201701568/1/V1. Datum uitspraak: 28 juni 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 januari 2017 in zaak nr. 16/17018 in het geding tussen: [de vreemdeling], mede voor haar minderjarige kind, en de staatssecretaris. Procesverloop Bij besluit van 4 juli 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd. Bij uitspraak van 27 januari 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Bravo Mougán, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Vervolgens is het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Inleiding 2. In deze zaak gaat de voorgedragen grief over het moment waarop in de Nederlandse regelgeving een asielaanvraag aan de orde is, in bijzonder waar het een opvolgend asielverzoek betreft. Dit moment is van belang voor de ingangsdatum van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De vraag of een asielverzoek is ingediend op het moment dat de vreemdeling zich schriftelijk aanmeldt door de wens kenbaar te maken een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te willen indienen dan wel op het moment dat hij met het daarvoor bestemde formulier het asielverzoek formeel indient, houdt verband met artikel 3.118b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000). In dit artikel heeft de regelgever de wijze van indiening van een opvolgende asielaanvraag voorgeschreven door van de vreemdeling te verlangen dat hij vooraf een kennisgevingsformulier invult. Dit is het model M35-O, bedoeld in paragraaf C1/2.9 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Na een uitnodiging van de Immigratie- en Naturalisatiedienst wordt de vreemdeling in de gelegenheid gesteld bij de bevoegde autoriteiten een formeel asielverzoek in te dienen. Dit is het model M35-H (Stcrt. 2014 nr. 9044 van 31 maart 2014, Bijlage 1) en dat vormt de start van de zogeheten ééndagstoets asiel, bedoeld in artikel 3.118b, tweede lid, van het Vb 2000. De uitspraak gaat over de vraag of voor het moment van indienen van de asielaanvraag en de ingangsdatum bij vergunningverlening het model M35-O dan wel het model M35-H bepalend is en hoe dit zich verhoudt tot de Awb en over de vraag of het in deze wet neergelegde stelsel past binnen het Unierecht. Het hoger beroep 3. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in strijd met artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning asiel heeft bepaald op 4 juli 2016 en niet op 17 maart 2016. Daarover voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling niet met het indienen van het model M35-O op 17 maart 2016, maar pas met het ondertekenen van het model M35-H op 4 juli 2016 een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend in de zin van artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000. Volgens de staatssecretaris maakt de Procedurerichtlijn een onderscheid tussen het kenbaar maken van een asielverzoek en de daadwerkelijke indiening ervan en laat artikel 6, derde lid, van de Procedurerichtlijn toe dat dat hij van een vreemdeling die een opvolgende asielaanvraag wenst in te dienen, verlangt dat deze, na het met het kennisgevingsformulier 'model M35-O' kenbaar maken van zijn wens, op een later moment door ondertekening van het model M35-H, op een door de staatssecretaris te bepalen plaats de opvolgende asielaanvraag indient. 3.1. De nationale wetgever heeft met de Awb voorzien in een stelsel dat regelt dat een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen een aanvraag vormt. Aan het begrip aanvraag en het besluitbegrip zijn zaken als de beslistermijn en rechtsbescherming en, gelet op artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000, de ingangsdatum van de verblijfsvergunning gekoppeld. Artikel 37 van de Vw 2000 voorziet niet in een wettelijke grondslag voor afwijking van het begrip aanvraag. Ook is er geen ander wetsartikel dat daarin voorziet. Voor zover de staatssecretaris in de lagere regelgeving met het model M35-O heeft beoogd voor de indiening van een tweede of volgende asielaanvraag regels te stellen die afwijken van de Awb is dat in strijd met die wet. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de vreemdeling door het model M35-O in te vullen en te ondertekenen een asielaanvraag heeft ingediend. Hiermee heeft namelijk een belanghebbende een verzoek gedaan aan het bevoegde bestuursorgaan om een besluit te nemen. Dat hiermee het model M35-H zinledig wordt, zoals de staatssecretaris betoogt, is geen relevant argument om het wettelijk systeem anders te duiden. De Afdeling heeft in de sfeer van het procesrecht voor reguliere aanvragen hetzelfde overwogen voor de betekenis van het kennisgevingsformulier, bedoeld in artikel 3.99a, eerste lid, van het Vb 2000. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 29 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:945. 3.2. Artikel 6 van de Procedurerichtlijn maakt duidelijk dat de lidstaten verschil mogen maken tussen het doen ('make' in de Engelse taalversie) van een asielverzoek en het indienen ('lodge' in de Engelse taalversie) daarvan. Uit het derde lid van dit artikel volgt dat de lidstaten bevoegd zijn de wijze van indiening van een asielaanvraag voor te schrijven. Het vierde lid van dit artikel bewerktstelligt dat gebruikmaking van die bevoegdheid er niet aan in de weg staat dat een asielverzoek geacht wordt te zijn ingediend zodra de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door een asielzoeker ingediend formulier hebben ontvangen. Het stelsel van de Awb, weergegeven in de bijlage, past binnen het Unierecht. Het systeem van de Procedurerichtlijn en de Opvangrichtlijn dwingt er niet toe dat wordt afgeweken van de Awb in die zin dat voor de opvolgende asielaanvraag en daaraan gekoppelde ingangsdatum bij vergunningverlening niet het moment van invulling en ondertekening van model M35-O maar dat van model M35-H bepalend zou zijn. 3.3. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat het bij de staatssecretaris indienen van het model M35-O een aanvraag is in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dat die aanvraag wellicht niet volledig is, doet daaraan, gelet op artikel 4:5, eerste lid, van de Awb, niet af. Het vorenstaande brengt mee dat, overeenkomstig een juiste toepassing van artikel 44, tweede lid, van de Vw 2000, de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris de ingangsdatum van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten onrechte heeft bepaald op 4 juli 2016 en niet op 17 maart 2016, zijnde de datum waarop de asielaanvraag zou zijn ontvangen. De grief faalt. 4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Omdat in het besluit van 4 juli 2016 staat dat het model M35-O op 8 februari is ontvangen, terwijl dat formulier is ondertekend door de vreemdeling op 14 maart 2016 en haar gemachtigde op 16 maart 2016, en de staatssecretaris uitgaat van indiening op 17 maart 2016, bestaat onduidelijkheid over de datum van indiening. De staatssecretaris moet dat voor zijn nadere besluitvorming uitzoeken. Daarom kan de Afdeling in deze zaak niet zelf in de zaak voorzien. 5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, griffier. w.g. Verheij w.g. Groeneweg voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 juni 2018 32. BIJLAGE Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU; PB 2013, L 180, blz. 60) Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder: […]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.