201700748/1/V3. Datum uitspraak: 25 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de vreemdeling], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 december 2016 in zaak nr. 16/23599 in het geding tussen: de vreemdeling en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Procesverloop Bij besluit van 13 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 27 september 2016 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 december 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Luscuere, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. De vreemdeling heeft de Kameroense nationaliteit. Zij beoogt verblijf bij haar in Nederland verblijvende echtgenoot, die de Letse nationaliteit heeft (hierna: referent). De reden waarom de staatssecretaris heeft geweigerd een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) af te geven, is dat de vreemdeling de verklaring van inschrijving van referent als burger van de Europese Unie niet heeft overgelegd. Uit de systemen blijkt volgens de staatssecretaris ook niet dat referent is geregistreerd als burger van de Unie. De vreemdeling meent dat het ingevulde formulier voor registratie als burger van de Unie voor de staatssecretaris genoeg had moeten zijn om het document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 af te geven. In geschil is of de staatssecretaris de verklaring van inschrijving terecht heeft geëist of genoegen had moeten nemen met het ingevulde formulier voor registratie. 3. In de aangevallen uitspraak volgt de rechtbank niet het standpunt van de vreemdeling dat referent geregistreerd staat als burger van de Unie, omdat het formulier voor registratie als burger van de Unie is ingevuld. Tot op heden heeft referent namelijk geen verklaring van inschrijving ontvangen. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris dan ook aan de vreemdeling het document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 terecht geweigerd krachtens artikel 8.13, derde lid, aanhef en onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). 4. In grief 1 klaagt de vreemdeling, samengevat en zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, door zo te overwegen, heeft miskend dat met de eis van afgifte van een verklaring van inschrijving een vereiste wordt gesteld waaraan zij niet kan voldoen, omdat uit de nationale regelgeving niet volgt wat een dergelijke verklaring is en hoe zij deze kan verkrijgen. Zodra zij het ingevulde formulier voor registratie als burger van de Unie heeft overgelegd, is volgens de vreemdeling aan de inschrijvingseis voldaan. 4.1. De artikelen 8.12, vierde, vijfde en zesde lid en 8.13, eerste, tweede en derde lid, van het Vb 2000 en artikel 7.2a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (hierna: VV 2000) zijn een implementatie van de artikelen 8 en 10 van de Verblijfsrichtlijn. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Verblijfsrichtlijn volgt dat de inschrijving van burgers van de Unie niet is bedoeld om het verblijfsrecht te bewijzen, maar om de lidstaten die dit wensen in staat te stellen de verplaatsingen van de bevolking na te gaan. De inschrijving kan worden geweigerd, als de burger van de Unie niet bij machte is de in artikel 8 van de Verblijfsrichtlijn genoemde documenten over te leggen (Raadsdocument 10572/02 van 10 juli 2002, blz. 23-24, www.consilium.europa.eu). De nota van toelichting bij het besluit van 24 april 2006, houdende wijziging van het Vb 2000 in verband met de implementatie van de Verblijfsrichtlijn (Staatsblad 2016, 215, blz. 22-23) maakt ook melding van deze weigeringsmogelijkheid. Omdat de verklaring van inschrijving onmiddellijk moet worden afgegeven (zie artikel 8, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn) en alleen in specifieke concreet benoemde gevallen geweigerd moet worden, is het volgens de nota van toelichting een betrekkelijk soepel systeem. Deze regeling in het Vb 2000 en het VV 2000 is naar het oordeel van de Afdeling in overeenstemming met de Verblijfsrichtlijn. 4.2. De hiervoor genoemde weigeringsmogelijkheid vergt een beoordeling van de documenten van de referent en dat maakt al dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het standpunt van de vreemdeling niet kan worden gevolgd dat referent geregistreerd staat als burger van de Unie op de enkele grond dat het formulier voor registratie als burger van de Unie is ingevuld, terwijl van een verklaring van inschrijving niet gebleken is. Uit dat formulier voor registratie blijkt immers niet dat die noodzakelijke beoordeling van de documenten van de referent heeft plaatsgevonden. Weliswaar is in het Vb 2000 niet nader uitgewerkt wat onder een verklaring van inschrijving moet worden verstaan, maar uit de nota van toelichting blijkt, anders dan de vreemdeling betoogt, afdoende wat hiermee wordt bedoeld. Verder is in artikel 8.12, zesde lid, van het Vb 2000 duidelijk weergegeven wat er in een dergelijke verklaring staat en is in artikel 7.2a, eerste lid, van het VV 2000 nader uiteengezet welke gegevens en bescheiden een vreemdeling die een dergelijke verklaring wenst, moet overleggen. 4.3. Omdat artikel 8.13, derde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 voor de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 een verklaring van inschrijving vereist van de Unieburger waarbij de vreemdeling wil verblijven, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris dit document in dit geval terecht heeft geweigerd, omdat die verklaring ontbreekt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 3 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM5541, onder 2.1, is de afgifte van een verblijfsdocument ten bewijze van rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan geen constitutief besluit, maar een declaratoire handeling. Dat document schept dus geen verblijfsrecht, maar bevestigt slechts een (al bestaand) verblijfsrecht. De omstandigheid dat de vreemdeling in dit geval niet in aanmerking komt voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 vanwege de hiervoor genoemde administratieve reden, betekent dus op zichzelf, anders dan de staatssecretaris in zijn besluiten van 13 juni 2016 en 27 september 2016 lijkt te veronderstellen, niet dat de vreemdeling geen (afgeleid) verblijfsrecht heeft. Voor het bestaan van dat verblijfsrecht is bepalend of aan de artikelen 8.12 en 8.13, eerste lid, van het Vb 2000, die de implementatie vormen van artikel 7 van de Verblijfsrichtlijn, is voldaan. De grief faalt. 5. Wat als grieven 2 en 3 is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan. 6. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier. w.g. Sevenster w.g. Nienhuis voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2018 466. BIJLAGE Verblijfsrichtlijn (PB 2004, L 158, met rectificatie in PB 2004 L 229) Artikel 3 1. Deze richtlijn is van toepassing ten aanzien van iedere burger van de Unie die zich begeeft naar of verblijft in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit, en diens familieleden als gedefinieerd in artikel 2, punt 2), die hem begeleiden of zich bij hem voegen. […] Artikel 7 1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.