201607636/1/R
- Datum uitspraak: 17 januari 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 3], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],
- het college van burgemeester en wethouders van Korendijk,
- het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard,
- [appellant sub 8], wonend te [woonplaats], en anderen,
- Stichting tegen windturbines aan het Spui, gevestigd te Korendijk, en anderen (hierna: de stichting en anderen),
- [appellant sub 10], wonend te [woonplaats], en anderen,
- [appellant sub 11A] en [appellante sub 11B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 11]), beiden wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 12], wonend te [woonplaats], en
- provinciale staten van Zuid-Holland,
- het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
- het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft het college van dijkgraaf en heemraden aan [vergunninghoudster] een watervergunning verleend voor het uitvoeren van handelingen in een waterstaatswerk of beschermingszone waarvoor krachtens de Keur waterschap Hollandse Delta 2014 (hierna: Keur) vergunning is vereist. Bij besluit van 14 september 2016 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Windpark Spui" vastgesteld. Bij besluit van 14 september 2016 heeft het college van gedeputeerde staten aan [vergunninghoudster] een omgevingsvergunning verleend voor de oprichting van windpark Spui. Voorts heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 14 september 2016 aan [vergunninghoudster] een wegenvergunning verleend voor het uitvoeren van handelingen in een weg(berm) waarvoor krachtens de Keur vergunning is vereist. Tegen één of meer van deze besluiten hebben appellanten beroep ingesteld. Provinciale staten en het college van gedeputeerde staten hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend. Het college van dijkgraaf en heemraden heeft medegedeeld de water-gerelateerde onderwerpen in dit verweer te onderschrijven. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2017, waar een aantal appellanten is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen. Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. J. Hiemstra, advocaat te Delft, als partij gehoord. Overwegingen INLEIDING
- De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van artikel 3.33 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).
- De bestreden besluiten maken de oprichting van windpark Spui met bijbehorende voorzieningen mogelijk. Het windpark ligt aan de rivier het Spui in de gemeente Korendijk in de polders tussen Piershil en Nieuw-Beijerland. Het windpark grenst aan de gemeente Nissewaard en bestaat uit vijf windturbines met een minimale bouwhoogte van 100 m en een maximale bouwhoogte van 140 m; in de plantoelichting ook wel de minimale en maximale ashoogte genoemd. De rotordiameter van de windturbines bedraagt tenminste 112 m en ten hoogste 136 m. In de plantoelichting is vermeld dat gelet op deze afmetingen de windturbines een tiphoogte hebben van minimaal 156 m en maximaal 208 m. Het opgesteld vermogen ligt volgens de plantoelichting naar verwachting tussen de 15 en 21 MW. [vergunninghoudster] is de initiatiefneemster van het project en de beoogde exploitant van het windpark. Met het plan wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de tussen de provincie Zuid-Holland en het rijk afgesproken doelstelling om voor de opwekking van duurzame energie minimaal 735,5 MW aan windenergie in de provincie te hebben gerealiseerd in
- OPZET UITSPRAAK
- Na de vermelding van de beroepsgronden van appellanten en de standpunten van verweerders die ter zitting zijn ingetrokken, zal de Afdeling eerst de beroepsgronden bespreken die zijn gericht tegen het inpassingsplan. Deze beroepsgronden zijn verdeeld in procedurele en inhoudelijke beroepsgronden. De Afdeling zal na bespreking van de procedurele beroepsgronden (overwegingen 5 tot en met 13), ingaan op de inhoudelijke beroepsgronden waarbij de volgende onderwerpen aan de orde komen: - nut en noodzaak van windenergie (overweging 15), - locatiekeuze (overwegingen 16 tot en met 21), - aantal windturbines en bandbreedte in de situering en maatvoering van de windturbines (overwegingen 22 tot en met 24), - geluid (overwegingen 25 tot en met 41), - afstand van windturbines tot woningen (overweging 42), - slagschaduw en schittering (overwegingen 43 tot en met 45), - gezondheid (overweging 46), - veiligheid (overwegingen 47 tot en met 51), - uitvoerbaarheid (overwegingen 52 tot en met 59), - anterieure overeenkomst, waardedaling en participatieplan (overwegingen 60 tot en met 64), - overige beroepsgronden van [appellant sub 10] en anderen (overwegingen 65 en 66). Na de bespreking van de beroepsgronden die zijn gericht tegen het inpassingsplan, zal de Afdeling de beroepsgronden bespreken die specifiek zijn gericht tegen de verleende vergunningen (overwegingen 67 tot en met 73). Aan het einde van de uitspraak volgt de conclusie (overwegingen 75 tot en met 79).
- De regelgeving die relevant is voor deze uitspraak is opgenomen in de bijlage. Het betreft telkens de regelgeving geldend ten tijde van de bestreden besluiten. INTREKKINGEN TER ZITTING
- De stichting en anderen hebben hun beroepsgrond over de terinzagelegging van het concept van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau dat in het kader van het milieueffectrapport (hierna: MER) is opgesteld ter zitting ingetrokken. Voorts hebben [appellant sub 10] en anderen ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat zij zich op basis van hetgeen ter zitting is toegelicht voldoende geïnformeerd achten over de aan de StAB gegeven onderzoeksopdracht en dat de stelling dat hun beroepschrift had moeten worden betrokken bij de opstelling van het deskundigenbericht, in de uitspraak geen inhoudelijke bespreking behoeft. Verder hebben [appellant sub 10] en anderen ter zitting desgevraagd medegedeeld hun beroepsgrond over de situering van de windturbines binnen het zogenoemde zoekgebied voor windturbines in te trekken. Tot slot hebben provinciale staten en het college van gedeputeerde staten ter zitting medegedeeld dat zij de in het verweerschrift gemaakte opmerkingen over de ontvankelijkheid van de beroepen van de stichting en anderen en [appellant sub 12] intrekken. INPASSINGSPLAN Procedureel Bevoegdheid vaststelling provinciaal inpassingsplan
- [appellant sub 1], de colleges van burgemeester en wethouders van Korendijk en Nissewaard, [appellant sub 8] en anderen en de stichting en anderen stellen de bevoegdheid van provinciale staten om in dit geval een inpassingsplan vast te stellen ter discussie. Het standpunt van provinciale staten dat de gemeente Korendijk een aanvraag van [vergunninghoudster] om voor windpark Spui een bestemmingsplan vast te stellen heeft afgewezen en dat daarom op de voet van artikel 9e, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998 (hierna: Elektriciteitswet) de verplichting bestaat toepassing te geven aan de bevoegdheid om voor dit windpark een inpassingsplan vast te stellen, is volgens hen onjuist. Zij voeren daartoe aan dat de gemeente Korendijk niet heeft geweigerd medewerking te verlenen aan de realisatie van windenergie in haar gemeente. Het college van burgemeester en wethouders van Korendijk stelt in dit verband eerst een zorgvuldige afweging te willen maken tussen alternatieve locaties voor de realisatie van windenergie in de gemeente alvorens mogelijk medewerking te verlenen aan de realisatie van windturbines aan het Spui. Het besluit van provinciale staten om desondanks voor windpark Spui een inpassingsplan vast te stellen doet volgens het college van burgmeester en wethouders van Korendijk niet alleen afbreuk aan de samenwerking met de provincie, maar heeft ook tot gevolg dat het onderzoek naar een andere geschikte locatie voor windturbines in de gemeente Korendijk wordt doorkruist zonder dat de besluitvorming hiermee daadwerkelijk wordt versneld. 5.
- In artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet is bepaald dat provinciale staten bevoegd zijn een inpassingsplan vast te stellen voor de aanleg of uitbreiding van een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie met een capaciteit van ten minste 5 maar niet meer dan 100 MW. Gelet hierop zijn provinciale staten bevoegd voor windpark Spui - waarvan de capaciteit tussen de 15 en 21 MW ligt - een inpassingsplan vast te stellen. Voor de toepassing van deze bevoegdheid is niet vereist dat tevens wordt voldaan aan de in het tweede lid van artikel 9e van de Elektriciteitswet vermelde omstandigheid, inhoudende dat de betrokken gemeente een aanvraag van de producent tot vaststelling dan wel wijziging van een bestemmingsplan ten behoeve van de realisatie van het windpark heeft afgewezen. De colleges van burgemeester en wethouders van Korendijk en Nissewaard en de stichting en anderen hebben dit desgevraagd ter zitting ook onderkend. De vraag of [vergunninghoudster] bij de gemeente Korendijk een aanvraag heeft ingediend voor de realisatie van windpark Spui en, zo ja, of deze aanvraag is afgewezen, laat de Afdeling bij de beoordeling van het bevoegdheidsvraagstuk daarom buiten inhoudelijke bespreking. 5.
- Het betoog dat met de vaststelling van het inpassingsplan het onderzoek naar alternatieve locaties voor windturbines in de gemeente Korendijk wordt doorkruist, kan evenmin leiden tot het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid gebruik hebben kunnen maken van hun bevoegdheid een inpassingsplan vast te stellen. Daartoe overweegt de Afdeling dat blijkens het vermelde in paragraaf 4.2 van de plantoelichting de locatie aan het Spui meer dan tien jaar in diverse provinciale beleidsstukken is opgenomen als gewenste locatie voor de realisatie van windenergie. In de zienswijzennota alsmede in de bijlage bij de brief van [vergunninghoudster] aan het college van gedeputeerde staten van 6 juni 2014 is vermeld dat [vergunninghoudster] reeds in 2008 bij de gemeente Korendijk een verzoek om vrijstelling van het destijds geldende bestemmingplan heeft ingediend om de realisatie van windturbines aan het Spui mogelijk te maken. Dit verzoek heeft de raad van de gemeente Korendijk afgewezen vanwege de wens om onderzoek te doen naar alternatieve locaties voor windturbines. Uit de verschillende stukken die provinciale staten en het college van burgemeester en wethouders van Korendijk hebben overgelegd, kan worden opgemaakt dat nadien tussen hen en [vergunninghoudster] veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden over de realisatie van windturbines in de gemeente Korendijk. Uit deze stukken blijkt niet dat het college van burgemeester en wethouders dan wel de raad van de gemeente Korendijk een concrete geschikte alternatieve locatie naar voren heeft gebracht voor de realisatie van windturbines in de gemeente. Ook uit de in opdracht van de gemeente Korendijk opgestelde brede-MER, waarin onderzoek is gedaan naar mogelijke alternatieve locaties, en de daarover gehouden raadsvergadering op 17 maart 2015 blijkt niet dat binnen de gemeente Korendijk een eenduidige visie bestond over een geschikte alternatieve locatie voor windenergie. Het besluit van provinciale staten om gelet op de langdurige voorgeschiedenis en de met het rijk afgesproken doelstelling om in 2020 minimaal 735,5 MW aan windenergie in de provincie te hebben gerealiseerd, het verdere onderzoek van de gemeente Korendijk naar mogelijke alternatieve locaties voor windenergie niet af te wachten en over te gaan tot de vaststelling van een inpassingsplan acht de Afdeling in de gegeven omstandigheden niet onredelijk. 5.
- De betogen falen.
- De stichting en anderen hebben ter onderbouwing van hun betoog dat provinciale staten in dit geval niet bevoegd zijn een inpassingsplan vast te stellen, verwezen naar de realisatiestrategie die is opgenomen in het provinciale beleid dat is neergelegd in het Programma ruimte. De realisatiestrategie houdt volgens de stichting en anderen in dat provinciale staten geen gebruik maken van hun bevoegdheid om ten behoeve van de realisatie van windturbines een inpassingsplan vast te stellen, indien de desbetreffende gemeente bereid is medewerking te verlenen aan de realisatie van windenergie in haar gemeente en hiervoor zelf de benodigde ruimtelijke besluiten wil nemen. Omdat de gemeente Korendijk niet onwelwillend tegenover de realisatie van windenergie in haar gemeente staat, hebben provinciale staten met de keuze om voor windpark Spui een inpassingsplan vast te stellen in strijd gehandeld met de realisatiestrategie, aldus de stichting en anderen. 6.
- In het ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan geldende Programma ruimte is bij het onderwerp windenergie op land een realisatiestrategie vermeld. Deze realisatiestrategie houdt in dat de provincie overeenkomsten zal sluiten met gemeenten die willen meewerken aan de realisatie van de locaties voor windenergie en zelf de ruimtelijke inpassing en vergunningverlening van de locaties willen regelen. In dat geval zal de provincie geen gebruik maken van de bevoegdheid tot coördinatie en besluitvorming omtrent de omgevingsvergunning en eventuele andere benodigde vergunningen die zij op basis van de Elektriciteitswet heeft, aldus het Programma ruimte. Met de locaties voor windenergie wordt gedoeld op de locaties die daartoe zijn aangewezen op ‘Kaart 10 Windenergie’ bij de door provinciale staten vastgestelde Verordening ruimte 2014 (hierna: Verordening ruimte). Hiertoe behoort onder meer de locatie aan het Spui. Verder is in het Programma ruimte vermeld dat de provincie de lijn hanteert dat op 31 december 2015 de besluitvorming voor de desbetreffende locatie(s) windenergie bij de gemeente zo ver gevorderd moet zijn, dat het ontwerpbestemmingsplan voor de realisatie van de windturbines ter inzage ligt of reeds heeft gelegen dan wel op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een omgevingsvergunning voor het realiseren van de windturbines is verleend. Mocht de gemeente op 31 december 2015 niet hieraan kunnen voldoen, dan zal de provincie de bevoegdheid voor de omgevingsvergunning en ruimtelijke inpassing zelf uitvoeren, aldus het Programma ruimte. 6.
- Blijkens hetgeen hiervoor onder 5.2 is overwogen, was op 31 december 2015 de besluitvorming in de gemeente Korendijk over de realisatie van windenergie in de gemeente niet zo ver gevorderd als op grond van het Programma ruimte is vereist. Reeds om die reden acht de Afdeling het besluit van provinciale staten om een inpassingsplan vast te stellen dat de realisatie van windpark Spui mogelijk maakt, niet in strijd met de realisatiestrategie. Daarbij merkt de Afdeling op dat het standpunt van de stichting en anderen dat de realisatiestrategie ertoe noopt dat de gemeente Korendijk, die naar eigen zeggen niet onwelwillend tegenover de realisatie van windenergie in haar gemeente staat, het ingezette onderzoek naar alternatieve locaties voor windturbines in de gemeente kan afronden alvorens provinciale staten gebruik mogen maken van hun bevoegdheid een inpassingsplan vast te stellen, niet volgt uit hetgeen in het Programma ruimte over de realisatiestrategie is vermeld. Het betoog faalt. Participatie
- [appellant sub 1], [appellant sub 3] het college van burgemeester en wethouders van Korendijk, de stichting en anderen en [appellant sub 12] betogen dat de mogelijkheden voor overleg en participatie die voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan zijn geboden niet toereikend zijn geweest. De stichting en anderen voeren daartoe aan dat het bieden van reële vormen van participatie, zoals volgens hen is vereist in het Verdrag van Aarhus, betekent dat niet uitsluitend wordt kennis genomen van de inspraakreacties, maar dat deze reacties ook daadwerkelijk doorwerken in de besluitvorming. Zij wijzen in dit verband op de grote betekenis die volgens hen wordt toegekend aan de participatie van omwonenden bij windenergieproject in onder meer de gedragscode van de Nederlandse WindEnergie Associatie en de door [vergunninghoudster] en de provincie gesloten anterieure overeenkomst. Doordat de ingekomen inspraakreacties in materiële zin te weinig bij de besluitvorming zijn betrokken, is het inpassingsplan volgens de stichting en anderen in strijd met het Verdrag van Aarhus vastgesteld. Zij wijzen er daarbij op dat de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (hierna: NLVOW) bij de Europese Economische Commissie van de Verenigde Naties een verzoekschrift heeft ingediend waarin de NLVOW stelt dat in Nederland bij de ontwikkeling van windenergieparken het Verdrag van Aarhus wordt geschonden. Dit had voor provinciale staten aanleiding moeten vormen om zonder het bieden van reële vormen van inspraak de planvorming voor windpark Spui niet af te ronden, aldus de stichting en anderen. Dat de mogelijkheden voor overleg en participatie niet toereikend zijn geweest, blijkt volgens [appellant sub 12] tevens uit de omstandigheid dat de initiatiefneemster van het plan geen contact heeft gezocht met omwonenden over de realisatie van windpark Spui. 7.
- Aan het Nederlandse energiebeleid ligt een samenstel van plannen, convenanten en akkoorden ten grondslag die in ontwerp voor inspraak ter inzage zijn gelegd, waaronder op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur & Ruimte en de Structuurvisie Windenergie op land en op provinciaal niveau in dit geval onder meer de provinciale structuurvisie "Visie Ruimte en Mobiliteit" en de Verordening ruimte. Deze stukken bevatten een beleidsstrategie voor de ontwikkeling van windenergie waarbij kansrijke gebieden voor de realisatie van windturbines zijn aangewezen. Bij de start van de concrete planvorming voor een windpark aan het Spui is in 2015 het concept van de notitie Reikwijdte en Detailniveau, dat onderdeel is van de voorbereiding van het op te stellen MER, voor inspraak ter inzage gelegd. Vervolgens zijn in 2016 de ontwerpbesluiten voor windpark Spui, het MER en de daarbij behorende stukken ter inzage gelegd. De ingekomen inspraakreacties en zienswijzen zijn voorzien van een inhoudelijke reactie in de nota "Advies Reikwijdte en Detailniveau; MER Windturbinepark Spui" van juni 2015 en de "Nota van Beantwoording zienswijzen Windpark Spui" van 23 augustus
- In deze inspraak- en zienswijzennota’s is inhoudelijk gereageerd op de in de ingekomen reacties aan de orde gestelde onderwerpen over onder meer het nut en de noodzaak van windenergie, de locatie- en inrichtingsalternatieven alsmede de effecten van een windpark op het woon- en leefklimaat en het landschap. Blijkens het vermelde in de inspraak- en zienswijzennota’s van juni 2015 en augustus 2016 zijn de ingekomen reacties inhoudelijk in de besluitvorming meegewogen. De stichting en anderen hebben niet onderbouwd op welke concrete punten in de inspraak- en zienswijzennota’s niet adequaat is ingegaan op de inspraakreacties en zienswijzen die zij naar voren hebben gebracht. De Afdeling ziet gelet hierop in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat bij de planvorming voor windpark Spui reële vormen voor participatie niet zijn geboden. Daarbij tekent de Afdeling aan dat de omstandigheid dat blijkens het bepaalde in onder meer het Verdrag van Aarhus bij de besluitvorming terdege rekening dient te worden met de resultaten van inspraak, niet betekent dat het laatste woord over een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling bij de lokale gemeenschap berust. Het is aan het bevoegd gezag om de ingekomen inspraakreacties af te wegen en te beoordelen of hierin aanleiding wordt gezien voor een aanpassing van het plan. 7.
- In de niet gespecificeerde verwijzing van de stichting en anderen naar het verzoekschrift van de NLVOW ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Daartoe acht de Afdeling redengevend dat het verzoekschrift niet specifiek betrekking heeft op windpark Spui en de wijze waarop bij de planvorming voor dit windpark de ingekomen inspraakreacties inhoudelijk in de besluitvorming zijn meegewogen. 7.
- Het betoog van [appellant sub 12] dat geen dan wel onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden tussen [vergunninghoudster] en omwonenden, slaagt niet. Reeds omdat voor een private partij die bij een bestuursorgaan een verzoek heeft ingediend om medewerking te verlenen aan de realisatie van een ruimtelijke ontwikkeling, geen wettelijke verplichting bestaat omwonenden hierover in kennis te stellen en met hen in overleg te treden. 7.
- De betogen falen. Draagvlak
- [appellant sub 3], het college van burgemeester en wethouders van Korendijk, de stichting en anderen en [appellant sub 12] betogen dat onder de bevolking geen draagvlak bestaat voor de realisatie van windturbines aan het Spui. Het ontbreken van draagvlak had volgens hen voor provinciale staten aanleiding moeten vormen niet tot vaststelling van het inpassingsplan over te gaan. 8.
- In de zienswijzennota is vermeld dat uit de ontvangen zienswijzen, eerdere inspraakreacties en het locatieonderzoek van de gemeente Korendijk blijkt dat niet een locatie in de gemeente Korendijk kan rekenen op unaniem draagvlak voor de realisatie van windturbines. Alle locaties kennen hun eigen voor- en tegenstanders, aldus de zienswijzennota. Provinciale staten stellen dat het ontbreken van draagvlak op zichzelf echter niet betekent dat het vastgestelde inpassingsplan niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling acht dit standpunt juist en wijst onder meer op haar uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, betreffende het windpark Wieringermeer. In deze uitspraak is geoordeeld dat het ontbreken van draagvlak, omdat de lusten en lasten van het windpark ongelijk zijn verdeeld, op zichzelf niet betekent dat het bestreden plan juridisch niet houdbaar is. Het betoog faalt. Partijdigheid, vooringenomenheid en onafhankelijkheid
- De stichting en anderen wijzen erop dat een bestuursorgaan een besluit dient te nemen zonder schijn van partijdigheid en vooringenomenheid, zoals onder meer is neergelegd in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Volgens hen wordt aan deze vereisten in dit geval niet voldaan. Zij voeren daartoe aan dat provinciale staten zich bij de vaststelling van het inpassingsplan hebben laten adviseren door adviesbureau Bosch & Van Rijn, welk bureau ook de adviseur is van initiatiefneemster [vergunninghoudster] Dit heeft tot gevolg dat [vergunninghoudster] rechtstreeks invloed kon uitoefenen op de besluitvorming, aldus de stichting en anderen. [appellant sub 3] en [appellant sub 12] uiten daarnaast twijfels over de onafhankelijkheid van provinciale staten. Volgens hen is bij de planvorming voor windpark Spui sprake geweest van een te nauwe samenwerking tussen de provincie en [vergunninghoudster] 9.
- De enkele omstandigheid dat provinciale staten zich bij de vaststelling van het inpassingsplan hebben laten adviseren door Bosch & Van Rijn, welk adviesbureau ook werkzaamheden verricht voor [vergunninghoudster], is op zichzelf onvoldoende voor twijfel aan de onpartijdigheid en mogelijke vooringenomenheid van provinciale staten. Dit geldt eveneens voor de door [appellant sub 3] en [appellant sub 12] vermelde omstandigheid dat provinciale staten en initiatiefneemster [vergunninghoudster] in de fase voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan gezamenlijk onderbouwingen hebben opgesteld voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van windpark Spui en voorts gezamenlijk onder meer een participatietraject zijn gestart om het maatschappelijk draagvlak te vergroten. Daartoe overweegt de Afdeling dat bij een samenwerking tussen het bestuursorgaan en de initiatiefnemer dan wel de adviseur van initiatiefnemer, die eenzelfde ontwikkeling voorstaan, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat ieder van hen zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt. Aanknopingspunten voor het oordeel dat deze verantwoordelijkheid in dit geval is miskend, ziet de Afdeling niet. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat behoudens de vermelding dat van nauwe samenwerking sprake is geweest, geen expliciete concrete gegevens in de beroepschriften en nadere stukken naar voren zijn gebracht om te kunnen spreken van partijdigheid of vooringenomenheid van het bestuursorgaan. De Afdeling tekent hierbij nog aan dat voor zover twijfels zijn geuit over de juistheid van de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende gegevens, dit hierna aan de orde komt bij de inhoudelijke overwegingen. 9.
- De betogen falen. Toezending zienswijzennota en wijze van beantwoording van zienswijzen
- [appellant sub 12] betoogt dat alle personen die mede-indiener zijn van een over het ontwerpinpassingsplan naar voren gebrachte zienswijze persoonlijk in kennis hadden moeten worden gesteld van het vastgestelde inpassingsplan. 10.
- Van het voor windpark Spui vastgestelde inpassingsplan is kennisgegeven in onder meer de Staatscourant van 21 september 2016, nr. 50311, en verschillende huis-aan-huisbladen. Als gevolg van deze kennisgevingen is het vaststellingsbesluit in werking getreden. De vraag of zich mogelijk gebreken hebben voorgedaan bij de toezending van een exemplaar van het bestreden besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht, laat de Afdeling in deze uitspraak buiten inhoudelijke bespreking. Bij dergelijke mogelijke gebreken gaat het om onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit. Omdat zij dateren van na het vaststellen van het bestreden besluit, kunnen zij de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten en kunnen zij dus geen grond vormen voor vernietiging van het bestreden besluit.
- [appellant sub 12] wijst er voorts op dat in de zienswijzennota de ingekomen zienswijzen zijn samengevat, maar dat geen kopie van alle originele naar voren gebrachte zienswijzen voor een ieder beschikbaar is. 11.
- De Afdeling stelt vast dat er voor provinciale staten geen wettelijke verplichting bestaat een kopie van alle originele zienswijzen die naar voren zijn gebracht direct voor een ieder beschikbaar te stellen. Provinciale staten hebben terecht volstaan met het samenvatten van de naar voren gebrachte zienswijzen in de zienswijzennota. Het betoog faalt.
- Verder stelt [appellant sub 12] dat de personen die een zienswijze naar voren hebben gebracht zich niet gehoord voelen gelet op de wijze waarop de zienswijzen in de zienswijzennota volgens haar terzijde zijn geschoven. 12.
- De Afdeling stelt vast dat in de zienswijzennota van 23 augustus 2016 inhoudelijk is gereageerd op de zienswijzen die naar voren zijn gebracht. Dat deze zienswijzen er niet toe hebben geleid dat is afgezien van de vaststelling van de bestreden besluiten, zoals [appellant sub 12] wenst, betekent niet dat de in de zienswijzen naar voren gebrachte bezwaren of argumenten niet bij de gemaakte afwegingen zijn betrokken. Het betoog faalt.
- [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] wijzen erop dat zij een brief hebben ontvangen over de vaststelling van de bestreden besluiten, maar dat in deze persoonlijke inkennisstelling niet is vermeld welke onderdelen uit hun zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van de bestreden besluiten. 13.
- De keuze om bij de bestreden besluiten, waarbij een groot aantal zienswijzen naar voren is gebracht, aan de indieners van zienswijzen een brief te sturen waarin voor een reactie op de zienswijzen wordt volstaan met een verwijzing naar de zienswijzennota, is niet in strijd met enig wettelijk voorschrift. De Afdeling acht dit ook niet onzorgvuldig, te minder nu in artikel 3:44, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan kan volstaan met meedelen van de strekking van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. Het betoog faalt. Inhoudelijk Toetsingskader
- Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die provinciale staten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Nut en noodzaak van windenergie
- [appellant sub 3] en [appellant sub 12] uiten twijfels over het nut en de noodzaak van windenergie. Volgens [appellant sub 3] heeft hiernaar geen gedegen onderzoek plaatsgevonden. Hij voert daartoe aan dat in het MER er ten onrechte van wordt uitgegaan dat de plaatsing van windturbines leidt tot een reductie van uitstoot van CO
- In onder meer het rapport "Nationale Energieverkenning 2016" is reeds onderkend dat windmolens geen CO2 emissiereductie opleveren, aldus [appellant sub 3]. Daarnaast zijn er volgens [appellant sub 3] aanzienlijke subsidies nodig om een windturbinepark rendabel te kunnen exploiteren. Voorts is de leveringszekerheid van windturbineparken onzeker, aldus [appellant sub 3]. [appellant sub 12] voert daarnaast aan dat er volgens haar andere technieken mogelijk zijn om duurzame energie te realiseren. 15.
- De Afdeling stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat appellanten een andere keuze voor de wijze van opwekking van duurzame energie voorstaan op zich beschouwd onvoldoende is voor het oordeel dat de door provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan gemaakte afweging onzorgvuldig of onredelijk is. Ter beoordeling staat of de door provinciale staten gemaakte afweging op onjuiste gegevens berust dan wel is gebaseerd op een zodanige onevenwichtige afweging van de betrokken belangen dat moet worden geoordeeld dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen komen tot de keuze die is neergelegd in het bestreden inpassingsplan. 15.
- In de zienswijzennota is wat betreft het nut en de noodzaak van windenergie verwezen naar de door het rijk in Europees verband afgesproken doelstelling dat in 2020 14% van de energieconsumptie afkomstig is van duurzame energie. Deze doelstelling is neergelegd in de richtlijn 2009/28/EG (Richtlijn voor hernieuwbare energie) van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 waarin Nederland wordt verplicht om in 2020 14% van het totale bruto-eindverbruik aan energie afkomstig te laten zijn uit hernieuwbare bronnen (oftewel duurzame energie). Om dit doel te bereiken zijn volgens de zienswijzennota forse beleidsinspanningen en investeringen nodig. In dit verband hebben de provincies en het rijk afgesproken dat het totaal opgesteld vermogen van windturbines op land in 2020 in totaal 6000 MW bedraagt, omdat windenergie op land de komende jaren een van de meest kosteneffectieve wijzen is om hernieuwbare energie te produceren, aldus de zienswijzennota. De reden hiervoor is dat Nederland rijk is aan wind en vanwege klimatologische kenmerken en de vormen van het aardoppervlak relatief minder dan andere landen gebruik kan maken van andere bronnen van duurzame energie, zoals zonne-energie en waterkracht. De Afdeling ziet in de stellingen van [appellant sub 3] over onder meer de beperkte reductie van de uitstoot van CO2 en de mogelijke leveringsonzekerheid van energie afkomstig van windturbines, geen grond voor het oordeel dat provinciale staten aanvullend onderzoek hadden moeten verrichten naar het nut en de noodzaak van windenergie. Daartoe acht de Afdeling van belang dat het aangevoerde geen aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van de stelling van provinciale staten dat windenergie voor Nederland thans nog steeds een van de meest kosteneffectieve wijzen is om duurzame energie te produceren en dat de realisatie van windturbines gelet hierop van groot belang is om de op landelijk en Europees niveau afgesproken doelstelling voor de productie van duurzame energie te kunnen realiseren. Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 3] dat het nakomen van de afgesproken doelstelling voor de productie van duurzame energie uitsluitend een politiek belang betreft, overweegt de Afdeling dat het tot de beleidsruimte van provinciale staten behoort om invulling te geven aan de op landelijk en Europees niveau afgesproken doelstelling voor de opwekking van duurzame energie. De keuze van provinciale staten om aan deze doelstelling bij de beoordeling van het nut en de noodzaak van de realisatie van windpark Spui zwaarwegend gewicht toe te kennen, acht de Afdeling niet onredelijk. 15.
- Dat er volgens [appellant sub 12] ook andere vormen van duurzame energie mogelijk zijn, is - zoals hiervoor onder 15.1 is overwogen - op zichzelf eveneens onvoldoende om te kunnen concluderen dat de keuze van provinciale staten om de realisatie van windturbines op land mogelijk te maken redelijke gronden ontbeert. 15.
- De betogen falen. Locatiekeuze
- Verschillende appellanten kunnen zich niet verenigen met de locatie van de windturbines aan het Spui. In het onderstaande zal daarom eerst de vraag aan de orde worden gesteld of provinciale staten toereikend onderzoek hebben verricht naar mogelijke alternatieve windturbinelocaties die niet zijn gelegen aan het Spui. Daarna zullen de beroepsgronden worden besproken die specifiek zien op de locatie aan het Spui, waaronder de vraag of de gekozen locatie in overeenstemming is met het provinciaal en gemeentelijk beleid.
- In aansluiting op hetgeen hiervoor onder 15.1 is overwogen, wijst de Afdeling erop dat ook ten aanzien van de locatiekeuze ter beoordeling staat of hetgeen appellanten betogen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de door provinciale staten gemaakte locatiekeuze op onjuiste gegevens dan wel op een zodanige onevenwichtige afweging van de betrokken belangen is gebaseerd dat moeten worden geoordeeld dat provinciale staten niet in redelijkheid voor de in het inpassingsplan vastgelegde locatie voor het windpark hebben kunnen kiezen. De enkele omstandigheid dat appellanten een andere locatie voorstaan dan provinciale staten hebben gekozen, is op zich beschouwd onvoldoende voor het oordeel dat de gemaakte afweging onzorgvuldig of onredelijk is. Alternatieve locaties niet gelegen aan het Spui
- [appellant sub 1], de colleges van burgemeester en wethouders van Korendijk en Nissewaard, de stichting en anderen, [appellant sub 10] en anderen en [appellant sub 12] betogen dat onvoldoende onderzoek is verricht naar alternatieve windturbinelocaties in de gemeente Korendijk. Zij wijzen er daartoe op dat Ecofys in opdracht van de gemeente Korendijk op 25 november 2014 het rapport "Brede MER windenergie Korendijk" (hierna: brede-MER) heeft opgesteld, waarin onderzoek is verricht naar geschikte alternatieve windturbinelocaties in de gemeente. In het brede-MER zijn voor zes locaties, waaronder de locatie aan het Spui, de milieueffecten van windturbines onderzocht en vergeleken. Uit deze vergelijking blijkt dat de locatie aan het Spui op verschillende onderdelen, zoals geluid, slagschaduw en een aantasting van het landschap, slechter scoort dan de overige vijf onderzochte locaties. Volgens appellanten hebben provinciale staten ten onrechte niet gemotiveerd waarom bij de vaststelling van het inpassingsplan niet is gekozen voor een van de andere vijf in het brede-MER onderzochte locaties. [appellant sub 10] en anderen hebben daartoe specifiek gewezen op locatie F uit het brede-MER in het zuidelijke deel van de gemeente Korendijk. Deze locatie heeft volgens [appellant sub 10] en anderen minder nadelige effecten op de vliegroutes van vogels dan de locatie aan het Spui. 18.
- Aan het inpassingsplan ligt het MER van 8 maart 2016 ten grondslag. Blijkens vaste jurisprudentie van de Afdeling is de vraag welke alternatieven in een MER redelijkerwijs in beschouwing moeten worden genomen afhankelijk van de omstandigheden van het geval (vergelijk onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:497). 18.
- In het MER is vermeld dat bij het onderzoek naar alternatieve locaties voor windturbines in de gemeente Korendijk de beleidsuitgangspunten zijn gehanteerd dat windturbines aan de rand van de Hoeksche Waard en niet in natuurgebieden worden gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat in de beroepschriften en nadere stukken van de hiervoor onder 18 genoemde appellanten deze beleidsuitgangspunten als zodanig niet zijn bestreden. Het college van burgemeester en wethouders van Korendijk heeft dit voor zijn beroep desgevraagd ter zitting ook bevestigd. Op basis van de twee beleidsuitgangspunten zijn in het MER zeven alternatieve locaties voor windturbines in de gemeente Korendijk onderzocht. Deze alternatieve locaties wijken grotendeels af van de vijf locaties, niet zijnde de locatie aan het Spui, die zijn onderzocht in het brede-MER van de gemeente Korendijk. In de brief van het college van gedeputeerde staten aan de raad van de gemeente Korendijk van 3 februari 2015 is op dit punt vermeld dat locatie A uit het brede-MER in een Natura 2000-gebied ligt, welk gebied de provincie blijkens haar beleidsuitgangspunten wenst te ontzien. Over de locaties B, E en I uit het brede-MER is in de brief van het college van gedeputeerde staten en de zienswijzennota vermeld dat deze locaties niet aan de rand van de Hoeksche Waard liggen, maar het open poldergebied op onwenselijke wijze doorkruisen. Op de vijfde locatie uit het brede-MER, zijnde locatie F, wordt in de brief van het college van gedeputeerde staten en de zienswijzennota niet specifiek ingegaan. Ten aanzien van deze locatie stelt de Afdeling vast dat de ligging vergelijkbaar is met de ligging van de locatie Hitsertse Kade die in het aan het inpassingsplan ten grondslag liggende MER is onderzocht. Over deze locatie is in het MER vermeld dat deze slecht scoort op het aspect natuur vanwege de invloed op Natura 2000-gebieden. Dit vindt zijn grondslag in de omstandigheid dat de locatie Hitsertse Kade grenst aan het Natura 2000-gebied "Haringvliet". Dat de vijf in het brede-MER onderzochte locaties gelet op het vorenstaande niet voldoen aan de provinciale beleidsuitgangspunten voor de situering van nieuwe windturbines, hebben appellanten niet bestreden. 18.
- Het college van burgemeester en wethouders van Korendijk heeft ter zitting betoogd dat provinciale staten in dit geval aanleiding hadden moeten zien van de bij het locatieonderzoek gehanteerde beleidsuitgangspunten af te wijken, omdat de realisatie van windturbines op een van de vijf in het brede-MER onderzochte locaties volgens hem minder hinder voor omwonenden met zich brengt dan op de locatie aan het Spui. De Afdeling ziet in dit betoog geen aanleiding de locatiekeuze van provinciale staten en de in dit verband gehanteerde beleidsuitgangspunten onredelijk te achten. Het behoort tot de beleidsruimte van provinciale staten om bij het locatieonderzoek voor nieuwe windturbines in de gemeente Korendijk een doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de bescherming van het open polderlandschap en het voorkomen van aantasting van beschermde natuurgebieden. Provinciale staten hebben daarbij in redelijkheid mee kunnen wegen dat in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) ter bescherming van het woon- en leefklimaat van omwonenden reeds normen voor onder meer geluid, slagschaduw en veiligheid zijn neergelegd waaraan bij de realisatie van windpark Spui moet worden voldaan. 18.
- Het hiervoor overwogene geldt eveneens voor de verwijzing van [appellant sub 10] en anderen naar locatie F uit het brede-MER. Ook op dit punt ziet de Afdeling, gelet op de aan provinciale staten toekomende beleidsruimte, geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid een doorslaggevend gewicht hebben kunnen toekennen aan de bescherming van de natuurwaarden van het aan locatie F grenzende Natura 2000-gebied in plaats van het op de locatie aan het Spui onaangetast laten van de door [appellant sub 10] en anderen genoemde vliegroutes van vogels. 18.
- Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten onvoldoende onderzoek hebben verricht naar de redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieve locaties in de gemeente Korendijk voor de realisatie van windturbines. Het aangevoerde biedt evenmin grond voor het oordeel de keuze van provinciale staten voor de locatie aan het Spui in plaats van de in het brede-MER onderzochte locaties onredelijk te achten. De betogen falen. De locatie aan het Spui
- Verschillende appellanten betogen dat het realiseren van windturbines aan het Spui in strijd is met het provinciaal en gemeentelijk beleid. In het onderstaande worden deze betogen beoordeeld. - Plaatsingsvisie provinciaal beleid
- [appellant sub 3], [appellant sub 8] en anderen en de stichting en anderen betogen dat het realiseren van windturbines aan het Spui in strijd is met de plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines die onder meer is neergelegd in het provinciale beleidsdocument "Visie ruimte en mobiliteit". Deze plaatsingsvisie houdt volgens hen niet alleen in dat windturbines dienen te worden gerealiseerd op locaties waar windenergie kan worden gecombineerd met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water - hetgeen volgens de stichting en anderen cumulatieve vereisten zijn -, maar ook dat windturbines niet dienen te worden gerealiseerd in gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn. Voor hun stelling dat niet aan deze plaatsingsvisie wordt voldaan, voeren [appellant sub 3], [appellant sub 8] en anderen en de stichting en anderen verschillende argumenten aan. Ten eerste vormt het Spui volgens hen slechts een smalle rivier waardoor niet kan worden gesproken van een grootschalige scheidslijn tussen land en water. Voorts worden de windturbines niet gecombineerd met technische infrastructuur en grootschalige bedrijvigheid, aldus de stichting en anderen. Verder worden de windturbines volgens [appellant sub 3], [appellant sub 8] en anderen en de stichting en anderen gerealiseerd in een gebied dat vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt kwetsbaar is. Zij voeren daartoe aan dat de realisatie van windturbines in de polders tussen [vergunninghoudster] en Nieuw Beijerland zal leiden tot een ernstige aantasting en versnippering van het open en cultuurhistorisch waardevolle polderlandschap, onder meer doordat de windturbines naar maat en schaal niet passend zijn in dit gebied, de windturbines niet aansluiten op andere windparken en de windturbines ertoe zullen leiden dat de grens van de stedelijke bebouwing van Spijkenisse verder zal verschuiven in zuidelijke richting. Ook [appellant sub 5], [appellant sub 11] en [appellant sub 12] onderschrijven het betoog dat de windturbines zullen leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het open polderlandschap. Volgens [appellant sub 3], het college van burgemeester en wethouders van Korendijk en de stichting en anderen ligt er geen onafhankelijk onderzoek aan het inpassingsplan ten grondslag waarin het standpunt van provinciale staten dat de realisatie van de windturbines vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is, wordt bevestigd. Hun betoog dat de windturbines zijn voorzien op een locatie waar niet aan de plaatsingsvisie wordt voldaan, zien [appellant sub 3], [appellant sub 8] en anderen en de stichting en anderen versterkt door de omstandigheid dat de windturbines in afwijking van ‘Kaart 10 Windenergie’ bij de Verordening ruimte dusdanig ver landinwaarts zijn voorzien, dat de windturbines volgens hen niet meer worden gerealiseerd op de scheidslijn tussen land en water. [appellant sub 3] en de stichting en anderen trekken in twijfel of provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan voor een dergelijke afwijking van de Verordening ruimte bevoegd waren. Ook het college van burgemeester en wethouders van Korendijk wijst erop dat de situering van de windturbines afwijkt van ‘Kaart 10 Windenergie’ bij de Verordening ruimte en betoogt dat voor deze afwijking geen deugdelijke onderbouwing is gegeven. 20.
- De Visie ruimte en mobiliteit bevat het beleid van de provincie ten aanzien van de realisatie van nieuwe windturbines. Provinciale staten zijn in beginsel gehouden bij de vaststelling van een inpassingsplan overeenkomstig het eigen beleid neergelegd in de Visie ruimte en mobiliteit te besluiten. De Verordening ruimte bevat in artikel 2.4.1 regels voor de realisatie van nieuwe windturbines. In dit artikel wordt voor de locaties waar nieuwe windturbines zijn toegestaan, verwezen naar de daarvoor aangewezen gebieden op ‘Kaart 10 Windenergie’ bij de Verordening ruimte. De in de Verordening ruimte neergelegde regels dient een gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan in acht te nemen. In artikel 1.2, eerste lid, van de Verordening ruimte is niet bepaald dat een inpassingsplan gelijk moet worden gesteld met een bestemmingsplan. Dit betekent dat provinciale staten bij het voorbereiden en vaststellen van een inpassingsplan niet rechtstreeks gebonden zijn aan de regels uit de Verordening ruimte. Anders dan [appellant sub 3] betoogt, is voor een eventuele afwijking van de Verordening ruimte in het inpassingsplan daarom niet vereist dat de Verordening ruimte voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan wordt gewijzigd. Hoewel provinciale staten bij de vaststelling van een inpassingsplan niet rechtstreeks gebonden zijn aan de regels uit de Verordening ruimte, hebben zij blijkens het vermelde in de plantoelichting wel zoveel mogelijk willen aansluiten bij de regels voor de realisatie van windturbines die zijn neergelegd in de Verordening ruimte. In het onderstaande zal de Afdeling beoordelen of het inpassingsplan is vastgesteld in overeenstemming met het provinciale ruimtelijke beleid voor de realisatie van windturbines dat is neergelegd in zowel de Visie ruimte en mobiliteit als de Verordening ruimte. Voor zover van dit beleid is afgeweken, zal de Afdeling beoordelen of provinciale staten die afwijking voldoende hebben gemotiveerd. 20.
- In de ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan geldende Visie ruimte en mobiliteit is over de locaties voor nieuwe windturbines vermeld dat windenergie wordt gecombineerd met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water. Voort is vermeld dat in gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, plaatsing van windturbines is uitgesloten. 20.
- Anders dan de stichting en anderen, is de Afdeling van oordeel dat een redelijke uitleg van de in de Visie ruimte en mobiliteit neergelegde plaatsingsvisie voor windturbines met zich brengt dat de daarin genoemde criteria, inhoudende dat windenergie wordt gecombineerd met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water, niet cumulatief zijn. Daartoe overweegt de Afdeling dat de strekking van het provinciale beleid er blijkens de Visie ruimte en mobiliteit op is gericht windturbines te concentreren in de daarvoor geschikte gebieden om versnippering over de provincie te voorkomen. De daarvoor geschikte gebieden zijn volgens provinciale staten de gebieden waarvoor ofwel windturbines kunnen worden gecombineerd met technische infrastructuur of grootschalige bedrijvigheid, dan wel aan de rand van landelijke gebieden op de scheidslijn tussen land en water om te voorkomen dat windturbines zover landinwaarts worden geplaatst dat het open landschap wordt aangetast en de connectie met de natuurlijke landschapsovergangen verloren gaat. De Afdeling ziet in het vermelde in de Visie ruimte en mobiliteit geen aanleiding provinciale staten in dit standpunt niet te volgen. 20.
- De Afdeling ziet evenmin aanleiding provinciale staten niet te volgen in hun standpunt dat het Spui, die de scheiding vormt tussen de eilanden Voorne-Putten en de Hoeksche Waard, een kenmerkende scheidslijn vormt van de Hoeksche Waard. Daarbij wijst de Afdeling op het aan het inpassingsplan ten grondslag liggende advies van de provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit in Zuid-Holland van 16 november 2015 (hierna: PARK-advies) waarin is vermeld dat de voorziene windturbines aan het Spui de hoofdrichting van de rand van het eiland markeren. Dat in het PARK-advies ook is vermeld dat het Spui een betrekkelijk bescheiden water is in vergelijking met bijvoorbeeld het Haringvliet, acht de Afdeling op zichzelf ontoereikend voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de rivier het Spui een kenmerkende scheidslijn vormt van de Hoeksche Waard en zich derhalve geen strijd voordoet met het vereiste uit de plaatsingsvisie dat de windturbines dienen te worden gerealiseerd op een grootschalige en daarmee kenmerkende scheidslijn tussen land en water. 20.
- Het standpunt van [appellant sub 3], [appellant sub 8] en anderen en de stichting en anderen dat de windturbines in dit geval in het inpassingsplan desalniettemin zover landinwaarts zijn gesitueerd dat de windturbines niet langer zijn voorzien op de scheidslijn tussen land en water, deelt de Afdeling evenmin. De afstand tussen de windturbines en de grens van de Hoeksche Waard, die varieert tussen ongeveer 200 en 400 m, acht de Afdeling gelet op de hoogte van de windturbines en de totale omvang van De Hoeksche Waard, niet zodanig groot dat moet worden geoordeeld dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de windturbines aan de rand van de Hoeksche Waard op de scheidslijn tussen land en water worden gerealiseerd. 20.
- Ten aanzien van het betoog dat als gevolg van de meer landinwaartse situering van de windturbines wordt afgeweken van de begrenzing van de locaties voor nieuwe windturbines op ‘Kaart 10 Windenergie’ bij de Verordening ruimte, stelt de Afdeling vast dat de grootste afwijking zich voordoet bij de tweede windturbine gezien vanuit westelijke richting. Deze windturbine is gesitueerd op ongeveer 150 m van het besluitvlak ‘locatie windenergie’ op ‘Kaart 10 Windenergie’ bij de Verordening ruimte. De redenen voor deze afwijking zijn volgens provinciale staten onder meer het ontzien van de beschermingszone van de waterkering en de vanuit landschappelijk oogpunt gewenste rechte lijnopstelling van de windturbines, welke rechte lijnopstelling volgens provinciale staten uitsluitend kan worden gerealiseerd door een deel van de windturbines buiten het op ‘Kaart 10 Windenergie’ weergegeven besluitvlak te situeren. Deze omstandigheden vormen naar het oordeel van de Afdeling een deugdelijke onderbouwing voor het besluit van provinciale staten om bij de vaststelling van het inpassingsplan gedeeltelijk af te wijken van de begrenzing van de op ‘Kaart 10 Windenergie’ weergegeven plaatsingsgebieden voor nieuwe windturbines. Daarbij acht de Afdeling van belang dat de keuze van provinciale staten voor een rechte lijnopstelling van de windturbines is gestoeld op het PARK-advies waarin is vermeld dat een rechte lijnopstelling leidt tot een rustiger beeld en daarom vanuit landschappelijk oogpunt de voorkeur verdient. 20.
- Wat betreft de gestelde strijd met het in het provinciale beleid opgenomen vereiste dat de plaatsing van windturbines is uitgesloten in gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, hebben provinciale staten erop gewezen dat de windturbines niet zijn voorzien op gronden die op de bij de Visie ruimte en mobiliteit behorende kwaliteitskaart zijn aangeduid als gebieden met een bijzondere cultuurhistorische waarde. Daarnaast hebben de windturbines volgens provinciale staten geen onaanvaardbare aantasting van het open polderlandschap tot gevolg, omdat de windturbines in een rechte lijnopstelling worden gerealiseerd en de windturbines gelet op de onderlinge afstand van enkele honderden meters het gebied niet geheel zullen afschermen. Anders dan [appellant sub 3], ziet de Afdeling niet dat in het PARK-advies van 16 november 2015 vanuit landschappelijk oogpunt negatief is geadviseerd over de realisatie van een windpark aan het Spui. In het PARK-advies is weliswaar vermeld dat het spijtig is dat initiatieven in de provincie zich veelal beperken tot slechts enkele windturbines, waardoor versnippering van windparken kan ontstaan, maar daaruit volgt niet dat de realisatie van vijf windturbines aan het Spui gelet hierop vanuit landschappelijk oogpunt onaanvaardbaar is. In het PARK-advies is vermeld dat de voorkeur dient te worden gegeven aan een rechte lijnopstelling van identieke windturbines op gelijkmatige afstand, omdat dit leidt tot een rustig beeld dat vanuit elke hoek in principe herkenbaar is als lijn met een bepaalde oriëntatie en een rechte lijn daarnaast uit een oogpunt van het voorkomen van versnippering betere aanknopingspunten biedt voor samenhang met eventueel toekomstige locaties voor windturbines. Provinciale staten hebben dit advies overgenomen door de vijf windturbines op de verbeelding bij het inpassingsplan in een vrijwel rechte lijn te situeren. Het standpunt van provinciale staten dat gelet op de rechte lijnopstelling van de vijf windturbines en de afstand tussen de windturbines, die gezien vanuit de as varieert tussen ongeveer 400 en 500 m, geen sprake zal zijn van een onaanvaardbare aantasting en afscherming van het open polderlandschap, acht de Afdeling niet onredelijk. Voor strijd met het in de plaatsingsvisie opgenomen vereiste dat de plaatsing van windturbines is uitgesloten in gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, bestaat gelet op het vorenstaande geen aanleiding. 20.
- Voor zover [appellant sub 3] en het college van burgemeester en wethouders van Korendijk wijzen op de in de planstukken vermelde onderzoeken "Windpark Spui, Landschappelijke beoordeling" van Royal HaskoningDHV uit 2002 en "Windenergie en Nationale Landschappen" van H+N+S Landschapsarchitecten uit 2011, laat de Afdeling hetgeen zij over deze onderzoeken hebben aangevoerd buiten inhoudelijke bespreking. Met het nadien opgestelde MER en PARK-advies van 16 november 2015 zijn de eerdere onderzoeken naar de effecten van het windpark op het landschap geactualiseerd. Gelet op hetgeen hiervoor onder 20.3 tot en met 20.7 is overwogen, bieden het MER en het PARK-advies van 16 november 2015 voldoende grond voor het oordeel dat provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het inpassingsplan vanuit landschappelijk en cultuurhistorisch oogpunt aanvaardbaar is. 20.
- De betogen falen. - Gemeentelijk beleid
- De stichting en anderen betogen dat de realisatie van windturbines aan het Spui blijkens de vooroverlegreacties niet past binnen het gemeentelijk beleid van Nissewaard en de gebiedsvisie van de samenwerkende gemeenten op Voorne-Putten. Volgens hen had bij de vaststelling van het inpassingsplan aan dit beleid moeten worden getoetst. 21.
- De Afdeling is van oordeel dat provinciale staten zich terecht op het standpunt stellen dat zij bij de vaststelling van een inpassingsplan niet gebonden zijn aan gemeentelijk beleid zoals neergelegd in een gemeentelijke gebiedsvisie. Het betoog van de stichting en anderen dat provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan hadden moeten toetsen aan het beleid van de gemeente Nissewaard en de samenwerkende gemeenten op Voorne-Putten, faalt dan ook. Aantal windturbines en bandbreedte in de situering en maatvoering van de windturbines
- Hierna worden de beroepsgronden beoordeeld die betrekking hebben op het aantal windturbines en de in het inpassingsplan geboden ruimte ten aanzien van de exacte situering en maatvoering van de windturbines. Aantal windturbines
- De colleges van burgemeester en wethouders van Korendijk en Nissewaard wijzen erop dat zij hebben verzocht opstellingsvarianten van vier in plaats van vijf windturbines te onderzoeken, dan wel nader te motiveren waarom er in het plan voor is gekozen vijf in plaats van vier windturbines mogelijk te maken. De nadere motivering die hierover is opgenomen in de plantoelichting bevat volgens hen ten onrechte geen integrale afweging van de voor- en nadelen van vier dan wel vijf windturbines. Zo is geen rekening gehouden met de constatering in het MER dat een opstelling met vier grote windturbines in een rechte lijn vanuit landschappelijk oogpunt de voorkeur verdient. Daarnaast wordt in de nadere motivering niet ingegaan op de andere voordelen van vier grotere windturbines, namelijk een rustiger beeld, lagere bronsterkte en de mogelijkheid de windturbines op grotere afstand van de kern van Nieuw-Beijerland te realiseren. Ook de stichting en anderen wijzen erop dat de realisatie van vier in plaats van vijf windturbines blijkens het MER vanuit landschappelijk oogpunt de voorkeur verdient. 23.
- De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting is onderkend dat een opstelling met vier windturbines het beste scoort op het onderwerp landschap. Desondanks hebben provinciale staten ervoor gekozen een opstelling van vijf windturbines planologisch mogelijk te maken. De reden hiervoor is dat met een dergelijk aantal windturbines minimaal 15 MW aan opgesteld vermogen aan het Spui kan worden gerealiseerd. Dit vermogen is nodig voor het bereiken van de met het rijk afgesproken doelstelling om voor de opwekking van duurzame energie minimaal 735,5 MW aan windenergie in de provincie te hebben gerealiseerd in
- In de plantoelichting staat dat het onzeker is of met vier windturbines eveneens ten minste 15 MW aan opgesteld vermogen kan worden gerealiseerd, omdat niet een van de windturbines die wat betreft het windaanbod en vermogen geschikt is om aan het Spui met vier windturbines een minimaal opgesteld vermogen van 15 MW te realiseren, is gecertificeerd voor de Nederlandse markt. Daarnaast zijn de kosten van dergelijke windturbines onzeker en kunnen met vijf windturbines de relatief hoge kosten voor de netaansluiting beter worden gedragen, aldus de plantoelichting. Bovendien resulteren vier windturbines met een hoger vermogen per windturbine volgens de plantoelichting niet altijd in een lagere geluidbelasting dan vijf windturbines met een lager vermogen. De Afdeling ziet in het door de colleges van burgemeester en wethouders van Korendijk en Nissewaard en de stichting en anderen aangevoerde geen aanknopingspunten te twijfelen aan de juistheid van het vermelde in de plantoelichting. De Afdeling ziet daarin evenmin aanleiding de keuze van provinciale staten om gelet op voormelde omstandigheden aan het Spui de realisatie van vijf windturbines mogelijk te maken, onredelijk te achten. Het betoog faalt. Bandbreedte in de situering en maatvoering van de windturbines
- [appellant sub 1], [appellant sub 5], de stichting en anderen en [appellant sub 12] betogen dat het inpassingsplan ten onrechte niet het definitief aantal, de exacte bouwhoogte, de rotordiameter, de locatie en het vermogen van de windturbines bepaalt. Gelet hierop betwijfelen [appellant sub 1] en de stichting en anderen of in de onderzoeken die aan het inpassingsplan ten grondslag liggen ten aanzien van de te realiseren windturbines is uitgegaan van een worst-case scenario. Volgens [appellant sub 5] hadden provinciale staten in het inpassingsplan een zo beperkt mogelijke maatvoering van de windturbines moeten voorschrijven. Daarnaast had bij de vaststelling van het inpassingsplan overeenkomstig het beleid van de gemeente Korendijk een opgesteld vermogen van 15 MW als bovengrens moeten worden gehanteerd, aldus de stichting en anderen. 24.
- De verbeelding bij het inpassingsplan bevat vijf bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijf - Windturbine". In artikel 4, lid 4.2, onder a, van de planregels is bepaald dat per bestemmingsvlak één windturbine is toegestaan. Het inpassingsplan maakt gelet hierop de realisatie van maximaal vijf windturbines mogelijk. De bouwhoogte en rotordiameter van de windturbines kan gelet op de aanduidingen op de verbeelding en het bepaalde in artikel 4, lid 4.2, onder c tot en met e, van de planregels variëren tussen de 100 en 140 m, voor zover het de bouwhoogte betreft, en tussen de 112 en 136 m, voor zover het de rotordiameter betreft. De windturbines die worden gerealiseerd dienen gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 4.2, onder f, van de planregels dezelfde bouwhoogte, rotordiameter en vormgeving te hebben. Op de verbeelding is om de bestemmingsvlakken met de bestemming "Bedrijf - Windturbine" een cirkel opgenomen met de aanduiding "vrijwaringszone - windturbine", binnen welke aanduiding blijkens het bepaalde in artikel 8, lid 8.1 van de planregels de overdraai van de rotor van een windturbine is toegestaan. Deze cirkel heeft een diameter van 136 m. Dit komt overeen met de maximaal toegestane rotordiameter. Gelet hierop is de exacte situering van de windturbines met een maximaal toegestane rotordiameter van 136 m in het inpassingsplan bepaald. 24.
- Provinciale staten hebben ervoor gekozen in het inpassingsplan een bandbreedte op te nemen ten aanzien van de maatvoering van de windturbines om op deze wijze voor initiatiefneemster [vergunninghoudster] ruimte te bieden in de uiteindelijke keuze van het type windturbine. Deze keuze van provinciale staten acht de Afdeling niet onredelijk. 24.
- Om de effecten van de in het inpassingsplan voorziene windturbines te onderzoeken, is in het MER uitgegaan van verschillende typen windturbines. Zo is in het geluid- en slagschaduwonderzoek dat bij het MER is gevoegd, onderzocht wat de effecten zijn indien vijf windturbines worden gerealiseerd van het type Vestas V112, waarvan de ashoogte 100 m bedraagt en de rotordiameter 112 m, dan wel vijf windturbines van het type Siemens SWT3.6, waarvan de ashoogte en rotordiameter 120 m bedraagt, of vijf windturbines van het type Lagerwey L136, waarvan de ashoogte 140 m bedraagt en de rotordiameter 136 m. Deze verschillende typen windturbines beslaan de gehele bandbreedte van de in het inpassingsplan geboden mogelijkheden in de maatvoering van de windturbines. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat in de onderzoeken die aan het MER ten grondslag liggen onvoldoende rekening is gehouden met de in het inpassingsplan geboden ruimte in de maatvoering van de windturbines. Voor de twijfel van onder meer [appellant sub 1] en de stichting en anderen dat in de onderzoeken die aan het inpassingsplan ten grondslag liggen mogelijk niet is uitgegaan van een worst-case scenario wat betreft de te realiseren windturbines, ziet de Afdeling geen grondslag. 24.
- Voor zover de stichting en anderen erop wijzen dat de gemeente Korendijk in haar beleid voor de realisatie van een nieuw windpark wat betreft het opgesteld vermogen een bovengrens hanteert van 15 MW, wijst de Afdeling erop dat, zoals hiervoor onder 21.1 is overwogen, provinciale staten bij de vaststelling van een inpassingsplan niet zijn gebonden aan gemeentelijk beleid. De enkele verwijzing van de stichting en anderen naar het beleid van de gemeente Korendijk kan dan ook geen grond vormen voor het oordeel dat provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan hadden moeten waarborgen dat aan het Spui geen opgesteld vermogen boven de 15 MW kan worden gerealiseerd. 24.
- De betogen falen. Geluid
- [appellanten sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 8], de stichting en anderen, [appellant sub 11] en [appellant sub 12] vrezen geluidhinder van de voorziene windturbines. Geluidnormen voor windturbines neergelegd in het Activiteitenbesluit
- Bij de vaststelling van het inpassingsplan is voor de beoordeling van de geluidhinder van de windturbines aangesloten bij de geluidnormen die voor windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. In artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit is bepaald dat een windturbine of combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder moet voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Zoals in het deskundigenbericht is toegelicht, is Lden - in tegenstelling tot de etmaalwaarde bij industrielawaai - het gewogen jaargemiddelde van het equivalente geluidniveau met een toeslag van 5 dB voor de avondperiode en een toeslag van 10 dB voor de nachtperiode. De geluidbelasting die optreedt gedurende de avond en nacht wordt zodoende zwaarder meegewogen dan de geluidbelasting die overdag optreedt. De beoordelingsmaat Lnight is het gemiddelde equivalente geluidniveau over alle nachtperioden in een jaar zonder toeslag van 10 dB. Met deze extra beoordelingsmaat naast Lden wordt beoogd een extra waarborg te bieden voor bescherming tegen slaapverstoring.
- [appellant sub 3], de stichting en anderen en [appellant sub 12] hebben verschillende beroepsgronden naar voren gebracht over het gebruik van de dosismaten dB Lden en dB Lnight en de hoogte van de in het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Deze beroepsgronden, die hierna zullen worden beoordeeld, komen erop neer dat provinciale staten bij de beoordeling van de geluidhinder van de voorziene windturbines niet hadden mogen uitgaan van de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen, omdat dit artikellid onverbindend zou zijn. Op dit punt stelt de Afdeling voorop dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift, zoals de voorschriften uit het Activiteitenbesluit, buiten toepassing dient te laten, indien dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling. Een zodanig voorschrift kan voorts wegens strijd met een algemeen rechtsbeginsel buiten toepassing worden gelaten indien het desbetreffende overheidsorgaan, in aanmerking genomen de feitelijke omstandigheden en de belangen die aan dit orgaan ten tijde van de totstandbrenging van het voorschrift bekend waren of op grond van deugdelijk onderzoek behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot vaststelling van dat voorschrift heeft kunnen komen. De rechter heeft echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. - Geluidnormen uit het Activiteitenbesluit: afwegingen in de Nota van toelichting
- [appellant sub 3] en de stichting en anderen betogen dat de dosismaten dB Lden en dB Lnight niet handhaafbaar zijn en het voor derden onmogelijk is om te controleren of de normen worden nageleefd, omdat het een jaargemiddelde norm betreft. Voorts betogen [appellant sub 3], de stichting en anderen en [appellant sub 12] dat het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) heeft vastgesteld dat bij de in het Activiteitenbesluit voor windturbines neergelegde geluidnormen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight, 9% van de omwonenden ernstige hinder ervaart binnenshuis en 20% buitenshuis. [appellant sub 3], de stichting en anderen en [appellant sub 12] achten dergelijke percentages, die volgens hen in de praktijk nog hoger kunnen zijn, uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbaar. Verder wijzen de stichting en anderen erop dat de in het Activiteitenbesluit neergelegde norm van 41 dB Lnight blijkens het deskundigenbericht 1 dB hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde van 40 dB Lnight die de Wereld Gezondheid Organisatie (WHO) aanbeveelt voor nachtelijke geluidhinder.
- In haar uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504, betreffende het windpark De Veenwieken, heeft de Afdeling geoordeeld over betogen die betrekking hebben op de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van de dosismaten Lden en Lnight, het percentage ernstig gehinderden en de door de WHO aanbevolen voorkeurswaarde van 40 dB Lnight. In die uitspraak heeft de Afdeling op basis van het vermelde in de Nota van toelichting bij artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit (Stb. 2010, 749) geconstateerd dat het regelgevend bevoegd gezag de aspecten handhaafbaarheid en controleerbaarheid, het percentage ernstig gehinderden en de aanbevolen voorkeurswaarde van 40 dB Lnight in zijn afweging heeft betrokken. 29.
- Ten aanzien van de handhaafbaarheid en controleerbaarheid van de dosismaten Lden en Lnight heeft de Afdeling in de uitspraak betreffende het windpark De Veenwieken onder 20.2 vastgesteld dat overeenkomstig artikel 3.15 van het Activiteitenbesluit de metingen van de geluidemissie ter bepaling van de bronsterkte van een windturbine of een combinatie van windturbines dienen te worden uitgevoerd overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift windturbines (hierna: RMW). Onder verwijzing naar paragraaf 12.2 van de Nota van toelichting, heeft de Afdeling overwogen dat het RMW voorziet in een emissievoorschrift waarmee steekproefsgewijs de door de fabrikant opgegeven geluidvermogenniveaus van de windturbines per windklassesnelheid kunnen worden gecontroleerd. Vervolgens kan op basis van het jaargemiddelde geluidvermogen het immissieniveau bij normaal gebruik worden vastgesteld en getoetst aan de normen. Ervan uitgaande dat derden in beginsel zelf emissiemetingen kunnen laten verrichten door een akoestisch bureau conform het RMW, heeft de Afdeling vervolgens geconcludeerd dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de normen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet handhaafbaar en controleerbaar zijn. 29.
- Wat betreft het percentage ernstig gehinderden, staat in die uitspraak dat gelet op de Nota van toelichting het regelgevend bevoegd gezag bij de vaststelling van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit een percentage ernstig gehinderden bij windturbines van 9 binnenshuis en 20 buitenshuis onder afweging van alle betrokken belangen aanvaardbaar heeft geacht. Daarbij heeft de Afdeling gewezen op de vermelding in de Nota van toelichting dat dergelijke niveaus van ernstige hinder goed vergelijkbaar zijn met hetgeen bij de normering voor wegverkeer, railverkeer en industrielawaai als maximaal toelaatbaar wordt beschouwd en dat het maatschappelijk belang dat is gediend bij de uitvoering van dergelijke projecten het volgens het vermelde in de parlementaire stukken noodzakelijk maakt om een bepaalde mate van hinder te accepteren. De Afdeling heeft gelet hierop en in aanmerking genomen de omstandigheid dat het aan het regelgevend bevoegd gezag is de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden die bij de vaststelling van het algemeen verbindende voorschrift betrokken zijn tegen elkaar af te wegen, in de verwijzing van appellanten naar de percentages ernstig gehinderden geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het regelgevend gezag niet in redelijkheid tot vaststelling van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit heeft kunnen besluiten. 29.
- Voorts heeft de Afdeling in haar uitspraak betreffende het windpark De Veenwieken geoordeeld geen aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat de vastgestelde norm van 41 dB Lnight de exceptieve toets, zoals die hiervoor onder 27 is weergegeven, niet kan doorstaan. Voor dit oordeel heeft de Afdeling redengevend geacht dat 41 dB Lnight ruim onder de door de WHO geadviseerde maximale waarde ligt van 55 dB Lnight. 29.
- De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3], de stichting en anderen en [appellant sub 12] hebben aangevoerd geen aanleiding om op voorgaande punten af te wijken van hetgeen in de uitspraak betreffende het windpark De Veenwieken is overwogen. - Geluidnormen uit het Activiteitenbesluit: nieuwe inzichten
- De stichting en anderen en [appellant sub 12] betogen onder verwijzing naar het deskundigenbericht dat de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde normstelling voor windturbinegeluid geen recht doet aan de beoordeling van de hinderlijkheid van het geluid van windturbines, omdat de keuze voor de normstelling dateert uit 2010 en is gebaseerd op kleinere windturbines dan de windturbines die in het inpassingsplan zijn voorzien. Ook gelet op de in het deskundigenbericht genoemde nieuwe inzichten over de hinderlijkheid van windturbinegeluid achten de stichting en anderen artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit onverbindend. 30.
- Het betoog over een veranderd milieutechnisch inzicht bij het beoordelen van de hinderlijkheid van windturbinegeluid, heeft de Afdeling eveneens beoordeeld in haar uitspraak betreffende het windpark De Veenwieken. In die uitspraak heeft de Afdeling onder 21.1 overwogen dat blijkens het ten behoeve van die uitspraak opgestelde deskundigenbericht de geluidnormen voor de hinder van windturbinegeluid in discussie zijn, waarbij als mogelijke oorzaak wordt gewezen op de omstandigheid dat de keuze voor de normstelling in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit omstreeks 2010 is gemaakt op het moment dat windturbines kleiner waren dan de windturbines die de laatste jaren worden gerealiseerd. De steeds grotere ashoogten, grotere diameters van de wieken en het feit dat boven de 120 m de windprofielen sterk kunnen afwijken van de standaarden die men voor lagere hoogten hanteert, kunnen volgens het deskundigenbericht bijdragen aan een wellicht veranderd milieutechnisch inzicht bij het beoordelen van de hinderlijkheid van het windturbinegeluid. Onderzoekers hebben in dit kader enige tijd terug vermeld van mening te zijn dat voor windturbinegeluid een toeslag van 5 dB op het Lden zou moeten worden toegepast, aldus het deskundigenbericht. Het vorenstaande is identiek aan hetgeen is vermeld in het deskundigenbericht dat in deze procedure over het windpark Spui is opgesteld. De Afdeling heeft in haar uitspraak betreffende het windpark De Veenwieken geconcludeerd dat zij in deze kanttekeningen uit het deskundigenbericht geen aanleiding zag voor het oordeel dat bij de planvaststelling voor een windpark in redelijkheid niet langer mag worden uitgegaan van de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Daartoe heeft de Afdeling redengevend geacht dat uit het deskundigenbericht kan worden opgemaakt dat de geluidnormen voor de hinder van windturbinegeluid in discussie zijn, maar dat hieruit niet blijkt dat wetenschappelijke consensus bestaat over de ontoereikendheid van de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. De in het deskundigenbericht genoemde "signalen" omtrent een "wellicht" veranderend milieutechnisch inzicht bij het beoordelen van de hinderlijkheid van windturbinegeluid waarbij als "suggestie" het mogelijk toepassen van een straffactor voor de hinderlijkheid van het geluid wordt genoemd, vormden voor de Afdeling onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat bij de planvaststelling, reeds vooruitlopend op een mogelijke aanpassing van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit door het regelgevend gezag, de in het Activiteitenbesluit voor windturbines neergelegde geluidnormen in redelijkheid niet meer hadden mogen worden gehanteerd. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding om ten aanzien van windpark Spui op dit punt tot een ander oordeel te komen. - Geluidnormen uit het Activiteitenbesluit: toepassing in dit geval
- [appellant sub 3] wijst erop dat blijkens het aan het inpassingsplan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek de windturbines een deel van de dag stil dienen te worden gezet om aan de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen te voldoen. Hij vreest dat, omdat de dosismaten Lden en Lnight zijn gebaseerd op een jaargemiddelde geluidbelasting, stilstand van de windturbines tijdens een deel van het jaar de mogelijkheid biedt in het andere deel van het jaar meer geluid te produceren met als gevolg dat bij zijn woning onaanvaardbare geluidoverlast ontstaat. Gelet hierop concludeert [appellant sub 3] dat de dosismaten Lden en Lnight niet bedoeld zijn voor windturbines die een deel van het jaar stilstaan. Hij wijst ter onderbouwing op de richtlijn 2002/49/EG, van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (hierna: de richtlijn), waarin volgens hem in bijlage I, onder 3, is vermeld dat bij stilstand van meer dan 20% andere grenswaarden dienen te worden gehanteerd. 31.
- De vrees van [appellant sub 3] houdt verband met de vraag hoe de jaargemiddelde geluidbelasting, waarop de geluidnormen voor windturbines zijn gebaseerd, zich verhoudt tot de geluidniveaus die zich maximaal op een bepaald moment bij hogere windsnelheden kunnen voordoen (het momentane geluidniveau). Hierover heeft adviesbureau Bosch & Van Rijn op 3 april 2017 de notitie "Maximaal momentaan geluidsniveau" opgesteld die als bijlage bij het deskundigenbericht is gevoegd. In deze notitie alsmede ter zitting heeft Bosch & Van Rijn erop gewezen dat de wettelijke geluidnorm van 47 dB Lden uitgaat van een jaargemiddeld gewogen geluidniveau, waarin - zoals hiervoor onder 26 is overwogen - een toeslag van 5 dB voor de avondperiode en 10 dB voor de nachtperiode is meegenomen. De werkelijk optredende ongewogen jaargemiddelde geluidbelasting is zonder deze toeslagen ongeveer 41 dB, aldus Bosch & Van Rijn. Op het moment dat een windturbine bij hogere windsnelheden op maximaal vermogen draait en de grootste geluidproductie heeft, is de op dat moment werkelijk optredende geluidbelasting - het momentane geluidniveau - niet hoger dan ongeveer 45 tot 46 dB. Een hogere geluidproductie is als gevolg van de maximale bronsterkte van een windturbine niet mogelijk behalve misschien onder zeer bijzondere omstandigheden van reflectie van geluid, aldus Bosch & Van Rijn. In de notitie van 3 april 2017 is geconcludeerd dat als gevolg van de straffactoren in de Lden-methodiek het in de praktijk vrijwel niet kan voorkomen dat ter plaatse van een woning waar aan de wettelijke jaargemiddelde geluidnorm van 47 dB Lden wordt voldaan, een momentaan geluidniveau optreedt van 47 dB. De Afdeling is in haar uitspraak van 20 december 2017 onder 24.1 betreffende het windpark De Veenwieken tot een vergelijkbare conclusie gekomen. [appellant sub 3] heeft de notitie van 3 april 2017 niet bestreden. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie dat de maximaal optredende geluidbelasting die zich bij de woning van [appellant sub 3] op een bepaald moment kan voordoen onder de wettelijke norm van 47 dB zal blijven. De vrees van [appellant sub 3] dat stilstand van de windturbines gedurende een deel van het jaar tot gevolg heeft dat in het andere deel van het jaar bij zijn woning onaanvaardbare geluidoverlast kan ontstaan, acht de Afdeling ongegrond. 31.
- De Afdeling deelt evenmin het standpunt van [appellant sub 3] dat gelet op het vermelde in bijlage I, onder 3, "Aanvullende geluidsbelastingsindicatoren" bij de richtlijn moet worden geconcludeerd dat de dosismaten Lden en Lnight niet bedoeld zijn voor geluidbronnen die meer dan 20% van het jaar stilstaan. Nog daargelaten de vraag of in deze procedure een rechtstreeks beroep op de richtlijn kan worden gedaan, stelt de Afdeling vast dat het standpunt van [appellant sub 3] is gebaseerd op een onjuiste lezing van bijlage I, onder 3, bij de richtlijn. In de bijlage is vermeld dat het in sommige gevallen nuttig kan zijn naast Lden en Lnight, speciale geluidbelastingsindicatoren en bijbehorende grenswaarden te gebruiken, waaronder in de situatie dat de beschouwde geluidsbron slechts in werking is gedurende een beperkt deel van de tijd, bijvoorbeeld minder dan 20% van de tijd in het totale aantal dagen van een jaar. Minder dan 20% van de tijd in werking, betekent een stilstand van ongeveer 80%. De stelling van [appellant sub 3] dat reeds bij meer dan 20% stilstand van de windturbines het hanteren van de geluidnormen Lden en Lnight in strijd is met de richtlijn, is dan ook onjuist. - Conclusie geluidnorm
- Gelet op hetgeen hiervoor onder 28 tot en met 31 is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten bij de planvaststelling de geluidnormen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet hadden mogen hanteren bij de beoordeling van de hinderlijkheid van het geluid van de windturbines. Borging geluidreducerende maatregelen
- [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte niet is gewaarborgd dat de maatregelen die nodig zijn om aan de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen te voldoen, in dit geval het stilzetten van de windturbines gedurende een deel van de dag, worden uitgevoerd. Hij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
- 33.
- Artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit bevat rechtstreeks werkende en handhaafbare geluidnormen. De geluidbelasting ten gevolge van de windturbines dient aan deze normen te voldoen. Daarvoor is het niet noodzakelijk dat de normen of eventuele maatregelen die nodig zijn om aan de normen te voldoen, in het inpassingsplan dan wel de voor de windturbines te verlenen omgevingsvergunning worden opgenomen. 33.
- De verwijzing van [appellant sub 3] naar de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2982, biedt geen aanleiding voor een ander oordeel. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, betreffende het windpark Wieringermeer, kan uit de uitspraak van 23 september 2015 niet worden afgeleid dat de normen uit artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit of de te treffen maatregelen om aan deze normen te voldoen in het inpassingsplan dienen te worden opgenomen. 33.
- Het betoog faalt. Akoestisch onderzoek
- [appellant sub 3] en de stichting en anderen hebben beroepsgronden naar voren gebracht die betrekking hebben op de juistheid en volledigheid van het akoestisch onderzoek "Windpark Spui; Akoestisch onderzoek t.b.v. ProjectMER" van 4 december 2015 (hierna: akoestisch onderzoek), dat provinciale staten aan het inpassingsplan ten grondslag hebben gelegd. - Reflectie van het geluid
- [appellant sub 3] betoogt dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met het reflecteren van het geluid van de windturbines op een bestaande loods aan de Spuiweg. 35.
- In het deskundigenbericht is vermeld dat de betrokken loods aan de Spuiweg is gesitueerd op ongeveer 75 m van de woning van [appellant sub 3]. De woning van [appellant sub 3] ligt in een bocht, langs een dijkweg, aldus het deskundigenbericht. Gelet op het hoogteverschil tussen de windturbines en de loods zal nabij de woning van [appellant sub 3] het effect van reflectie van geluid volgens het deskundigenbericht nagenoeg nihil zijn. In aanmerking genomen dat [appellant sub 3] in zijn reactie op het deskundigenbericht hiertegen geen concrete bezwaren naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding het vermelde in het deskundigenbericht in zoverre niet te volgen. Het betoog faalt. - Situering van de windturbines
- [appellant sub 3] stelt in zijn nadere stuk dat de locaties van de windturbines tijdens het opstellen van het MER zijn gewijzigd. Volgens [appellant sub 3] is met de gewijzigde situering van de windturbines in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening gehouden. 36.
- Bij het MER is als bijlage 13 de notitie "Addendum Akoestisch onderzoek t.b.v. Project MER Windpark Spui" van 4 december 2015 gevoegd. In dit addendum is nader ingegaan op de effecten van de gewijzigde situering van de windturbines op het onderwerp geluid. Het betoog van [appellant sub 3] mist feitelijke grondslag. - Nieuwe woningen ten zuiden van de kern van Nieuw-Beijerland
- De stichting en anderen betogen dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de nieuwe woningen die zijn voorzien ten zuiden van de kern van Nieuw-Beijerland. 37.
- Voor gronden gelegen ten zuiden van de kern van Nieuw-Beijerland heeft de raad van de gemeente Korendijk in 2014 het bestemmingsplan "Uitbreiding Nieuw-Beijerland" vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de realisatie van nieuwe woningen mogelijk. De Afdeling stelt vast dat deze woningen zijn gesitueerd op ongeveer 1 km van de dichtstbijzijnde windturbine. Verschillende woningen die in het akoestisch onderzoek zijn meegenomen, zoals de woningen aan de Oudendijk, zijn op kortere afstand, namelijk enkele honderden meters van de in het inpassingsplan voorziene windturbines gesitueerd. Deze woningen en niet de nieuwe woningen ten zuiden van de kern van Nieuw-Beijerland, zijn maatgevend voor de beoordeling van de geluidbelasting van de windturbines. Nu de nieuwe woningen ten zuiden van de kern van Nieuw-Beijerland niet maatgevend zijn voor de beoordeling van de geluidbelasting van de windturbines, ziet de Afdeling geen aanleiding de stichting en anderen te volgen in hun stelling dat de omstandigheid dat de nieuwe woningen ten zuiden van de kern van Nieuw-Beijerland niet zijn meegenomen in het akoestisch onderzoek, tot gevolg heeft dat niet kan worden uitgegaan van de conclusie in het akoestisch onderzoek dat bij de woningen in de omgeving van het plangebied aan de in het Activiteitenbesluit voor windturbines neergelegde geluidnormen kan worden voldaan. Het betoog faalt. Cumulatie
- [appellant sub 3] betoogt dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de cumulatieve geluidbelasting bij zijn woning. Hij wijst daarbij in het bijzonder op de ventilatoren die aanwezig zijn in de loods aan de Spuiweg. Deze ventilatoren hebben tot gevolg dat het toegestane geluidniveau op de gevel van zijn woning reeds wordt bereikt, aldus [appellant sub 3]. - Ventilatoren loods Spuiweg 38.
- In het deskundigenbericht staat dat de loods aan de Spuiweg is gesitueerd op ongeveer 75 m van de woning van [appellant sub 3]. Het bij de woning resterende geluid van de ventilatoren die slechts enkele maanden per jaar in werking zijn, leveren in de cumulatieberekening geen significante bijdrage, aldus het deskundigenbericht. De vrees van [appellant sub 3] voor cumulatie is volgens het deskundigenbericht dan ook niet terecht. 38.
- [appellant sub 3] acht blijkens zijn reactie op het deskundigenbericht dat het aan provinciale staten is om in dit verband met overtuigend bewijs te komen: bewijs dat alle twijfel wegneemt. De Afdeling volgt [appellant sub 3] hierin niet. In de gegeven situatie waarin de deskundige op basis van algemene kennis en ervaringsregels het standpunt van provinciale staten onderschrijft, is het aan [appellant sub 3] om concrete bezwaren naar voren te brengen die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen in het deskundigenbericht. Nu [appellant sub 3] op dit punt geen concrete bezwaren naar voren heeft gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding het deskundigenbericht in zoverre niet te volgen. - Overige geluidbronnen 38.
- Provinciale staten stellen dat zich in de omgeving van de woning van [appellant sub 3] aan de [locatie 1] te Piershil geen overige geluidbronnen bevinden, zoals wegverkeer, die een significante bijdrage leveren aan het geluidniveau bij de woning. [appellant sub 3] woont in een poldergebied aan een stille dijkweg waarvan voornamelijk lokaal verkeer gebruik maakt, aldus provinciale staten. De Afdeling ziet deze stelling bevestigd in zowel het deskundigenbericht, waarin is vermeld dat de woning van [appellant sub 3] is gesitueerd langs een vrij stille dijkweg, als in het voorafgaand aan het inpassingsplan opgestelde rapport "Bepaling referentieniveau in Nieuw-Beijerland, omgeving Oudendijk" van DPA Cauberg-Huygen van 29 maart
- In het laatstgenoemde onderzoek is voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan door middel van geluidmetingen het referentieniveau bepaald bij de woning aan de [locatie 2] te Piershil. In het rapport van DPA Cauberg-Huygen is vermeld dat op de Oudendijk tijdens de verrichte dagmeting 18 personenauto’s en één vragenwagen reden. In de avond- en nachtperiode was er tijdens de verrichte meting weinig tot geen verkeer op de Oudendijk, aldus het rapport. De Afdeling ziet geen aanleiding aan deze onderzoeksbevindingen te twijfelen. Gelet op voormelde omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding provinciale staten niet te volgen in hun standpunt dat de verkeersintensiteit bij de woning van [appellant sub 3] aan de Oudendijk dusdanig laag is, dat het werkverkeersgeluid bij de woning geen significante bijdrage levert aan het geluidniveau ter plaatse. Ten aanzien van het geluid van het verkeer op de Molendijk, welke weg nabij de woning van [appellant sub 3] aansluit op de Oudendijk, heeft de Afdeling in de beschikbare gegevens geen reden gevonden om tot een ander oordeel te komen. - Conclusie cumulatie 38.
- De Afdeling ziet gelet op het vorenstaande in het door [appellant sub 3] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat bij de planvaststelling geen nader onderzoek behoefde te worden verricht naar de gecumuleerde geluidbelasting bij de woning van [appellant sub 3]. De betogen falen. Laagfrequent geluid
- [appellant sub 3], de stichting en anderen en [appellant sub 12] vrezen hinder van laagfrequent geluid en infrageluid van de windturbines. De enkele omstandigheid dat laagfrequent geluid en infrageluid volgens het deskundigenbericht niet hoorbaar is, betekent volgens hen niet dat dit geluid geen gezondheidsschade zou kunnen veroorzaken. Zij wijzen daarbij op verschillende buitenlandse onderzoeksresultaten waarin onder meer melding wordt gemaakt van vibro-akoestische ziekte (VAD) en een zogenoemd windturbinesyndroom (WTS), dat zich onder meer uit in trillingen, nervositeit, angst, misselijkheid en benauwdheid veroorzaakt door laagfrequent geluid en infrageluid van windturbines. 39.
- In het deskundigenbericht is vermeld dat er in Nederland geen wettelijke normen zijn voor laagfrequent geluid. De geluidsterkte die windturbines bij lage frequentie opwekken is volgens de beschikbare wetenschappelijke onderzoeken niet zodanig groot dat de gehoordrempel bij veel mensen wordt overschreden, aldus het deskundigenbericht. In het deskundigenbericht is daarbij verwezen naar het rapport “Windturbines: invloed op de beleving en gezondheid van omwonenden” van het RIVM uit 2013 (hierna: RIVM-rapport uit 2013). Daarin is vermeld dat het laagfrequente deel van het geluid van windturbines wellicht tot extra hinder kan leiden, maar dat niet evident is dat dit een factor van belang is. In het deskundigenbericht wordt er voorts op gewezen dat het RIVM van mening is dat de geldende geluidnormen voor windturbines van 47 dB Lden en 41 dB Lnight voldoende bescherming bieden en dat het laagfrequente geluid van windturbines geen aparte beoordeling behoeft. Gelet hierop is niet aannemelijk dat laagfrequent geluid vanwege windturbines zou kunnen leiden tot onaanvaardbare hinder bij omwonenden, aldus het deskundigenbericht. Over infrageluid is in het deskundigenbericht vermeld dat uit onderzoeken naar het geluid van windturbines steevast is gebleken dat het infrageluid van windturbines voor omwonenden onhoorbaar moet worden geacht. 39.
- Provinciale staten hebben voorafgaand aan de zitting een nader onderzoeksrapport overgelegd van het RIVM en de GGD getiteld “Health effects related to wind turbine sound” uit 2017 (hierna: RIVM-rapport uit 2017). Dit rapport bevat een overzicht van de conclusies van recente wetenschappelijke onderzoeken met betrekking tot de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines. In het RIVM-rapport uit 2017 is op pagina 18 specifiek ingegaan op het windturbinesyndroom afkomstig uit onderzoeksresultaten van N. Pierpont. Vermeld is dat er in verschillende wetenschappelijke publicaties op wordt gewezen dat uit de onderzoeksresultaten van Pierpont niet duidelijk blijkt dat de door haar gestelde symptomen worden veroorzaakt door de aanwezigheid van windturbines. Het is mogelijk dat in het onderzoek van Pierpont zeer gevoelige mensen werden geselecteerd dan wel dat media-aandacht heeft geleid tot lichamelijke klachten, aldus het RIVM-rapport uit
- Op basis van een analyse van de vele wetenschappelijke onderzoeken naar de gezondheidseffecten van windturbines, is in paragraaf 6.4 van het RIVM rapport uit 2017 geconcludeerd dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat de gestelde gezondheidsrisico’s van laagfrequent geluid en infrageluid van windturbines ondersteunt. Over het windturbinesyndroom en de vibro-akoestische ziekte is in het RIVM-rapport uit 2017 geconcludeerd dat dit controversieel is en niet wetenschappelijk wordt ondersteund. Op het huidige niveau van windturbinegeluid is het optreden daarvan onbewezen en onwaarschijnlijk, aldus het RIVM rapport uit
- De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3], de stichting en anderen en [appellant sub 12] hebben aangevoerd geen aanleiding in zoverre aan de bevindingen in het RIVM-rapport uit 2017 te twijfelen. 39.
- De conclusie dat er tot op heden geen gefundeerd wetenschappelijk bewijs is geleverd voor een causaal verband tussen laagfrequent geluid en infrageluid dat wordt veroorzaakt door windturbines en de hiervoor beschreven symptomen bij personen, is bevestigd in het deskundigenbericht. Ook in literatuur in het buitenland, waaronder recente publicaties uit Canada, is vermeld dat een dergelijk causaal verband tot op heden niet wetenschappelijk is bewezen, aldus het deskundigenbericht. 39.
- Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat provinciale staten zich onder verwijzing naar onder meer de RIVM rapporten uit 2013 en 2017 niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het inpassingsplan niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid en infrageluid. Provinciale staten hebben daarbij in redelijkheid tevens kunnen betrekken dat ook op rijksniveau in onder meer de brief van de staatssecretaris van het voormalige ministerie van Infrastructuur en Milieu van 31 maart 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 33 612, nr. 22) wordt gesteld dat voor beweringen dat laagfrequent geluid van windturbines klinische ziekten bij mensen kan veroorzaken geen wetenschappelijk bewijs is aangetroffen en dat mogelijke hinder van laagfrequent geluid kan worden geacht op een verantwoorde manier te worden beperkt door de huidige in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen. 39.
- Het betoog faalt. Algehele afweging geluid in het kader van het woon- en leefklimaat
- In het vorenstaande is onder 32 geconcludeerd dat provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit hadden mogen hanteren bij de beoordeling van de hinderlijkheid van het geluid van de voorziene windturbines. Tevens zijn op basis van hetgeen is aangevoerd geen gebreken geconstateerd in het aan het inpassingsplan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek. Gelet hierop bestaat er naar het oordeel van de Afdeling geen reden te twijfelen aan de conclusie in het akoestisch onderzoek dat bij de woningen nabij het plangebied, niet zijnde de bedrijfswoningen behorende tot het windpark, na het nemen van geluidreducerende maatregelen aan de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen kan worden voldaan. De vraag resteert of provinciale staten zich gelet op de omstandigheid dat wordt voldaan aan de in het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen, in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat wat betreft het aspect geluid sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 40.
- Provinciale staten achten een geluidniveau van maximaal 47 dB Lden en 41 dB Lnight als gevolg van de windturbines bij de woningen nabij het plangebied uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar. In de omgeving van het plangebied doen zich geen bijzondere omstandigheden voor die volgens provinciale staten aanleiding zouden moeten geven voor het oordeel dat ter plaatse - hoewel aan de wettelijke geluidnormen voor windturbines wordt voldaan - geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de door appellanten ingediende stukken en het verhandelde ter zitting is de Afdeling van dergelijke bijzondere omstandigheden niet gebleken. De enkele stelling van verschillende appellanten dat het in de omgeving van het plangebied thans zeer stil is, is daarvoor onvoldoende. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het geluid van de in het inpassingsplan voorziene windturbines uit een oogpunt van een goede ruimtelijke aanvaardbaar kan worden geacht. Het betoog faalt. Bedrijfswoningen
- [appellant sub 3] en de stichting en anderen betogen dat provinciale staten misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid door de woningen aan de [locatie 3] te Piershil en [locatie 4] te Nieuw-Beijerland in het inpassingsplan aan te duiden als bedrijfswoningen. Volgens hen is de enige reden voor de aanduiding erin gelegen te voorkomen dat bij deze woningen aan de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen moet worden voldaan. Zij stellen dat met de huidige stand van de techniek de werkzaamheden voor een windpark voor een groot deel niet locatiegebonden zijn, waardoor de twee bedrijfswoningen niet noodzakelijk zijn. Uit de beheersovereenkomst die [vergunninghoudster] heeft gesloten met de bewoners van de woningen aan de [locatie 3] en de [locatie 4] blijkt eveneens dat de werkzaamheden die de bewoners moeten verrichten uiterst beperkt zijn, aldus [appellant sub 3]. Daarnaast zijn de windturbines volgens [appellant sub 3] niet gesitueerd op gronden die eigendom zijn van de bewoners van de woning aan de [locatie 3]. 41.
- Op de verbeelding bij het inpassingsplan is aan de woningen aan de [locatie 3] en de [locatie 4] de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - molenaarswoning" toegekend. Deze woningen mogen gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 8.2, onder b, van de planregels worden gebruikt als molenaarswoning ten behoeve van het beheer van het windturbinepark. Gelet op het bepaalde in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit worden onder een gevoelig gebouw als vermeld in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit niet verstaan gebouwen behorende bij de desbetreffende inrichting. Voor bedrijfswoningen die behoren bij de desbetreffende inrichting zijn de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen dus niet van toepassing. 41.
- Blijkens de plantoelichting en de voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan door [vergunninghoudster] en de eigenaren van de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 4] gesloten overeenkomst, zijn de eigenaren en tevens bewoners van de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 4] mede-exploitant van windpark Spui en zullen zij in dat kader de melding op grond van het Activiteitenbesluit voor de oprichting van de windturbines medeondertekenen. Ten behoeve van de mede-exploitatie oefenen de eigenaren en bewoners van de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 4] blijkens de plantoelichting en de overeenkomst toezicht uit op de windturbines en volgen zij de exploitatie ervan. 41.
- Gelet op de hierboven beschreven relatie tussen de windturbines en de eigenaren/bewoners van de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 4], hebben provinciale staten zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een zodanige functionele en organisatorische binding tussen de windturbines en de woningen dat deze als bedrijfswoning behorend bij de inrichting, die het windturbinepark vormt, kunnen worden aangemerkt (zie voor een vergelijkbaar oordeel de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ7747, betreffende twee windturbines in Delfzijl, en de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3405, betreffende het windpark Kabeljauwbeek). De Afdeling volgt [appellant sub 3] en de stichting en anderen niet in hun stelling dat provinciale staten met het bestemmen van de woningen aan de [locatie 3] en [locatie 4] als bedrijfswoning misbruik hebben gemaakt van hun bevoegdheid. Het betoog faalt. Afstand van windturbines tot woningen
- [appellant sub 1], [appellant sub 3], de stichting en anderen en [appellant sub 12] wijzen erop dat de windturbines in het inpassingsplan zijn voorzien op ongeveer 400 tot 500 m van de meest dichtbij het windpark gesitueerde woningen, niet zijnde een bedrijfswoning bij het windpark. Dit staat volgens [appellant sub 3] in schril contrast met andere landen, waaronder delen van Duitsland waar de regel wordt gehanteerd dat de afstand tussen woningen en een windturbine minimaal tien keer de hoogte van de windturbine dient te bedragen. De stichting en anderen voeren in dit verband aan dat uitgaande van de actuele Duitse, Deense en Vlaamse geluidnormen voor windturbines bij een tiphoogte van 196 m de afstand tussen woningen en windturbines minimaal 1.275 m dient te bedragen. Zij wijzen voorts op het buureiland Goeree-Overflakkee waar volgens hen een minimale afstand van 900 m tussen woningen en windturbines wordt gehanteerd. Volgens [appellant sub 1] dient de afstand tussen de windturbines aan het Spui en de nabij gesitueerde woningen minimaal 800 m te bedragen. 42.
- De Afdeling stelt vast dat in het Activiteitenbesluit noch in andere regelgeving specifieke regels zijn opgenomen voor de minimale afstand tussen woningen en windturbines. De minimale afstand vloeit indirect voort uit de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluid- en veiligheidsnormen voor windturbines. Provinciale staten hebben zich op het standpunt gesteld dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die ertoe nopen dat een ruimere afstand tussen de windturbines en nabij gesitueerde woningen wordt aangehouden dan op basis van de in het Activiteitenbesluit neergelegde geluid- en veiligheidsnormen is vereist. In de door appellanten ingediende stukken en het verhandelde ter zitting zijn dergelijke bijzondere omstandigheden evenmin naar voren gebracht. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding het standpunt van provinciale staten dat er in dit geval geen aanleiding bestaat een ruimere afstand tussen de windturbines en nabij gesitueerde woningen aan te houden dan volgt uit de toepassing van de in het Activiteitenbesluit opgenomen geluid- en veiligheidsnormen, onredelijk te achten. De enkele omstandigheid dat bij andere windenergieprojecten in Nederland en het buitenland mogelijk ruimere afstanden zijn aangehouden, betekent naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf nog niet dat provinciale staten in dit geval ook gehouden waren dergelijke afstanden aan te houden. Het betoog faalt. Slagschaduw en schittering
- [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 8] en anderen vrezen van de windturbines slagschaduwhinder te ondervinden bij hun woningen. [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] vrezen voorts overlast vanwege zonlicht dat op de wieken van de windturbines weerkaatst. Slagschaduw
- Voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan is onderzoek verricht naar de verwachte slagschaduwhinder. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Slagschaduwonderzoek Windpark Spui" van 9 september 2015 en het in aanvulling daarop opgestelde addendum van 4 december 2015 (hierna tezamen: het slagschaduwonderzoek). In het slagschaduwonderzoek is geconcludeerd dat met een stilstandvoorziening kan worden voldaan aan de in artikel 3.12, eerste lid, Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) opgenomen norm voor slagschaduw. In dit artikellid is - kort gezegd - gewaarborgd dat een windturbine wordt voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten, zoals woningen, voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden. 44.
- De Afdeling heeft in haar uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, betreffende het windpark Wieringermeer onder 39 geoordeeld dat bij de beoordeling van hinder van slagschaduw in het kader van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid kan worden aangesloten bij de in artikel 3.12 Activiteitenregeling opgenomen norm. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans op dit punt tot een ander oordeel te komen. 44.
- De conclusie in het slagschaduwonderzoek dat met een stilstandvoorziening bij de woningen nabij het plangebied aan de in artikel 3.12, eerste lid, Activiteitenregeling neergelegde norm voor slagschaduw kan worden voldaan, hebben [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 8] en anderen niet met concrete argumenten bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling in het door hen aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat ter plaatse van de woningen van [appellanten sub 2], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellant sub 8] en anderen geen onaanvaardbare slagschaduwhinder zal optreden. Het betoog faalt. Schittering
- In artikel 3.13, eerste lid, Activiteitenregeling is bepaald dat bij het in werking hebben van een windturbine lichtschittering zoveel mogelijk moet worden voorkomen of beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de desbetreffende onderdelen. Voorts is in dit artikellid bepaald met welke meetmethode het meten van reflectiewaarden dient plaats te vinden. Bij de oprichting en het in werking hebben van windpark Spui is artikel 3.13 Activiteitenregeling rechtstreeks geldend voor [vergunninghoudster] 45.
- De Afdeling heeft in de uitspraak van 4 mei 2016 betreffende het windpark Wieringermeer onder 34 geconcludeerd dat bij de beoordeling van hinder van lichtschittering in het kader van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid kan worden aangesloten bij de in artikel 3.13, eerste lid, Activiteitenregeling opgenomen norm. [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] hebben niet gesteld dat het toepassen van de in dat artikellid voorgeschreven niet reflecterende materialen of coatinglagen onvoldoende is om in hun situatie onaanvaardbare hinder door lichtschittering te voorkomen. Gelet hierop ziet de Afdeling in wat deze appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich onder verwijzing naar artikel 3.13, eerste lid, Activiteitenregeling niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat bij de woningen van [appellanten sub 2] en [appellant sub 4] geen onaanvaardbare hinder vanwege lichtschittering zal optreden. Het betoog faalt. Gezondheid
- [appellant sub 3], [appellant sub 11] en [appellant sub 12] vrezen dat windturbines negatieve gevolgen hebben voor de volksgezondheid. [appellant sub 12] wijst hierbij op het percentage ernstig gehinderden bij windturbines van 9 binnenshuis en 20 buitenshuis. Deze percentages tonen volgens [appellant sub 12] aan dat een reële kans bestaat dat de nabij haar woning voorziene windturbines negatieve effecten hebben op haar gezondheid. Daarnaast is volgens [appellant sub 12] wetenschappelijk bewezen dat windturbines een stressfactor vormen en leiden tot slaapproblemen en overige gezondheidsklachten. Zij wijst in dit verband onder meer naar verschillende buitenlandse onderzoeksresultaten. [appellant sub 3] betoogt dat, omdat een reële kans bestaat dat windturbines negatieve effecten hebben op de gezondheid, provinciale staten met het oog op het voorzorgsbeginsel van de vaststelling van het inpassingsplan hadden moeten afzien dan wel hadden moeten voorzien in nadere maatregelen. 46.
- Het RIVM heeft verschillende onderzoeken verricht naar de gezondheidseffecten van windturbines, waarvan de resultaten onder meer zijn neergelegd in het RIVM-rapport uit 2013, het rapport “Kennisbericht Geluid van Windturbines” uit 2015 (hierna: het kennisbericht) en het RIVM rapport uit
- In het RIVM-rapport uit 2013 is vermeld dat, afgezien van mogelijke effecten op de slaap waarover de beschikbare onderzoeksresultaten nog geen definitieve conclusie toelaten, voor andere directe effecten van windturbines op de gezondheid geen bewijs is. In het in 2015 opgestelde kennisbericht staat dat of en wanneer het geluid van windturbines tot slaapverstoring leidt uit de onderzochte studies niet duidelijk wordt. Ook staat daarin dat andere gezondheidseffecten, zoals vermoeidheid, hoge bloeddruk en het windturbinesyndroom, uit de onderzochte studies niet naar voren is gekomen. In het RIVM-rapport uit 2017 is recente literatuur over gezondheidseffecten gerelateerd aan windturbines bezien. In het RIVM-rapport uit 2017 is geconcludeerd dat het bewijsmateriaal met betrekking tot het effect van windturbines op slaap niet overtuigend is. Slaapstoornissen blijken te zijn gerelateerd aan ergernis, maar er is geen duidelijke relatie met het niveau van het geluid van de windturbine, aldus het RIVM-rapport uit
- Voor andere directe gezondheidseffecten is er volgens dat rapport geen bewijs. Gezondheidseffecten die op individuele basis zijn gemeld, kunnen een gevolg zijn van chronische ergernis, aldus het RIVM-rapport uit
- 46.
- De stelling van [appellant sub 12] dat het RIVM in zijn onderzoeken uitsluitend onderzoeksresultaten van andere onderzoekers analyseert en niet zelf onderzoek verricht naar de effecten van windturbines op de gezondheid, betekent naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf niet dat moet worden getwijfeld aan de deugdelijkheid van de onderzoeksresultaten van het RIVM die zijn neergelegd in de rapporten uit 2013, 2015 en
- 46.
- De Afdeling ziet op basis van de onderzoeksresultaten van het RIVM in het aangevoerde geen aanleiding om te oordelen dat provinciale staten het inpassingsplan vanwege mogelijke effecten van de windturbines op de volksgezondheid niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen. Daarbij overweegt de Afdeling dat het voorzorgsbeginsel, waarnaar [appellant sub 3] verwijst, niet zo ver gaat dat van provinciale staten wordt gevergd dat zij op basis van enig onderzoek waarin een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten, van de vaststelling van het inpassingsplan afzien. Provinciale staten hebben in redelijkheid van doorslaggevend gewicht kunnen achten dat het RIVM in zowel 2013, 2015 als 2017 op basis van een analyse van de toen beschikbare onderzoeken naar de effecten van windturbines op gezondheid, heeft geconcludeerd dat voor de door appellanten gestelde klachten geen dan wel onvoldoende overtuigend bewijs is te vinden. Het betoog faalt. Veiligheid
- [appellant sub 3] heeft beroepsgronden aangevoerd over de gevolgen van de windturbines voor de veiligheid. Handboek Risicozonering Windturbines
- Alvorens in te gaan op de gevolgen van het inpassingsplan voor de veiligheid, beoordeelt de Afdeling eerst het betoog van [appellant sub 3] dat betrekking heeft op de wijze waarop de veiligheidsrisico’s van windturbines kunnen worden beoordeeld. [appellant sub 3] betoogt in dit verband dat in het "Handboek Risicozonering Windturbines" (hierna: het Handboek), dat provinciale staten bij de beoordeling van de veiligheidsrisico’s hebben gehanteerd, wordt uitgegaan van een te laag aantal ongelukken dat zich in het verleden bij windturbines heeft voorgedaan. Volgens [appellant sub 3] heeft dit tot gevolg dat de veiligheidsrisico’s in het Handboek worden onderschat. 48.
- In artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit zijn regels gesteld voor de veiligheid in de omgeving van een windturbine of combinatie van windturbines. Deze regels zijn van toepassing op buiten de inrichting gelegen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten. In de Nota van toelichting bij artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit is vermeld dat voor het bepalen of berekenen van de in artikel 3.15a genoemde waarden gebruik kan worden gemaakt van het Handboek. Het regelgevend bevoegd gezag acht het Handboek op zichzelf een geschikte methode om de veiligheidsrisico’s van windturbines te beoordelen. Ook de Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 november 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB7798, onder 2.9.1 overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het Handboek niet tot uitgangspunt mag worden genomen bij de beoordeling van de veiligheidsrisico’s van windturbines. De Afdeling ziet zich hier gesteld voor de vraag of hetgeen [appellant sub 3] heeft aangevoerd aanleiding geeft om thans ten aanzien van het Handboek, dat voor het laatst is geactualiseerd in september 2014, tot een ander oordeel te komen. 48.
- In het deskundigenbericht staat dat in bijlage A bij het in 2014 geactualiseerde Handboek een uitgebreide analyse is opgenomen van risicovolle incidenten van windturbines waarbij ook is nagegaan of de faalstatistiek zou moeten worden aangepast op basis van recentere gegevens. Uit die analyse is niet naar voren gekomen dat de vanaf 2005 gehanteerde faalfrequenties zouden moeten worden verhoogd. Er bestaat volgens het deskundigenbericht geen reden het resultaat van deze analyse in twijfel te trekken. Hierbij komt dat in het deskundigenbericht is vermeld dat de waarden die in het Handboek worden gehanteerd niet de verwachtingswaarden zijn, maar waarden die zijn gebaseerd op de bovengrens van het 95% betrouwbaarheidsinterval. Hierdoor is volgens het deskundigenbericht sprake van een hoge mate van zekerheid dat de volgens het Handboek berekende faalkansen in werkelijkheid lager zijn. 48.
- [appellant sub 3] heeft de juistheid van hetgeen in het deskundigenbericht over het Handboek is vermeld niet met concrete argumenten bestreden. De Afdeling ziet gelet hierop in het door [appellant sub 3] aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten bij de beoordeling van de veiligheidsrisico’s van de in het inpassingsplan voorziene windturbines niet in redelijkheid het Handboek hebben kunnen hanteren. Het betoog faalt. Afstand tussen wegen en windturbines
- [appellant sub 3] betoogt dat in het Handboek wordt geadviseerd om een windturbine met een rotordiameter van meer dan 120 m te situeren op minimaal 60 m van de openbare weg. De twee in het inpassingsplan meest westelijk voorziene windturbines voldoen volgens [appellant sub 3] niet aan deze minimale voorkeursafstand. 49.
- In hoofdstuk 5 van het Handboek wordt nader ingegaan op de aan te houden afstand tussen wegen en windturbines. In dit hoofdstuk is verwezen naar de door de voormalige minister van Verkeer en Waterstaat vastgestelde "Beleidsregel voor het Plaatsen van Windturbines op, in of over Rijkswaterstaatswerken". In deze beleidsregel zijn in artikel 3 voorschriften opgenomen over de minimaal aan te houden afstand tussen rijkswegen en windturbines. Dit artikel en de daarbij behorende toelichting heeft [appellant sub 3] ten grondslag gelegd aan zijn betoog dat een windturbine met een rotordiameter van meer dan 120 m op een afstand van minimaal 60 m van de openbare weg dient te worden gesitueerd. Zoals in het deskundigenbericht en het verweerschrift is vermeld, is de door [appellant sub 3] aangehaalde beleidsregel in dit geval niet van toepassing, omdat de Spuiweg geen rijksweg is. Nu uit hoofdstuk 5 van het Handboek niet het advies kan worden afgeleid de in de beleidsregel gehanteerde afstanden tussen rijkswegen en windturbines toe te passen voor andere wegen dan rijkswegen, ziet de Afdeling niet dat provinciale staten kan worden tegengeworpen die afstanden niet te hebben aangehouden. Het betoog van [appellant sub 3] dat de in het inpassingsplan voorziene windturbines in strijd met het Handboek niet zijn gesitueerd op de minimale voorkeursafstand van openbare wegen, faalt. Risico voor passanten als gevolg van het falen van de windturbine
- [appellant sub 3] betoogt dat de rotorbladen van de twee meest westelijk voorziene windturbines over de Spuiweg draaien. Hierdoor is de veiligheid van het verkeer en de passanten op de weg in het geding, aldus [appellant sub 3]. Bij de vaststelling van het inpassingsplan is volgens hem ten onrechte geen onderzoek verricht naar deze veiligheidsrisico’s. 50.
- Provinciale staten stellen dat uitsluitend de tweede windturbine, gezien vanuit westelijke richting, over de openbare weg draait. In het deskundigenbericht is dit bevestigd. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. 50.
- Wat betreft de vraag of de overdraai van de tweede windturbine over de Spuiweg leidt tot onaanvaardbare veiligheidsrisico’s als gevolg van het mogelijk falen van de windturbine, overweegt de Afdeling als volgt. 50.
- De Afdeling stelt voorop dat in het Activiteitenbesluit geen veiligheidsnormen zijn opgenomen voor de situatie dat een windturbine over de openbare weg draait. Dit neemt niet weg dat provinciale staten bij de vaststelling van het inpassingsplan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening gehouden zijn te onderzoeken of de overdraai van de rotorbladen over de Spuiweg vanuit veiligheidsoogpunt aanvaardbaar is. 50.
- Voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan is onderzoek verricht naar het aspect externe veiligheid. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de notitie "Veiligheidsanalyse t.b.v. Combi-MER Windpark Spui" van september 2015, dat als bijlage 9 bij het MER is gevoegd. In paragraaf 2.4 van deze notitie is vermeld dat de windturbines zo zijn gesitueerd dat deze niet over openbare wegen draaien. Verder kwantitatief onderzoek is op dit punt dan ook niet vereist, aldus de notitie. Ten tijde van het deskundigenonderzoek hebben provinciale staten
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.