(39c)en het nazorgplan (39d en 39e) niet. Wanneer op dat moment nog sprake is van een evaluatiefase blijven daarop de verplichtingen van toepassing die ten tijde van de inwerkingtreding in de provinciale verordeningen waren neergelegd (Kamerstukken II 2003/04, 29 462, nr. 3, blz. 49).
- De Afdeling overweegt allereerst dat de werking van dit overgangsrecht, anders dan [appellant] meent, niet afhankelijk is van de artikelen waarop de NAM of het college zich zouden hebben gebaseerd bij het opstellen van stukken of het schrijven van brieven. Slechts van belang is of de saneringen zijn uitgevoerd vóór 1 januari
- De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1298, geoordeeld dat een sanering is uitgevoerd wanneer de saneringswerkzaamheden zijn afgerond.
- Wat locatie RKK 13 betreft overweegt de Afdeling als volgt. In het bij brief van 24 maart 2006 door de NAM aan het college verzonden evaluatierapport is vermeld (blz. 32) dat wat de ontgraving van verontreinigde scheuren aan de noord- en zuidzijde van de locatie betreft nog niet bekend is wanneer dit gedeelte van de sanering wordt uitgevoerd, en dat de NAM daarover in overleg is met de grondeigenaar. Gelet hierop staat vast dat per 1 januari 2006 de in het saneringsplan, zoals aangepast in 2004, opgenomen saneringswerkzaamheden niet waren afgerond. Het college heeft het bestreden besluit op bezwaar wat deze locatie betreft ten onrechte gebaseerd op de conclusie dat het per 1 januari 2006 in werking getreden artikel 39d van de Wet bodembescherming niet van toepassing is op deze sanering. Het betoog slaagt.
- Wat de locatie RKK 18 betreft overweegt de Afdeling als volgt. In het saneringsplan voor deze locatie is in hoofdstuk 7 weergegeven welke saneringswerkzaamheden worden uitgevoerd. Het komt erop neer dat de verharding op de locatie wordt verwijderd, een verontreinigde puinlaag wordt afgegraven en dat vervolgens locaties met verontreinigde grond worden opgespoord en ontgraven. Wat het grondwater betreft is vermeld dat verwacht wordt dat na verwijdering van de grondverontreiniging, de grondwaterverontreiniging minimaal tot de tussenwaarde is verwijderd. Het uitwerken van een grondwatersanering wordt daarom niet noodzakelijk geacht. In de wijziging van dit saneringsplan in 2004 is, omdat naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam strengere terugsaneerwaarden moeten worden toegepast, voorzien in een grotere hoeveelheid te ontgraven verontreinigde grond dan in het oorspronkelijke hoofdstuk 7 van het saneringsplan was opgenomen. In verband daarmee is een gewijzigde ontgravingstekening en een gewijzigde tabel met grondstromen vastgesteld. Wat het grondwater betreft is in de wijziging onder meer vermeld dat bij de grondsanering de grondwaterverontreiniging voor een deel en wellicht geheel met de grond zal worden ontgraven. Omdat de situatie na de grondsanering kan afwijken van het onderzoek dat in 2000 is uitgevoerd, is een actualisatie van de verontreinigingssituatie in het grondwater noodzakelijk. Met het (her)plaatsen van controlepeilbuizen zal een actuele situatie worden bepaald, waarna een plan voor de sanering van het grondwater wordt opgesteld. In het evaluatieverslag van 1 december 2004 heeft de NAM naar aanleiding van een analyse van deze herplaatste peilbuizen vermeld dat in het grondwater bariumgehalten boven de terugsaneerwaarde aanwezig zijn. In reactie hierop heeft het college in zijn brief van 4 september 2005 meegedeeld dat niet kan worden ingestemd met de eindsituatie. Indien de resultaten van een eventuele aanvullende sanering worden overgelegd, zal de situatie opnieuw worden beoordeeld waarbij met name aandacht wordt besteed aan de verontreiniging met barium in het grondwater. Vervolgens is, op basis van monitoring op grond van een nazorgplan voor de locatie, in de notitie van de NAM van 2 mei 2016 geconcludeerd dat in het licht van de afnemende concentratie van barium in de voormalige verontreinigingskern en de optredende lichte fluctuaties in de eerste signaleringsschil en aan de randen van de locatie, een stabiele eindsituatie is bereikt, en wordt voorgesteld de monitoring te staken. Daarmee heeft het college bij de brief van 10 januari 2017 ingestemd. 9.
- Gezien het voorgaande komen de in het saneringsplan opgenomen saneringswerkzaamheden voor locatie RKK 18 neer op het ontgraven van verontreinigde grond. Sanering van grondwater maakt geen onderdeel uit van de in dit plan opgenomen saneringswerkzaamheden. Dat de NAM in het verleden een toekomstige grondwatersanering niet uitsloot - en overigens inmiddels net als het college niet noodzakelijk acht - maakt dat niet anders. Daarom is er in dit geval geen sprake van dat de in het saneringsplan opgenomen saneringswerkzaamheden voor de locatie RKK 18 niet voor 1 januari 2006 waren afgerond. Dat nadien onder meer monitoring en nader onderzoek moest plaatsvinden en ook heeft plaatsgevonden maakt dat niet anders. Het college heeft wat deze locatie betreft dan ook terecht geconcludeerd dat artikel 39c van de Wet bodembescherming op grond van het in artikel II van de Wijzigingswet neergelegde overgangsrecht niet van toepassing is. Gelet daarop heeft het college terecht geconcludeerd dat geen sprake is van een besluit op grond van deze bepaling waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Verder kan de notitie van 2 mei 2016 ook niet, zoals [appellant] in feite betoogt, worden gezien als een verzoek om het in 2001 ingediende saneringsplan te wijzigen. Ook voor het overige kan de reactie van het college op deze notitie niet worden gezien als een krachtens de Wet bodembescherming genomen voor bezwaar vatbaar besluit met betrekking tot de locatie RKK
- De door [appellant] gemaakte bezwaren zijn wat deze locatie betreft terecht niet-ontvankelijk verklaard.
- Het beroep is gegrond. Het besluit van 5 juli 2017 dient te worden vernietigd, voor zover de bezwaren inzake locatie RKK 13 niet-ontvankelijk zijn verklaard.
- Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 5 juli 2017, kenmerk 999933983_9999318962, voor zover daarbij de bezwaren inzake locatie RKK 13 niet-ontvankelijk zijn verklaard; III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.016,97 (zegge: duizendzestien euro en zevenennegentig cent), waarvan € 1.002,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. D.J.C. van den Broek en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier. w.g. Wortmann w.g. Van der Zijpp voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2018 262.