(2017)gewijzigd met het oogmerk de laddertoets te vereenvoudigen zonder dat het instrument aan effectiviteit inboet. Met deze wijzigingen is derhalve niet beoogd het doel van de regeling te wijzigen. 4.
- De voorzieningenrechter overweegt dat PGZ de overschrijding van het maximum aantal woningen dat op grond van regionale afspraken gerealiseerd mag worden - en daarmee haar betoog dat onvoldoende is gemotiveerd dat aan de voorziene appartementen behoefte bestaat - heeft afgeleid uit een overzicht dat behoort bij de gemeentelijke Woonvisie. Dit overzicht heeft, zo heeft de raad ter zitting toegelicht, betrekking op zowel de zogenoemde harde als de zachte plancapaciteit. Ook potentiële ontwikkellocaties waarvoor nog een afweging moet worden gemaakt - de zogenoemde zachte plancapaciteit - vallen hieronder. De gemaakte regionale afspraken hebben alleen betrekking op de harde plancapaciteit. Het door PGZ bedoelde overzicht heeft betrekking op 935 woningen, waarvan 32% tot de harde plancapaciteit behoort. Het maximum van 755 wooneenheden wordt derhalve niet overschreden, ook niet als er rekening mee wordt gehouden dat de 19 appartementen door het nemen van het bestreden besluit tot de harde plancapaciteit zijn gaan behoren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is, gelet op het door de raad gestelde, niet aannemelijk dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met de bestaande regionale afspraken. Ook ziet de voorzieningenrechter in hetgeen PGZ overigens naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat er een behoefte aan de woonappartementen bestaat.
- De voorzieningenrechter overweegt verder dat het plan geen betrekking heeft op gronden of gebouwen of andere objecten waarvoor een gemeentelijke of rijksmonumentale status geldt. Evenmin is sprake van een beschermd stads- of dorpsgezicht. In de plantoelichting is, anders dan PGZ betoogt, beschreven op welke wijze rekening is gehouden met de in de omgeving aanwezige cultuurhistorische en monumentale waarden. Ook is, in tegenstelling tot hetgeen PGZ heeft betoogd, bij de advisering door de Welstandscommissie aandacht besteed aan de monumentale en cultuurhistorische waarden in de omgeving van het plangebied en de omstandigheid dat sprake is van een omgeving die in de gemeentelijke welstandsnota is aangewezen als "niveau 1". Voor zover PGZ inhoudelijke bezwaren heeft tegen het uitgebrachte welstandsadvies kan zij die inbrengen indien een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd. Ook in het anderszins door PGZ in dit verband betoogde ziet de voorzieningenrechter - behoudens hetgeen hierna nog wordt overwogen over de gevolgen van het plan voor de grondwaterstand - geen grond voor het oordeel dat de raad onvoldoende aandacht heeft gehad voor de gevolgen van het plan voor de in de omgeving aanwezige monumentale en andere cultuurhistorische waarden.
- In het door PGZ gestelde ziet de voorzieningenrechter voorts geen grond voor het oordeel dat het betreden besluit in strijd met het gemeentelijk en/of provinciaal planologisch beleid moet worden geacht. Het betoog dat in de gemeentelijke "Structuurvisie 2009, deelgebied 2, de Pit" is vastgelegd dat het Van Goghplein een groene uitstraling moet krijgen wordt niet gevolgd nu het plan geen betrekking heeft op gronden die behoren tot dat plein. Het plan staat ook anderszins niet in de weg aan een groene inrichting van het Van Goghplein.
- Over hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd omtrent de mogelijke gevolgen van de verwezenlijking van het plan voor de grondwaterstand voor de begraafplaats en de daarop aanwezige monumentale bomen - zowel tijdens als na de bouw van de appartementen en de parkeerkelder - overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het college van burgemeester en wethouders heeft op 24 oktober 2017 in antwoord op raadsvragen gesteld dat in dit specifieke geval geohydrologisch onderzoek noodzakelijk is, waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat graven en bomen moeten worden veiliggesteld. Niet in geschil is dat bedoeld onderzoek nodig is en nog niet heeft plaatsgevonden. Weliswaar is aangegeven dat nader onderzoek als voorwaarde zal worden gesteld bij de aan te vragen omgevingsvergunning voor bouwen, maar dat laat onverlet dat bij de vaststelling van het plan zicht moet bestaan op de mogelijke gevolgen van het plan voor de eigendommen van PGZ. Bovendien bestaat door het ontbreken van onderzoek geen zicht op het antwoord op de vraag of het plan kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter merkt ten overvloede op dat, mochten de uitkomsten van nader onderzoek daartoe aanleiding geven, het partijen vrijstaat om naar aanleiding van de resultaten van dat nadere onderzoek een verzoek tot opheffing van de schorsing te vragen.
- De raad van de gemeente Zundert dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Zundert van 31 oktober 2017, waarbij het bestemmingsplan "De Tantes van Van Gogh te Zundert" is vastgesteld; II. veroordeelt de raad van de gemeente Zundert tot vergoeding van bij de Protestantse Gemeente van Zundert in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 34,57 (zegge: vierendertig euro en zevenenvijftig cent); III. gelast dat de raad van de gemeente Zundert aan de Protestantse Gemeente van Zundert het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, griffier. w.g. Kranenburg w.g. Matulewicz voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2018 45.