geen ontheffing in het kader van de Ffw is vereist. Daarom is de aanvraag daartoe afgewezen. Het college heeft zich daarop bij het nemen van het besluit van 3 december 2015 kunnen baseren. Het besluit van 4 maart 2011 van de staatssecretaris is een besluit waar destijds rechtsmiddelen tegen hadden kunnen worden aangewend. Het staat inmiddels in rechte vast. Dat betekent dat dit besluit en de daaraan ten grondslag gelegde afwegingen in deze procedure niet meer ter discussie kunnen worden gesteld. Het betoog faalt.
- SVJ en UBS betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college het plan ten onrechte niet deugdelijk op de financiële haalbaarheid ervan heeft getoetst. Zij voert daartoe aan dat het maar de vraag is of de golfclub de financiële middelen zal blijken te hebben om de herinrichting van het gebied adequaat vorm te geven. Daarbij wijst zij erop dat volgens de exploitatieovereenkomst een van de randvoorwaarden voor de uitbreiding van de golfbaan is dat het ledenaantal zou groeien met minimaal 250 leden. Het ledenaantal loopt echter juist steeds verder terug, aldus SVJ en UBS. 9.
- De rechtbank heeft dit betoog terecht niet gevolgd. Daarbij is van belang dat het bestemmingsplan "Haarzuilens" het project toestaat en derhalve een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist, noch verleend. Daarom is bij de verlening van de omgevingsvergunning een door SVJ en UBS voorgestane belangenafweging, waarbij de financiële uitvoerbaarheid van het project een rol kan spelen, niet aan de orde. Het betoog faalt. Conclusie
- Het hoger beroep van De Haar Exploitatie B.V. is gegrond. De incidentele hoger beroepen van SVJ en UBS zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 3 december 2015 bespreken in het licht van hetgeen daartegen in beroep nog is aangevoerd, voor zover dit na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeft. Beoordeling van het beroep
- SVJ en UBS hebben tevergeefs betoogd dat het college aanleiding had moeten zien om het hiervoor besproken Toetsingskader als voorschrift aan de vergunning te verbinden. Het project is blijkens het besluit getoetst aan dit voor de golfbaan ontwikkelde Toetsingskader en akkoord bevonden. Het Toetsingskader is verder gehecht aan de tussen de gemeente, De Haar Exploitatie B.V. en Natuurmonumenten gesloten exploitatieovereenkomst. Daarin is opgenomen dat De Haar bij realisatie en beheer de archeologische, cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden en eisen, zoals opgenomen in het Toetsingskader, het Inrichtingsplan en het Beheerplan, in acht dient te nemen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college daarnaast aanleiding had moeten zien om het Toetsingskader als voorschrift aan de vergunning te verbinden. Voor zover SVJ verder heeft betoogd dat de informatieverstrekking door het college in de procedure moeizaam en weinig transparant is verlopen, zodat zij in onvoldoende mate kennis heeft kunnen nemen van de stukken en dit in strijd komt met het beginsel van fairplay, wordt overwogen dat niet is gebleken dat het college opzettelijk relevante stukken buiten de procedure heeft gehouden. Van strijd met het beginsel van fair play is daarom niet gebleken. Het betoog faalt.
- Hoewel dit betoog faalt, zijn, gelet op hetgeen hiervoor onder 4 is overwogen, de door SVJ en UBS bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond.
- Nu het hoger beroep van De Haar gegrond is, dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen van SVJ en UBS gegrond verklaren en het besluit van 3 december 2015 vernietigen, uitsluitend voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4.7, eerste lid, van de Apv. Het college behoeft te dien aanzien geen nieuw besluit op bezwaar te nemen, nu de aanvraag daartoe is ingetrokken. Het voorgaande betekent dat het besluit van 3 december 2015 herleeft, behoudens voor zover daarbij een omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4.7, eerste lid, van de Apv.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van De Haar Exploitatie B.V. te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de incidentele hoger beroepen van de Stichting Vrienden van de Joostenlaan en de Utrechtse Bomen Stichting ongegrond; II. verklaart het hoger beroep van De Haar Exploitatie B.V. gegrond; III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 maart 2016 in zaken nrs. 15/6896, 15/6921, 16/246 en 16/759; IV. verklaart de door de Stichting Vrienden van de Joostenlaan en de Utrechtse Bomenstichting bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond; V. vernietigt het besluit van 3 december 2015, kenmerk HZ-WABO-14-09104, voor zover daarbij omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 4.7, eerste lid, van de Apv; VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Utrecht tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Haar Exploitatie B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.530,51 (zegge: vijftienhonderddertig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 1.503,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Haar Exploitatie B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier. w.g. Slump w.g. Bolleboom Voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018
- BIJLAGE Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1, eerste lid: Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald, (…); f. het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, (…). Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en g:
- Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, g. houtopstand te vellen of te doen vellen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning. Artikel 2.27, eerste lid: In bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen wordt een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist. Besluit ruimtelijke ordening Artikel 3.1.6, eerste lid: Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp hiervoor gaan vergezeld van een toelichting, waarin zijn neergelegd: f. de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan. Besluit omgevingsrecht Artikel 5.20: Voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet zijn de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing. Boswet Artikel 1, vierde lid, onderdeel a: De hierna volgende artikelen van deze wet zijn, behoudens het bepaalde in afdeling VII, niet van toepassing op: a. houtopstanden op erven en in tuinen; Artikel 2, eerste lid: Hij, die het voornemen heeft om tot vellen of doen vellen van houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, over te gaan, is verplicht van dat voornemen ten minste één maand doch niet langer dan één jaar tevoren door toezending van een formulier, dat als aangetekend stuk wordt verzonden, kennis te geven aan Onze Minister alsmede, zo hij niet de eigenaar is van de te ontbloten grond, ook aan deze laatste. Onze Minister stelt het model voor dit formulier vast. Onze Minister zendt onverwijld een bevestiging van de ontvangst van de kennisgeving. Artikel 2, derde lid: Het is verboden te vellen of te doen vellen, anders dan bij wijze van dunning, zonder dat een voorafgaande tijdige kennisgeving als bedoeld in het eerste lid is gedaan. Artikel 5, tweede lid: Het bepaalde bij de artikelen 2 en 3 vindt voorts geen toepassing ten aanzien van houtopstanden, welke een zelfstandige eenheid vormen, en hetzij geen grotere oppervlakte beslaan dan 10 are, hetzij ingeval van rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, niet meer bomen omvatten dan
- Artikel 15, eerste lid: De aan andere openbare lichamen toekomende bevoegdheden worden ten aanzien van de onderwerpen, waarin deze wet voorziet, slechts beperkt door hetgeen hierna uitdrukkelijk is bepaald. Artikel 15, tweede lid: De provinciale staten en de gemeenteraad zijn niet bevoegd regelen te stellen ter bewaring van: a. wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed. Artikel 15, derde lid: Voorts zijn de in het vorige lid bedoelde colleges niet bevoegd regelen te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden, welke niet gelegen zijn binnen een bebouwde kom als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, behoudens ter bewaring van houtopstanden als bedoeld in de artikelen 1, vierde lid, onderdeel a, en 5, tweede lid. Flora en faunawet Artikel 11: Het is verboden nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Artikel 75, derde lid: Onze Minister kan, voor zover niet overeenkomstig artikel 68 van deze wet door gedeputeerde staten ontheffing is of kan worden verleend, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 50, 51, 52, 53, 58, 59, tweede lid, 64, tweede lid, en 72, vijfde lid. Artikel 75b, eerste lid: Deze afdeling is van toepassing op handelingen: a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en b. die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan Onze Minister op grond van artikel 75, derde lid, bevoegd is ontheffing te verlenen. Artikel 75d, eerste lid: Een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, wordt niet verleend dan nadat Onze Minister heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Natuurbeschermingswet 1998 Artikel 16, eerste lid: Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten of, ten aanzien van handelingen als bedoeld in het zesde lid, van Onze Minister, in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren, dan wel in strijd met de bij een vergunning gestelde voorschriften of beperkingen handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen. Artikel 19d, eerste lid: Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten of, ten aanzien van projecten of andere handelingen als bedoeld in het vijfde lid, van Onze Minister, projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling, met uitzondering van de doelstellingen, bedoeld in artikel 10a, derde lid, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Zodanige projecten of andere handelingen zijn in ieder geval projecten of handelingen die de natuurlijke kenmerken van het desbetreffende gebied kunnen aantasten. Artikel 46, eerste lid: Deze titel is van toepassing op handelingen: a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en b. die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 16, eerste lid geldt. Artikel 46, tweede lid: Deze titel is niet van toepassing op handelingen die zijn toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd. Artikel 46b, eerste lid: Een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 46, eerste lid, wordt niet verleend dan nadat het bestuursorgaan dat ten aanzien van de betrokken handelingen bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 47, eerste lid: Deze titel is van toepassing op handelingen: a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en b. die tevens zijn aan te merken als projecten of andere handelingen waarvoor het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, geldt. Artikel 47, tweede lid: Deze titel is niet van toepassing op projecten of andere handelingen die zijn toegestaan krachtens een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, of waarvoor een zodanige vergunning is aangevraagd. Artikel 47b, eerste lid: Een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 47, eerste lid, wordt niet verleend dan nadat het bestuursorgaan dat ten aanzien van de betrokken handelingen bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Algemene plaatselijke verordening 2010 gemeente Utrecht Artikel 4:7, eerste lid: Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een handeling te verrichten als is beschreven in artikel 2.2, eerste lid onder g, van de Wabo. Artikel 4.7, tweede lid: Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft: a. wegbeplanting of eenrijige beplanting op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen, tenzij deze zijn geknot; b. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; c. fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaren, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; d. kweekgoed; e. houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig door het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is buiten de bebouwde kom, tenzij de houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die - ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan tien are - ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan twintig bomen, gerekend over het totale aantal rijen. Artikel 4:10, eerste lid: Het bevoegd gezag kan de vergunning weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van: a. ecologische waarde; b. ruimtelijke waarde; c. milieuwaarde; d. cultuurhistorische waarde. Bestemmingsplan "Haarzuilens" Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Haarzuilens" gelden voor het perceel de enkelbestemming "Sport - Golfbaan" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Cultuurhistorie", "Waarde - Archeologie" en "Waarde - Ecologie". Artikel 30.1 van de bestemmingsplanregels: De voor Waarde - Cultuurhistorie aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarde. Artikel 30.2: a. Een omgevingsvergunning is voor de volgende werken vereist:
- het verwijderen, aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden, en het aanbrengen van eventuele andere oppervlakteverhardingen (al dan niet tijdelijk);
- het ontginnen, afgraven, ophogen, opvullen of egaliseren van de bodem waaronder begrepen het ophogen met bagger- of grondspecie;
- het dempen van sloten;
- het vellen of rooien van houtopstanden of -gewassen, anders dan bij wijze van verzorging;
- het, al dan niet tijdelijk, opslaan en/of storten van bouw- en afvalmateriaal;
- het aanleggen van greens en tees;
- het aanleggen van bunkers, waterelementen en roughs. b. De omgevingsvergunningplicht als bedoeld in lid 30.2 onder a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
- betrekking hebben op het normaal onderhoud en beheer;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
- mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 30.2 onder a zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de met het beschermd stadsgezicht verbonden cultuurhistorische waarden. Artikel 31.1: De voor Waarde - Ecologie aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de aan het ecologische kerngebied en de ecologische verbindingszones verbonden ecologische waarden. Artikel 31.2: a. Een omgevingsvergunning is vereist voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
- het verwijderen, aanleggen of verharden van wegen, paden of parkeergelegenheden, en het aanbrengen van eventuele andere oppervlakteverhardingen (al dan niet tijdelijk);
- het aanbrengen van boven en/of ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;
- het ontginnen, verlagen, af- en uitgraven, ophogen, opvullen of egaliseren van de bodem waaronder begrepen het ophogen met bagger- of grondspecie;
- het vellen of rooien van houtopstanden of -gewassen, anders dan bij wijze van verzorging;
- het aanleggen van oeverbeschoeiingen, kaden of aanlegplaatsen;
- het, al dan niet tijdelijk, opslaan en/of storten van bouw- en afvalmateriaal;
- het verlagen of verhogen van de grondwaterstand;
- het permanent aanleggen van dammen of soortgelijke constructies, die de watergang beïnvloeden, in waterlopen.
- aan- of afvoer van grond en andere grondstoffen;
- het aanleggen van drainage en beregening;
- het aanleggen van greens en tees;
- het aanleggen van bunkers, waterelementen en roughs. b. De omgevingsvergunningplicht als bedoeld in lid 31.2 onder a. is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die:
- betrekking hebben op het normaal onderhoud en beheer;
- reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan;
- mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c. De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 31.2 onder a. zijn slechts toelaatbaar voor zover geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de ecologische- en natuurwaarden van de gronden.