(2008): 493 - met betrekking tot het aspect geluid een grootste afstand van 100 m. De locatie van het project ligt ook ruimschoots binnen deze cirkel. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat door medewerking te verlenen aan het project omliggende bedrijven "op slot gezet" worden en tevens de ruimtelijke mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt beperkt zouden worden waarmee afbreuk wordt aan het vestigingsklimaat op het bedrijventerrein. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het aspect ‘geluid’ betrokken dient te worden bij de belangenafweging en dat dit evenzeer geldt ten aanzien van de vraag of sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het college heeft ten aanzien van dit laatste verwezen naar een negatief advies van de stedenbouwkundige van 9 juni
- 3.
- Voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen in stand heeft gelaten, omdat het college de stelling dat het goede woon- en leefklimaat in de woning op het perceel niet is gewaarborgd uitsluitend heeft gerelateerd aan het ontbreken van buitenruimte en het beperken van toekomstige ontwikkelingen van bedrijven en de rechtbank die motivering niet deugdelijk vond, bestaat geen grond. Het college heeft in redelijkheid, onder verwijzing naar de richtafstanden uit de VNG-brochure, kunnen weigeren de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Het door [appellante sub 1] aangevoerde biedt geen grond voor een ander oordeel. In de VNG-brochure zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming teneinde hinder op de milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. In het geval van een nieuwe ontwikkeling zijn de richtafstanden uit de VNG-brochure een hulpmiddel om te bepalen of bedrijven daardoor worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden en, voor zover het om milieugevoelige functies als woningen gaat, of ter plaatse sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien heeft het college in het besluit van 2 december 2015 onder het kopje "Milieuzonering" niet alleen gewezen op het beperken van toekomstige ontwikkelingen van bedrijven, maar heeft het ook expliciet gewezen op een goed woon- en leefklimaat. [appellante sub 1] wordt dan ook niet gevolgd voor zover zij stelt dat de rechtbank een motivering aan het college heeft toegeschreven die het niet aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. De door [appellante sub 1] overgelegde notitie van SPA WNP gaat voorts uit van een gemengd gebied, waar hier geen sprake van is, nu het om een bedrijventerrein gaat, zodat aan die notitie reeds daarom niet die waarde toekomt die [appellante sub 1] daaraan gehecht wenst te zien. Het college heeft voorts kunnen aansluiten bij de richtafstanden uit de VNG-brochure, ook al worden die richtafstanden gemotiveerd toegepast. Voor zover [appellante sub 1] wijst op de feitelijke situatie op het perceel waar het touringcarbedrijf is gevestigd, is dit niet relevant. Bij de beoordeling van de vraag of ter plaatse van de voorziene woningen sprake is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dient uitgegaan te worden van hetgeen het bestemmingsplan in de omgeving toestaat. Dat bij tijdelijke omgevingsvergunningen niet aan de Wet geluidhinder wordt getoetst, brengt voorts niet met zich dat het aspect geluid geen rol meer speelt bij de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het college heeft zich onder verwijzing naar bedoelde richtafstanden op het standpunt gesteld dat daar in dit geval geen sprake van is en er is, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft mogen stellen. Voor zover [appellante sub 1] heeft gewezen op de vergunde woning op het perceel Pascalstraat 12, heeft het college voldoende gemotiveerd dat dit geen gelijk geval betreft, nu dat een bedrijfswoning betreft die in overeenstemming was met het destijds geldende bestemmingsplan. [appellante sub 1] wordt niet gevolgd in zijn stelling dat het niet om een bedrijfswoning gaat. Uit de voor die woning verleende omgevingsvergunning blijkt dat deze woning onderdeel uitmaakt van een uitbreiding van een bedrijfspand en in overeenstemming was met de ingevolge het destijds geldende bestemmingsplan op het perceel rustende bedrijfsbestemming, en ter zake uitsluitend omgevingsvergunning is verleend voor de activiteit bouwen. Het betoog faalt. Het hoger beroep van het college
- Bij de aangevallen uitspraak is het tegen het besluit van het college van 2 augustus 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, maar is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn standpunt, dat het project niet aanvaardbaar is omdat het de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast, onjuist is. Het college is evenwel niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de motivering van het college niet juist is voor zover het zich op het standpunt heeft gesteld dat enkel een dakterras als buitenruimte een onvoldoende woonklimaat biedt en het besluit van 2 augustus 2015 ook om die reden dient te worden vernietigd. Het hoger beroep van het college kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het college heeft voorts geen belang bij een antwoord op de vraag of de rechtbank op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Dat antwoord, hoe het ook luidt, leidt immers voor het college niet tot een ander resultaat dan het met de weigering omgevingsvergunning te verlenen heeft beoogd. Het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van het college dat het project niet aanvaardbaar is, omdat het de uitbreidingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantast onjuist is, bindt het college in een volgende zaak niet. Hieruit volgt dat het hoger beroep van het college niet-ontvankelijk is. Conclusie
- Het hoger beroep van [appellante sub 1] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep van het college niet-ontvankelijk; II. bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, griffier. w.g. Hoekstra w.g. Kos lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2018 580.