← Nederland

ECLI:NL:RVS:2018:2672

201700175/1/R

  1. Datum uitspraak: 8 augustus 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
  2. appellant sub 1], wonend te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,
  3. [ appellante sub 2], gevestigd te Kapelle,
  4. [ appellant sub 3], wonend te ’s-Heer Abtskerke, gemeente Borsele, en anderen,
  5. [ appellant sub 4], wonend te Kruiningen, gemeente Reimerswaal,
  6. [ appellant sub 5A] en [appellant sub 5B], wonend te 's-Gravenpolder, gemeente Borsele,
  7. [ appellant sub 6], wonend te 's-Heer Abtskerke, gemeente Borsele,
  8. [ appellant sub 7], wonend te Schore, gemeente Kapelle,
  9. [ appellante sub 8], gevestigd te Heinkenszand, gemeente Borsele, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden gevestigd in Heikenszand,
  10. [ appellant sub 9], wonend te Schore, gemeente Kapelle,
  11. [ appellant sub 10], wonend te 's-Gravenpolder, gemeente Borsele,
  12. de Stichting Dorpsraad Borssele, gevestigd te Borssele, gemeente Borsele,
  13. [ appellante sub 12], gevestigd te 's-Heerenhoek, gemeente Borsele,
  14. [ appellant sub 13], wonend te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,
  15. [ appellant sub 14], wonend te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,
  16. [ appellant sub 15], wonend te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,
  17. [ appellant sub 16], wonend te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,
  18. [ appellant sub 17], wonend te Kapelle,
  19. [ appellant sub 18], wonend te Hansweert, gemeente Reimerswaal,
  20. [ appellant sub 19A] en [appellante sub 19B], wonend te 's-Heerenhoek, gemeente Borsele,
  21. [ appellant sub 20A] en [appellant sub 20B], beiden wonend te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,
  22. [ appellant sub 21A] en [appellant sub 21B], beiden wonend te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,
  23. [ appellant sub 22A] en [appellante sub 22B], wonend te Heinkenszand, gemeente Borsele,
  24. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ingenieursbureau Zeeland Technovatie B.V., gevestigd te Kapelle,
  25. [ appellant sub 24], wonend te Borssele, gemeente Borsele,
  26. [ appellant sub 25], wonend te Krabbendijke, gemeente Reimerswaal,
  27. [ appellant sub 26], wonend te 's-Gravenpolder, gemeente Borsele, en anderen,
  28. [ appellant sub 27], wonend te 's-Heerenhoek, gemeente Borsele,
  29. [ appellante sub 28], wonend te Hansweert, gemeente Reimerswaal,
  30. [ appellant sub 29] en anderen, allen wonend te Vlake, gemeente Reimerswaal, en
  31. de minister van Economische Zaken, thans: de minister van Economische Zaken en Klimaat, en de minister van Infrastructuur en Milieu, thans: de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, (hierna: de ministers)
  32. de minister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid,
  33. de staatssecretaris van Economische Zaken, thans: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
  34. het college van burgemeester en wethouders van Borsele,
  35. het college van burgemeester en wethouders Kapelle,
  36. het college van burgemeester en wethouders van Reimerswaal,
  37. het dagelijks bestuur van het Waterschap Scheldestromen, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 4 november 2016 hebben de ministers het inpassingsplan "Zuid-West, 380 kV-west" vastgesteld. Verweerders hebben ter uitvoering van het rijksinpassingsplan op grond van artikel 3.35 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) in samenhang gelezen met artikel 20a, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 in totaal 12 uitvoeringsbesluiten genomen. Tegen één of meer van deze besluiten hebben appellanten beroep ingesteld. Verweerders hebben verweerschriften ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal appellanten en verweerders hebben een zienswijze daarop naar voren gebracht. Een aantal appellanten en verweerders hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 en 6 februari 2018, waar appellanten in persoon zijn verschenen of zich hebben doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts is TenneT TSO B.V. als partij gehoord. Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en de minister van Economische Zaken en Klimaat om nadere inlichtingen gevraagd. Bij brief van 15 maart 2018 heeft de minister aan dit verzoek voldaan. Een aantal appellanten heeft daarop gereageerd. Partijen zijn opgeroepen voor een nadere zitting op 18 juni 2018, waar een aantal appellanten in persoon is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen. Een aantal appellanten is niet verschenen en heeft zich evenmin doen vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen. Voorts is TenneT TSO B.V. als partij gehoord. Overwegingen ALGEMEEN Inleiding
  38. Het rijksinpassingsplan maakt de aanleg van een nieuwe 380 kV-verbinding van ongeveer 40 kilometer tussen Borssele en Rilland mogelijk. De verbinding loopt over het grondgebied van de gemeenten Borsele, Kapelle en Reimerswaal. Het tracé is onderdeel van een nieuw aan te leggen verbinding tussen Borssele en de landelijke ring bij Tilburg. De hoogspanningsverbinding zoals mogelijk gemaakt met het inpassingsplan bestaat uit twee delen. In deelgebied 1 - tussen Borssele en de Willem Anna Polder - worden twee 380 kV-verbindingen op één mast gecombineerd, waarna dit deel van het tracé van de bestaande 380 kV-verbinding zal worden verwijderd. De nieuwe verbinding volgt in dit deelgebied het tracé van de bestaande 150 kV-verbinding. In deelgebied 2 - tussen de Willem Anna Polder en Rilland - wordt de bestaande 150 kV-verbinding op één mast gecombineerd met een nieuwe 380 kV-verbinding. De nieuwe masten worden naast de bestaande 380 kV-verbinding geplaatst. Het tracé van de bestaande 150 kV-verbinding zal in dit deel van het gebied worden verwijderd. Als gevolg van het plan zullen 107 nieuwe wintrackmasten worden gebouwd en 131 bestaande vakwerkmasten worden afgebroken. De nieuwe hoogspanningsverbinding zal worden geëxploiteerd door TenneT. 1.
  39. De aanleg van een hoogspanningsverbinding op grond van een rijksinpassingsplan valt onder de in de bijlage I, onder 2.1, van de Crisis- en herstelwet genoemde gevallen. Als gevolg daarvan is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing. Leeswijzer
  40. Tegen het rijksinpassingsplan en tegen een aantal van de daarbij behorende uitvoeringsbesluiten is een groot aantal beroepsgronden naar voren gebracht. Deze beroepsgronden worden in de uitspraak per onderwerp behandeld en daarbij wordt de onderstaande volgorde aangehouden, waarbij de nummers van de desbetreffende rechtsoverwegingen zijn vermeld: 4 - 5.2 │ ontvankelijkheid van de beroepen 6 - 11.1 │ procedurele beroepsgronden 12 - 12.6 │ nut en noodzaak 13 - 19 │ gezondheid; algemene bezwaren 20 - 24.1 │ gezondheid; individuele bezwaren 25 - 31 │ alternatieven; algemene bezwaren 32 - 37.2 │ alternatieven; individuele bezwaren 38 - 45.3 │ agrarische en andere bedrijfsbelangen 46 - 47.2 │ geluid 48 - 53.2 │ landschap 54 - 54.8 │ schade 55 - 59.2 │ overige beroepsgronden 60 - 65.3 │ natuur 66 - 66.2 │ vergunning Natuurbeschermingswet 1998 67 - 67.3 │ vergunning Waterwet 68 - 68.1 │ ontheffing Keur Waterschap 69 - 72 │ conclusie en proceskosten Ingetrokken beroepsgronden
  41. Ter zitting hebben [appellant sub 29] en anderen en [appellante sub 28] hun beroepsgrond ten aanzien van de verenigbaarheid van de hoogspanningsverbinding met in de omgeving aanwezige transportleidingen ingetrokken. Ontvankelijkheid [appellant sub 29] en anderen
  42. Verweerders stellen dat het beroep van [appellant sub 29] en anderen deels niet-ontvankelijk is aangezien niet alle ondertekenaars van het beroepschrift een zienswijze tegen de ontwerp-besluiten naar voren hebben gebracht. 4.
  43. Uit artikel 3.35, vierde lid, van de Wro in samenhang gelezen met artikel 3.8, eerste lid, van de Wro en de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb volgt dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is en worden de gecoördineerde ontwerp-besluiten gelijktijdig ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht. 4.
  44. Het beroep van [appellant sub 29] en anderen is namens verscheidende personen ingediend. De Afdeling stelt vast dat [8 appellanten sub 29] geen zienswijze naar voren hebben gebracht. Uit artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb volgt dat slechts beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende die tegen de gecoördineerde ontwerp-besluiten tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 29] en anderen, voor zover het is ingesteld door [8 appellanten sub 29], is niet-ontvankelijk. [appellant sub 26] en anderen
  45. Het college van Borsele stelt dat het beroep van [appellant sub 26] en anderen, voor zover gericht tegen de door hem bij besluit van 8 november 2016 verleende omgevingsvergunning, niet-ontvankelijk is aangezien zij geen zienswijze tegen het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht en het ontwerpbesluit, voor zover dat door [appellant sub 26] en anderen is bestreden, ook niet is gewijzigd. 5.
  46. Zoals hiervoor overwogen volgt uit artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb dat slechts beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende die tegen de gecoördineerde ontwerp-besluiten tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Vaststaat dat [appellant sub 26] anderen tijdig een zienswijze naar voren hebben gebracht. De Afdeling stelt vast dat deze, anders dan het college stelt, tevens is gericht tegen de door het college ter inzage gelegde ontwerp-omgevingsvergunning. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 26] en anderen, voor zover gericht tegen de omgevingsvergunning van het college van Borsele, ontvankelijk. 5.
  47. Gelet op artikel 1.6a van de Chw laat de Afdeling de door [appellant sub 26] en anderen tegen de omgevingsvergunning naar voren gebrachte beroepsgrond evenwel buiten bespreking. Artikel 1.6a van de Chw bepaalt dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. [appellant sub 26] en anderen hebben in hun nadere stuk van 15 september 2017 aangevoerd dat in de door het college van Borsele verleende omgevingsvergunning ten onrechte is voorzien in een tijdelijk werkterrein op hun gronden. Dit is naar het oordeel van de Afdeling een nieuwe beroepsgrond die geen grondslag vindt in het door [appellant sub 26] en anderen ingediende beroepschrift. Artikel 1.6a van de Chw staat dan ook in de weg aan een inhoudelijke bespreking van deze grond. PROCEDURELE BEROEPSGRONDEN Crisis- en herstelwet
  48. Verscheidende appellanten betogen dat de Chw ten onrechte is toegepast. Volgens hen is deze wet bedoeld om de slechte economische situatie van een aantal jaren geleden te verbeteren. Nu de economische situatie inmiddels weer is verbeterd, wordt de wet volgens hen in dit geval dan ook om onjuiste redenen ingeroepen. Bovendien ontbreekt volgens hen een evident belang ten aanzien van het creëren van werkgelegenheid bij het project. 6.
  49. Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw gelezen in samenhang met bijlage I, onderdeel 2, sub 2.1, zijn de bepalingen van afdeling 2 van de Chw van toepassing op rijksinpassingsplannen als bedoeld in afdeling 3.5 van de Wro. Dit heeft gevolgen voor de te volgen procedure en betekent onder meer, zoals hiervoor overwogen, dat het niet is toegestaan om na afloop van de termijn voor het instellen van beroep nog beroepsgronden aan te voeren. Anders dan appellanten mogelijk veronderstellen is de toepassing van de Chw geen door de ministers gemaakte keuze. De toepasselijkheid van de Chw vloeit van rechtswege voort uit artikel 1.1, eerste lid, van de Chw. In het door appellanten aangevoerde bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de Chw in dit geval buiten toepassing had kunnen of moeten blijven. Het betoog faalt. Recht op gelijke proceskansen
  50. Verscheidene appellanten voeren aan dat sprake is van strijd met het recht op gelijke proceskansen zoals opgenomen in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: het EVRM). In dat kader voeren zij aan dat het dossier zeer omvangrijk en technisch ingewikkeld is, terwijl het op grond van artikel 1.6a van de Chw niet mogelijk is om na afloop van de beroepstermijn nog nieuwe beroepsgronden naar voren te brengen, wat er toe leidt dat zij binnen zes weken al hun gronden moeten hebben geformuleerd. Verder betogen zij dat het voor een gemiddelde burger onmogelijk is om de middelen op te brengen om tegenrapporten door deskundigen op te laten stellen die voldoende tegenwicht bieden aan de door verweerders aan de besluiten ten grondslag gelegde gegevens. Nu verweerders wel beschikken over de nodige deskundigheid, financiële middelen en tijd, is volgens appellanten sprake van strijd met artikel 6 van het EVRM. 7.
  51. Artikel 6, eerste lid, eerste volzin, van het EVRM luidt: "Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld." Het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM omvat onder meer het recht op gelijke proceskansen (equality of arms). De kern van het beginsel van gelijke proceskansen is erin gelegen dat tussen partijen evenwicht moet bestaan met betrekking tot de mogelijkheid om bewijsmateriaal aan te dragen (vergelijk onder meer het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2015 in de zaak Korošec tegen Slovenië, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212). 7.
  52. Zoals hiervoor is overwogen zijn de bepalingen uit de Chw in de onderhavige procedure van toepassing. Dit betekent onder meer dat op grond van artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. Wat betreft het betoog van appellanten dat deze beperkte termijn voor het aanvoeren van beroepsgronden zich niet verdraagt met artikel 6 van het EVRM overweegt de Afdeling dat uit de artikelen 93 en 94 van de Grondwet volgt dat een wet in formele zin slechts buiten toepassing blijft, indien deze in strijd is met een ieder verbindende bepaling van verdragen of volkenrechtelijke organisaties. De Afdeling zal in dat licht beoordelen of artikel 1.6a van de Chw zich verdraagt met artikel 6 van het EVRM. Uit de jurisprudentie van het EHRM (onder meer het arrest van 28 mei 1985, Ashingdane tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1985:0528JUD000822578) volgt dat in artikel 6 van het EVRM niet een absoluut recht op toegang tot de rechter is neergelegd. Aan de verdragsstaten komt een zekere beoordelingsvrijheid toe tot het stellen van regels die zekere beperkingen inhouden, mits daardoor het recht op toegang tot de rechter niet in zijn kern wordt aangetast, de gestelde beperkingen een rechtmatig doel dienen en aan de evenredigheidseis is voldaan. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4217 heeft overwogen, tast artikel 1.6a van de Chw het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan. Daarnaast volgt uit deze uitspraak dat het doel van deze bepaling is om vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen, een rechtmatig doel is. Voor zover appellanten in dit kader wijzen op de omvang van de aan de besluiten ten grondslag gelegde stukken, overweegt de Afdeling dat de termijn voor het indienen van beroepsgronden weliswaar beperkt is tot de beroepstermijn, maar dat de relevante stukken reeds vanaf het moment waarop de ontwerpbesluiten ter inzage zijn gelegd door appellanten konden worden ingezien. Bovendien laat artikel 1.6a van de Chw onverlet dat de binnen de beroepstermijn ingediende beroepsgronden buiten de beroepstermijn nog konden worden aangevuld met nieuwe argumenten, waaronder een deskundigenrapport. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd biedt dan ook geen grond voor het oordeel dat niet aan het gelijkwaardigheidsvereiste is voldaan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de beperkte termijn voor het aanvoeren van beroepsgronden zoals opgenomen in artikel 1.6a van de Chw zich niet verdraagt met artikel 6 van het EVRM, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat artikel 1.6a van de Chw vanwege strijd met artikel 6 van het EVRM buiten toepassing moet blijven. 7.
  53. Voor zover appellanten betogen dat sprake is van ongelijke proceskansen omdat zij over onvoldoende middelen beschikken om voldoende tegenwicht te bieden aan de door verweerders aan de besluiten ten grondslag gelegde gegevens, is de Afdeling daarvan niet overtuigd. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat het hen aan voldoende middelen ontbrak. Daarbij is van belang dat in dit geval met het oog op het evenwicht tussen partijen een deskundige is benoemd waarbij de deskundige onder meer is ingegaan op de gevolgen van het plan voor de gezondheid, geluidseffecten en de specifieke gevolgen van het plan voor verschillende appellanten. Bovendien hoeven appellanten geen tegenonderzoek naar voren te brengen om de door hen naar voren gebrachte stellingen te bewijzen, maar hoeven zij enkel aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van de door verweerders gebruikte gegevens aan te dragen. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de Afdeling van een schending van artikel 6 van het EVRM geen sprake. Zienswijzen
  54. [appellant sub 26] en anderen hebben bezwaar tegen de wijze waarop de ministers de naar voren gebrachte zienswijzen hebben behandeld. Zij voeren aan dat de ministers ten onrechte de beantwoording van de zienswijzen niet aan alle indieners hebben gezonden en voorts dat de beantwoording van de zienswijzen te globaal is. Verder betogen [appellanten sub 8], [appellant sub 29] en anderen en [appellante sub 28] dat de beantwoording van de ingediende zienswijzen inconsequent en onvolledig is. 8.
  55. De keuze om bij het bestreden besluit, waarbij een groot aantal zienswijzen naar voren is gebracht, aan de indieners van zienswijzen een brief te sturen waarin voor een reactie op de zienswijzen wordt volstaan met een verwijzing naar de zienswijzennota, is niet in strijd met enig wettelijk voorschrift. De Afdeling acht dit ook niet onzorgvuldig, nu in artikel 3:44, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald dat indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan kan volstaan met meedelen van de strekking van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht. Verder verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat de ministers de zienswijzen samengevat weergeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten van [appellant sub 26] en anderen niet in de overwegingen zijn betrokken. Voorts hebben [appellanten sub 8], [appellant sub 29] en anderen en [appellante sub 28] hun betoog dat de beantwoording van de ingediende zienswijzen inconsequent en onvolledig is niet gemotiveerd, zodat dit evenmin aanleiding geeft voor het oordeel dat het besluit niet voldoende is gemotiveerd. Het betoog faalt. Verdrag van Aarhus
  56. Een aantal appellanten betoogt dat ten onrechte geen reële mogelijkheden tot inspraak en tot het aandragen van alternatieven zijn geboden. Daarbij wijzen zij er met name op dat het Westerschelde-alternatief volgens hen niet bij de besluitvorming is betrokken. Volgens appellanten is dit in strijd met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van 25 juni 1998 (hierna: het Verdrag van Aarhus). 9.
  57. Het plan heeft betrekking op een activiteit waarvoor een milieueffectrapport (hierna: MER) moet worden gemaakt en valt daarom onder de reikwijdte van artikel 6 van het Verdrag van Aarhus. Dit volgt uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag van Aarhus, in samenhang met onderdeel 17 van bijlage I (aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van 220 kV of meer en langer dan 15 km). In artikel 6, vierde lid, is bepaald dat elke partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. 9.
  58. Zowel Nederland als de Europese Unie zijn partij bij het Verdrag van Aarhus. Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB 2003 L 156/17), strekt mede tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus. Richtlijn 2003/35/EG voorziet onder meer met betrekking tot artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus in een wijziging van Richtlijn 85/337/EG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 1985 L 175), nadien vervangen door Richtlijn 2011/92/EU (codificatie) van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012 L 26; hierna: de MER-richtlijn). In dit kader is aan artikel 6 van de MER-richtlijn een vierde lid toegevoegd dat bepaalt dat het betrokken publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, tweede lid, van de richtlijn bedoelde milieubesluitvormingsprocedures dient te krijgen en daartoe het recht heeft, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningaanvraag wordt genomen. Artikel 6, vierde lid, van dit verdrag stemt inhoudelijk overeen met artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn (nr. 2011/92/EU; PB 2012 L 26). Omdat deze richtlijn in dit geval van toepassing is, zal verder in het midden gelaten worden of aan het Verdrag van Aarhus in zoverre rechtstreekse werking toekomt. Aan appellanten komt echter ook niet zonder meer een beroep toe op de MER-richtlijn. 9.
  59. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in haar uitspraak van 5 september 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB2931, kan de vraag naar de rechtstreekse werking van bepalingen van een richtlijn alleen rijzen in gevallen van incorrecte implementatie of indien de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk is verzekerd. De artikelen 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectrapportage, en de artikelen 7.11 en 7.32 van de Wet milieubeheer, in samenhang met de artikelen 3.8 en 3.35, vierde lid, van de Wro en afdeling 3.4 van de Awb strekken mede ter uitvoering van artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn. Deze bepalingen brengen met zich dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan met inbegrip van het MER. Op dat moment is nog geen beslissing over het ontwerpbesluit genomen. Inspraak over het ontwerpbesluit is naar het oordeel van de Afdeling vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Gelet hierop is artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn in zoverre correct geïmplementeerd. Voorts geeft hetgeen appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de volledige toepassing van de richtlijn in zoverre niet daadwerkelijk is verzekerd. Gelet hierop komt appellanten dan ook geen rechtstreeks beroep op artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn toe. De Afdeling zal vervolgens toetsen of aan bovenvermelde nationale bepalingen is voldaan. 9.
  60. Het ontwerpplan, de ontwerpuitvoeringsbesluiten, het MER en de daarbij behorende stukken hebben met ingang van 4 maart 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De kennisgeving van de terinzagelegging is gepubliceerd in de Staatscourant en in verschillende huis-aan-huis-bladen. Het ontwerpplan en de daarop betrekking hebbende stukken konden op het gemeentehuis van Kapelle en op de website www.bureau-energieprojecten.nl worden geraadpleegd. Hiermee is voldaan aan de wettelijke vereisten ter zake van de kennisgeving van de terinzagelegging, zodat iedereen de mogelijkheid heeft gehad om door het indienen van een mondelinge of schriftelijke zienswijze een reactie op het ontwerpplan, de ontwerpuitvoeringsbesluiten en het MER in te dienen. In de "Nota van Antwoord zienswijzen, Zuid-West 380 kV west" zijn de zienswijzen, waaronder de zienswijzen die betrekking hebben op mogelijke alternatieven voor de hoogspanningsverbinding, inhoudelijk besproken. Blijkens deze nota zijn de reacties inhoudelijk in de besluitvorming meegewogen. Daarbij is van belang dat, zoals hiervoor onder 8.1 is overwogen, de beroepsgronden ten aanzien van de behandeling van de ingediende zienswijzen geen doel treffen. De Afdeling overweegt voorts dat de omstandigheid dat volgens het Verdrag van Aarhus en de MER-richtlijn bij de besluitvorming terdege rekening dient te worden gehouden met de resultaten van inspraak, niet wegneemt dat het aan het bevoegd gezag is om de ingekomen inspraakreacties af te wegen en te beoordelen of hierin aanleiding wordt gezien voor een aanpassing van het plan. Uit het voorgaande volgt dat met de inspraakprocedure over het ontwerpplan, de overige ontwerpbesluiten en het daarbij behorende MER is voldaan aan het vereiste uit artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn dat een reële inspraakmogelijkheid moet worden geboden op een moment dat alle opties nog open zijn. Met deze procedure is dan ook een inspraakmogelijkheid geboden op een vroeg genoeg moment, in overeenstemming met artikel 6, vierde lid, van de MER-richtlijn, zodat de betogen falen. Vooringenomenheid
  61. [appellant sub 14], [appellant sub 18], [appellant sub 16], [appellanten sub 8] en [appellant sub 29] en anderen betogen dat de ministers het plan vooringenomen hebben vastgesteld. Zij wijzen erop dat de ministers zowel aandeelhouder als toezichthouder van TenneT zijn. Volgens hen is nut en noodzaak van de aanleg van de hoogspanningsverbinding ten onrechte niet door een onafhankelijke instantie beoordeeld. Volgens appellanten hebben de ministers bij de vaststelling van het plan enkel de kosten en de snelle ontwikkeling van de hoogspanningsverbinding met het oog op de aanleg van windparken op zee van belang geacht. Andere belangen zoals landschap en gezondheid hebben de ministers volgens hen ten onrechte niet in de belangenafweging betrokken. 10.
  62. Artikel 2:4 van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan vervult zijn taak zonder vooringenomenheid." 10.
  63. Uit de artikelen 20a en 20b van de Elektriciteitswet 1998 gelezen in samenhang met artikel 3.35, tweede lid, van de Wro volgt dat de ministers bevoegd zijn tot het vaststellen van een inpassingsplan waarmee het landelijke hoogspanningsnet wordt uitgebreid. Het betoog van appellanten komt er op neer dat de ministers per definitie geen gebruik zouden mogen maken van deze bevoegdheid omdat zij, zoals appellanten stellen, toezicht houden op TenneT en omdat de Staat als aandeelhouder van TenneT belang heeft bij de uitbreiding van de hoogspanningsverbinding. 10.
  64. Ten aanzien van het toezicht op TenneT als landelijke netbeheerder hebben de ministers terecht naar voren gebracht dat de Autoriteit Consument en Markt op grond van artikel 21, achtste lid, van de Elektriciteitswet 1998, en niet de ministers, goedkeuring verleent aan de prestaties die TenneT als de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet nastreeft ten aanzien van de leveringskwaliteit, waaronder begrepen de capaciteit van het net, en de operationele netwerkveiligheid. Het betoog biedt in zoverre dan ook geen grond voor het oordeel dat de ministers hun bevoegdheid tot het vaststellen van een inpassingsplan vooringenomen hebben uitgevoerd. Daarnaast maakt de omstandigheid dat de Staat als publiekrechtelijke rechtspersoon aandelen houdt in TenneT, op zichzelf niet dat het verbod opgenomen in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb daarmee is geschonden. Daarbij acht de Afdeling van belang dat, zoals eerder overwogen in onder meer de uitspraak van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3156, dat de strekking van artikel 2:4 van de Awb geenszins is dat een bestuursorgaan niet vanuit bepaalde beleidskeuzes zou mogen werken, maar dat het erom gaat dat het bestuursorgaan de hem toevertrouwde belangen niet oneigenlijk behartigt door zich bijvoorbeeld door persoonlijke belangen of voorkeuren te laten beïnvloeden. Dat bij de besluitvorming ook algemene belangen, zoals de kosten die gemoeid zijn met de aanleg van de hoogspanningsverbinding en de termijn waarbinnen een uitbreiding van het net gewenst is, een rol spelen, betekent niet dat de afweging per definitie vooringenomen - dat wil zeggen oneigenlijk of subjectief - zou zijn. Bovendien blijkt uit de bij het besluit behorende stukken, waaronder de plantoelichting, de Nota van Antwoord en het MER, dat de ministers ook andere belangen dan kosten en tijd in hun besluitvorming betrokken hebben. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de ministers bij de vaststelling van het plan enkel gewicht hebben toegekend aan de kosten die verbonden zijn aan de aanleg en exploitatie van de hoogspanningsverbinding en aan de tijd waarbinnen de hoogspanningsverbinding gerealiseerd kan worden. Hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht biedt dan ook geen aanwijzing dat de ministers hun bevoegdheid om te besluiten over de uitbreiding van het hoogspanningsnet vooringenomen - oneigenlijk of subjectief - zouden hebben uitgevoerd. Ook voor het overige bestaan daarvoor geen aanwijzingen. Het betoog faalt. Tauw en Tractebel
  65. [appellant sub 25] betoogt dat de ministers aan de onafhankelijkheid van de onderzoeksbureaus Tauw en Tractebel hadden moeten twijfelen. Zij wijst er op dat één van de CEO’s van Tauw zitting heeft in een commissie die onder meer de ministers adviseert over energie-infrastructuur. Ten aanzien van Tractebel wijst zij erop dat dit bedrijf onderdeel is van ENGIE, waarmee TenneT samen een pilot is gestart. 11.
  66. Meerdere aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken zijn opgesteld door Tauw. Daarnaast hebben de ministers een second opinion in het kader van de vraag of het deels ondergronds aanleggen van de hoogspanningsverbinding mogelijk is, laten opstellen door Tractebel. De door [appellant sub 25] naar voren gebrachte omstandigheden maken naar het oordeel van de Afdeling niet dat de ministers aan de onafhankelijkheid van Tauw en Tractebel hadden moeten twijfelen. Het betoog faalt. INHOUDELIJKE BEROEPSGRONDEN Nut en noodzaak
  67. Meerdere appellanten voeren aan dat de bouw van een tweede kerncentrale bij Borssele de oorspronkelijke reden was voor het plan. Nu die niet meer zal worden gerealiseerd en het energiebedrijf Delta verliesgevend is, wordt het volgens deze appellanten waarschijnlijker dat die productiecapaciteit zal wegvallen, waardoor geen noodzaak meer bestaat voor de aanleg van de hoogspanningsverbinding. [appellant sub 25] wijst erop dat niet alleen de 2e kerncentrale nooit is gebouwd, maar ook dat de kolencentrale is gesloten en dat chemiebedrijf DOW de ELSTA-centrale heeft aangekocht voor eigen gebruik. Door het wegvallen van deze productiecapaciteit is volgens haar de maximale productiecapaciteit geen 2.350 MW maar ongeveer 1.747 MW en kan worden volstaan met het vergroten van de capaciteit van de bestaande 380 kV-lijn. Daarnaast betoogt [appellant sub 25] dat tegenstrijdige motiveringen worden gegeven voor de noodzaak van de nieuwe 380 kV-lijn. De minister stelt dat de noodzaak losstaat van de windparken die voor de kust van Walcheren zullen worden gebouwd, terwijl TenneT stelt dat die windparken wel de aanleg van de nieuwe 380 kV-lijn nodig maken. [appellant sub 26] en anderen wijzen eveneens op het feit dat de ELSTA-centrale vanaf 2017 volledig stroom gaat produceren voor DOW, waardoor de transportbehoefte minder groot is. Ook is bij het bepalen van de transportbehoefte geen rekening gehouden met het verbruik in Zeeland en is volgens hen dit verbruik hoger dan in de documenten staat waar de ministers vanuit gaan. Daardoor stellen de ministers ten onrechte dat 2.100 MW aan elektriciteit moet worden getransporteerd. Tevens betogen zij dat hoogspanningsleidingen altijd dubbel worden uitgevoerd, waardoor onderhoud altijd mogelijk is. Het kunnen doen van onderhoud maakt de aanleg van een nieuwe 380 kV-lijn derhalve niet nodig. Ook mogen 4-circuit 380 kV-lijnen niet in een EU-netwerk worden opgenomen, zodat vanuit een oogpunt van de Europese elektriciteitsmarkt geen noodzaak bestaat voor de nieuwe verbinding, aldus [appellant sub 26] en anderen. 12.
  68. De ministers stellen zich op het standpunt dat de huidige capaciteit van 1.600 MW van de bestaande 380 kV-lijn onvoldoende is, omdat de totale bestaande productiecapaciteit in het gebied 2.090 MW bedraagt. Die 2.090 MW bestaat uit de productiecapaciteit van de kerncentrale bij Borssele (490 MW), de gasgestookte Sloe-centrale (860 MW), de ELSTA-centrale in Terneuzen (440 MW) en de bestaande windturbines op land (300 MW). Hierbij wijzen de ministers erop dat TenneT op grond van de Elektriciteitswet verplicht is om alle energiecentrales aan te sluiten op het landelijke elektriciteitsnetwerk. De buiten gebruik gestelde kolencentrale is niet meegeteld bij de bestaande productiecapaciteit. Het geconstateerde gebrek aan transportcapaciteit vormt een belemmering voor de onderhoudswerkzaamheden aan de leidingen en een risico voor de leveringszekerheid. Ook wordt in de huidige situatie de bestaande 150 kV-lijn noodgedwongen zwaarder belast dan wenselijk is. Voor een beschrijving van het nut en de noodzaak van de aanleg van een nieuwe 380 kV-lijn verwijzen de ministers ook naar de plantoelichting. Voorts wijzen de ministers erop dat bij de vaststelling van het plan is onderkend dat de 2e kerncentrale niet zal worden gebouwd, maar dat deze verwachte toekomstige grootschalige elektriciteitsproductie op andere wijze toch zal worden ingevuld, namelijk door de windparken op zee. Sluiting van de bestaande kerncentrale in Borssele zou een afname van de productiecapaciteit met 490 MW betekenen, maar de nieuwe windparken op zee zullen 1.400 MW aan stroom produceren. Hierdoor blijft volgens de ministers de aanleg van een nieuwe 380 kV-lijn ook in dit scenario nodig. Het opwaarderen van de bestaande 380 kV-lijn die naar Geertruidenberg loopt is technisch mogelijk, maar dan zou deze verbinding 5 tot 7 maanden buiten gebruik zijn. Tijdens deze periode zou de stroomproductie in dit deel van Zeeland volledig stil moeten worden gelegd, met alle negatieve economische gevolgen van dien. Dit deel van Zeeland zou dan voor de stroomvoorziening geheel afhankelijk worden van de bestaande 150 kV-lijn. De stroomproductie in dit deel van Zeeland zou daarbij in evenwicht moeten worden gebracht met het lokale stroomverbruik, wat lastig te beheersen is door het relatief grote aandeel duurzame stroom. Dit kan leiden tot uitval en vormt daarmee een te groot risico voor de leveringszekerheid in dit deel van Zeeland. Daarnaast zou met opwaarderen van de bestaande leidingen niet genoeg transportcapaciteit kunnen worden bereikt om in de toekomstige situatie aan de productiecapaciteit te voldoen, aldus de ministers. 12.
  69. In het deskundigenbericht is onder andere vermeld dat de bestaande 380 kV-lijn zal worden opgewaardeerd van 1.645 MW naar 1.970 MW, maar dat zonder de nieuwe 380 kV-lijn een tekort aan transportcapaciteit zal ontstaan van ongeveer 1000 MW. Voor het opheffen van dit tekort is geen nieuwe hoogspanningsverbinding van 2.635 MW nodig, maar daarmee wordt geanticipeerd op een verwachte grotere transportbehoefte. Verzwaring van de bestaande 380 kV-lijn levert volgens het deskundigenbericht onvoldoende transportcapaciteit op voor de toekomst. Daarbij wordt in het deskundigenbericht erop gewezen dat ook in het rapport van D-Cision, dat in opdracht van onder meer de provincie Zeeland is opgesteld, wordt geconcludeerd dat het nut en de noodzaak van de nieuwe 380 kV-verbinding vaststaat. 12.
  70. In paragraaf 1.3 van de plantoelichting bij het inpassingsplan is ingegaan op nut en noodzaak van de nieuwe 380 kV-verbinding. Daarin is vermeld dat de noodzaak wordt gevormd door meerdere knelpunten, waaronder de huidige beperkingen aan de onderhoudswerkzaamheden, de productie van 1.400 MW aan stroom door de 2 toekomstige windparken op zee, het ontlasten van de bestaande 150 kV-verbinding en het vergroten van de leveringszekerheid in geval van calamiteiten, doordat het 380 kV-netwerk minder afhankelijk wordt van het hoogspanningsstation bij Geertruidenberg. Dat de 2e kerncentrale bij Borssele niet zal worden gebouwd, zoals een aantal appellanten stelt, neemt niet weg dat er meerdere redenen zijn die de aanleg van de nieuwe 380 kV-lijn volgens de ministers noodzakelijk maken. Anders dan [appellant sub 25] stelt, is de onderbouwing van de noodzaak van het voorliggende inpassingsplan niet tegenstrijdig. De noodzaak voor de nieuwe 380 kV-verbinding is niet uitsluitend het gevolg van de huidige beperkte capaciteit van de bestaande 380 en 150 kV-lijnen of van de toekomstige windparken op zee, maar een combinatie van beide factoren. In paragraaf 1.3 van de plantoelichting zijn ook de hiervoor onder 12.1 genoemde getallen van de bestaande productiecapaciteit vermeld. Tevens is daarin vermeld dat rekening moet worden gehouden met import en export van stroom van en naar België, die maximaal 900 MW kan zijn. In voetnoot 1 in deze paragraaf is ook vermeld dat de ELSTA-centrale is gekocht door DOW Benelux B.V. voor eigen gebruik, maar dat DOW slechts een deel van de productiecapaciteit van deze energiecentrale gebruikt en de resterende productiecapaciteit door het hoogspanningsnet moet worden getransporteerd. Daarnaast wordt in voetnoot 2 van deze paragraaf opgemerkt dat kolencentrale 'Borssele 12' buiten beschouwing is gelaten bij het bepalen van de productiecapaciteit. Het betoog van [appellant sub 25] over het betrekken van deze kolencentrale in de berekening van de benodigde capaciteit mist in zoverre feitelijke grondslag. Anders dan [appellant sub 25] en [appellant sub 26] en anderen betogen is met het feit dat de ELSTA-centrale is gekocht door DOW rekening gehouden bij de vaststelling van het plan, zodat dit betoog niet slaagt. Bovendien heeft TenneT op grond van artikel 23, eerste lid, van de Elektriciteitswet de verplichting om de gehele productiecapaciteit van de ELSTA-centrale te kunnen transporteren over het landelijke hoogspanningsnet. Hoeveel elektriciteit door DOW zelf wordt verbruikt van de ELSTA-centrale is bij die aansluitplicht voor TenneT niet van belang. Dat de nieuwe 380 kV-lijn nodig is vanwege de integratie van de Europese elektriciteitsmarkt zoals [appellant sub 26] en anderen stellen, gaat eraan voorbij dat de nieuwe hoogspanningsverbinding wordt aangelegd vanwege onderhouds- en capaciteitsproblemen en ter verbetering van de leveringszekerheid. 12.
  71. Wat betreft de mogelijkheid om de transportcapaciteit van de bestaande 150 en 380 kV-lijnen te verhogen, overweegt de Afdeling als volgt. Er zijn geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de verwachting dat de kerncentrale bij Borssele, de Sloe-centrale, de ELSTA-centrale en de bestaande windturbines op land de komende 10 jaar in bedrijf zullen blijven. Door appellanten is de maximale productiecapaciteit van deze installaties niet bestreden. Deze installaties produceren samen een 2.090 MW aan elektriciteit. Voorts zullen de toekomstige windparken voor de kust van Walcheren samen 1.400 MW produceren, waarmee de totale productie van elektriciteit in dit deel van Zeeland uitkomt op 3.490 MW. DOW Benelux B.V., de overige bedrijven in dit deel van Zeeland en particulieren verbruiken een deel van die geproduceerde stroom. In dit deel van Zeeland wordt volgens de ministers ongeveer 500 MW aan elektriciteit verbruikt. [appellant sub 26] en anderen wijzen erop dat in het 'Kwaliteits- en Capaciteitsdocument' (hierna: KCD) uit 2013 is vermeld dat het verwachte stroomverbruik in dit deel van Zeeland ongeveer 619 MW in 2014 en ongeveer 713 MW in 2023 bedraagt. Ter zitting is namens de ministers toegelicht dat in het KCD van 2013 de toename van het toekomstige stroomverbruik in Zeeland is overschat. Op basis van gegevens van de lokale netbeheerder Enduris blijkt dat de toename van het stroomverbruik lager is. De Afdeling ziet geen aanleiding om de ministers op dit punt niet te volgen, aangezien in het KCD van 2016 het stroomverbruik in Zeeland naar beneden is bijgesteld. Daarin wordt tot en met 2019 een jaarlijkse toename van 2,5 tot 3% van het stroomverbruik verwacht en vanaf 2020 een jaarlijkse toename van 1%. Uit de grafiek op bladzijde 130 van het KCD uit 2016 volgt dat het jaarlijkse stroomverbruik in 2016 rond de 500 MW ligt en de verwachte toename van het stroomverbruik in Zeeland in 2023 aanzienlijk lager is dan de eerder geschatte 713 MW per jaar. Gelet op de totale productiecapaciteit van 3.490 MW en het huidige jaarlijkse verbruik van ongeveer 500 MW, ontstaat een transportbehoefte van 2.990 MW. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met ongeveer 900 MW aan elektriciteit die naar of vanuit België moet worden getransporteerd, wat leidt tot een totale transportbehoefte van maximaal 3.890 MW per jaar. Met opwaardering van de bestaande 380 en 150 kV-lijnen kan niet worden voorzien in een dergelijke transportcapaciteit. Uit de overgelegde stukken, waaronder de notitie 'Nut & Noodzaak Zuid-West 380 kV Oost' van TenneT van 30 maart 2017, leidt de Afdeling af dat de bestaande 380 kV-lijn tot 2.635 MW en de bestaande 150 kV-lijn tot 500 MW kunnen worden verzwaard. De totale maximale transportcapaciteit van de bestaande hoogspanningsverbindingen komt derhalve uit op 3.135 MW en dit is niet genoeg. Zelfs als met verzwaring van de bestaande 380 en 150 kV-lijnen voldoende transportcapaciteit zou kunnen worden gerealiseerd, wordt daarmee slechts een deel van de noodzaak opgelost. Een aantal andere huidige knelpunten wordt daarmee immers niet opgelost. Zo moet bij het noodzakelijke onderhoud aan de bestaande 380 kV-lijn een groot deel van de bestaande productiecapaciteit worden stilgelegd en dit is volgens de ministers uit economisch oogpunt niet verantwoord. Daarnaast blijft het risico bestaan dat tijdens onderhoud de leveringszekerheid van elektriciteit niet is gewaarborgd en dus niet wordt voldaan aan de wettelijke norm die geldt bij enkelvoudige storingen (ook wel: de N-1 norm), die is vastgelegd in artikel 31, twaalfde lid, van de Elektriciteitswet. 12.
  72. Ter zitting heeft een aantal appellanten nog gesteld dat de nieuwe 380 kV-lijn niet nodig is, omdat de toekomstige windparken voor de kust ook met een kabel naar Zeebrugge kunnen worden aangesloten op het Belgische hoogspanningsnet. De ministers hebben toegelicht dat windparken die in Nederland worden gebouwd, in beginsel ook in Nederland op het hoogspanningsnet moeten worden aangesloten. Daargelaten de vragen of aansluiting van de toekomstige windparken op het Belgische hoogspanningsnet, voor zover voor de Belgische markt bestemd, technisch mogelijk is en of die aansluiting daar niet tot capaciteitsproblemen zou leiden, ziet de Afdeling in deze enkele stelling geen reden om de ministers niet te volgen in het standpunt dat ook hiermee de bestaande knelpunten ten aanzien van onderhoud en leveringszekerheid niet worden opgelost en dus in die situatie de nieuwe 380 kV-verbinding nog steeds noodzakelijk blijft. Tussenconclusie 12.
  73. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers het nut en de noodzaak van de nieuwe 380 kV-verbinding onvoldoende hebben gemotiveerd. Daarbij is inzichtelijk gemaakt dat de nieuwe 380 kV-lijn nodig is om knelpunten in transportcapaciteit, onderhoud en leveringszekerheid op te lossen. Deze betogen slagen dan ook niet. Gezondheid
  74. Een groot aantal appellanten heeft beroepsgronden naar voren gebracht over diverse gezondheidsaspecten met betrekking tot de magneetveldzones van hoogspanningsverbindingen. Net als bij andere beroepsgronden zal de Afdeling als eerste de bezwaren behandelen die algemeen van aard zijn. Daarna zullen de bezwaren van appellanten over de omvang van de magneetveldzone in de buurt van hun woningen, gronden of bedrijfsgebouwen afzonderlijk worden besproken. De bezwaren over voedselveiligheid en de mogelijke invloed van de magneetveldzone op vee komt elders in deze uitspraak - onder het kopje 'landbouw' - aan de orde. Voorzorgsbeginsel
  75. Een groot aantal appellanten stelt dat grote ongerustheid is ontstaan over de gezondheidsrisico’s van het magnetisch veld dat wordt veroorzaakt door de nieuwe hoogspanningsverbinding. Hierbij wijzen appellanten op het statistische verband dat in wetenschappelijke literatuur is gelegd tussen hoogspanningsverbindingen en ziektes zoals kinderleukemie en Alzheimer. Zij betogen dat het zogenoemde 'voorzorgsbeginsel' dat de ministers hanteren onvoldoende tegemoetkomt aan hun zorgen voor de gezondheid van zichzelf en hun gezinnen. Daarbij betogen zij dat het uitkopen van bestaande bewoners en het vervolgens verkopen van dezelfde woningen niet valt te verklaren gelet op het voorzorgsbeginsel. [appellanten sub 19] voeren aan dat uit een rapport van Stichting Gezondheid & Milieu van 30 april 2011 blijkt dat er twijfel is over de grens van 0,4 microtesla (hierna: µT) die op basis van het voorzorgsbeginsel wordt aangehouden. Voorts betogen [appellant sub 26] en anderen dat de ministers met de vaststelling van het plan hadden moeten wachten op het in 2017 verwachte rapport van de Gezondheidsraad over de gezondheidsrisico’s van hoogspanningsverbindingen, aangezien dit voor het laatst in 2000 is onderzocht door de Gezondheidsraad. 14.
  76. Onder verwijzing naar de uitspraken van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217 en van 24 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:465, overweegt de Afdeling dat bij effecten van elektromagnetische velden op de gezondheid onderscheid wordt gemaakt tussen korte termijn effecten (directe effecten) en lange termijn effecten en dat in Nederland geen wettelijke normen zijn vastgesteld voor de blootstelling van de bevolking aan dergelijke velden. Om korte termijn effecten te voorkomen wordt, op grond van de laagste blootstelling waarbij effecten kunnen optreden, een referentieniveau van 100 µT gehanteerd. Dit is in overeenstemming met het door de Europese Unie aanbevolen niveau voor magnetische veldsterkte (aanbeveling 1999/591/EG van de Raad van 12 juli 1999, PB 1999, L 199/59). Met betrekking tot de lange termijn effecten is op rijksniveau beleid ontwikkeld. Dit beleid is gebaseerd op het voorzorgsbeginsel zoals opgenomen in artikel 174, tweede lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, thans, artikel 191, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. In de nota 'Nuchter omgaan met risico's. Beslissen met gevoel voor onzekerheden' van het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: VROM) staat dat uit onderzoek naar de mogelijke effecten op de gezondheid van magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen een zwakke, maar statistisch significante associatie blijkt tussen het optreden van leukemie bij kinderen met leeftijden tot 15 jaar en de magnetische velden van deze hoogspanningslijnen. Zowel de Gezondheidsraad als het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) zijn om advies gevraagd over deze analyses en beide instanties komen tot de conclusie dat het gedegen analyses zijn, maar dat er ondanks veel onderzoek daarnaar, geen aanwijzingen zijn gevonden voor een oorzakelijk verband tussen blootstelling aan magnetische velden van hoogspanningslijnen en het ontstaan van leukemie bij kinderen. Het rijksbeleid is nader ingevuld bij brief van 3 oktober 2005 van de toenmalige staatssecretaris van het Ministerie van VROM. In deze brief heeft de staatssecretaris van VROM de colleges van burgemeester en wethouders en van gedeputeerde staten geadviseerd om bij de vaststelling van bestemmings- en streekplannen en van de tracés van bovengrondse hoogspanningslijnen, dan wel bij wijzigingen in bestaande plannen of van bestaande hoogspanningslijnen, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan, waarbij kinderen langdurig in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen verblijven, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 µT (de magneetveldzone). Dit advies is aan de hand van een advies van de Gezondheidsraad van 21 februari 2008 bevestigd en verduidelijkt bij de brief van de toenmalige minister van VROM van 4 november
  77. Volgens die brief worden tot "gevoelige bestemmingen" woningen, scholen, crèches en kinderopvangplaatsen met de daarbij behorende erven gerekend. Sportvelden, speeltuinen en zwembaden worden daaronder niet verstaan. Voor de omschrijving van het begrip erf wordt in de brief aangesloten bij de definitie van de term in het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, zodat gronden, aansluitend op een woning die ingericht zijn ten dienste van de woning, beschouwd worden als erf. Als "langdurig verblijf" wordt verblijf van minimaal 14 tot 18 uur per dag gedurende minimaal één jaar beschouwd, aldus de brief. Bij het voorliggende inpassingsplan zijn het advies van de staatssecretaris van VROM van 3 oktober 2005 en de daarop betrekking hebbende brief van de minister van VROM van 4 november 2008 inzake hoogspanningslijnen en de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid tot uitgangspunt genomen. In eerdergenoemde uitspraak van 29 december 2010 heeft de Afdeling - kort samengevat - overwogen dat, gegeven de bestaande onzekerheden over de mogelijke gezondheidsrisico’, met de beleidskeuze voor een magneetveldzone van 0,4 µT voor nieuwe situaties niet op onjuiste wijze invulling is gegeven aan het voorzorgsbeginsel. 14.
  78. Met betrekking tot de betogen van appellanten dat het uitkopen van bestaande woningen binnen de magneetveldzone en het vervolgens verkopen van dezelfde woningen zich niet verdraagt met het voorzorgsbeginsel, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals in bijlage 17 bij de plantoelichting is vermeld en ter zitting namens de ministers is toegelicht, worden eigenaren en huurders van woningen in een magneetveldzone op basis van vrijwilligheid en door middel van een schadeloosstelling in de gelegenheid gesteld om te verhuizen als zij dat wensen. Dit is uit gezondheidsoogpunt niet noodzakelijk, maar het is een beleidsmatige keuze om bestaande bewoners de mogelijkheid te bieden om niet in een magneetveldzone te hoeven wonen. Deze aangekochte woningen worden door TenneT opnieuw te koop aangeboden. In de bijlage 17 is ook vermeld dat dit niet geldt voor woningen die direct onder de hoogspanningslijnen staan. Als de eigenaar van een dergelijke woning gebruik maakt van het aanbod tot uitkoop van TenneT, dan wordt die woning wegbestemd en gesloopt. Dit is evenmin noodzakelijk gezien het voorzorgsbeginsel, maar ook een beleidsmatige keuze. In eerdergenoemde uitspraak van 29 december 2010 is overwogen dat de ministers zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat uit het voorzorgsbeginsel, zoals dat is opgenomen in de brieven van 3 oktober 2005 en 4 november 2008, niet volgt dat bij het realiseren van een nieuwe hoogspanningsverbinding geen enkele gevoelige bestemming binnen de magneetveldzone mag liggen. De Afdeling voegt daaraan toe dat de toepassing van het voorzorgsbeginsel zich dan ook niet verzet tegen het opnieuw verkopen door TenneT van bestaande woningen die binnen de magneetveldzone komen te staan. Het voorgaande neemt niet weg dat de Afdeling in eerdergenoemde uitspraak van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217, heeft overwogen dat dit rijksbeleid ook inhoudt dat een afweging moet worden gemaakt of gevoelige bestemmingen die binnen de magneetveldzone komen te liggen en die redelijkerwijs niet vermeden kunnen worden, ter plaatse kunnen worden gehandhaafd. In die uitspraak is daarbij tevens overwogen dat het op de weg van de ministers ligt om zelf die afweging te maken. Bij de vaststelling van het voorliggende inpassingsplan is door de ministers voor elke gevoelige bestemming ook een afzonderlijke afweging gemaakt en de uitkomsten daarvan zijn opgenomen in bijlage 17 bij de plantoelichting. Bij die afweging wordt door de ministers betrokken of sprake is van een zodanige stapeling van milieufactoren dat de woning en de woonbestemming als gevolg daarvan redelijkerwijs niet kunnen worden gehandhaafd. In overeenstemming met die eerdere uitspraak hebben de ministers voor alle bestaande woningen die binnen de magneetveldzone zullen komen te staan ook de afweging gemaakt of het laten voortduren van de woonbestemming wenselijk is. 14.
  79. Met betrekking tot de mogelijke gezondheidsrisico’s van hoogspanningslijnen - zoals het optreden van ziektes zoals kinderleukemie of Alzheimer - zijn sinds het geldende rijksbeleid uit 2005 en 2008 geen wetenschappelijke onderzoeken verschenen waaruit duidelijk andere conclusies kunnen worden getrokken over een verband daartussen. In eerdergenoemde uitspraak van 29 december 2010 is over het Zwitserse onderzoek van A. Huss uit 2008 naar het mogelijke verband tussen het voorkomen van Alzheimer - en andere neurodegeneratieve ziektes zoals ALS, Parkinson en MS - bij mensen die in de buurt van hoogspanningskabels wonen reeds geoordeeld dat dit onderzoek geen aanleiding geeft om verdergaande eisen te stellen aan magneetveldzones. Voorts hebben de ministers erop gewezen dat in een Deens onderzoek van A. Frei et al uit 2013, gepubliceerd in het 'American Journal of Epidemiology' van 9 april 2013, de eerdere bevindingen van Huss niet worden bevestigd. In de verwijzing van [appellanten sub 19] naar het rapport van Stichting Meldpunt Gezondheid en Milieu van 30 april 2011 hebben de ministers geen aanleiding hoeven zien om het plan aan te passen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in de conclusies in deel II van dit rapport - gebaseerd op meldingen van gezondheidsklachten van burgers over hoogspanningslijnen in de periode 1999-2009 - expliciet is vermeld dat als gevolg van te weinig meldingen geen conclusies kunnen worden getrokken over de magneetveldzones bij 380 kV-lijnen. Door [appellant sub 24] en [appellant sub 26] en anderen is verwezen naar een artikel van B. Hubbard op de website www.medischdossier.org, getiteld "Dossier Elektromagnetische velden: ziekte onder hoogspanning". Dit artikel bevat een vertaling van een Engelstalig artikel op de website www.wddty.com (What Doctors Don’t Tell You). De stellige conclusies die in het artikel van B. Hubbard worden getrokken over de gezondheidsrisico’s van magnetische velden zijn niet wetenschappelijk onderbouwd en vormen een onvolledige en onjuiste weergave van de publicaties waarnaar wordt verwezen. Dit artikel geeft dan ook geen aanleiding om de wetenschappelijke onderzoeken waarop de ministers zich hebben gebaseerd in twijfel te trekken. Voor zover [appellant sub 26] en anderen verwijzen naar een publicatie op de Belgische website www.gezondheid.be van augustus 2015, stelt de Afdeling vast dat daarin expliciet wordt gesteld dat een oorzakelijk verband tussen de aanwezigheid van hoogspanningslijnen en de gezondheid van omwonenden niet is bewezen. Verder wordt daarin gesteld dat kinderen mogelijk extra gevoelig zijn voor magnetische velden en daardoor een verhoogd risico lopen op leukemie. Die wetenschappelijke bevinding is niet nieuw en daarmee is reeds rekening gehouden in het hiervoor vermelde rijksbeleid, aangezien daarin als uitgangspunt geldt dat voorkomen dient te worden dat nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in magneetvelden hoger dan 0,4 µT. Anders dan [appellant sub 26] en anderen stellen, betekent het feit dat in 2014 een aanvraag bij de Gezondheidsraad is ingediend voor actualisatie van het eerdere advies uit 2000 niet dat aan de zijde van de ministers bezorgdheid is ontstaan over de mogelijke gezondheidsrisico’s van magnetische velden van hoogspanningskabels. Ter zitting is namens de ministers toegelicht dat er nieuwe rapporten over dit onderwerp verschijnen en dat de adviesaanvraag slechts is bedoeld als een actualisatie met inachtneming van deze nieuwe rapporten en ter ijking van het huidige beleid. Gezien het voorgaande hebben de ministers naar het oordeel van de Afdeling met de vaststelling van het plan niet hoeven wachten op het nieuwe advies van de Gezondheidsraad. Overigens is dat nieuwe advies op 18 april 2018 verschenen. De conclusie van de Gezondheidsraad in dat nieuwe advies, die voor deze procedure het meest relevant is, houdt in dat in de huidige stand van wetenschap geen aanleiding wordt gezien om de minister te adviseren het huidige beleid met betrekking tot bovengrondse elektriciteitslijnen te heroverwegen. Type wintrackmasten
  80. Een aantal appellanten voert aan dat in een eerder stadium brochures zijn verspreid waarin 2-circuit wintrackmasten zijn afgebeeld en dat pas later bleek dat 4-circuit wintrackmasten zullen worden gebouwd. Deze gang van zaken vinden appellanten misleidend en die 4-circuit wintrackmasten zorgen voor een groter magnetisch veld. Daarnaast wijst een aantal appellanten erop dat in de toekomstige situatie twee tracés met daarin een 4-circuitsverbinding en een 2-circuitsverbinding op korte afstand van elkaar zullen staan, wat ook zorgt voor een grotere magneetveldzone. 15.
  81. De ministers wijzen met juistheid erop dat in de Startnotitie reeds is vermeld dat bij de verschillende alternatieve tracés sprake is van 4-circuit verbindingen. Dat in sommige brochures wintrackmasten met 2 circuits zijn afgebeeld, komt volgens de ministers doordat van 4-circuit wintrackmasten geen fotomateriaal beschikbaar is, omdat dergelijke masten nog niet eerder in Nederland zijn gebouwd. De Afdeling ziet geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. Bovendien zou het gebruik van 2-circuit wintrackmasten ertoe leiden dat de bestaande 150 en 380 kV-lijnen niet gecombineerd kunnen worden met de nieuwe 380 kV-lijn, waardoor meer masten nodig zijn. De berekeningen van de magneetveldzone zijn gedaan op basis van de 'Handreiking voor het berekenen van de specifieke magneetveldzone bij bovengrondse hoogspanningsleidingen', versie 4.1 van oktober 2015 van het RIVM (hierna: de Handreiking). Bij die berekeningen is rekening gehouden met het gegeven dat er meerdere circuits aan zullen hangen. Voor zover appellanten aanvoeren dat de relatief korte onderlinge afstand tussen het tracé van de nieuwe 380 kV-lijn en de bestaande 150 kV-lijn ertoe leidt dat het magneetveld wordt versterkt, overweegt de Afdeling dat in de Handreiking ook rekening wordt gehouden met de onderlinge beïnvloeding van de magneetvelden van hoogspanningsverbindingen die dicht bij elkaar staan. Appellanten wijzen met juistheid erop dat de magneetveldzone bij een 4-circuits wintrackmasten groter is dan bij 2-circuits wintrackmasten. Op de plaatsen waar in het voorliggende plan een nieuwe 4-circuitsverbinding naast een bestaande 2-circuitsverbinding is voorzien zal ook een grotere magneetveldzone aanwezig zijn. Het voorgaande doet echter niet af aan het feit dat ook bij die grotere magneetveldzones in het kader van het voorzorgsbeginsel de grenswaarde van 0,4 µT in acht moet worden genomen. Gelet op hetgeen hiervoor onder 14.1 is overwogen over de betekenis van een magneetveldzone geeft dit op zichzelf geen aanleiding voor vernietiging van het inpassingsplan. Werknemers
  82. Een aantal appellanten betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de gezondheidseffecten voor mensen die dagelijks onder de nieuwe hoogspanningsverbinding zullen werken. 16.
  83. Ten aanzien van het langdurig werken in de magneetveldzone van 0,4 µT wijzen de ministers erop dat voor de bescherming van werknemers de Europese richtlijn 2013/35/EU betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico’s van elektromagnetische velden op 26 juni 2013 is vastgesteld. Deze richtlijn is in Nederland per 1 juli 2016 geïmplementeerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit. In de richtlijn zijn blootstellingslimieten en regels voor het opstellen van een risico-inventarisatie en - evaluatie opgenomen. Bovengrondse hoogspanningslijnen zijn ingedeeld in de categorie waar de limieten niet worden overschreden. De ministers verwijzen in dit verband naar het RIVM rapport 'Elektromagnetische velden in arbeidssituaties' uit
  84. 16.
  85. De Afdeling overweegt dat in het hiervoor beschreven rijksbeleid bedrijfslocaties niet zijn aangemerkt als gevoelige bestemmingen en een specifieke afweging voor bedrijfspersoneel niet aan de orde is. Het vermijden van langdurig verblijf in magneetveldzones geldt op basis van het voorzorgsbeginsel uitsluitend voor kinderen tot 15 jaar. In het deskundigenbericht is vermeld dat de magnetische veldsterkte recht onder een 380 kV-lijn maximaal 20 µT bedraagt. Dat is aanzienlijk minder dan de in Europees verband aanbevolen grenswaarde van 100 µT voor personen. In hetgeen appellanten op dit punt naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet op het standpunt hebben kunnen stellen dat op basis van de huidige stand van het wetenschappelijk onderzoek er geen reden is om aan te nemen dat sprake is van schadelijke effecten op personeel als gevolg van magneetvelden van hoogspanningsverbindingen. Berekening magneetveldzone
  86. [appellant sub 24] voert aan dat ten onrechte is uitgegaan van de meetmethode in de handreiking van het RIVM, waarbij de hartlijn van het tracé als uitgangspunt voor metingen wordt aangehouden. Volgens [appellant sub 24] moeten de 2 pylonen van een wintrackmast worden beschouwd als 2 separate hoogspanningsverbindingen en daarbij moeten voor beide pylonen dus ook 2 afzonderlijke hartlijnen worden aangehouden, aangezien de beide pylonen 22,4 meter uit elkaar staan. Voorts betoogt [appellant sub 24] dat de grens van 0,4 µT zal fluctueren door de sterke fluctuatie van de elektriciteit die afkomstig zal zijn van de windparken op zee en dat in de handleiding van het RIVM ten onrechte wordt uitgegaan van een jaargemiddelde, waardoor de magneetveldzone in sommige periodes veel groter zal zijn. 17.
  87. Het betoog van [appellant sub 24] gaat ervan uit dat de omvang van de magneetveldzone wordt berekend vanuit het midden van het tracé, terwijl de geleiders en kabels daar een aantal meters vanaf hangen en daardoor de magneetveldzone zou zijn onderschat. De omvang van de magneetveldzone is bepaald door middel van de Handreiking. Daarin is in paragraaf 2.5 onder andere vermeld dat voor elke geleider de positie waarin de geleider aan de mast hangt (hoogte en laterale afstand van het ophangpunt van de geleider tot het hart van de mast) en de individuele fasehoek wordt gebruikt. In het deskundigenbericht is vermeld dat voor elke geleider de sterkte van de stroom en de doorhang wordt bepaald en dat in paragraaf 3.2 van de Handreiking bij de berekening van de magneetveldzone wordt uitgegaan van de geleiders en niet van de hartlijn. Volgens het deskundigenbericht is daarom geen sprake van een onderschatting van de omvang van de magneetveldzone. Derhalve wordt de magneetveldzone niet berekend op de plaats van de hartlijn, zoals [appellant sub 24] stelt. Blijkens de Handreiking is de functie van de hartlijn van een hoogspanningstracé onder andere dat daarmee eenduidig de magneetveldzone als een rechte lijn aan beide zijden van het tracé kan worden aangegeven. Een magneetveldzone is als gevolg van het doorhangen van de kabels immers niet overal even breed. Dat de hartlijn een hulpmiddel is om de ligging van de magneetveldzone aan te duiden, betekent niet dat de hartlijn ook wordt gebruikt voor de berekening ervan. Dit betoog van [appellant sub 24] mist derhalve feitelijke grondslag. 17.
  88. Ten aanzien van de gestelde fluctuaties in de belasting van de nieuwe 380 kV-verbinding en dat daardoor de omvang van de magneetveldzone kan veranderen, heeft de minister toegelicht dat bij een 380 kV-lijn in de Handreiking wordt gerekend met een jaargemiddelde belasting die 30% van de ontwerpcapaciteit bedraagt. De belasting van een hoogspanningslijn kan gedurende een jaar fluctueren door veranderingen in stroomverbruik of bijvoorbeeld door het aanbod van stroom van aangesloten windparken door de sterkte van de wind. De Handreiking is laatstelijk herzien in 2015 en het RIVM heeft in die herziene versie 4.1 de gemiddelde belastinggraad niet aangepast, maar wel een attendering toegevoegd in paragraaf 2.5 over de 30% van de ontwerpcapaciteit. Hetgeen [appellant sub 24] naar voren heeft gebracht op dit punt geeft de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers niet in redelijkheid ervan uit konden gaan dat de nieuwe 380 kV-verbinding per jaar gemiddeld niet zwaarder dan 30% zal worden belast door de toekomstige aansluiting van de windparken en dat de berekende magneetveldzone daardoor niet groter zal zijn dan nu is berekend. Voor zover [appellant sub 24] aanvoert dat bij de berekening van de magneetveldzone ten onrechte is uitgegaan van een jaargemiddelde, ziet de Afdeling geen aanleiding om daarover anders te oordelen dan in de eerdergenoemde uitspraak van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO
  89. De ministers hebben in redelijkheid kunnen uitgaan van de jaargemiddelde belasting van de 380 kV-verbinding, omdat hiermee wordt aangesloten bij het advies van VROM. Dat advies gaat immers uit van een jaargemiddeld magnetisch veld van 0,4 µT. Dat de stroom door de hoogspanningsverbinding van uur tot uur zal variëren is in dit kader derhalve niet van belang. Voor piekstraling geldt het internationale referentieniveau van de Europese Unie van 100 µT en dit referentieniveau zal nergens worden overschreden. Metingen en monitoring
  90. [appellant sub 24] betoogt dat de ministers hadden moeten voorzien in een nulmeting en periodieke controlemetingen om zodoende te monitoren dat aan de grenswaarde van 0,4 µT wordt voldaan. Ook [appellant sub 26] en anderen voeren aan dat de ministers ten onrechte niet hebben voorzien in monitoring van de magnetische straling. In dit verband wijzen zij op het rapport van de Gezondheidsraad van 9 april 2015, waarin monitoring van schadelijke milieufactoren wordt aanbevolen. [appellanten sub 19] betogen dat onduidelijk is wie controle uitoefent op de naleving van de grens van 0,4 µT en of metingen worden uitgevoerd door een onafhankelijk bureau. 18.
  91. In het advies 'Eerste analyse afwegingskader gezondheid in milieubeleid' van de Gezondheidsraad van 9 april 2015, wordt een aanbeveling gedaan voor goede monitoring indien zich onzekere risico’s voordoen. Volgens de ministers is van dergelijke onzekere risico’s in dit geval geen sprake, omdat met de rekenmethode van de Handreiking voldoende nauwkeurig kan worden bepaald hoe groot de magneetveldzone van 0,4 µT is. Daarom is het doen van metingen en monitoring van het magneetveld niet noodzakelijk. Hierbij hebben de ministers erop gewezen dat het RIVM in 2014 bij de woonwijk Rokkeveen in Zoetermeer onderzoek heeft verricht, waarbij voorafgaand en na afloop van de realisatie van de 380 kV-lijn Randstad Zuidring metingen van het magneetveld zijn gedaan. Uit dat veldonderzoek blijkt dat de metingen overeenkomen met de berekeningen en dat de afwijkingen die zijn gemeten beperkt zijn. Het gemeten magneetveld van 0,4 µT wijkt niet meer dan 5 meter af van het berekende magneetveld. Een dergelijke maximale afwijking achten de ministers acceptabel. Gelet op het feit dat die eerdere veldmetingen geen grote afwijkingen laten zien van het magneetveld zoals dat met de Handreiking wordt berekend, hebben de ministers naar het oordeel van de Afdeling in dit geval geen aanleiding hoeven zien om meet- en monitoringsverplichtingen op te leggen. Tussenconclusie
  92. De Afdeling heeft de zorgen van een aantal appellanten over mogelijke gezondheidsrisico’s van de nieuwe hoogspanningsverbinding onder ogen gezien, maar de huidige stand van zaken in het wetenschappelijk onderzoek naar dit onderwerp bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de ministers op onjuiste wijze invulling hebben gegeven aan het voorzorgsbeginsel en dat zij strengere eisen hadden moeten stellen aan magneetveldzones. De algemene betogen over de gezondheidsrisico’s van de nieuwe 380 kV-verbinding slagen dan ook niet. Individuele bezwaren
  93. [ appellant sub 9] stelt dat zijn woning en tuin binnen de indicatieve magneetveldzone vallen, terwijl de ministers ervan uitgaan dat dit niet het geval is. Hierbij wijst hij erop dat de ministers ten onrechte de geldende bestemming als uitgangspunt nemen in plaats van het feitelijke gebruik. 20.
  94. De ministers stellen zich op het standpunt dat de indicatieve magneetveldzone is berekend op basis van een representatief tracé, maar niet op basis van het definitieve tracé. De uiteindelijke - specifieke - magneetveldzone kan daardoor afwijken van de indicatieve magneetveldzone, omdat bij de indicatieve zone is uitgegaan van gemiddelde afstanden en hoogtes en niet van de exacte mastlocatie, de exacte afstand tussen masten en hoogte van de draden. Volgens de ministers is daarom alleen relevant of een woning in de specifieke magneetveldzone ligt en dat is bij [appellant sub 9] niet het geval. 20.
  95. Tegenover de woning van [appellant sub 9] ligt een driehoekig perceel ingeklemd tussen de Schoorse Bredeweg, de Kelhoekseweg en de spoorlijn, waarop mast met nummer 1059 zal worden gebouwd. Mast 1059 is bij de nadere detaillering van het tracé zoals opgenomen in de verleende omgevingsvergunning een aantal meters in zuidoostelijke richting - verder weg van de woning van [appellant sub 9] - verschoven op dit driehoekige perceel. Uit de berekeningen in het rapport 'Specifieke magneetveldzone Zuid-West 380 kV West Deeltracés 1 en 2' van 1 september 2016, opgesteld door Petersburg Consultants B.V. in opdracht van TenneT (hierna: het magneetveld-onderzoek) blijkt dat de woning van [appellant sub 9] en de bijbehorende tuin niet in de specifieke magneetveldzone zullen liggen. Anders dan [appellant sub 9] veronderstelt is niet de indicatieve zone, maar de specifieke magneetveldzone doorslaggevend. In zoverre faalt dit betoog reeds hierom. In het deskundigenbericht is vermeld dat [appellant sub 9] het eerdergenoemde driehoekige perceel, dat zijn eigendom is en tegenover zijn woning ligt, ook als zijn tuin beschouwt en dat daar kinderen spelen. Dit driehoekige perceel heeft echter een agrarische bestemming en geen woonbestemming. Uit de bijlage bij eerdergenoemde brief van 4 november 2008 volgt dat voor de toepassing van het begrip 'gevoelige bestemming', anders dan [appellant sub 9] betoogt, het bestemmingsplan en niet de feitelijke situatie het uitgangspunt vormt. Dat het driehoekige perceel - naast beweiden van vee - ook wordt gebruikt door spelende kinderen, is in dit kader dan ook niet van belang. Gelet hierop hebben de ministers het driehoekige perceel van [appellant sub 9] terecht niet als een gevoelige bestemming als omschreven in het hiervoor onder 14.1 beschreven rijksbeleid aangemerkt. Hierdoor is ter plaatse van de woning van [appellant sub 9] ook geen sprake van een gevoelige bestemming binnen de specifieke magneetveldzone. Dit betoog treft geen doel.
  96. [appellante sub 12] en [appellanten sub 19] betogen dat bij hun woningen sprake is van cumulatie van magneetveldzones, omdat zij in de beoogde situatie tussen de nieuwe 380 kV 4-circuitsverbinding en de bestaande 150 kV 2-circuitsverbinding zullen komen te wonen. Volgens hen is onvoldoende onderzoek gedaan naar de cumulatieve effecten. 21.
  97. Uit de berekeningen van de magneetveldzones die inzichtelijk zijn gemaakt op de kaarten in bijlage A van het eerdergenoemde magneetveld-onderzoek blijkt dat de bedrijfswoningen van zowel [appellante sub 12] als die van [appellanten sub 19] niet binnen de magneetveldzone van 0,4 µT komen te liggen. De Afdeling constateert dat op basis van de uitgangspunten in eerdergenoemde Handreiking berekeningen zijn gemaakt van de specifieke magneetvelden en dat daarbij rekening is gehouden met het feit dat ter plaatse 2 tracés in elkaars nabijheid zullen komen te liggen. De Afdeling volgt [appellante sub 12] en [appellanten sub 19] dan ook niet in hun betoog dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de cumulatieve effecten van 2 parallelle hoogspanningstracés in de buurt van hun bedrijfswoningen. Dit betoog faalt.
  98. [appellant sub 10] en [appellant sub 10] betogen dat zij reeds in 2004 plannen hebben ingediend voor het realiseren van een kinderdagverblijf en twee appartementen in een bestaande schuur op hun perceel. Door de komst van de nieuwe 380 kV-lijn komt hun perceel binnen de magneetveldzone te liggen en is verwezenlijking van deze plannen niet meer mogelijk. De ministers hebben daar ten onrechte geen rekening mee gehouden. 22.
  99. Uit de bijlagen bij het deskundigenbericht blijkt dat in 1999 door [appellant sub 10] en [appellant sub 10] plannen kenbaar zijn gemaakt bij het gemeentebestuur over het willen realiseren van woningen op hun perceel en dit in 2008 tot een businessplan voor 2 appartementen en een kinderdagverblijf heeft geleid. In het deskundigenbericht is vermeld dat deze plannen daarna stil zijn komen te liggen vanwege de mogelijke komst van een hoogspanningsverbinding. Niet in geschil is dat in het geldende bestemmingsplan "Borsels Buiten" van de gemeente Borssele het perceel van [appellant sub 10] en [appellant sub 10] een agrarische bestemming heeft en dat op basis van dit plan bij recht geen kinderdagverblijf of appartementen zijn toegestaan. Het feit dat een wijzigingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan mogelijkheden biedt om nevenactiviteiten te gaan ontplooien, is geen gebruiksmogelijkheid van hun perceel die het geldende bestemmingsplan bij recht toestaat en in zoverre leidt het voorliggende rijksinpassingsplan niet tot een beperking van de bestaande gebruiksmogelijkheden. Verder stelt de Afdeling vast dat een aanzienlijk deel van de schuur waarin [appellant sub 10] en [appellant sub 10] hun plannen willen realiseren buiten de magneetveldzone ligt en in zoverre het rijksinpassingsplan geen belemmering vormt voor een eventuele verwezenlijking van hun plannen. Gezien het voorgaande hebben de ministers geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de plannen van [appellant sub 10] en [appellant sub 10] bij de keuze van het tracé van de nieuwe 380 kV-lijn. Dit betoog slaagt niet.
  100. [appellant sub 26] en anderen stellen dat door de aanleg van de nieuwe hoogspanningsverbinding het onmogelijk wordt om een tweede woning op hun percelen te bouwen. 23.
  101. In het deskundigenbericht is vermeld dat ter plaatse van de bestaande schuur op de gronden van [appellant sub 26] en anderen geen woning kan worden gebouwd, omdat die dan in de magneetveldzone komt te staan. Gezien de omvang van hun percelen - van 6 hectare - is volgens het deskundigenbericht wel voldoende ruimte beschikbaar buiten de magneetveldzone om eventueel een tweede woning te bouwen. Door [appellant sub 26] en anderen zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij ten tijde van de vaststelling van het rijksinpassingsplan reeds concrete plannen hadden voor de bouw van een tweede woning en hebben zij dat ook niet anderszins aannemelijk gemaakt. Bovendien is door [appellant sub 26] en anderen niet weersproken dat buiten de magneetveldzone ruimte is voor een eventuele tweede woning, wat ook blijkt uit de berekeningen van de magneetveldzones die inzichtelijk zijn gemaakt op de kaarten in bijlage A van het eerdergenoemde magneetveld-onderzoek. Gezien het voorgaande hebben de ministers dan ook geen rekening hoeven houden met de eventuele bouw van een tweede woning op het perceel van [appellant sub 26] en anderen bij de keuze van het tracé van de nieuwe 380 kV-lijn. Dit betoog faalt.
  102. [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat de magneetveldzone van de nieuwe 380 kV-lijn deels over zijn agrarische bouwvlak zal liggen en dat onder andere toekomstige nevenactiviteiten op zijn gronden minder aantrekkelijk worden, zoals een camping, zorgboerderij of een manege. 24.
  103. Door [appellant sub 3] en anderen zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij ten tijde van de vaststelling van het rijksinpassingsplan reeds concrete plannen hadden voor de door hen genoemde nevenactiviteiten en hebben zij dat ook niet anderszins aannemelijk gemaakt. Voorts merkt de Afdeling op dat de meeste nevenactiviteiten die [appellant sub 3] en anderen eventueel in de toekomst willen ontplooien niet zijn aangemerkt als gevoelige bestemmingen in het hiervoor onder 14.1 beschreven rijksbeleid. Dit betekent dat de ministers daarvoor op basis van dat beleid geen specifieke afweging hoeven te maken. Bovendien vormt de toekomstige ligging van de magneetveldzone over de gronden van [appellant sub 3] en anderen - uit een oogpunt van gezondheidsrisico’s - geen belemmering om de meeste nevenactiviteiten te gaan ontplooien. Aan de omstandigheid dat dergelijke nevenactiviteiten in de nabijheid van een hoogspanningsverbinding minder aantrekkelijk zijn, daargelaten of die stelling juist is, hebben de ministers in redelijkheid geen doorslaggevend belang hoeven toekennen bij de keuze van het tracé van de nieuwe 380 kV-lijn. Dit betoog slaagt niet. Alternatieven
  104. Een groot aantal appellanten heeft beroepsgronden naar voren gebracht over alternatieven voor de nieuwe 380 kV-verbinding. Een aantal van die bezwaren is algemeen van aard en heeft betrekking op het tracé als geheel. Die bezwaren zal de Afdeling als eerste behandelen, waaronder de door een aantal appellanten gewenste ondergrondse aanleg van de nieuwe verbinding over een afstand van 7 kilometer bij Roelshoek. Daarna zullen de individuele bezwaren van appellanten tegen een locatiekeuze van een specifieke mast of deel van het tracé - in de buurt van hun woning of bedrijf - afzonderlijk worden besproken. 25.
  105. Ter inleiding van de bespreking van de diverse aangedragen alternatieven overweegt dat Afdeling dat de ministers bij de vaststelling van een inpassingsplan een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben de ministers beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen, waarbij de locatie Borssele het beginpunt is voor de nieuwe hoogspanningsverbinding, nodig voor de aansluiting van de windparken op zee op het bestaande hoogspanningsnet. Dit volgt uit het derde Structuurschema Energievoorziening (hierna: SEV III), waaraan de ministers zijn gebonden. Opknippen van het project
  106. Een aantal appellanten voert aan dat door het opknippen van de verschillende onderdelen van dit project en die in afzonderlijke procedures onder te brengen een aantal mogelijke alternatieven op voorhand onmogelijk wordt gemaakt. In dit verband wijzen zij erop dat bijvoorbeeld de vergunning die is verleend voor het transformatorstation in Borssele tot gevolg heeft dat een onderzeese aanleg van de 380 kV-lijn van het windpark rechtstreeks naar het hoogspanningsstation in Rilland is uitgesloten. 26.
  107. De ministers stellen dat de verschillende projecten - waaronder de aansluiting van de toekomstige windparken, de nieuwe 380 kV-lijn en het 380 kV-station Rilland - elk een eigen nut en noodzaak hebben en een afzonderlijk tijdpad. Daarom is ervoor gekozen om deze projecten afzonderlijke procedures te laten doorlopen. Hierbij stellen de ministers dat het hoogspanningsstation bij Rilland ook zonder de nieuwe 380 kV-verbinding noodzakelijk is en onafhankelijk van de aanleg daarvan functioneert. 26.
  108. Het onderzoek naar alternatieve tracés is opgenomen in hoofdstuk 3 van de Startnotitie voor de milieueffectrapportage uit mei 2009 (hierna: de Startnotitie) en is vervolgens nader uitgewerkt in het MER van 3 februari 2016, dat is opgesteld ten behoeve van het voorliggende plan. De Afdeling volgt een aantal appellanten niet in hun betoog dat het opdelen van de verschillende onderdelen van dit project ertoe heeft geleid dat sommige alternatieven op voorhand zijn afgevallen. De verschillende alternatieven voor het gehele project zijn beschreven in de Startnotitie en daarbij is geen sprake van opdeling van het project, maar is het totale project bezien. Zoals het SEV III voorschrijft is daarbij Borssele het startpunt voor alle mogelijke tracés. Daarnaast is door appellanten niet weersproken dat de realisatie van het hoogspanningsstation Rilland ook zonder de aanleg van de nieuwe 380 kV-lijn noodzakelijk is, zodat het niet onredelijk is om hiervoor een afzonderlijke procedure te doorlopen. Vervolgens maakte de realisatie van dit nieuwe hoogspanningsstation het mogelijk om de aanleg van de nieuwe 380 kV-lijn te faseren in een westelijk en oostelijk tracé. Dit betekent naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat alternatieve tracés - zoals een route door de Oosterschelde of Westerschelde - door het enkele opdelen van het project zijn afgevallen. De alternatieve tracés zijn om technische, landschappelijke of andere redenen afgevallen. Dit wordt in de onderstaande overwegingen besproken. Volledig ondergrondse alternatieven
  109. Meerdere appellanten betogen dat de aanleg van een tracé over de bodem van de Westerschelde ten onrechte door de ministers niet als mogelijk alternatief is onderzocht. [appellanten sub 21] betogen daarnaast dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het benutten van in onbruik geraakte ondergrondse leidingen die parallel lopen aan het tracé als mantelbuis voor een ondergrondse aanleg van de 380 kV-leidingen. 27.
  110. Over het alternatieve plan om de nieuwe kabels vanaf de nieuwe windparken voor de kust van Walcheren over de bodem van de Westerschelde naar Rilland te laten lopen, merken de ministers op dat de 380 kV-lijn niet alleen nodig is voor het transporteren van stroom die afkomstig is van de windparken. Er zijn meerdere redenen waarom de nieuwe verbinding nodig is en een tracé door de Westerschelde is volgens de ministers geen oplossing voor alle bestaande knelpunten. Over de diverse voorgestelde alternatieven waarbij het tracé door de Westerschelde loopt, verwijzen de ministers ook naar de brief die hierover op 11 april 2016 aan de Tweede Kamer is gezonden (Kamerstukken II, 2015/16, 29 023, nr. 205). In die brief zijn 4 verschillende varianten van een onderzeese kabel voor het windpark bezien en - kort samengevat - vielen die alternatieven af vanwege de verwachte extra kosten, de grote vertraging van het project die zou ontstaan, de technische onmogelijkheden of omdat bestaande knelpunten daarmee niet worden opgelost. Daarom is ervan afgezien om nader onderzoek te doen naar een tracé door de Westerschelde. Voorts stellen de ministers dat in het SEV III als uitgangspunt is geformuleerd dat hoogspanningsverbindingen van 200 kV of meer in beginsel bovengronds worden aangelegd. Bij de 380 kV-verbinding tussen Wateringen en Zoetermeer is voor het eerst een deel van de verbinding ondergronds aangelegd. Op basis van de beschikbare kennis is destijds geconcludeerd dat de risico’s voor de netstabiliteit en daarmee voor de leveringszekerheid te groot worden als meer dan 20 kilometer van een 380 kV-lijn ondergronds wordt aangelegd. Bij de aanleg van de hoogspanningsverbinding tussen Wateringen en Zoetermeer is ook een monitoringssysteem aangelegd. Uit de eerste resultaten van die monitoring, die in maart 2015 zijn verschenen, blijkt dat het technisch mogelijk is meer dan 20 kilometer ondergronds aan te leggen. Daarbij geldt wel dat dit per geval moet worden bezien en dat daarbij strikte randvoorwaarden gelden. Zo is het zeer onwenselijk om delen van de landelijke 380 kV-ring, delen van interconnectoren of verbindingen tussen interconnectoren en de landelijke 380 kV-ring ondergronds aan te leggen, vanwege het cruciale belang hiervan voor de Nederlandse en Europese stroomvoorziening. Voorts hebben de ministers in de hierboven genoemde brief van 11 april 2016 aan de Tweede Kamer uiteengezet dat een tracé door de Westerschelde over een afstand van circa 60 kilometer onder water zou lopen, wat zich niet verdraagt met het uitgangspunt van het SEV III dat nieuwe kabels van 220 kV of meer in beginsel bovengronds worden aangelegd en dat meer dan 20 kilometer ondergronds aanleggen niet aanvaardbaar is. 27.
  111. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217 (overweging 2.34), hebben de ministers zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zij verkabeling over meer dan 20 kilometer in Nederland gelet op de huidige stand van zaken, ook bezien in het licht van de voordelen van ondergrondse aanleg, niet verantwoord achten, gelet op de grote belangen van de continuïteit van de elektriciteitsvoorziening. Appellanten hebben niets aangevoerd op basis waarvan de Afdeling thans tot een ander oordeel zou moeten komen. De ministers hebben gelet hierop in redelijkheid kunnen afzien van het doen van nader onderzoek naar het aanleggen van de nieuwe 380 kV-verbinding door de Westerschelde of andere alternatieve tracés - bijvoorbeeld in aanwezige buisleidingen die in onbruik zijn geraakt zoals [appellanten sub 21] aanvoeren - aangezien daarbij meer dan 20 kilometer ondergronds zou moeten worden aangelegd. Gedeeltelijk ondergrondse aanleg bij Roelshoek
  112. Een aantal appellanten betoogt dat een gedeeltelijke ondergrondse aanleg van de 380 kV-verbinding bij Roelshoek door de ministers ten onrechte niet nader is onderzocht, omdat dit technisch niet mogelijk en te duur zou zijn. Hierbij wijzen zij erop dat in het oostelijke deel van de nieuwe 380 kV-lijn - tussen Rilland en Tilburg - wel stukken van het tracé ondergronds zullen worden aangelegd, onder andere bij het landgoed Mattemburgh. Volgens hen worden in Duitsland en België ook hoogspanningslijnen van 380 kV ondergronds aangelegd. Zij wijzen op de grote gevolgen van de nieuwe lijn voor de inwoners van Roelshoek, want volgens hen komen 7 van de 15 huizen in dit buurtschap in de magneetveldzone te staan. Ook komt de nieuwe verbinding vlakbij het strandje van Roelshoek te staan, wat een negatieve invloed heeft op de recreatiemogelijkheden - waaronder kitesurfen - terwijl de recreatiemogelijkheden in deze omgeving al zeer beperkt zijn. De toezegging van de minister dat de bestaande 380 kV-lijn bij Krabbendijke in de toekomst ondergronds zal worden aangelegd vinden zij een verkeerde keuze, omdat die bestaande verbinding de inwoners van Krabbendijke niet in dezelfde mate raakt als de nieuwe verbinding de inwoners van Roelshoek. Hierbij wijzen zij erop dat in de magneetveldzone van de bestaande 380 kV-lijn geen gevoelige bestemmingen liggen. 28.
  113. De ministers stellen dat het op dit moment technisch niet mogelijk is om een deel van de nieuwe 380 kV-lijn ondergronds aan te leggen. Zij wijzen erop dat TenneT op 2 april 2015 is verzocht om onder andere voor het voorliggende tracé te onderzoeken of gedeeltelijke ondergrondse aanleg mogelijk is. TenneT concludeert in haar rapport van 25 november 2015 dat ondergrondse aanleg van delen van de nieuwe verbinding tussen Borssele en Rilland niet mogelijk is, omdat dan ontoelaatbare hoge overspanningen kunnen ontstaan. In een 'second opinion' van 29 november 2015 bevestigt Tractebel deze conclusie. Ondergrondse aanleg van delen van de nieuwe verbinding wordt technisch pas mogelijk als het hele tracé tot Tilburg is voltooid, omdat dan te hoge overspanningen in de verbinding kunnen worden voorkomen. De ministers hebben bij brief van 16 mei 2017 aan TenneT de opdracht gegeven om een deel van de bestaande 380 kV-lijn die dichtbij Krabbendijke staat ondergronds aan te leggen, zodra de nieuwe 380 kV-lijn tot aan Tilburg klaar is. Dit ondergrondse tracé mag uit financiële overwegingen maximaal 7 kilometer lang zijn. De alternatieven voor dit ondergrondse tracé van de bestaande 380 kV-lijn zullen nog worden onderzocht en om deze ondergrondse aanleg mogelijk te maken zal de gemeenteraad van Reimerswaal het ter plaatse geldende bestemmingsplan moeten wijzigen. Hierbij stellen de ministers dat deze toekomstige, gedeeltelijke ondergrondse aanleg van de bestaande 380 kV-verbinding los staat van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de nieuwe 380 kV-lijn. 28.
  114. Uit hetgeen hiervoor onder 27.2 is overwogen volgt dat ondergrondse aanleg van 380 kV-lijnen over korte afstanden in beginsel technisch mogelijk is. Dat de nieuwe verbinding mede is bedoeld om het bestaande probleem van het niet kunnen plegen van onderhoud aan de bestaande 380 kV-lijn op te lossen zoals de ministers stellen, is niet relevant voor de vraag of de nieuwe verbinding deels ondergronds kan worden aangelegd. Maar de Afdeling volgt de ministers wel in het standpunt dat het in dit geval technisch gezien nog niet mogelijk is om een deel van de nieuwe 380 kV-lijn bij Roelshoek ondergronds aan te leggen. Deze onmogelijkheid houdt kort samengevat verband met het feit dat de relatief korte lengte van de verbinding tussen Borssele en Rilland ertoe leidt dat dit deel van de verbinding bij ondergrondse aanleg onvoldoende capaciteit heeft om pieken in de belasting van de kabels op te vangen. Dit kan leiden tot overspanning van de nieuwe verbinding, met mogelijke schade aan onderdelen van de verbinding en eventueel uitval tot gevolg. Zowel TenneT als Tractebel komen tot deze conclusie en appellanten hebben niets aangevoerd op basis waarvan de Afdeling de juistheid van de rapporten van TenneT en Tractebel in twijfel zou moeten trekken. Zodra de nieuwe verbinding tot aan Tilburg is voltooid, neemt de capaciteit toe door het langere tracé en dan ontstaan dergelijke ontoelaatbare hoge pieken in de belasting niet, waardoor het technisch mogelijk wordt om een deel van de verbinding ondergronds te brengen. Dit is ook inzichtelijk gemaakt in de grafieken op bladzijde 21 van het eerdergenoemde rapport van TenneT van 25 november
  115. De ministers hebben de risico’s voor de leveringszekerheid van elektriciteit bij een ondergrondse aanleg van het tracé bij Roelshoek, voordat de hele verbinding tot aan Tilburg gereed is, in redelijkheid niet acceptabel kunnen achten. 28.
  116. Op basis van de voorgaande overweging constateert de Afdeling dat de technische onmogelijkheid om een deel van het tracé van de nieuwe 380 kV-lijn bij Roelshoek ondergronds aan te leggen, wordt veroorzaakt door de omstandigheid dat het tracé tot aan Tilburg niet gereed zal zijn voordat de windparken voor de kust van Walcheren klaar zullen zijn. De Afdeling heeft aanleiding gezien om na de zitting van 5 en 6 februari 2018 het onderzoek te heropenen wat betreft de door de ministers gestelde urgentie van de aanleg van de nieuwe 380 kV-lijn. De ministers hebben bij brief van 15 maart 2018 antwoord gegeven op een aantal vragen van de Afdeling van feitelijke aard die hier betrekking op hebben. Een aantal appellanten heeft daarop gereageerd en over dit onderwerp is op 18 juni 2018 ook een nadere zitting gehouden. De nieuwe verbinding is mede noodzakelijk voor het transporteren van de elektriciteit die door de windparken voor de kust van Walcheren zal worden geproduceerd. De aanleg van het westelijke deel van de nieuwe 380 kV-lijn tot aan het schakelstation bij Rilland kan daarom niet worden uitgesteld totdat het oostelijke deel van het tracé tot aan Tilburg klaar is. Het ligt ook niet in de lijn der verwachting dat het oostelijke deel van het tracé klaar is voordat de windparken voor de kust van Walcheren in gebruik zullen worden genomen. Hierbij is van belang dat de ministers in hun eerdergenoemde brief van 15 maart 2018 hebben toegelicht dat alle benodigde vergunningen voor die windparken in 2016 zijn verleend en dat die besluiten sinds augustus 2016 en januari 2017 onherroepelijk zijn. Voorts hebben de ministers erop gewezen dat die verleende vergunningen ertoe verplichten om binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning de windparken te realiseren. Ook lopen de exploitanten hun subsidie mis op basis van de ministeriële regeling 'Stimulering Duurzame Energieproductie' als de windparken niet binnen 5 jaar worden gebouwd. Gezien het voorgaande acht de Afdeling aannemelijk gemaakt dat de windparken in 2019 of 2020 in bedrijf zullen worden genomen. In hun brief van 15 maart 2018 hebben de ministers aan de hand van een concrete planning laten zien dat de aanleg van het oostelijke deel van de nieuwe 380 kV-lijn naar verwachting niet eerder zal starten dan in 2022 en pas zal zijn voltooid in
  117. Hierdoor kan het technische probleem van mogelijke overspanning van het westelijke deel van het tracé niet worden opgelost voordat de windparken in gebruik worden genomen en TenneT is ingevolge de Elektriciteitswet verplicht om die windparken aan te sluiten op het landelijke hoogspanningsnet. 28.
  118. Wat betreft de verwijzing van appellanten naar de ondergrondse aanleg van 380 kV-verbindingen in België en Duitsland, overweegt de Afdeling dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit situaties betreffen die vergelijkbaar zijn met de specifieke situatie die bij de verbinding Borssele - Rilland zich voordoet. Tijdens de eerste zitting is door TenneT meegedeeld dat de ondergrondse 380 kV-verbinding in Duitsland waar appellanten op wijzen geen wisselstroom, maar gelijkstroom betreft en tijdens de nadere zitting heeft TenneT toegelicht dat de bewuste 380 kV-verbinding in België langer is. Verder stellen appellanten op zich met juistheid dat in het oostelijke tracé van de nieuwe 380 kV-lijn delen van de verbinding ondergronds zullen worden aangelegd, zoals het deel van het tracé dat langs landgoed Mattemburgh en het Natura 2000-gebied "Markiezaatsmeer" zal lopen. Dit neemt niet weg dat bij de gedeeltelijke ondergrondse aanleg in het oostelijke tracé juist niet hetzelfde technische probleem van mogelijke overspanning zich voordoet zoals bij het westelijke tracé. Dus uit die omstandigheid kan niet worden afgeleid dat ondergrondse aanleg van delen van het westelijke tracé ook technisch mogelijk is op dit moment. 28.
  119. De Afdeling is gezien het voorgaande van oordeel dat de ministers zich op goede gronden op het standpunt hebben gesteld dat pas na voltooiing van de nieuwe 380 kV-lijn tot aan Tilburg - rond 2025 - het technisch mogelijk wordt om ook in het westelijk deel van het tracé stukken van de nieuwe 380 kV-lijn ondergronds aan te leggen. Verder is de Afdeling op basis van hetgeen appellanten naar voren hebben gebracht over dit onderwerp niet van oordeel dat het voorliggende plan zonder ondergrondse aanleg uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet kan worden ontkend dat de nieuwe 380 kV-lijn onder andere voor de buurtschap Roelshoek in het bijzonder een negatief effect heeft, maar dat deze verbinding en de daarmee gepaard gaande magneetveldzone niet ertoe zullen leiden dat Roelshoek een spookdorp zal worden, zoals hierna onder 48.2 wordt overwogen. Recreatie bij het bestaande strandje bij Roelshoek wordt door de komst van de nieuwe verbinding minder aantrekkelijk, maar niet onmogelijk gemaakt. Tevens is door de ministers in dit verband terecht erop gewezen dat de bestaande 380 kV-lijn reeds beperkingen oplegt aan de mogelijkheid om ter plekke te kitesurfen. Zelfs indien dit niet het geval zou zijn, hebben de ministers aan een eventuele beperking van de recreatiemogelijkheden ter plaatse van het strandje bij Roelshoek geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen bij de vaststelling van het plan, gelet op het bij de aanleg van de 380 kV-lijn betrokken algemeen belang. 28.
  120. De Afdeling hecht eraan nog het volgende op te merken over de toekomstige ondergrondse aanleg van de bestaande 380 kV-lijn, waartoe de minister in 2017 opdracht heeft gegeven aan TenneT. Daarover is nog geen besluit in de zin van de Awb genomen en dit ligt daarom nu niet ter beoordeling voor aan de Afdeling. Daarom overweegt de Afdeling slechts dat het in de rede ligt dat het bevoegd gezag bij het nemen van dat besluit mede in overweging neemt om niet de 380 kV-lijn die het dichtst bij Krabbendijke staat, maar de 380 kV-lijn die dan het dichtst bij Roelshoek zal staan ondergronds te brengen of die lijn in zuidelijke richting te verplaatsen - verder weg van Roelshoek - na verkabeling van de andere 380 kV-lijn. Dit vergt echter een afweging van alle betrokken belangen, waaronder die van de inwoners van Krabbendijke, de inwoners van Roelshoek en van het naastgelegen Natura 2000-gebied "Oosterschelde", op basis van de feiten en omstandigheden zoals die pas over een aantal jaar aan de orde zijn. Het bevoegd gezag en niet de Afdeling dient te zijner tijd die belangenafweging te maken. De vraag of de bestaande 380 kV-lijn die het dichtst bij Krabbendijke staat of de nieuwe 380 kV-lijn die het dichtst bij Roelshoek komt te staan ondergronds dient te worden aangelegd, kan in de procedure over het daarvoor nog te nemen ruimtelijke besluit aan de orde worden gesteld en eventueel daarna aan de Afdeling worden voorgelegd. Alternatief N
  121. Een aantal appellanten voert daarnaast aan dat onduidelijk is waarom niet is gekozen voor het kortere tracé langs Tholen door de Oosterschelde naar de Wilhelminapolder, het zogenoemde 'alternatief N'. 29.
  122. Wat betreft het zogenoemde 'alternatief N' of 'Noordelijk Tracé', een tracé voor de nieuwe 380 kV-verbinding dat vanaf Borssele naar Goes en vervolgens over de Oosterschelde naar Tholen richting het bestaande hoogspanningsstation in Geertruidenberg loopt, is om een aantal redenen afgevallen die zijn vermeld in paragraaf 4.1.1 van het MER. Dit alternatief is een nieuwe doorsnijding van het landschap en heeft daardoor grotere gevolgen voor de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden in het gebied. Tevens voorziet dit alternatief niet in het verwijderen van de bestaande 150 of 380 kV-verbindingen en voldoet daarmee minder aan de uitgangspunten van het SEV III voor het combineren of bundelen van nieuwe hoogspanningsverbindingen met bestaande infrastructuur. Verder is in het MER vermeld dat het alternatief N in de Startnotitie is opgenomen voor het geval dat een zuidelijk tracé niet inpasbaar zou blijken te zijn vanwege windparken, buisleidingen, Natura 2000-gebieden of hoogtebeperkingen ter plaatse van vliegveld Woensdrecht. Omdat voor een zuidelijk tracé geen onoplosbare knelpunten bleken te bestaan, is 'alternatief N' niet verder onderzocht in het MER. Gelet op het voorgaande volgt de Afdeling een aantal appellanten dan ook niet in hun betoog dat niet is onderbouwd waarom 'alternatief N' niet verder is onderzocht. Combinatie van lijnen
  123. [appellanten sub 19] voeren aan dat het tracé in het voorliggende plan afwijkt van het voorkeursalternatief dat in de Startnotitie is beschreven en dat dit leidt tot nieuwe doorsnijdingen van het landschap. Volgens een aantal appellanten is onduidelijk waarom voor een deel van het tracé de bestaande 150 kV-lijn bij de nieuwe 380 kV-lijn in Wintrackmasten wordt gehangen met afzonderlijke masten voor de bestaande 380 kV-lijn en voor een deel van het tracé wel de bestaande en nieuwe 380 kV-lijnen in dezelfde wintrackmasten worden gehangen. Het is volgens hen logischer om voor het hele tracé de bestaande en de nieuwe 380 kV-lijn in dezelfde wintrackmasten te hangen, zodat de bestaande 150 kV-lijn geheel ondergronds kan worden aangelegd en de bestaande vakwerkmasten van die 150 kV-leiding kunnen worden afgebroken. 30.
  124. De ministers stellen dat het alternatief van het combineren van de bestaande en de nieuwe 380 kV-lijnen in één mast over de volledige lengte van het tracé in het MER is onderzocht. Na weging van alle factoren is niet voor die optie gekozen. Over het feit dat als gevolg van het voorliggende plan, waarbij de 150 kV-lijn bij de nieuwe 380 kV-lijn wordt gehangen, in de voorzienbare toekomst de bestaande 150 kV-lijn niet meer ondergronds zal worden aangelegd merken de ministers op dat het rijksbeleid zoals neergelegd in het SEV III daartoe niet verplicht. 30.
  125. De mogelijkheid van het combineren van de bestaande en nieuwe 380 kV-lijnen in één mast is in het MER als een van de mogelijke alternatieven beschouwd en daarvoor zijn twee alternatieve tracés - C380b en C380n - beschreven. In de plantoelichting is vermeld dat het meest milieuvriendelijke alternatief (hierna: MMA) zoals dat in hoofdstuk 8 van het MER is beschreven, het uitgangspunt is geweest voor het tracé maar dat bij de keuze van het tracé ook factoren zoals techniek, het aantal gevoelige bestemmingen, beleid en kosten zijn meegewogen. Het MMA is in dit geval het alternatief dat met C380n is aangeduid in het MER. In alternatief C380n worden de nieuwe en bestaande 380 kV-lijnen gecombineerd in één mast, maar wordt niet het tracé van de bestaande 380 kV-lijn gevolgd, maar is voor een nieuw tracé gekozen. Vanaf de Willem Annapolder wijkt het voorliggende plan af van het MMA. In het MMA (C380n) zou het tracé ten zuiden van Krabbendijke lopen, maar in het voorliggende plan loopt het tracé ten noorden van Krabbendijke. Daarnaast zou in het MMA de 150 kV-lijn in de bestaande vakwerkmasten blijven hangen en de beide 380 kV-lijnen in één wintrackmast ernaast, terwijl in het plan de nieuwe 380 kV-lijn en de bestaande 150 kV-lijn in één wintrackmast hangen en de bestaande 380 kV-lijn in de bestaande vakwerkmast ernaast komt te hangen. Voor het deel van het tracé tussen de Willem Annapolder en Rilland is derhalve gekozen voor het alternatief dat in het MER is aangeduid met C150b. De redenen hiervoor zijn - kort samengevat - dat het MMA (C380n) bij nadere bestudering voor technische problemen zorgt, omdat na de Willem Annapolder het tracé van C380n de bestaande 380 kV-lijn zou moeten doorkruisen en het Kanaal door Zuid-Beveland moet overbruggen. Dit leidt in de aanlegfase tot problemen in de vorm van onvoldoende ruimte voor tijdelijke masten en daarnaast vormt de doorvaarthoogte ter plaatse van het Kanaal door Zuid-Beveland ook een knelpunt, omdat de benodigde doorvaarthoogte onder twee 380 kV-verbindingen in één mast, niet met wintrackmasten kan worden bereikt. De stelling van [appellanten sub 19] dat het plan afwijkt van het voorkeursalternatief is juist, maar waarom daarvan is afgeweken is in de Startnotitie uitvoerig gemotiveerd. Voorts hebben de ministers op basis van de voor- en nadelen en factoren zoals technische beperkingen en kosten niet voor een variant gekozen waarbij het gehele tracé van de nieuwe 380 kV-verbinding met de bestaande 380 kV-verbinding wordt gecombineerd in één wintrackmast en de bestaande 150 kV-lijn geheel ondergronds wordt gebracht. Voorts stellen de ministers zich terecht op het standpunt dat verkabeling van de bestaande 150 kV-lijn op grond van het SEV III niet aan de orde is, nu het SEV III uitsluitend tot ondergrondse aanleg van 110 kV of 105 kV-lijnen verplicht als het totale aantal kilometers van bovengrondse tracés aan hoogspanningsleidingen toeneemt. In het voorliggende plan neemt het totale aantal kilometers tracé aan bovengrondse kabels juist af door het combineren van de bestaande lijnen met de nieuwe lijn, waarbij sommige delen van de bestaande lijnen worden afgebroken. Gezien het voorgaande hebben de ministers naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd waarom niet is gekozen voor het combineren van de bestaande 380 kV-lijn en nieuwe 380 kV-lijn in één mast en het verkabelen van de bestaande 150 kV-lijn. Tussenconclusie
  126. Wat betreft de diverse alternatieven die appellanten hebben voorgesteld constateert de Afdeling dat die door de ministers zijn bezien, voor zover die niet reeds vanwege evidente technische beperkingen op voorhand afvielen. De voor- en nadelen van de tracés zijn daarbij meegewogen door de ministers en gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het onderzoek naar alternatieven voor het tracé als geheel niet gebrekkig is geweest en dat de ministers alles afwegende in redelijkheid voor het voorliggende tracé hebben kunnen kiezen. Dit betekent echter niet dat geen ruimte meer bestaat om te oordelen over de vraag of het gekozen tracé op specifieke locaties zou moeten worden aangepast. De individuele bezwaren tegen het exacte tracé worden daarom hierna besproken. Tracé bij [appellant sub 9]
  127. [ appellant sub 9] betoogt dat in het vastgestelde plan van het oorspronkelijke tracé ten nadele van hem is afgeweken en het tracé nu dichterbij zijn woning en bedrijf zal komen. Deze afwijking is het gevolg van de bezwaren van het bedrijf Top Taste B.V., maar de noodzaak tot aanpassing van dit deel van het tracé is onvoldoende onderbouwd volgens [appellant sub 9]. Zo is onduidelijk waarom de schoorsteen van dit bedrijf niet kon worden aangepast in plaats van verlegging van het tracé en blijkt uit het KEMA-rapport niet dat de schoorsteen een nadelig effect op de hoogspanningsleidingen zou hebben. Door de wijziging van het tracé wordt [appellant sub 9] nu geconfronteerd met een hoekmast op zijn gronden, waardoor de bedrijfsvoering van zijn landbouwbedrijf wordt belemmerd. Ook vreest hij voor de gezondheid van zijn gezin, nu door de wijziging het tracé op minder dan 80 meter van zijn woning zal komen. Daarnaast betoogt [appellant sub 9] dat de hoogspanningsdraden geluidsoverlast kunnen veroorzaken. 32.
  128. De ministers stellen dat het oorspronkelijke tracé over het bedrijf Top Taste B.V. was voorzien, maar dat dit ertoe zou leiden dat de kabels boven de schoorsteen van dit bedrijf zouden hangen. De warme stoom uit deze schoorsteen vormt een zeer onwenselijk risico voor de kabels en aanpassing van de schoorsteen bleek niet mogelijk zonder een ingrijpende herinrichting van het bedrijf. Daarom is ervoor gekozen het tracé aan te passen op deze plaats en mast 1059 te verplaatsen. Hierbij merken de ministers op dat de gezondheid van het personeel van Top Taste B.V. niet mede aanleiding is geweest voor deze wijziging van het tracé. Voorts stellen de ministers dat de woning en tuin van [appellant sub 9] buiten de magneetveldzone liggen en dat de afstand tussen zijn woning en het tracé van de hoogspanningsverbinding aanvaardbaar is. 32.
  129. Voor zover [appellant sub 9] vreest voor de gezondheidsrisico’s, nadelige gevolgen voor zijn bedrijfsvoering en geluidsoverlast van de nieuwe 380 kV-lijn, overweegt de Afdeling dat deze bezwaren afzonderlijk in deze uitspraak aan de orde zijn in overwegingen 20.2, 40 tot en met 40.4 en 46.
  130. Het oordeel van de Afdeling blijft daarom hier beperkt tot de vraag of de ministers de keuze van het tracé voldoende hebben gemotiveerd en of de ministers in redelijkheid de door [appellant sub 9] voorgestelde alternatieve tracés hebben kunnen afwijzen. 32.
  131. Als gevolg van de aanpassing van het tracé is mast 1059 - die bestaat uit 2 pylonen - in noordelijke richting verschoven en zal daardoor dichterbij de woning en het agrarische bedrijf van [appellant sub 9] komen te staan. Met betrekking tot de noodzaak van de aanpassing van het oorspronkelijke tracé ziet de Afdeling geen reden om de ministers niet te volgen in het standpunt dat aanpassing van het oorspronkelijke tracé - dat direct boven het bedrijfsgebouw van Top Taste B.V. was voorzien - nodig was in verband met de aanwezige schoorsteen. In het door [appellant sub 9] genoemde rapport van KEMA van 11 januari 2013 is vermeld dat de rookgassen uit de schoorsteen van Top Taste B.V. een temperatuur hebben die hoger is dan de maximale 35 graden die hoogspanningsleidingen mogen ondergaan. Uit metingen blijkt dat rookgassen uit de schoorsteen een maximale temperatuur hebben van 353 graden. Op basis van een aangepaste versie van het rekenmodel KEMA Stacks is de verspreiding van de rookgassen uit de schoorsteen gemodelleerd. Uit de berekeningen die met dit rekenmodel zijn gemaakt volgt dat - uitgaande van extreme weersomstandigheden - maximaal 14 keer per jaar de maximale temperatuur van 35 graden zou kunnen worden overschreden, met 47 graden als hoogste temperatuur. Door [appellant sub 9] zijn de uitgangspunten en bevindingen in het KEMA-rapport niet weersproken. Weliswaar wijst [appellant sub 9] met juistheid erop dat in het KEMA-rapport is vermeld dat slechts gedurende een beperkt aantal uren per jaar de maximale temperatuur van 35 graden kan worden overschreden, maar dat neemt niet weg dat de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat overschrijding van de maximale temperatuur zoveel mogelijk dient te voorkomen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers niet voldoende hebben onderbouwd waarom het tracé ter plaatse van Top Taste B.V. is aangepast. In zoverre faalt het betoog. 32.
  132. Ten aanzien van de twee alternatieve tracés die [appellant sub 9] heeft voorgesteld, overweegt de Afdeling als volgt. Beide aangedragen alternatieven voorzien in verplaatsing van mast 1059 in zuidelijke richting, naar de overzijde van de aanwezige spoorlijn. Het ene alternatieve tracé gaat in een rechte lijn van mast 1058 naar mast 1059A en het andere alternatieve tracé maakt een zuidelijke knik tussen deze twee masten. Beide alternatieve tracés zijn door de ministers afgewezen. De redenen daarvoor zijn dat in het ene alternatief één extra hoekmast nodig is, wat extra kosten met zich brengt, maar ook dat daardoor een schuinere kruising met de spoorlijn ontstaat en de spoorwegbeheerder acht schuine kruisingen onwenselijk vanwege de onderlinge interferentie en daarmee samenhangende veiligheidsrisico’s. Voor het andere alternatief zouden 2 extra hoekmasten nodig zijn en dit levert door de geknikte verbinding een onrustig landschappelijk beeld op en voldoet niet aan het planologische uitgangspunt dat zoveel mogelijk wordt gestreefd naar rechtstanden. Gezien de omstandigheden zoals hiervoor onder 20.2 beschreven dat de woning van [appellant sub 9] niet binnen de magneetveldzone ligt en het driehoekige perceel tegenover zijn woning geen gevoelige bestemming betreft, waardoor uit gezondheidsoogpunt geen sprake is van een knelpunt, en beide voorgestelde alternatieven in technisch en landschappelijk opzicht een verslechtering betekenen, hebben de ministers naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid beide alternatieve tracés kunnen afwijzen. Dit betoog treft dan ook geen doel. Tracé bij [appellante sub 2]
  133. [appellante sub 2] heeft onder andere gronden aan de Olzendedijk en de Eversdijksweg. Wat betreft de gronden aan de Olzendedijk voert zij aan dat ten onrechte niet is gekozen voor het combineren van de twee 380 kV-lijnen in één mast en het ondergronds aanleggen van de bestaande 150 kV-lijn. Verder stelt [appellante sub 2] dat het een landschappelijke verbetering zou zijn als een splitsing van het nieuwe tracé naar haar gronden aan de Eversdijkseweg wordt verplaatst, waardoor 1 mast minder op haar gronden komt te staan. Op een schets die bij haar zienswijze is gevoegd, is dit alternatieve tracé ingetekend, wat neerkomt op een beperkte verlegging van het tracé in zuidelijke richting. Dit alternatieve tracé voorkomt ook tegelijkertijd mogelijk verzilting van de weel die aanwezig is op haar grond. Dit alternatief is door TenneT afgewezen, omdat het 33 miljoen euro extra zou gaan kosten. Maar dit bedrag is echter niet onderbouwd, aldus [appellante sub 2]. 33.
  134. De ministers stellen zich op het standpunt dat het alternatieve tracé van [appellante sub 2] op haar gronden aan de Eversdijkseweg uit landschappelijk oogpunt een verbetering is en ook gunstiger is op perceelsniveau, omdat daardoor 1 mast minder op de gronden van [appellante sub 2] zou staan. Daar tegenover staat echter dat het voorgestelde alternatief ongeveer 33 miljoen euro duurder is door aanpassing van de masten, het gebruik van tijdelijke lijnen en de kosten van het tijdelijk buiten bedrijf stellen van de bestaande 380 kV-lijn. Dit komt doordat in het voorstel van [appellante sub 2] de nieuwe wintrackmast op de locatie is voorzien van een bestaande vakwerkmast. Dit maakt het tevens noodzakelijk om gedurende langere tijd noodlijnen in te zetten. Dit maakt het voorgestelde alternatieve tracé technisch complexer en vormt tijdens de aanleg een groter risico voor de leveringszekerheid. Gelet hierop wegen de voordelen niet op tegen de nadelen en zijn de ministers daarom niet tegemoet gekomen aan dit alternatieve voorstel. 33.
  135. Wat betreft de gronden aan de Olzendedijk - waarover in de toekomst 2 tracés met daarin 3 hoogspanningsverbindingen zullen lopen - overweegt de Afdeling dat de mogelijkheden van ondergrondse aanleg en het alternatief van het combineren van de bestaande en nieuwe 380 kV-lijn in één mast reeds hiervoor onder 27.2 en 30.2 zijn besproken. Verder is niet in geschil dat de woning aan de [locatie 1] buiten de magneetveldzone van de nieuwe 380 kV-lijn staat. In zoverre bestaat uit ruimtelijk oogpunt geen knelpunt en hebben de ministers in redelijkheid geen reden hoeven zien om het tracé van de nieuwe verbinding op deze locatie aan te passen. 33.
  136. Het alternatieve tracé voor de gronden aan de Everdijkseweg dat [appellante sub 2] heeft voorgesteld komt erop neer dat splitsing van de nieuwe verbinding waarin zowel de bestaande als de nieuwe 380 kV-lijn zullen hangen, wordt uitgesteld tot de mast op haar gronden. Die splitsing is in het plan nu nog voorzien bij mast 1049, die ten westen van haar gronden komt te staan. Slabbekoorn stelt voor dat de bestaande en nieuwe 380 kV-lijnen gecombineerd blijven in één mast tot aan de bestaande vakwerkmast die is aangeduid met M
  137. Hierdoor komen geen 3 maar 2 masten op de gronden van [appellante sub 2] te staan. De situatie zoals die in het plan is voorzien leidt ertoe dat in de toekomst 3 afzonderlijke hoogspanningstracés in 3 masten op een relatief klein deel van de agrarische gronden van [appellante sub 2] zullen staan. Niet kan worden ontkend dat dit nadelige gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van Slabbekoorn. Voorts erkennen de ministers dat zowel uit landschappelijk oogpunt als vanuit de bedrijfsbelangen van [appellante sub 2] het voorgestelde alternatief een betere situatie oplevert. Dat partijen het erover eens zijn dat het door [appellante sub 2] voorgestelde alternatief in een aantal opzichten beter is, is op zichzelf niet doorslaggevend voor de vraag of het gekozen tracé moet worden aangepast. Bij de keuze van het exacte tracé wegen ook andere factoren mee zoals landschappelijke inpassing, financiële kosten, technische mogelijkheden en eventuele risico’s voor de leveringszekerheid van stroom. Ter zitting is door de ministers toegelicht dat een groot deel van 33 miljoen euro die het alternatief van Slabbekoorn kost wordt veroorzaakt doordat in dat geval de bestaande 380 kV-lijn die in mast M354 hangt een week buiten gebruik moet worden gesteld, wat ongeveer 22 miljoen euro kost. Ook betekent dit dat gedurende de uitvoering van dit alternatieve plan de levering van elektriciteit afhankelijk is van slechts één verbinding en dit vormt een risico voor de leveringszekerheid. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de ministers de totale kosten van de door [appellante sub 2] voorgestelde aanpassing van het tracé onevenredig hoog kunnen achten in verhouding tot de totale kosten van het project. Hierbij heeft de Afdeling in aanmerking genomen dat de aanzienlijke gevolgen voor [appellante sub 2] worden verzacht doordat uit het schadebeleid van TenneT volgt dat eventuele schade zal worden vergoed. Het gestelde risico op verzilting van de aanwezige weel, wordt hierna onder 42.4 afzonderlijk besproken. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van de ministers redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat zij vanwege de bedrijfsbelangen van [appellante sub 2] het tracé van de nieuwe verbinding op deze locatie moeten aanpassen. Dit betoog treft dan ook geen doel. Tracé bij [appellanten sub 22]
  138. [appellanten sub 22] betogen dat de ministers geen deugdelijke motivering hebben gegeven waarom mast 1022 niet kan worden verplaatst van hun perceel naar het aangrenzende perceel. De mast zou niet kunnen worden verplaatst vanwege de maximale veldlengte van 400 meter, maar volgens hen wordt in de stukken die horen bij het plan wel over een gemiddelde veldlengte van 350 tot 400 meter gesproken, maar is nergens een maximale veldlengte van 400 meter vermeld. In dit verband wijzen zij ook op artikel 6.2 van de planregels, waarin is bepaald dat de veldlengte maximaal 450 meter bedraagt. Ook is door de ministers niet gemotiveerd waarom geen hogere mast kan worden geplaatst, waarmee een grotere veldlengte mogelijk is. De ministers hebben niet inzichtelijk gemaakt dat met de beschikbare schuifruimte voor mast 1022, die mast niet op een plek kan worden gezet die minder hinder oplevert voor hun agrarische gronden, aldus [appellanten sub 22]. 34.
  139. De ministers stellen dat voor dit deel van het tracé - ook wel deelgebied 1 genoemd - een van de uitgangspunten is dat een maximale veldlengte van 400 meter wordt gehanteerd. Masten 1021 en 1022 zullen 390 meter uit elkaar komen te staan en masten 1022 en 1023 zullen 397 meter uit elkaar staan. Hierdoor is volgens de ministers de schuifruimte beperkt en kan mast 1022 slechts 10 meter in westelijke richting of 3 meter in oostelijke richting worden verschoven. Dit betekent dat mast 1022 niet op het aangrenzende perceel kan worden geplaatst. Daarvoor zou een extra mast nodig zijn en dat is volgens de ministers uit landschappelijk en financieel oogpunt onwenselijk en zou betekenen dat een ander perceel ook onnodig zou worden belast met een extra mast. Daarnaast wordt voor dit deel van het tracé een type mast gebruikt dat - ongeacht de hoogte ervan - geen draagkracht heeft voor langere veldlengtes dan 400 meter. In deelgebied 2 van tracé - vanaf de Willem Annapolder tot Rilland - is wel gekozen voor masten met een veldlengte van 450 meter, omdat de bestaande vakwerkmasten van de 150 kV-lijn op dat deel van het tracé ook die veldlengte hebben. Vanwege een eenduidig beeld worden deze verschillende type masten niet door elkaar gebruikt, omdat afwijkende masten te dominant in het landschap zijn. 34.
  140. De Afdeling constateert dat in artikel 6, lid 6.2, onder a, sub 4, van de planregels is bepaald dat de veldlengte tussen twee masten minimaal 215 meter en maximaal 450 meter bedraagt. Derhalve stellen [appellanten sub 22] met juistheid dat het plan een langere veldlengte dan 400 meter toestaat.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.