201702832/1/R2. Datum uitspraak: 2 mei 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1], gevestigd te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, 2. [appellante sub 2], gevestigd te Gemert, gemeente Gemert-Bakel, appellanten, en de raad van de gemeente Gemert-Bakel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening Gemert-Bakel Stedelijke gebieden, oktober 2016" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellante sub 2] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 maart 2018, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. drs. F.T.H. Branten, zijn verschenen. Overwegingen 1. Het plan voorziet in de mogelijkheid 8 zelfstandige appartementen te realiseren op het perceel [locatie A]. Voorheen was hier een café met bovenwoning aanwezig, dit is ten behoeve van de voorziene woningbouw gesloopt. [appellante sub 1] exploiteert een supermarkt aan de [locatie B], die schuin tegenover het perceel [locatie A] is gelegen. [appellante sub 2] is eigenaar en verhuurder van het pand [locatie B]. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij vrezen met name voor parkeeroverlast. Inspraak 2. [appellante sub 2] stelt dat ten onrechte vooraf geen inspraak of vooroverleg heeft plaatsgevonden over de voorziene ontwikkeling. 2.1. Het bieden van vooroverleg met [appellante sub 2] en inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan. Parkeren 3. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] stellen dat het plan niet voldoet aan de geldende parkeernorm. Voorts zijn de parkeerplaatsen achter de in het plan voorziene appartementen slecht bereikbaar, aldus [appellante sub 1] en [appellante sub 2]. Verwijdering van de paaltjes zou ertoe leiden dat automobilisten geen omweg meer hoeven te maken om de parkeerplaatsen te bereiken. Nu de bereikbaarheid van de parkeerplaatsen aan de achterzijde echter onvoldoende is gegarandeerd, is niet geborgd dat het plan voldoet aan het parkeerbeleid, althans dat het plan strekt tot een goede ruimtelijke ordening, aldus [appellante sub 1] en [appellante sub 2]. Zij vrezen dat de nieuwe bewoners van de appartementen gebruik zullen maken van de parkeerplaatsen voor de supermarkt aan de [locatie B], waardoor klanten van de supermarkt ter plaatse niet kunnen parkeren. Zeker voor minder mobiele klanten zal dat problematisch zijn, aldus [appellante sub 1] en [appellante sub 2] [appellante sub 2] stelt dat bovendien niet duidelijk is of kan worden uitgegaan van 1,3 parkeerplaatsen per woning, nu onduidelijk is of de woningen uitsluitend voor starters zijn bedoeld. Bovendien is volgens [appellante sub 2] geen rekening gehouden met 0,7 parkeerplaats per woning voor bezoekers. Verder dienen de parkeerplaatsen die op grond van het parkeerbeleid in de parkeerdrukmeting worden meegenomen, binnen een afstand van 100 meter van de woningen te liggen en hanteert het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek in de "Aanbevelingen Stedelijke Verkeersvoorzieningen 2012" (hierna: de ASVV) een breedte van 2,50 en een lengte van 5 meter voor parkeervakken. Volgens [appellante sub 2] is onduidelijk of daaraan wordt voldaan. Voorts acht [appellante sub 2] het gezien de verschillende afbeeldingen in en bij de ruimtelijke onderbouwing onduidelijk wat nu de precieze inrichting van het perceel zal worden. Voorts wijst [appellante sub 2] erop dat een storting in het parkeerfonds volgens de "Parkeerbeleidsnota Gemert-Bakel 2013" (hierna: de parkeernota) zoals vastgesteld door de raad op 21 november 2013, uitsluitend is toegestaan in uitzonderlijke gevallen. Volgens [appellante sub 2] is onvoldoende onderbouwd dat daarvan sprake is. Bovendien moet de initiatiefnemer aantonen dat hij de benodigde parkeerplaatsen niet kan realiseren. [appellante sub 2] vraagt zich in dat kader af waarom een parkeerkelder ter plaatse niet zou kunnen worden gerealiseerd. Dat er binnen een afstand van 160 meter volgens de raad nog diverse centrale parkeerplaatsen zijn, is volgens [appellante sub 2] niet relevant, omdat op grond van het parkeerbeleid een straal van 100 meter moet worden aangehouden. 3.1. De raad stelt dat op grond van het gemeentelijke parkeerbeleid terecht van een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per woning is uitgegaan. Omdat uit het parkeeronderzoek blijkt dat ruim voldoende parkeerplaatsen in de omgeving aanwezig zijn, zal voor 3 woningen een storting in het parkeerfonds worden gedaan. De raad is van mening dat het parkeeronderzoek een representatief beeld geeft van de parkeersituatie ter plaatse. 3.2. Artikel 7.2.1 van de planregels luidt: "7.2.1 Algemeen b. Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt slechts verleend nadat afdoende is verzekerd dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid; c. Onder voldoende parkeergelegenheid als genoemd onder b. wordt verstaan dat wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in de beleidsregel "Parkeerbeleidsnota Gemert-Bakel 2013" én dat indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging. " 3.3. In de parkeernota wordt voor senioren- en starterswoningen tot 75 m2 bvo als norm 1,3 parkeerplaats per woning aangehouden: 0,6 parkeerplaats op eigen terrein en 0,7 parkeerplaats in het openbaar gebied. 3.4. De parkeernota vermeldt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen parkeren op eigen terrein het uitgangspunt is. Het begrip "eigen terrein" moet worden gelezen als het zelfstandig oplossen van de parkeerbehoefte, met inachtneming van de vastgestelde parkeernormen en de wijze waarop deze dienen te worden toegepast. Dit betekent dat parkeren niet per definitie op de kavel zelf hoeft te worden opgelost. Van het beleid om bij een ruimtelijke ontwikkeling te voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein kan in uitzonderlijke gevallen worden afgeweken, bijvoorbeeld wanneer het initiatief als van maatschappelijk belang wordt gezien. De initiatiefnemer moet kunnen aantonen dat hij de parkeerplaatsen niet kan realiseren of het bouwplan niet kan aanpassen, voordat er sprake kan zijn van het gebruik maken van het parkeerfonds. Volgens de parkeernota kunnen zich situaties voordoen waarbij het redelijkerwijs fysiek niet mogelijk is om aan de parkeereis op eigen terrein te voldoen. In die gevallen kan het college een ontheffing verlenen van de verplichting om de parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Dit mag echter niet zomaar, er moet wel zicht zijn op de ruimtelijke mogelijkheden om deze verplichting over te nemen. Om te beoordelen of de openbare weg kan worden betrokken in de parkeeroplossing mag na realisatie en in gebruikneming van de te realiseren functie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.