(4935). Zijn officiële naam is Yam Satya. Tijdens een controle bij [appellante] thuis werd Elvis 2 keer geteld. Een keer onder zijn roepnaam "Elvis" en een keer onder zijn officiële naam Yam Satya, maar het betreft dus 1 hond met tatouage 4935." Gelet hierop heeft [appellante] naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat in het controleverslag abusievelijk het tatoeagenummer 4985 is vermeld en dat ten aanzien van de honden die hierboven onder 1 en 2 zijn omschreven in feite sprake is van één hond met een formeel, geregistreerde naam en een roepnaam. Bij de controle is de desbetreffende hond dus dubbel geteld. Het betoog slaagt.
- Uit het vorenstaande volgt dat, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, het controleverslag niet juist is. Het aantal honden dat op het perceel is aangetroffen en dat is toe te rekenen aan [appellante] is
- Dat is volgens het college het maximum aantal honden dat op grond van het bestemmingsplan mag worden gehouden. Er bestond dus geen grondslag voor het opleggen van een last onder bestuursdwang.
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 13 juni 2016 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal het besluit van 8 februari 2016 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dat betekent dat het college niet opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 2016 behoeft te beslissen.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 februari 2017 in zaak nr. 16/4656; III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 13 juni 2016, kenmerk 29496/025-16; V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal van 8 februari 2016, kenmerk 2015HH0909; VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit; VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier. w.g. Helder w.g. Van der Maesen de Sombreff lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 april 2018 190-855.