201804193/1/R2 en 201804193/2/R2. Datum uitspraak: 8 augustus 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen: [appellant], wonend te Abcoude, en de raad van de gemeente De Ronde Venen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Stationsstraat 14 Abcoude" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 juli 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door F.B. Dull, zijn verschenen. Verder is ter zitting UBA Projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], gehoord. Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Overwegingen Inleiding 1. Het bestemmingsplan "Stationsstraat 14 Abcoude" heeft betrekking op het perceel aan de Stationsstraat 14 in Abcoude en maakt ter plaatse maximaal 4 grondgebonden woningen mogelijk. Het perceel heeft een oppervlakte van 1.950 m2 en ligt in het centrum van Abcoude. Op dit perceel was voorheen de Rabobank gevestigd. Het voormalige bankgebouw is afgebroken, waardoor het perceel momenteel braak ligt. Na sluiting van de Rabobank heeft het gemeentebestuur in 2012 in een ontwikkelingsvisie randvoorwaarden opgenomen waaraan ontwikkelingsplannen voor deze locatie moeten voldoen. [appellant] woont aan de [locatie]. Zijn woonperceel grenst aan het plangebied. Hij kan zich onder andere niet met het plan verenigen omdat het plan volgens hem is vastgesteld in strijd met de door de gemeente opgestelde ontwikkelingsvisie. Onmiddellijk uitspraak in hoofdzaak 2. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Algemeen toetsingskader 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De voorzieningenrechter stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Beroepsgronden 4. [appellant] vreest aantasting van het groene karakter van het perceel aan de Stationsstraat 14 en van Abcoude als gevolg van dit plan. Hij betoogt dat het plan had moeten voorzien in een lagere bouwhoogte voor de toegestane tweedelijnsbebouwing, vanwege het op het perceel aanwezige groen. [appellant] wijst erop dat het perceel is verhoogd ten opzichte van de aangrenzende percelen ter plaatse waar de tweedelijnsbebouwing is voorzien. Hij vreest dat daardoor hogere bebouwing dan voorheen kan worden gerealiseerd. Daarnaast betoogt hij dat in strijd met de door de gemeente opgestelde ontwikkelingsvisie bijgebouwen worden toegestaan binnen 19 meter gemeten van de achterzijde van het perceel. 4.1. De raad stelt dat een maximum bouwhoogte van 9 meter voor de twee voorziene woningen in de tweede lijn geen afbreuk doet aan het groene karakter van het perceel en van Abcoude. Daarnaast stelt de raad onder verwijzing naar de raadsinformatienota van 16 januari 2018 dat uit de context van de ontwikkelingsvisie blijkt dat deze visie niet in de weg staat aan bijgebouwen binnen 19 meter gemeten van de achterzijde van het perceel. Daarbij acht de raad van belang dat in het plan beperkte bouwmogelijkheden zijn opgenomen voor bijgebouwen die ervoor zorgen dat het groene karakter van het perceel niet wordt aangetast. 4.2. Het gemeentebestuur heeft in april 2012 een ontwikkelingsvisie voor het perceel opgesteld, de ‘Ontwikkelingsvisie Rabobank-locatie’. Deze visie is in nauw overleg met de omwonenden tot stand gekomen en vormt het uitgangspunt voor de in het plan voorgenomen ontwikkeling. In de ontwikkelingsvisie staat dat is onderkend dat bebouwing in de tweede lijn invloed kan hebben op het groene karakter van het perceel. Maar omdat het voormalige gebouw van de Rabobank een diepte van 35 meter had, is in de ontwikkelingsvisie vastgelegd dat onder voorwaarden kan worden ingestemd met bebouwing in de tweede lijn zonder dat dit ten koste gaat van het groen dat aan de achterzijde van het perceel aanwezig is en de privacy van omwonenden. Eén van die randvoorwaarden is dat de maximale goothoogte 4 meter mag bedragen en de maximale nokhoogte 9 meter. Een andere voorwaarde is dat de minimale afstand van de bebouwing tot de achterzijde van het perceel 19 meter bedraagt. 4.3. Voor de voorgenomen bebouwing in de tweede lijn is aan een gedeelte van de gronden aan de achterzijde van het perceel de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - tweede lijnsbebouwing", de aanduiding "bouwvlak" en de maatvoering "maximum goothoogte (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.