(2002)225) is het vereiste van 'werkelijk gezinsleven' opgenomen om oneigenlijk gebruik van het recht op gezinshereniging te bestrijden. Dit recht is volgens deze toelichting bedoeld om de eenheid van het kerngezin, te weten: de echtgenoot of echtgenote en de minderjarige kinderen, te handhaven of te herstellen (zie ook punten 6 en 9 van de considerans bij de richtlijn). Uit het arrest van het Hof van 4 maart 2010, Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117, punt 44, volgt dat het begrip 'werkelijk gezinsleven' in overeenstemming moet zijn met het grondrecht op eerbiediging van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en artikel 7 van het EU Handvest (zie ook punt 2 van de considerans). Omdat artikel 4, eerste lid, aanhef, van de richtlijn expliciet verwijst naar artikel 16 van de richtlijn, kan de beslissingsautoriteit al bij de beoordeling van een aanvraag rekening houden met eventueel oneigenlijk gebruik. Gelet hierop is artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn ook deels geïmplementeerd in artikel 3.14 van het Vb
- 4.
- Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, van de richtlijn en artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000 bevatten elk drie cumulatieve vereisten. De vereisten dat sprake is van biologisch of juridisch ouderschap en van gezag zijn identiek. Het Unierechtelijke begrip 'ten laste komen van' als verwerkt in de richtlijn is omgezet in het vereiste uit het Vb 2000 om feitelijk tot het gezin van de gezinshereniger te behoren. De wetgever heeft op deze manier de vereisten dat sprake is van financiële of materiële steun en van 'werkelijk gezinsleven' als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn verwerkt in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb
- Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de richtlijn is dan ook juist geïmplementeerd in de Nederlandse wet- en regelgeving, mits deze implementatie in overeenstemming is met artikel 8 van het EVRM. 4.
- Artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000 is nader uitgewerkt in paragrafen B7/3.2.1 gelezen in combinatie met B7/3.8.1 van de Vc
- Naar aanleiding van de arresten van het EHRM van 1 december 2005, Tuquabo-Tekle en anderen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2005:1201JUD006066500, paragraaf 22 en 24, en van 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, paragraaf 28 en 29, heeft de toenmalige minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie deze bepalingen aangepast om nauwer aan te sluiten bij het begrip 'gezinsleven' als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De staatssecretaris neemt nu aan dat het minderjarige kind feitelijk behoort tot het gezin van een referent als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000 als tussen hen gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Als dit kind niet uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie is geboren, neemt de staatssecretaris dit gezinsleven pas aan, als de biologische vader voldoende invulling geeft aan zijn relatie met dit kind. Daarmee voldoet de staatssecretaris aan de eis dat bij de implementatie van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet worden aangesloten bij artikel 8 van het EVRM. 4.
- Daarbij volgt uit het arrest van het EHRM van 1 juni 2004, L. tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2004:0601JUD004558299, paragraaf 35 tot en met 37, dat - als sprake is van een kind dat niet is geboren uit een huwelijk of een met het huwelijk op één lijn te stellen relatie - enkel biologische verwantschap onvoldoende is om beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen een biologische vader en zijn kind aan te nemen. Het al dan niet bestaan van beschermenswaardig gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. In de regel is hiervoor samenwoning vereist, maar ook andere factoren kunnen bij uitzondering een rol spelen, zoals de aard van de relatie tussen de biologische ouders en de aantoonbare interesse in en inzet voor het kind door de biologische vader zowel voor als na de geboorte (zie ook de beslissing van het EHRM van 29 juni 1999, Nylund tegen Finland, ECLI:CE:ECHR:1999:0629DEC002711095). Anders dan in het arrest L. tegen Nederland, zien de in de uitspraak van 15 november 2016 door de rechtbank aangehaalde arresten van het EHRM van 26 september 1997, Mehemi tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1997:0926JUD002501794, van 18 februari 1991, Moustaquim tegen België, ECLI:CE:ECHR:1991:0218JUD001231386, van 19 februari 1996, Gül tegen Switzerland, ECLI:CE:ECHR:1996:0219JUD002321894, en van 21 december 2001, Şen tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2001:1221JUD003146596, alle op de situatie dat de kinderen zijn geboren uit een huwelijk of een hiermee op één lijn te stellen relatie. Voor zover uit deze arresten volgt dat gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en kinderen als uitgangspunt geldt en dit slechts in zeer uitzonderlijke gevallen als verbroken kan worden beschouwd, moet dit dan ook worden bezien in het licht van de vaste aard van de relatie tussen de ouders. Als zo een vaste relatie ontbreekt, is enkel biologische verwantschap onvoldoende voor beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, aldus het arrest L. tegen Nederland. De invulling die de staatssecretaris in de Vc 2000 aan het begrip 'gezinsleven' geeft is dan ook in overeenstemming met de jurisprudentie van het EHRM. 4.
- Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat de desbetreffende beleidsregel, bedoeld in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 en zoals vermeld in de bijlage, in strijd is met artikel 4, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 16, eerste lid, van de richtlijn. 4.
- Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, zoals de vreemdelingen hebben verzocht in hun schriftelijke uiteenzetting, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de opgeworpen vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden beantwoord. 4.
- Voorts heeft de staatssecretaris zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat in dit geval geen beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat. In het besluit van 13 januari 2017 heeft hij hieraan niet ten onrechte ten grondslag gelegd dat referent tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft verklaard dat hij nooit heeft samengewoond met de vreemdelingen, die tot enkele jaren geleden altijd bij hun moeder hebben gewoond. Verder heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet met objectieve bewijsmiddelen aannemelijk hebben gemaakt dat referent nauw betrokken is geweest bij hun ontwikkeling of feitelijk invulling heeft gegeven aan zijn gezinsleven met hen. Hij heeft niet ten onrechte bij zijn beoordeling betrokken dat referent over hun opvoeding en welzijn enkel heeft verklaard dat hij het belangrijk vindt dat zij goed onderwijs krijgen. Verder heeft hij zich terecht op het standpunt gesteld dat het bestaan van gezinsleven niet kan worden afgeleid uit de zeven foto's van het laatste bezoek van referent aan Ghana in
- De staatssecretaris heeft zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde betalingsbewijzen uit 2015 aan de moeder niet kan worden afgeleid dat referent al sinds de jonge jaren van de vreemdelingen heeft bijgedragen aan hun levensonderhoud. Hij heeft daarbij niet ten onrechte betrokken dat referent tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat de moeder met haar handel hun levensonderhoud bekostigt. 4.
- Omdat de vereisten in artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb 2000 cumulatief zijn en referent in dit geval niet heeft voldaan aan het vereiste van 'feitelijke invulling', heeft de staatssecretaris de aanvraag reeds om deze reden terecht afgewezen. De staatssecretaris betoogt in de tweede grief dan ook terecht dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, voor hem geen aanleiding bestond nader onderzoek te verrichten naar de gestelde afstammingsrelatie tussen de vreemdelingen en referent. 4.
- De grieven slagen. Conclusie hoger beroep
- Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdelingen tegen het besluit van 13 januari 2017 alsnog ongegrond verklaren.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 juli 2017 in zaak nr. 17/3163; III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. w.g. Van Goeverden-Clarenbeek griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 juli 2018 488-
- BIJLAGE - Wettelijk kader Gezinsherenigingsrichtlijn (PB 2003 L 251, met rectificatie in PB 2012 L 71) Considerans […] 2) Maatregelen op het gebied van gezinshereniging moeten in overeenstemming zijn met de verplichting om het gezin te beschermen en het gezinsleven te respecteren, die in veel internationale rechtsinstrumenten wordt opgelegd. In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name worden erkend in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. […] 6) Om de bescherming van het gezin te waarborgen en de mogelijkheid te bieden het gezinsleven voort te zetten of op te bouwen, moeten, op basis van gemeenschappelijke criteria, de materiële voorwaarden worden vastgesteld voor de uitoefening van het recht op gezinshereniging. […] 9) De leden van het kerngezin, dat wil zeggen de echtgenoot en de minderjarige kinderen, hebben steeds recht op gezinshereniging. […] Artikel 4
- De lidstaten geven uit hoofde van deze richtlijn, en op voorwaarde dat aan de in hoofdstuk IV en artikel 16 gestelde voorwaarden is voldaan, toestemming tot toegang en verblijf aan de volgende gezinsleden: […] c) de minderjarige kinderen, met inbegrip van geadopteerde kinderen, van de gezinshereniger, indien de gezinshereniger het gezag over de kinderen heeft en dezen te zijnen laste komen. De lidstaten kunnen gezinshereniging toestaan voor kinderen die onder gedeeld gezag staan, mits degene die mede het gezag heeft, daarmee heeft ingestemd; […] Artikel 16
- De lidstaten kunnen in de volgende gevallen het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of, in voorkomend geval, de verblijfstitel van een gezinslid intrekken of weigeren te verlengen: […] b) wanneer de gezinshereniger geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven (meer) onderhoudt met het gezinslid of de gezinsleden; […]
- De lidstaten kunnen tevens het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of de verblijfstitel van gezinsleden intrekken of weigeren te verlengen indien is vastgesteld dat: a) er valse of misleidende informatie is verstrekt, valse of vervalste documenten zijn gebruikt, of anderszins fraude is gepleegd of onwettige middelen zijn gebruikt; […] Vreemdelingenbesluit 2000 Artikel 3.14 De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend aan: […] c. het minderjarige biologische of juridische kind van de hoofdpersoon, dat naar het oordeel van Onze Minister behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die hoofdpersoon en dat onder het rechtmatige gezag van die hoofdpersoon staat. Vreemdelingencirculaire 2000 (B) Paragraaf B7/3.2.1 De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb 2000 als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (zie B7/3.8.1). Paragraaf B7/3.8.1 […] De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn: […] biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren); […] mits aan de relatie voldoende invulling wordt gegeven. Vreemdelingencirculaire 2000 (B) Paragraaf B7/3.2.1 De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb 2000 als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (zie B7/3.8.1). Paragraaf B7/3.8.1 […] De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn: […] biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren); […] mits aan de relatie voldoende invulling wordt gegeven. […]