(2009)313 definitief; hierna: de richtsnoeren) een handvat voor de interpretatie van de Verblijfsrichtlijn. Volgens paragraaf 3.2 van deze richtsnoeren kunnen onder bepaalde omstandigheden veelvuldig gepleegde lichte feiten een bedreiging voor de openbare orde vormen, niettegenstaande dat elk strafbaar feit op zichzelf geen voldoende ernstige bedreiging vormt. De nationale autoriteiten moeten dit aantonen en bij hun beoordeling met name rekening houden met de aard van de strafbare feiten, het aantal strafbare feiten en de veroorzaakte schade. Het feit dat een persoon meermaals is veroordeeld, is op zichzelf niet voldoende. 5.
- De vreemdeling is blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 3 oktober 2016 onherroepelijk door de strafrechter veroordeeld tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen variërend van twee dagen tot twee maanden, voor het plegen van negen diefstallen in de periode van december 2015 tot september
- 5.
- Nu de vreemdeling zich in een tijdsbestek van nog geen jaar veelvuldig en recent schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten, daardoor herhaaldelijk overlast heeft veroorzaakt en negen keer is veroordeeld door de strafrechter tot in totaal ruim twintig weken onvoorwaardelijke gevangenisstraf, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een actuele en werkelijke bedreiging vormt. Hieruit volgt ook dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling geen positieve gedragsverandering heeft laten zien. De beroepsgrond faalt in zoverre. 5.
- De vreemdeling klaagt echter terecht dat de staatssecretaris zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling een ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt in de zin van artikel 8.22, eerste lid, van het Vb
- De staatssecretaris heeft niet toegelicht hoe zijn standpunt dat de vreemdeling, gelet op het aantal onherroepelijke gevangenisstraffen in zeer korte tijd, een zodanige bedreiging voor de samenleving vormt, zich verhoudt tot de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie geen ISD-maatregel heeft gevorderd, in aanmerking genomen dat zodanige maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive van een verdachte. Zoals blijkt uit het besluit van 7 december 2016 heeft de staatssecretaris voormelde uitspraak van 18 juni 2013 bij de beoordeling betrokken, maar heeft hij niettemin nagelaten in te gaan op de vraag waarom is afgezien van het vorderen van een ISD-maatregel. Met de algemene tegenwerping aan de vreemdeling, dat hij als veelpleger overlast en maatschappelijke schade teweegbrengt, heeft de staatssecretaris voorts ten onrechte niet nader geconcretiseerd dat en waarom het effect daarvan zodanig ingrijpend is dat een fundamenteel belang van de samenleving op het spel staat en evenmin welke schade de vreemdeling aldus heeft veroorzaakt. De beroepsgrond slaagt.
- Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 7 december 2016 is gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd.
- De staatssecretaris moet op de na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 19 juni 2017 in zaak nr. 16/30630; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond; IV. vernietigt het besluit van 7 december 2016, V-nummer [nummer]; V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1503,00 (zegge: vijftienhonderddrie euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier. w.g. Sevenster w.g. Van Meurs-Heuvel voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2018 47-
- BIJLAGE Verblijfsrichtlijn Artikel 27
- Onverminderd het bepaalde in dit hoofdstuk kunnen de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Deze redenen mogen niet voor economische doeleinden worden aangevoerd.
- De om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd. (…) Vreemdelingenwet 2000 Artikel 67
- Tenzij afdeling 3 van toepassing is, kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren: (…) b. indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht is opgelegd; (…) Vreemdelingenbesluit 2000 Artikel 8.7
- Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven. (…) Artikel 8.22
- Onze Minister kan het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Alvorens hierover een besluit te nemen, houdt Onze Minister in het bijzonder rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst. (…)