(2014)gaat Monitor uit van de NOX emissies voor 2014 die de provincie Zuid-[appellant sub 1] heeft aangeleverd. Monitor berekent de NOX emissies in 2015 op basis van een lineaire interpolatie van de emissies voor 2014 en
- De zo berekende bijdragen voor 2014 en 2015 vervangen de bijdragen op basis van de RIVM emissies voor het gebied voor deze jaren. Voor 2020 gaat Monitor uit van de NOX emissies die de provincie Zuid-[appellant sub 1] heeft aangeleverd voor de ‘toekomstige situatie’, die gelden voor 2024 (beleidsuitgangspunt). Voor 2020 is uitgegaan van de aangeleverde emissiewaarden voor
- Voor 2030 zijn de aangeleverde emissiewaarden voor 2024 door geschaald naar 2030 door uit te gaan van 1% groei per jaar vanaf
- De groeibehoefte voor deze sectoren in het Rijnmondgebied in 2020 en 2030 volgt uit de vergelijking van de berekende depositiebijdrage in 2020 en 2030 met de depositiebijdrage in 2014." Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat alle relevante projecten, inclusief die op de Maasvlakte, zijn betrokken in de berekening van de totale depositie. Daarom faalt het betoog over cumulatie voor zover het betrekking heeft op projecten die stikstofdepositie veroorzaken. 27.
- Natuurmonumenten en anderen hebben niet onderbouwd dat voor de beoordeling van de gevolgen van het tracé voor Natura 2000-gebieden andere effecten dan stikstofdepositie van belang zijn die in combinatie met andere projecten significant zouden kunnen zijn. Hierom faalt het betoog ook voor het overige. - alternatieven en dwingende redenen van groot openbaar belang
- Natuurmonumenten en anderen betogen dat niet is aangetoond dat er geen alternatieven zijn met een kleinere belasting voor Natura 2000-gebieden. Volgens hen moeten in de ADC-toets alternatieven worden gewogen die het opgevoerde grote openbare belang dienen - in dit geval de gebiedsveiligheid rond het Haven Industrieel Complex (hierna: HIC) - maar geen of minder negatieve effecten hebben op de betrokken Natura 2000-gebieden. De algemene afwegingen in een plan-MER voldoen hier niet aan, aldus Natuurmonumenten en anderen. Volgens hen is de "nuloptie" - niets doen - een reële bevredigende oplossing. Natuurmonumenten en anderen betogen tevens dat onvoldoende is gemotiveerd dat het tracé moet worden gerealiseerd vanwege dwingende redenen van groot openbaar belang. Als het HIC niet aan de veiligheidseisen voldoet, dan moet de overheid daar wat aan doen in plaats van een nieuwe weg als vluchtroute aanleggen. Bovendien moet dan een belangenafweging gemaakt worden tussen de gezondheids- en veiligheidseffecten van de aanleg en het gebruik van de weg in relatie tot de gezondheids- en veiligheidssituatie van het huidige HIC. Voor zover een subjectief gevoel van onveiligheid van burgers een rol heeft gespeeld, hadden die eerst geobjectiveerd moeten worden voordat daaraan gewicht werd toegekend in de besluitvorming. 28.
- De minister stelt dat de te beoordelen alternatieven moeten voldoen aan de projectdoelstellingen. Hij verwijst daarbij naar de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:
- Er zijn geen alternatieven voor het tracé die een beperkter effect op Natura 2000-gebieden hebben. De "nuloptie" heeft volgens de minister geen probleemoplossend vermogen. Verder stelt de minister dat het tracé nodig is vanuit het oogpunt van menselijke gezondheid en openbare veiligheid, meer concreet het verbeteren van de gebiedsveiligheid in het HIC. Volgens de minister is het een feit dat zich op het HIC een uitzonderlijk hoge concentratie industriële inrichtingen bevindt, waarin gevaarlijke stoffen opgeslagen, bewerkt of vervoerd worden. Ook is het een feit dat de ontsluiting van het HIC nu plaatsvindt via de incidentgevoelige A
- Het wegennet rond Rotterdam heeft structurele capaciteitsproblemen, die in de toekomst alleen maar groter dreigen te worden. Het tracé maakt de verkeersstructuur robuuster. Het geeft bewoners en werknemers een extra evacuatieroute en hulpdiensten een alternatieve aanrijroute. Voorts voert de minister aan dat uit de rechtspraak van de Afdeling en van het Hof van Justitie volgt dat de dwingende redenen van groot openbaar belang moeten worden afgewogen tegen de aantasting die in het specifieke geval optreedt. De aantasting is volgens de minister slechts indirect en bovendien beperkt in omvang, met een compensatie-opgave van slechts 1.210 m
- 28.
- Uit de "Passende beoordeling stikstofdepositie" volgt dat het tracé onder meer leidt tot een aantasting van het prioritaire habitattype Grijze duinen (H2130). Daarom geldt ten aanzien van de dwingende redenen van groot openbaar belang in dit geval de eis dat het tracé nodig is vanwege argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten (artikel 2.8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming). 28.
- Naar het oordeel van de Afdeling is het verbeteren van de veiligheid van het HIC-gebied een argument dat verband houdt met de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid als bedoeld in artikel 2.8, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wet natuurbescherming. Dit wordt als zodanig ook niet bestreden door Natuurmonumenten en anderen, maar volgens hen is het tracé niet nodig vanwege deze argumenten. De Afdeling kan hen daarin echter niet volgen. Hoewel zij terecht wijzen op het belang dat de industrie in het HIC zelf zo veilig mogelijk is, kan een grootschalige calamiteit in het gebied nooit helemaal worden uitgesloten. Het is dan ook evenzeer van belang dat de bereikbaarheid van het gebied voor de hulpdiensten zo goed mogelijk is. Daarnaast moet er rekening mee worden gehouden dat op enig moment een evacuatie van in het gebied aanwezige mensen noodzakelijk is. Op dit moment is het gebied via de A15 ontsloten. Deze weg heeft volgens de toelichting op het wijzigingsbesluit - waarbij ter onderbouwing is verwezen naar het plan-MER en het project-MER - nu al capaciteitsproblemen, die in de toekomst alleen maar groter zullen worden. Het tracé zorgt ervoor dat in het geval van een calamiteit een extra route beschikbaar is voor de hulpdiensten en uit het gebied te evacueren personen. Om deze redenen heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het tracé nodig is in verband met argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid en de openbare veiligheid. Voor zover Natuurmonumenten en anderen wijzen op de nuloptie stelt de Afdeling vast dat daarmee de bereikbaarheid van het HIC - en daarmee de veiligheid van het gebied - juist niet wordt verbeterd. In zoverre is de nuloptie dus geen alternatief voor het tracé. Verder is van belang dat in de toelichting van het wijzigingsbesluit is uiteengezet waarom de in het plan-MER beoordeelde alternatieven die wel de bereikbaarheid van het gebied zouden kunnen verbeteren uit het oogpunt van natuurbescherming geen betere oplossingen zijn dan het tracé. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen redenen om aan deze conclusie te twijfelen. Gelet op hetgeen hiervoor in 11.5 is overwogen, is verder niet aannemelijk dat andere relevante alternatieven voor het tracé dan een NWO voorhanden zijn. Daarom heeft de minister zich ook terecht op het standpunt gesteld dat er geen alternatieve oplossingen zijn. 28.
- Verder moet in dit kader worden beoordeeld of het belang van de verwezenlijking van het tracé op lange termijn zwaarder weegt dan het belang van het behoud van de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. Wat dit laatste betreft, is van belang dat het tracé - indirect, via netwerkeffecten - leidt tot betrekkelijk kleine toenames van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Doordat op enkele plekken de kritische depositiewaarden worden overschreden, kunnen significante negatieve effecten echter niet worden uitgesloten. Voor de berekening van de compensatie-opgave zijn de toenamen van stikstofdepositie als gevolg van het project vertaald naar een afname van het oppervlak van de betrokken habitattypen in een periode van 30 jaar. De grootste berekende afname is voor het habitattype Grijze duinen, kalkarm (H2130B): 312 m2 in het gebied "Duinen Goeree & Kwade Hoek". Dit is volgens de "Passende beoordeling stikstofdepositie" 0,017 procent van de aanwezige 185 ha. De andere berekende afnames over een periode van 30 jaar zijn veel kleiner (0,2 tot 96 m2). Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de gebiedsveiligheid van het HIC dan aan het belang van het voorkomen van deze aantastingen van de betrokken Natura 2000-gebieden. 28.
- Het voorgaande betekent dat het wijzigingsbesluit voldoet aan de voorwaarden die zijn gesteld in artikel 2.8, vierde lid, onder a en b, in samenhang bezien met het vijfde lid, onder a, van de Wet natuurbescherming. Hierna zal worden beoordeeld of ook is voldaan aan de laatste eis van artikel 2.8, vierde lid, van de Wet natuurbescherming (onderdeel c), te weten of de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. - compensatie
- Natuurmonumenten en anderen betogen dat de compensatieopgave niet op zorgvuldige wijze is vastgesteld. Zo wordt in de "Passende beoordeling stikstofdepositie" verwezen naar annex 4 van de passende beoordeling voor de Maasvlakte 2 uit
- Sindsdien is volgens hen veel kennis opgedaan over de effecten van stikstof op habitats, onder andere in het kader van onderzoeken ten behoeve van het PAS. Daarnaast geeft annex 4 volgens Natuurmonumenten en anderen slechts dosis-effect-relaties voor de habitats Grijze duinen (H2130) en Vochtige duinvalleien (H2190). Verder is in annex 4 geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende subtypen van Grijze duinen (H2130), terwijl die verschillende subtypen wel een compensatieopgave hebben volgens de "Passende beoordeling stikstofdepositie", aldus Natuurmonumenten en anderen. 29.
- De minister stelt dat wel degelijk gebruik kon worden gemaakt van de dosis-effectrelaties zoals gehanteerd in het project Maasvlakte
- De Afdeling heeft dit aanvaard in de uitspraak van 4 november 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK
- Anders dan appellanten suggereren, zijn er geen nieuwe inzichten bekend die tot andere dosis-effectrelaties leiden. Overigens is de compensatieopgave gesteld op twee keer de volgens de methode van de Maasvlakte 2 berekende oppervlaktes. Hiermee zijn alle eventuele onzekerheden ondervangen, zo stelt de minister. De subtypen van H2130 zijn volgens de minister gekoppeld aan de verschillende niveaus van gevoeligheid in de dosis-effect-relatie (gevoelig, matig gevoelig en weinig gevoelig). Uit zorgvuldigheid is hierbij het niveau weinig gevoelig niet gehanteerd. In bijlage 2 van de "Passende beoordeling stikstofdepositie" is aangegeven hoe deze koppeling zodanig is uitgevoerd dat onderschatting van het effect is uitgesloten. Ten eerste is het habitattype Grijze duinen, kalkrijk (H2130A) in zijn geheel beoordeeld als matig gevoelig, hoewel deze deels weinig gevoelig zijn, gelet op de kalkrijkdom van de bodem. Ten tweede zijn de habitattypen op ontkalkte bodems (waaronder H2130B en H2130C) allemaal beoordeeld als gevoelig, hoewel deze deels ook als matig gevoelig beoordeeld zouden kunnen worden, aldus de minister. 29.
- Natuurmonumenten en anderen hebben gesteld dat sinds het maken van de passende beoordeling voor de Maasvlakte 2 veel kennis is opgedaan over de effecten van stikstof op habitats, maar zij hebben niet geconcretiseerd wat daarvan het gevolg zou zijn voor de dosis-effect-relaties die de minister in het onderhavige geval heeft gebruikt. Zij hebben ook niet concreet gemaakt dat over dit onderwerp betere kennis voorhanden is dan waarvan de minister in dit geval is uitgegaan. Voor zover Natuurmonumenten en anderen stellen dat de gebruikte methode alleen dosis-effect-relaties geeft voor de habitats Grijze duinen (H2130) en Vochtige duinvalleien (H2190) stelt de Afdeling vast dat de "Passende beoordeling stikstofdepositie" betrekking heeft op één ander habitattype, te weten Duinen met struikheide (H2150). Met de methode is berekend dat dit habitattype in het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kaptittelduinen" in een periode van 30 jaar als gevolg van het tracé met 1 m2 in oppervlak kan afnemen. In lijn met het "Methodiekdocument Habitatkartering" is de compensatieopgave in de "Passende beoordeling stikstofdepositie" echter op 100 m2 gesteld, omdat kleinere locaties niet kwalificeren als habitattype en te kwetsbaar zijn om duurzaam in stand te houden. Natuurmonumenten en anderen hebben niets concreets aangevoerd dat doet twijfelen aan de toereikendheid van de compensatieopgave van 100 m2 in verhouding tot het projecteffect. Wat betreft het onderscheid in subtypen van het habitattype Grijze duinen (H2130) blijkt uit bijlage 2 van de passende beoordeling dat daarmee rekening is gehouden bij de indeling in de categorieën gevoelig of matig gevoelig. Natuurmonumenten en anderen hebben hiertegen geen concrete bezwaren naar voren gebracht. Het betoog faalt.
- Natuurmonumenten en anderen stellen dat niet is gegarandeerd dat de gebieden die als compensatie worden aangelegd zich in een gunstige staat van instandhouding bevinden voordat de Blankenburgverbinding in gebruik wordt genomen. Dit is volgens hen in strijd met hetgeen het Hof van Justitie heeft overwogen in de arresten Briels (ECLI:EU:C:2014:330) en Orléans (ECLI:EU:C:2016:583). Natuurmonumenten en anderen verwijzen tevens naar de "Richtsnoeren voor de toepassing van artikel 6, lid 4, van de Habitatrichtlijn" van de Europese Commissie. Verder stellen zij dat onzeker is of de gebieden zich überhaupt tot habitats zullen ontwikkelen. De minister had in het tracébesluit moeten bepalen dat het tracé pas gebruikt mag worden als dit bereikt is, aldus Natuurmonumenten en anderen. 30.
- De minister stelt dat de door appellanten genoemde arresten van het Hof eisen stellen aan mitigerende maatregelen, niet aan compenserende maatregelen. De minister wijst erop dat de Blankenburgverbinding pas in 2024 in gebruik zal worden genomen. De effecten op stikstofgevoelige habitattypen door toename treden vanaf dat moment op, maar het is niet zo dat de betreffende habitattypen op dat moment direct niet meer kwalificeren. De achteruitgang vindt geleidelijk plaats. De inrichtingsmaatregelen voor de compensatie zijn in 2018 gereed. De compenserende maatregelen garanderen dat de algehele samenhang van Natura 2000 op elk moment bewaard blijft, aldus de minister. 30.
- In de arresten Briels en Orléans leest de Afdeling niet dat - zoals Natuurmonumenten en anderen stellen - de gebieden die als compensatie worden aangelegd zich in een gunstige staat van instandhouding moeten bevinden voordat het tracé in gebruik wordt genomen. Het Hof heeft in punt 32 van het arrest Briels er weliswaar op gewezen dat "de eventuele positieve gevolgen van het achteraf tot ontwikkeling brengen van een nieuwe habitat waarmee het verlies aan oppervlakte en kwaliteit van ditzelfde type habitat in een beschermd gebied dient te worden gecompenseerd […] in de regel onzeker zijn, en dat deze gevolgen hoe dan ook slechts binnen enkele jaren zichtbaar zullen worden" maar dit is in verband met de beoordeling of een plan of project de natuurlijke kenmerken van een gebied aantast. In die beoordeling mogen alleen beschermingsmaatregelen worden betrokken waarmee "wordt beoogd de eventuele schadelijke gevolgen die rechtstreeks uit dit project voortvloeien, te voorkomen of te verminderen" (punt 28). In het arrest Orléans heeft het Hof op vergelijkbare wijze overwogen. In punt 64 van dat arrest is overwogen dat maatregelen die zijn opgenomen in een plan of project "die erin voorzien dat, voordat zich negatieve gevolgen voordoen voor een [in het aangetaste gebied] voorkomend type natuurlijke habitat, er een toekomstig areaal van dat type wordt ontwikkeld, waarvan de ontwikkeling evenwel zal worden voltooid na de beoordeling van de significantie van de mogelijke aantasting van de natuurlijke kenmerken van dit gebied, niet in aanmerking kunnen worden genomen bij die beoordeling. Dergelijke maatregelen kunnen in voorkomend geval slechts als „compenserende maatregelen" in de zin van artikel 6, lid 4, [van de Habitatrichtlijn] worden aangemerkt wanneer is voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden." In het onderhavige geval gaat het echter niet om maatregelen die zijn betrokken bij de beoordeling of het tracé de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden aantast. Dat het tracé tot een dergelijke aantasting kan leiden, staat immers vast. De maatregelen waar het hier om gaat, zijn bedoeld als compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Het Hof heeft zich in de voornoemde arresten niet uitgelaten over de vraag wanneer deze maatregelen precies hun effect moeten sorteren. 30.
- In het hiervoor genoemde richtsnoeren-document van de Europese Commissie staat op p. 16: "Het resultaat moet in principe al bereikt zijn (d.w.z. de compensatie moet reeds een feit zijn) op het moment waarop het betrokken gebied schade van het project ondervindt. Wanneer in bepaalde omstandigheden niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan, moeten de intussen geleden verliezen extra worden gecompenseerd." Volgens de Commissie is het dus niet onder alle omstandigheden vereist dat het resultaat van de voorgenomen compenserende maatregelen is bereikt voordat de schade ontstaat, maar moeten dan aanvullende maatregelen worden getroffen om geleden verliezen extra te compenseren. 30.
- De minister heeft ter zitting gemeld dat de gebieden die dienen als compensatie al zijn aangelegd, maar nog tijd nodig hebben om als habitattypen te kunnen kwalificeren. Uit de "Passende beoordeling stikstofdepositie" volgt dat dit nog tien jaar kan duren. Hier staat tegenover dat het tracé naar verwachting uiterlijk in 2024 volledig in gebruik wordt genomen. Uit de "Passende beoordeling stikstofdepositie" volgt bovendien dat de grootste projecteffecten in 2030 verwacht worden. De projecteffecten die als significant zijn beoordeeld, zijn relatief kleine toenamen van de stikstofdepositie op locaties waar evenwel de kritische depositiewaarden worden overschreden. Bij overschrijding van de kritische depositiewaarden kan het oppervlak van het habitattype volgens de "Passende beoordeling stikstofdepositie" geleidelijk afnemen. De berekende toenamen in stikstofdepositie zijn in de "Passende beoordeling stikstofdepositie" vertaald naar een mogelijke afname van het oppervlak van het desbetreffende habitattype in een periode van 30 jaar. Het is deze mogelijke afname in een periode van 30 jaar die als basis heeft gediend voor de berekening van het oppervlak dat ter compensatie moet worden aangelegd. Aangezien de compensatie in dit geval in 2028 is voltooid, in die zin dat de nu al aangelegde gebieden uiterlijk dan volledig als habitattypen kwalificeren, is de Afdeling van oordeel dat de minister er terecht van is uitgegaan dat de compenserende maatregelen het nodige effect gesorteerd zullen hebben voordat de significante gevolgen intreden. De minister hoefde dan ook niet in het tracébesluit te bepalen - voor zover dat überhaupt mogelijk zou zijn - dat het tracé pas in gebruik mag worden genomen op het moment dat de gebieden zich tot habitats hebben ontwikkeld. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in zoverre is gewaarborgd dat dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft.
- Natuurmonumenten en anderen betogen verder dat de compensatie-opgave niet op de juiste manier is vastgesteld. Zij voeren hiertoe aan dat voor de compensatie ten onrechte alleen is gekeken naar locaties binnen de aangewezen Natura 2000-gebieden. Door de compensatie zal er immers altijd een andere habitat verloren gaan. Daarnaast is volgens hen in strijd met de Wet natuurbescherming geen compensatie per gebied toegepast maar is gecompenseerd per habitattype. Dit betekent dat er significante effecten zijn die niet gecompenseerd worden. Natuurmonumenten en anderen stellen verder dat de compenserende maatregel tot aanleg van habitattype Grijze duinen, kalkrijk (H2130A) in het Natura 2000-gebied "Duinen Goeree & Kwade Hoek" in wezen niet meer is dan de realisering van de al bestaande uitbreidingsopgave voor deze habitat. Hetzelfde geldt volgens hen voor de realisering van het habitattype Vochtige duinvalleien, ontkalkt (H2190C). Ook voeren Natuurmonumenten en anderen aan dat het realiseren van habitattypen H2130A en H2130C ten koste gaat van het habitattype Duindoornstruwelen (H2160), hetgeen alleen maar toelaatbaar is voor het voldoen aan de uitbreidingsopgave. Ter zitting hebben zij hieraan toegevoegd dat, voor zover de minister van mening is dat het tracé er niet aan afdoet dat de voornoemde uitbreidingsopgaven overeenkomstig de beheerplannen van de gebieden kunnen worden uitgevoerd, de uitbreidingsdoelstellingen die gelden op grond van de aanwijzingsbesluiten niet beperkt zijn tot de beheerplannen, die immers maar zes jaar gelden. 31.
- De minister stelt dat compensatie in hetzelfde Natura 2000-gebied het meest voor de hand ligt. Daarbij verwijst hij naar de richtsnoeren van de Europese Commissie. Volgens de minister volgt niet uit de Wet natuurbescherming dat compenserende maatregelen altijd moeten worden gerealiseerd in hetzelfde gebied waar de aantasting plaatsvindt. De minister stelt zich op het standpunt dat geen rechtsregel verbiedt dat in een Natura 2000-gebied met een uitbreidingsdoelstelling voor een bepaalde habitat tevens bij wijze van compensatie aanleg van die habitat plaatsvindt. Wat wel relevant is, is dat het halen van de uitbreidingsdoelstelling niet negatief wordt beïnvloed door de compensatiemaatregelen. Dat is voor het wijzigingsbesluit uitgesloten, doordat in het Compensatieplan als voorwaarde is gesteld dat de compensatielocatie geen overlap mag hebben met terreinen die in het beheerplan zijn aangewezen voor het voldoen aan een uitbreidingsdoelstelling. Verder bestrijdt de minister dat het realiseren van habitattype Grijze duinen (H2130A en H2130C) ten koste gaat van het habitattype Duindoornstruwelen (H2160). De compensatieopgave beslaat ongeveer 330 m
- Die moet gerealiseerd worden in een locatie van in totaal 2.000 m2, waarvan ongeveer 400 m2 op de habitattypekaart is getypeerd als H
- Er is volgens de minister dus voldoende ruimte voor de compensatieopgave. 31.
- Voor zover Natuurmonumenten en anderen stellen dat voor de compensatieopgave ten onrechte alleen is gekeken naar locaties binnen de aangewezen Natura 2000-gebieden, wijst de Afdeling op punt 38 van het arrest Briels, waaruit volgt dat compenserende maatregelen ook binnen de aangetaste Natura 2000-gebieden kunnen worden getroffen. De stelling dat als gevolg van compensatie altijd een andere habitat verloren gaat, is onjuist, reeds omdat de betrokken Natura 2000-gebieden niet volledig als bestaande habitattypen kwalificeren. De stelling dat er significante effecten zijn die niet gecompenseerd worden, mist feitelijke grondslag. Gelet op de toelichting op de berekening van de compensatieopgave in hoofdstuk 8 en bijlage 2 van de "Passende beoordeling stikstofdepositie" is aannemelijk dat ter compensatie juist een groter oppervlak van de aangetaste habitattypen wordt aangelegd dan als gevolg van het tracé mogelijk verloren gaat. Verder valt niet in te zien waarom de manier waarop de compensatieopgave is vastgesteld - per habitattype en niet per gebied - in strijd zou zijn met de Wet natuurbescherming. Uit artikel 2.8, vierde lid, onder c, van deze wet volgt immers dat de compenserende maatregelen moeten waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. 31.
- Uit het wijzigingsbesluit volgt dat de compenserende maatregelen overeenkomstig het "Compensatieplan (stikstofdepositie)" moeten worden uitgevoerd. Daarin staat als algemeen uitgangspunt dat de compensatie geen overlap heeft met de realisering van een uitbreidingsdoelstelling overeenkomstig het beheerplan. Bij de beschrijving van de concrete locaties die in aanmerking komen om de compensatie uit te voeren, is vermeld dat daar geen uitbreiding van habitats overeenkomstig de beheerplannen zijn voorzien. Natuurmonumenten en anderen hebben hier geen concrete bezwaren tegen gericht. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat de compenserende maatregelen die zijn voorzien in het wijzigingsbesluit geen afbreuk doen aan de realisering van de uitbreidingsopgave in de beheerplannen. Verder berust de door Natuurmonumenten en anderen gestelde verwijdering van het habitattype Duindoornstruwelen (H2160) ten gunste van de habitats H2130A en -C op een verkeerde lezing van p. 10 van het Compensatieplan. Daar staat dat "struweel" worden verwijderd, maar dit betekent niet dat het gaat om Duindoornstruweel, habitattype H
- De minister heeft gemotiveerd weersproken dat het "struweel" tot dit habitattype behoort. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat Natuurmonumenten en anderen van mening zijn dat de compenserende maatregelen mogelijk in de weg staan aan de uitvoering van hypothetische toekomstige uitbreidingsmaatregelen die verder gaan dan in de huidige beheerplannen is voorzien. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de Wet natuurbescherming echter niet dat de minister met dergelijke hypothetische situaties rekening moet houden bij de keuze voor de plekken waar de compensatie gerealiseerd moet worden. - conclusie wijzigingsbesluit
- De beroepsgronden van Natuurmonumenten en anderen tegen het wijzigingsbesluit falen. Dit betekent, gelet op hetgeen is overwogen in 20.1, dat ook de beroepsgronden van Stichting A4 met Vaart falen en dat het verweer van de minister over artikel 8:69a van de Awb in relatie tot het beroep van de stichting tegen het wijzigingsbesluit geen bespreking behoeft. Natuurnetwerk Nederland/Ecologische Hoofdstructuur/Weidevogelgebieden
- Natuurmonumenten en anderen betogen dat het tracébesluit in strijd is met de regels voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN) die zijn gesteld in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro). Zij wijzen er in dit verband op dat het tracé het natuurgebied De Rietputten, onderdeel van het NNN, doorsnijdt. Dit levert volgens hen een significante aantasting op van het NNN. Aan de hieruit voortvloeiende voorwaarden van het Barro is echter niet voldaan. Zo is er geen groot openbaar belang bij het tracé, omdat het maar beperkte oplossingen biedt voor de veronderstelde verkeersproblemen. Verder heeft geen onderzoek naar alternatieven plaatsgevonden. Ten slotte is niet aan de compensatieopgave voldaan, omdat het beoogde compensatiegebied ten oosten van de Vlietlanden nabij Voorschoten (locatie 4) door provinciale staten in de Verordening Ruimte 2014 al is aangewezen als verbindingszone in het NNN. 33.
- De minister wijst erop dat het project de uitbreiding betreft van de hoofdinfrastructuur van Nederland. Deze is opgenomen in de Rijksstructuurvisie over de bereikbaarheid Regio Rotterdam en Nieuwe Westelijke Oeververbinding. In deze visie is een breed afgewogen besluit verwoord voor het voorkeurstracé van de Nieuwe Westelijke Oeververbinding in de vorm van de Blankenburgverbinding. Naar de mening van de minister staat hiermee het grote openbare belang vast. Voor de alternatievenafweging verwijst de minister naar het plan-MER, het project-MER en de toelichting op het tracébesluit. Ter zitting heeft de minister over de compensatie toegelicht dat het door Natuurmonumenten en anderen genoemde gebied weliswaar in de Verordening Ruimte is aangewezen als onderdeel van de EHS, maar dit betekent volgens de minister niet meer dan dat de provincie het gewenst vindt dat de betrokken gronden voor de EHS worden ingericht en dat moet worden voorkomen dat dit onmogelijk wordt gemaakt. Het gebied is nu nog een landbouwperceel en zal in het kader van de uitvoering van het tracébesluit als natuur worden ingericht, aldus de minister ter zitting. 33.
- Ten tijde van het vaststellen van het tracébesluit stelde het Barro regels ten behoeve van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS). Inmiddels wordt de EHS het NNN genoemd, maar het tracébesluit moet beoordeeld worden aan de hand van het recht en de feiten zoals die luidden op het moment van het vaststellen van het tracébesluit. Daarom wordt in het vervolg gerefereerd aan de EHS. 33.
- Het Barro is niet van toepassing op de vaststelling van het tracébesluit. Gelet op het standpunt van de minister heeft hij bij de vaststelling van het tracébesluit niettemin uitvoering willen geven aan hetgeen over de EHS is bepaald in het Barro en de hierop gebaseerde Verordening Ruimte 2014 van Zuid-[appellant sub 1]. Daarom moet hetgeen Natuurmonumenten en anderen hierover hebben aangevoerd toch worden besproken. 33.
- Niet in geschil is dat het tracébesluit leidt tot een significante aantasting van de EHS. Dit betekent dat in beginsel moet zijn voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 2.10.4, eerste lid, onder a tot en met c, van het Barro. Gelet op hetgeen hiervoor onder 8 tot en met 9.3 en onder 11 tot en met 13.5 is overwogen, staat vast dat er sprake is van een groot openbaar belang en dat er geen reële alternatieven zijn. In zoverre is voldaan aan onderdelen a en b. Wat onderdeel c betreft, hebben Natuurmonumenten en anderen gesteld dat de compensatie ontoereikend is, omdat een deel van het compensatiegebied in de Verordening Ruimte 2014 al is aangewezen als verbindingszone in de EHS. Niet in geschil is echter dat het compensatiegebied nog niet als ecologische verbindingszone is ingericht. Ingevolge artikel 5, zesde lid, van de beleidsregel "Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap Zuid-[appellant sub 1] 2013" mag areaalverlies worden gecompenseerd door de aanleg van een nog niet gerealiseerd deel van een ecologische verbinding. Het betoog faalt. Weidevogelgebieden
- Natuurmonumenten en anderen stellen dat de negatieve gevolgen voor weidevogels door toename van het verkeer buiten het projectgebied onvoldoende in de besluitvorming zijn betrokken. Zij zijn van mening dat onduidelijk is of de compensatie van weidevogelgebieden zich verdraagt met provinciaal beleid en het zogenoemde weidevogelpact van de provincie, de gemeente Midden-Delfland en enkele natuurorganisaties. 34.
- In het rapport "Natuurtoets/Passende beoordeling" van Rijkswaterstaat van maart 2016 is ingegaan op de gevolgen van het tracé op weidevogelgebieden. Hierin staat onder meer dat vanwege oppervlakteverlies 5,9 ha aan belangrijke weidevogelgebieden moet worden gecompenseerd. 34.
- Natuurmonumenten en anderen hebben niet toegelicht waarom de in de natuurtoets beschreven compensatieopgave voor belangrijke weidevogelgebieden niet in overeenstemming zou zijn met het relevante provinciale en gemeentelijke beleid ter zake. Hierom bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de minister het tracébesluit in zoverre niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Flora- en faunawet
- Natuurmonumenten en anderen betogen dat de minister er niet zonder meer van uit heeft mogen gaan dat de Flora- en faunawet (hierna: de Ffw) de uitvoering van het tracébesluit toestaat. Hierna worden de beroepsgronden per vogelsoort besproken. Het kader voor de beoordeling is als volgt. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) in werking getreden en zijn de Natuurbeschermingswet 1998 en de Ffw ingetrokken. Uit artikel 9.10 van de Wnb volgt dat dit geschil, nu het tracébesluit is vastgesteld vóór 1 januari 2017, moet worden beoordeeld aan de hand van het vóór die datum geldende recht. De vragen of voor de uitvoering van het tracébesluit een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb (voorheen: de Ffw) nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was de Ffw het geldende recht. De minister heeft het tracébesluit niet kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het tracébesluit in de weg stond. Broedvogels De Rietputten
- Natuurmonumenten en anderen stellen dat in natuurgebied De Rietputten broedvogels voorkomen waarvan ten onrechte is aangenomen dat geen ontheffing op grond van de Ffw nodig is. Over de roerdomp stellen zij dat de nesten weliswaar niet in het algemeen jaarrond beschermd zijn, maar dat de terugkeer naar hetzelfde broedgebied noodzakelijk is. De realisering van het tracé