Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht. 201707504/1/V
(2014)2010; hierna: de Richtsnoeren), waarin het volgende is vermeld (blz. 10). "De lidstaten hebben een zekere beoordelingsmarge bij de beslissing of het wenselijk en noodzakelijk is om het bewijs van de gezinsband te verifiëren door middel van gesprekken en andere vormen van onderzoek, zoals DNA- tests. De criteria van wenselijkheid en noodzakelijkheid impliceren dat dergelijk onderzoek niet is toegestaan wanneer er andere passende en minder beperkende manieren zijn om een gezinsband aan te tonen. Alle verzoeken en bijgaande documenten en de wenselijkheid en noodzakelijkheid van gesprekken en ander onderzoek dienen per geval te worden beoordeeld."
- Een van de in hoofdstuk V bedoelde gunstiger bepalingen is artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Hieruit volgt dat een lidstaat, in de situatie dat een referent of vreemdeling geen officiële bewijsstukken kan overleggen waaruit de gezinsband blijkt, ook andere bewijsmiddelen in aanmerking moet nemen en deze overeenkomstig het nationale recht moet beoordelen. Verder volgt hieruit dat een lidstaat een afwijzing van een aanvraag niet louter mag baseren op het ontbreken van bewijsstukken. Volgens de Richtsnoeren hebben de lidstaten hierbij geen beoordelingsruimte en moeten zij aan de hand van het nationale recht beoordelen of de desbetreffende referent of vreemdeling de gezinsband met andere bewijsmiddelen heeft gestaafd. In de Richtsnoeren is immers het volgende vermeld (blz. 23). "In artikel 11, lid 2, wordt expliciet, zonder dat er sprake is van een beoordelingsmarge, bepaald dat een beslissing tot afwijzing van het verzoek niet louter gebaseerd kan zijn op het ontbreken van bewijsstukken en dat de lidstaten in dergelijke gevallen "ook andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een (…) gezinsband" in aanmerking moeten nemen. Aangezien dergelijke "andere bewijsmiddelen" moeten worden beoordeeld overeenkomstig het nationaal recht, hebben de lidstaten een zekere beoordelingsmarge. Wel moeten zij duidelijke regels vaststellen voor de vereisten inzake deze bewijsmiddelen. Voorbeelden van "andere bewijsmiddelen" voor het aantonen [van de] familiebanden zijn schriftelijke/mondelinge verklaringen van de indieners, gesprekken met de gezinsleden of onderzoek naar de situatie in het buitenland. Deze verklaringen kunnen dan bijvoorbeeld worden bevestigd door ondersteunend bewijsmateriaal als documenten, audiovisueel materiaal, documenten of fysieke bewijsstukken (zoals diploma’s en afschriften van banktransacties) of kennis van specifieke feiten." Beleid en gewijzigd beoordelingskader 9.
- Uit de toelichting die de staatssecretaris op de zitting bij de Afdeling heeft gegeven, volgt dat hij vóór 1 januari 2018 al overeenkomstig paragraaf C1/4.4.6 van de Vc 2000, zoals luidend met ingang van 1 januari 2018, heeft gehandeld door van Eritrese vreemdelingen niet te eisen dat zij een document voor grensoverschrijding maar een identiteitskaart overleggen en door te eisen dat zij, indien zij stellen dat zij geen identiteitskaart kunnen overleggen, dit aannemelijk maken. De Afdeling leidt hieruit af dat de staatssecretaris, die erop heeft gewezen dat paspoorten en uitreisvisa in Eritrea lastig te verkrijgen zijn, Eritrese vreemdelingen hiermee in hun bewijslast is tegemoetgekomen. 9.
- Het gewijzigde beoordelingskader, zoals weergegeven onder 6.1., is niet bij besluit vastgesteld en dus niet omgezet in beleidsregels als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De Afdeling ziet het gewijzigde beoordelingskader daarom als een nieuwe vaste gedragslijn die de staatssecretaris volgt bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen. Als de staatssecretaris zo'n aanvraag afwijst, moet hij deugdelijk motiveren waarom die aanvraag, gelet op overgelegde officiële en onofficiële documenten en afgelegde verklaringen, niet voor inwilliging in aanmerking komt. De Afdeling leest artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn aldus dat deze bepaling zowel officiële documenten over de gestelde familierelatie als officiële documenten over de gestelde identiteit van de desbetreffende vreemdeling betreft en dat het aan die vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij dergelijke documenten niet kan overleggen. Het vaststellen of aannemelijk achten van de identiteit van een vreemdeling is immers een onderdeel van de beoordeling van de staatssecretaris of die vreemdeling behoort tot het gezin van de desbetreffende referent. De Afdeling begrijpt de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals weergegeven onder 6.1., als volgt. Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten over de gestelde familierelatie kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt de staatssecretaris onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, betrekt de staatssecretaris deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen de staatssecretaris aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. Hiervoor is in de eerste plaats vereist dat de onofficiële documenten die die vreemdeling over de gestelde familierelatie heeft overgelegd, substantieel bewijs zijn. In de tweede plaats is vereist dat die vreemdeling, als hij geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit aan te tonen en stelt dat hij geen officiële identiteitsdocumenten kan overleggen, dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt óf substantieel bewijs van zijn identiteit in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overlegt. De staatssecretaris biedt echter geen aanvullend onderzoek aan als een contra-indicatie van toepassing is. De Afdeling acht de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris in overeenstemming met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ten eerste staat deze bepaling er niet aan in de weg dat de staatssecretaris eist dat een vreemdeling zijn stelling dat hij een bepaald officieel document niet kan overleggen, aannemelijk maakt met een op de persoon toegespitste verklaring. Dit is slechts anders indien aan deze verklaring zodanige eisen worden gesteld dat afbreuk wordt gedaan aan het nuttig effect van deze bepaling. Verder betrekt de staatssecretaris onofficiële documenten, dus andere bewijsmiddelen als bedoeld in deze bepaling, bij zijn beoordeling of die vreemdeling de door hem gestelde familierelatie of identiteit aannemelijk heeft gemaakt, ongeacht of zich bewijsnood voordoet. Daarnaast kunnen overgelegde onofficiële documenten over de gestelde familierelatie de staatssecretaris aanleiding geven de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden, zoals een identificerend gehoor. Ten slotte is van belang dat de staatssecretaris ook aanvullend onderzoek kan aanbieden als een vreemdeling met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen officiële documenten kan overleggen. Hiermee is overeenkomstig artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn gewaarborgd dat het enkel ontbreken van documenten geen grond vormt voor afwijzing van een aanvraag. Gelet op het voorgaande, staat artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet in de weg aan de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals weergegeven onder 6.
- 9.
- In het feit dat de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, in haar verwijzingsuitspraak van 14 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13124, een prejudiciële vraag heeft gesteld over artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, ziet de Afdeling geen aanleiding om het onderzoek ter zitting te schorsen of een prejudiciële vraag aan het Hof te stellen. Die verwijzingsuitspraak dateert van vóór de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals weergegeven onder 6.
- De rechtbank heeft deze gedragslijn dan ook niet bij haar beoordeling kunnen betrekken. Beoordeling grief
- Om antwoord te kunnen geven op de vraag of de staatssecretaris in strijd heeft gehandeld met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn door de aanvraag af te wijzen op de gronden zoals weergegeven onder 3., zal de Afdeling eerst het besluit beoordelen in het licht van de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals weergeven onder 6.
- 10.
- De staatssecretaris heeft in het besluit erop gewezen dat de vreemdeling bewijsnood aannemelijk moet maken als zij de gestelde familierelatie en haar identiteit op een andere wijze dan met officiële documenten aannemelijk wil maken. Hieruit volgt niet dat de staatssecretaris bij de beoordeling van de aanvraag vooruitliep op de nieuwe vaste gedragslijn, zoals weergegeven onder 6.
- De staatssecretaris heeft op de zitting niet nader toegelicht waarom de aanvraag volgens de nieuwe vaste gedragslijn niet voor inwilliging in aanmerking komt. Voorts hebben de vreemdeling en de referent op de zitting bij de Afdeling onweersproken erop gewezen dat zij twee onofficiële documenten hebben overgelegd om de gestelde familierelatie aannemelijk te maken. Zij hebben in hun bezwaarschrift gewezen op een document dat zij als kerkelijke huwelijksakte hebben overgelegd. Voorts hebben zij in beroep een verklaring van een woningverhuurder overgelegd. Gelet op de nieuwe vaste gedragslijn van de staatssecretaris, zoals weergegeven onder 6.1., had de staatssecretaris deze documenten bij zijn beoordeling moeten betrekken. Hij had moeten beoordelen of hij deze documenten als substantieel bewijs beschouwt en of de vreemdeling, ook al heeft zij haar identiteit niet aangetoond met officiële documenten, voldoet aan de vereisten voor aanvullend onderzoek. Gelet hierop heeft de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk gemotiveerd door de aanvraag af te wijzen op de gronden zoals weergegeven onder
- Reeds hierom slaagt de grief. Conclusie
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 30 november 2016 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.
- De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 18 augustus 2017 in zaak nr. 16/30404; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 30 november 2016, kenmerk V-nummer [nummer]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.004,00 (zegge: tweeduizend vier euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier. w.g. Verheij w.g. De Keizer voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2018
- BIJLAGE Recht van de Europese Unie Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) Artikel 4
- De lidstaten geven uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming tot toegang en verblijf aan de volgende gezinsleden: a) de echtgenoot van de gezinshereniger; […] Artikel 5
- Het verzoek gaat vergezeld van documenten waaruit de gezinsband blijkt en documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 4 en 6 en, indien van toepassing, de artikelen 7 en 8, alsook van gewaarmerkte afschriften van de reisdocumenten van de gezinsleden. Teneinde bewijs voor het bestaan van een gezinsband te verkrijgen, kunnen de lidstaten desgewenst gesprekken houden met de gezinshereniger en diens gezinsleden en ander onderzoek verrichten dat nodig wordt geacht. […] Artikel 11
- Onverminderd het bepaalde in lid 2 van dit artikel is artikel 5 van toepassing op de indiening en behandeling van het verzoek.
- Wanneer een vluchteling geen officiële bewijsstukken kan overleggen waaruit de gezinsband blijkt, nemen de lidstaten ook andere bewijsmiddelen inzake het bestaan van een dergelijke gezinsband in aanmerking, die overeenkomstig het nationale recht worden beoordeeld. Een beslissing tot afwijzing van het verzoek mag niet louter gebaseerd zijn op het ontbreken van bewijsstukken. Nationale regelgeving Vw 2000 Artikel 29
- Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling; b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin; […] Vb 2000 Artikel 1.26 1 De vreemdeling legt bij de in persoon ingediende aanvraag, bedoeld in artikel 1.24, eerste lid, in ieder geval over een geldig document voor grensoverschrijding, alsmede, voor zover redelijkerwijs mogelijk, de gegevens en bescheiden op basis waarvan kan worden vastgesteld dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening of wijziging. 2 Bij de niet in persoon door de referent ingediende aanvraag legt hij afschriften over van de in het eerste lid bedoelde gegevens en bescheiden en legt hij, of in voorkomend geval de vreemdeling, op verzoek van Onze Minister de originelen over. 3 In afwijking van het eerste lid legt de vreemdeling die niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, voor zover redelijkerwijs mogelijk, gegevens en bescheiden over waarmee wordt aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. In dat geval legt hij tevens aanvullende gegevens of bescheiden over omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Vc 2000 Paragraaf C1/4.4.6, zoals luidend van 20 juli 2015 tot 1 januari 2017 De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, moet de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van: • een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont; • indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont; • indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het samenwonen in het land van herkomst aantoont; en • indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het minderjarige kind en de ouder aantoont. Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. Paragraaf C2/6.2.3 Vc is van toepassing. Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit en de gestelde familierelatie op een andere wijze aannemelijk maken. Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wijst de IND de vreemdeling of het gezinslid op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw. Paragraaf C1/4.4.6, zoals luidend van 1 januari 2017 tot 1 januari 2018 De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, moet de gestelde familierelatie aantonen door het overleggen van: - een geldig document voor grensoverschrijding dat de identiteit van de vreemdeling aantoont; - indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont; - indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het samenwonen in het land van herkomst aantoont; en - indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouder aantoont. Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. Paragraaf C1/4.3 Vc is van toepassing. Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, moet de vreemdeling zijn identiteit en de gestelde familierelatie op een andere wijze aannemelijk maken. Als de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wijst de IND de vreemdeling of het gezinslid op de mogelijkheid van DNA-onderzoek. De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw. Paragraaf C1/4.4.6, zoals luidend met ingang van 1 januari 2018 De vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, moet zijn identiteit en de gestelde familierelatie aannemelijk maken door het overleggen van: - een geldig document voor grensoverschrijding, of een ander officieel en door de autoriteiten afgegeven document dat de identiteit van de vreemdeling aantoont; - indien van toepassing, een document dat het bestaan van een geldig huwelijk aantoont; - indien van toepassing, een document dat zowel het partnerschap als het eventuele samenwonen in het land van herkomst aantoont; en - indien van toepassing, een document dat de familierechtelijke relatie tussen het kind en de ouder aantoont. Als de vreemdeling die een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw of het gezinslid bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, een of meerdere van de hierboven genoemde documenten niet kan overleggen, moet hij of het gezinslid aannemelijk maken dat het ontbreken van dit document of deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. Paragraaf C1/4.3 Vc is van toepassing. De vreemdeling die wil nareizen maakt zijn identiteit en familierechtelijke relatie aannemelijk middels het overleggen van documenten. Als er een aannemelijke verklaring wordt gegeven voor het niet kunnen overleggen van officiële documenten, dan kan de IND nader onderzoek aanbieden. De IND vraagt geen eigen bijdrage van de vreemdeling voor het DNA-onderzoek als de vreemdeling een beroep doet op artikel 29, tweede lid, Vw.