201704283/1/A2. Datum uitspraak: 17 januari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, thans: de minister voor Medische Zorg, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 april 2017 in zaak nr. 16/9124 in het geding tussen: [wederpartij], wonend te [woonplaats] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 1 juni 2016 heeft de minister een aanvraag van [wederpartij] om een verklaring van vakbekwaamheid of erkenning van haar beroepskwalificatie en inschrijving in het BIG-register als psychotherapeut afgewezen. Bij besluit van 12 oktober 2016 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 april 2017 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 oktober 2016 vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat [wederpartij] een tweede vervolgcursus moet volgen en dat besluit voor het overige in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [wederpartij] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 november 2017, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. C.M. Molema en vergezeld door dr. L.R. Kooij, voorzitter van de Commissie Buitenslands Gediplomeerden Volksgezondheid (hierna: de CBGV), en [wederpartij], bijgestaan door mr. N.C. van Steijn, advocaat te Leiden, zijn verschenen. Overwegingen Aanleiding 1. [wederpartij] heeft op 14 oktober 2009 haar diploma van de opleiding psychologie behaald aan de Otto-Friedrich-Universität Bamberg in Duitsland. In de periode van 1 januari 2010 tot 7 april 2013 heeft zij de opleiding "Psychologische Psychotherapeuten, Schwerpunkt Verhaltenstherapie, gemäß PsychThG" gevolgd aan de Akademie für Verhaltenstherapie te Keulen in Duitsland. Op 15 april 2013 heeft [wederpartij] bij de Bezirksregierung Düsseldorf de "Zeugnis über die staatliche Prüfung für Psychologische Psychotherapeuten" (hierna: de Zeugnis), en op 18 juni 2013 bij de Bezirksregierung Köln de "Approbation als Psychologische Psychotherapeutin" behaald. Vanaf september 2013 tot mei 2015 heeft [wederpartij] een praktijk als "Psychologische Psychotherapeutin" gevoerd in Keulen. 2. [wederpartij] heeft op dit moment een coachingspraktijk in Nederland. Met de door haar aangevraagde verklaring van vakbekwaamheid of erkenning van haar beroepskwalificatie wil [wederpartij] bereiken dat zij wordt ingeschreven in het zogenoemde BIG-register, het register voor de beroepen in de individuele gezondheidszorg, als psychotherapeut, zodat zij in Nederland de beroepstitel van psychotherapeut mag voeren. 3. Het besluit van 1 juni 2016, gehandhaafd bij het besluit van 12 oktober 2016, tot afwijzing van de aanvraag van [wederpartij] is onder meer gebaseerd op het advies van de CBGV van 11 mei 2015 en het nadere advies van de CBGV van 16 maart 2016. De CBVG heeft de aanvraag getoetst aan het eindniveau van de Nederlandse opleiding. In het nadere advies heeft de CBGV geconcludeerd, voor zover hier van belang, dat [wederpartij] een vervolgcursus in één referentiekader heeft gevolgd, terwijl de Nederlandse opleidingsinstellingen het voorschrift van artikel 4, derde lid, van het Besluit psychotherapeut zo hebben ingevuld dat alle deelnemers een vervolgcursus in twee referentiekaders moeten volgen. Gelet op onder meer dit wezenlijke verschil dat niet is overbrugd door latere opleiding of scholing, praktijk- of beroepservaring, heeft de CBGV geadviseerd om de erkenning nog niet te verlenen, maar om [wederpartij] in de gelegenheid te stellen een proeve van bekwaamheid af te leggen of een aanpassingsstage te volgen onder verantwoordelijkheid van een in Nederland erkende en praktiserende stageverlener, die er volgens de CBGV als volgt uitziet: - gedurende één jaar twee dagen in de week werken in een GGZ-instelling of -praktijk; - tijdens de stage moet cursorisch onderwijs worden gevolgd: - 25 uur supervisie in één referentiekader (psychodynamisch of clientcentered); - theoretische inleiding psychodynamische en clientcentered; - toepassing in één referentiekader (psychodynamisch of clientcentered); - tevens moet zo mogelijk aandacht geschonken worden aan de resterende tekortkomingen (wezenlijke verschillen die niet zijn overbrugd). Het geschil 4. Partijen zijn verdeeld over de door [wederpartij] te volgen verdiepings- of vervolgcursus in twee referentiekaders. Volgens [wederpartij] heeft de CBGV artikel 4, derde lid, van het Besluit psychotherapeut onjuist toegepast, door uit te gaan van het eindniveau van de Nederlandse opleidingen, waarin alle deelnemers een vervolgcursus in twee referentiekaders moeten volgen, terwijl die bepaling dat laatste volgens [wederpartij] niet voorschrijft. Volgens [wederpartij] kan het besluit en het daarin neergelegde advies over de te volgen aanpassingsstage dan ook niet in stand blijven. Uitspraak van de rechtbank 5. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat [wederpartij] de tweede vervolgcursus moet volgen, en het besluit op bezwaar voor het overige in stand gelaten. Volgens de rechtbank slaagt het betoog van [wederpartij] dat de adviezen van de CBGV op een onjuiste toepassing van artikel 4, derde lid, van het Besluit psychotherapeut zijn gebaseerd, nu in die bepaling is vermeld dat ten minste één vervolgcursus moet worden gevolgd, zodat de minister deze adviezen niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit op bezwaar. Hoger beroep van de minister 6. De minister betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties (hierna: de Algemene wet) en de geschiedenis van totstandkoming daarvan (Kamerstukken II, 2006/07, 31 059, nr. 3) volgt, dat getoetst moet worden aan de opleiding zoals die in Nederland is vorm gegeven. De Algemene wet gaat uit van het curriculum zoals de Nederlandse opleidingsinstellingen dat hebben opgesteld. Deze instellingen hebben in hun curriculum een vervolgcursus in twee referentiekaders als eis gesteld. De minister baseert dit standpunt mede op het nadere advies van de CBGV van 20 juni 2017. Daarin is gesteld dat een aanvraag voor erkenning van de beroepskwalificaties moet worden beoordeeld op grond van de regelgeving die is neergelegd in Richtlijn 2005/36/EG (PB 2005, L 255/22; hierna: de Richtlijn) en de Algemene wet. Volgens de CBGV gaat die regelgeving uit van het curriculum zoals de Nederlandse opleidingsinstellingen dat hebben opgesteld en sindsdien voortdurend hebben geactualiseerd, met inachtneming van het Besluit psychotherapeut. Volgens het nadere advies en de verklaring ter zitting van de CBGV, zou het heel lastig zijn om een aanvraag voor een verklaring van vakbekwaamheid uitsluitend te toetsen aan de eisen van het Besluit psychotherapeut, omdat dit onvoldoende gedetailleerd en actueel is. Nu het Besluit psychotherapeut de ruimte geeft voor het stellen van meer opleidingseisen, en de opleidingsinstellingen in Nederland meer eisen van de deelnemers van de opleiding, dient de aanvrager aan het meerdere te voldoen om te kunnen worden ingeschreven in het BIG-register, aldus de verklaring van de CBGV ter zitting. Beoordeling 6.1. De voor deze zaak relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 6.2. Het beroep van psychotherapeut is een gereglementeerd beroep in de zin van artikel 1 van de Algemene wet. Dit betekent dat de toegang tot het beroep van psychotherapeut of de uitoefening van dat beroep, waaronder het voeren van een beroepstitel, bij of krachtens wet direct of indirect afhankelijk is gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties. Zoals volgt uit de geschiedenis van totstandkoming van deze wet (Kamerstukken II, 2006/07, 31 059, nr. 3, blz. 2) geldt voor gereglementeerde beroepen dat de toegang daartoe of uitoefening daarvan wettelijk is geregeld. Dat wil zeggen dat ze alleen mogen worden uitgeoefend als men een in regelgeving vastgelegde nationale kwalificatie heeft behaald, aldus voormelde geschiedenis. De minister beroept zich voor zijn standpunt op artikel 11 van de Algemene wet. In het eerste lid, aanhef en onder a, van dat artikel is bepaald dat de minister kan eisen dat de migrerende beroepsbeoefenaar een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar doorloopt of een proeve van bekwaamheid aflegt, indien de door de migrerende beroepsbeoefenaar gevolgde opleiding betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van de vakken die worden bestreken door de in Nederland vereiste opleiding. Dit artikel betreft een implementatie van artikel 14, eerste lid, van de Richtlijn. Op grond van artikel 26, eerste lid, van de Wet BIG wordt, om in het desbetreffende register als psychotherapeut te kunnen worden ingeschreven, het bezit van een getuigschrift vereist waaruit blijkt dat de betrokkene voldoet aan de daartoe bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen. Het Besluit psychotherapeut (Stb. 1998, 155) is deze algemene maatregel van bestuur. Het behelst de vakken die worden bestreken door de in Nederland vereiste opleiding bedoeld in artikel 11, aanhef en onder a, van de Algemene wet voor het in Nederland gereglementeerde beroep van psychotherapeut. Op grond van artikel 4, derde lid, van het Besluit psychotherapie bestaat de opleiding tot psychotherapeut mede uit ten minste één vervolgcursus over de toepassing van behandelingsmethoden in een door de aspirant-psychotherapeut te kiezen psychotherapeutisch referentiekader. De rechtbank heeft terecht uit de woorden ‘ten minste’ afgeleid dat kan worden volstaan met één vervolgcursus in voornoemde zin. Voor zover de Nederlandse opleidingsinstellingen ervoor hebben gekozen het curriculum van hun opleidingen zo vorm te geven dat alle deelnemers een vervolgcursus in twee referentiekaders volgen, betekent dit niet dat dit deel uitmaakt van de bij algemene maatregel van bestuur gestelde opleidingseisen in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet BIG, om in het desbetreffende register als psychotherapeut te kunnen worden ingeschreven. Voor zover de algemene maatregel van bestuur, hier het Besluit psychotherapeut, onvoldoende gedetailleerd en niet actueel is, zoals de CBGV stelt, is het aan de regelgever om het aan te passen. Die omstandigheid en de door de minister ter zitting gestelde omstandigheid dat het Besluit psychotherapeut minimumeisen bevat, brengen niet met zich dat de CBGV de aanvraag van [wederpartij] moest toetsen aan de door de opleidingsinstellingen gestelde opleidingseisen. Laatstgenoemde eisen zijn immers niet bij algemene maatregel van bestuur gesteld. Daarbij komt dat ook in feitelijk opzicht twijfel is gerezen over de stelling van de CBGV dat alle opleidingsinstellingen hiervoor hebben gekozen. [wederpartij] heeft deze stelling gemotiveerd betwist onder verwijzing naar de Onderwijs- en examenregeling van de vereniging Logo, een landelijk overleg waarin de zeven stichtingen zijn verenigd die verantwoordelijk zijn voor de postacademische opleidingen die leiden tot registratie in het BIG-register, waaronder de registratie als psychotherapeut. Uit deze regeling kan niet worden afgeleid dat alle opleidingsinstellingen hebben gekozen voor een vervolgcursus in twee referentiekaders. Ook de geschiedenis van totstandkoming van artikel 11 van de Algemene wet waarnaar de minister verwijst, biedt geen aanknopingspunten om tot het oordeel te komen dat de opleidingseisen van de opleidingsinstellingen de toetssteen zijn voor de besluitvorming op de aanvraag van [wederpartij]. De rechtbank heeft derhalve terecht het besluit van 12 oktober 2016 vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat [wederpartij] een tweede vervolgcursus moet volgen. Het betoog faalt. Conclusie 7. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd. 8. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen; II. veroordeelt de minister voor Medische Zorg tot vergoeding van bij [wederpartij] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.002,00 (zegge: duizendtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van de minister voor Medische Zorg een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier. w.g. Hagen w.g. De Vlieger-Mandour voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2018 615. BIJLAGE Richtlijn 2005/36/EG Artikel 4. Gevolgen van de erkenning 1. Erkenning van de beroepskwalificaties door de ontvangende lidstaat geeft de begunstigden in deze lidstaat toegang tot hetzelfde beroep als dat waarvoor zij in de lidstaat van oorsprong de kwalificaties bezitten en stelt hen in staat dit beroep uit te oefenen onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen van de ontvangende lidstaat gelden. Artikel 14. Compenserende maatregelen 1. Artikel 13 belet niet dat de ontvangende lidstaat in een van de volgende gevallen van de aanvrager verlangt dat hij een aanpassingsstage van ten hoogste drie jaar doorloopt of een proeve van bekwaamheid aflegt:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.