201707417/1/R
- Datum uitspraak: 19 september 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- Vereniging Tegenwind Weijerswold en anderen, gevestigd te Coevorden, (hierna: Vereniging Tegenwind en anderen)
- BVT Holding GmbH & C.KG, gevestigd te München (Duitsland),
- Vereniging Tegenwind Weijerswold en anderen, gevestigd te Coevorden, (hierna: Vereniging Tegenwind) appellanten, en
- de raad van de gemeente Coevorden,
- het college van burgemeester en wethouders van Coevorden, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 11 juli 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Windpark Weijerswold Coevorden" vastgesteld. Bij besluit van 20 juli 2017 heeft het college aan Raedthuys Windenergie B.V. een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend voor twee windturbines, aangeduid als W1 en W2, voor 30 jaar voor de locatie kadastraal bekend gemeente Coevorden, sectie H, nummer 784 en 786, Weijerswold ong. te Coevorden. Bij besluit van 20 juli 2017 heeft het college aan Coevorden Weijerswold Exploitatie B.V. een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en i, van de Wabo verleend voor twee windturbines, aangeduid als W3 en W4, voor 30 jaar voor de locatie, kadastraal bekend gemeente Coevorden, sectie I, nummers 2728 en 2739, lokaal bekend Weijerswold ong. Tegen deze besluiten hebben Vereniging Tegenwind en anderen, BVT Holding en Vereniging Tegenwind beroep ingesteld. De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend. De raad en het college en Vereniging Tegenwind en anderen hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2018, waar zijn verschenen Vereniging Tegenwind en anderen en Vereniging Tegenwind, bij monde van [voorzitter], bijgestaan door mr. J.G.L. van Nus, mr. S.J. de Haan en mr. P.E. Krul, advocaten te Amsterdam, BVT Holding, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. G. Bosma, advocaat te Utrecht, de raad en het college, vertegenwoordigd door H. Schrik, H.A. Gortmaker, D.F. Lansink en L. Vranken, bijgestaan door mr. drs. H. Witbreuk, advocaat te Almelo. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord Raedthuys Windenergie B.V., Coevorden Weijerswold Exploitatie B.V. en Windunie Development B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], bijgestaan door mr. M.M. Kaajan, advocaat te Amsterdam. Overwegingen INLEIDING
- De bestreden besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).
- De bestreden besluiten maken de oprichting van het Windpark Weijerswold mogelijk. Het windpark bestaat uit vier windturbines en ligt in het zuidoosten van de provincie Drenthe, ten zuiden van buurtschap Weijerswold, in de gemeente Coevorden. De windturbines worden gerealiseerd en geëxploiteerd door Raedthuys Windenergie B.V., Coevorden Weijerswold Exploitatie B.V. en Windunie Development B.V. Het windpark Weijerswold ligt nabij de grens tussen Nederland en Duitsland. Net over de grens bevindt zich in Duitsland een bestaand windpark. BVT Holding is de exploitant van het Duitse windpark. De windturbines hebben een ashoogte van ten minste 99 tot ten hoogste 122 m, een rotordiameter van ten minste 115 tot ten hoogste 136 m en een vermogen van ten minste 3 MW tot ten hoogste 3,6 MW. Met het windpark wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de nationale, provinciale en gemeentelijke ambities voor het opwekken van duurzame energie. OPZET UITSPRAAK
- Na de beoordeling van de ontvankelijkheid van de beroepen zal de Afdeling als eerste ingaan op de beroepsgronden van BVT Holding. Vervolgens zullen de beroepsgronden die zijn ingediend door Vereniging Tegenwind en anderen en Vereniging Tegenwind worden behandeld. Hierbij zullen achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde komen: - Toepasselijkheid van de Crisis- en Herstelwet (overweging 10); - Inspraak (overwegingen 11-12); - Objectiviteit onderzoeken (overweging 13); - Bestemmingsplan, waarbij achtereenvolgens de onderwerpen draagvlak, nut en noodzaak, locatiekeuze, stedelijke ontwikkeling, geluid, slagschaduw en lichtschittering, veiligheid, natuur, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, sociaaleconomische gevolgen, Besluit milieueffectrapportage, uitvoerbaarheid en overige beroepsgronden tegen het plan worden besproken (overwegingen 14-100); - Omgevingsvergunningen en maatwerkvoorschriften (overwegingen 101-122); - Slotoverwegingen (overwegingen 123-125). Aan het einde van de uitspraak staat de conclusie (overweging 126).
- De relevante regelgeving is opgenomen in de uitspraak dan wel in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. ONTVANKELIJKHEID
- Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat uitsluitend belanghebbenden beroep kunnen instellen tegen de bestreden besluiten. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 5.
- Voor het zijn van belanghebbende moet aannemelijk zijn dat ter plaatse van de woning of het perceel van de betrokkene gevolgen van enige betekenis kunnen worden ondervonden. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, onder 3.2, is het uitgangspunt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ dient als correctie op dit uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken indien de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 7, in de zaak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer (hierna: uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer), hanteert de Afdeling voor windparken op land als uitgangspunt dat gevolgen van enige betekenis aanwezig kunnen worden geacht binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de voor appellanten dichtstbijzijnde windturbine, gemeten vanaf de voet van de windturbine. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis. Daarnaast gaat de Afdeling ervan uit dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel geen andere gevolgen van enige betekenis van het windpark zijn te verwachten, zoals geluid- of slagschaduwhinder van enige betekenis. 5.
- Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen maken windturbines mogelijk met een ashoogte van minimaal 99 m en maximaal 122 m. De rotordiameter van de windturbines bedraagt ten minste 115 m en ten hoogste 136 m. De tiphoogte van de windturbines is daarom minimaal 156,5 m en maximaal 190 m. Dit betekent dat de Afdeling er vanuit gaat dat op een afstand van meer dan 1.900 m geen gevolgen van enige betekenis van de windturbines zullen worden ondervonden.
- Het beroep van Vereniging Tegenwind is naast de vereniging tevens ingediend namens verschillende natuurlijke personen. Van deze natuurlijke personen woont een aantal op meer dan 1.900 m van de dichtstbijzijnde windturbine. Dit geldt voor [persoon A] en [persoon B], [persoon C] en [persoon D]. De Afdeling is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat zij geen belanghebbenden zijn bij de vaststelling van het bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunningen voor windpark Weijerswold. Het beroep van Vereniging Tegenwind en is dan ook niet-ontvankelijk, voor zover het beroep is ingesteld door [persoon A] en [persoon B], [persoon C] en [persoon D]. INGETROKKEN BEROEPSGRONDEN
- Vereniging Tegenwind en anderen hebben de beroepsgrond die ertoe strekt dat de Afdeling niet bevoegd is de beroepen te behandelen en de beroepsgrond die ertoe strekt dat zich strijd voordoet met de Coördinatieverordening Coevorden 2012 ter zitting ingetrokken. HET BEROEP VAN BVT HOLDING
- BVT Holding is exploitant van een windpark in Duitsland. Dit windpark bevindt zich op enkele honderden meters van het windpark Weijerswold. Het windpark in Duitsland bestaat uit tien windturbines. De Duitse overheid heeft op 21 december 2016 aan BVT Holding vergunning verleend om het windpark te herstructureren. Van de tien windturbines zullen twee windturbines in stand worden gehouden en acht windturbines verdwijnen. Deze acht windturbines zullen worden vervangen door zes nieuwe windturbines.
- BVT Holding vreest dat zij schade lijdt als gevolg van de realisatie van windpark Weijerswold door een verminderde opbrengst van de door haar op te richten windturbines. Zij voert aan dat de windturbines van het windpark Weijerswold op een afstand van ongeveer 430 m tot de tot haar windpark behorende windturbines zijn voorzien. Deze afstand is volgens BVT Holding te beperkt. Volgens haar is het bij windturbines in zijwindrichting gebruikelijk dat windturbines op een onderlinge afstand van vijf maal de rotordiameter worden gesitueerd. Zij stelt dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van turbulentie die de vier voorziene turbines van het windpark Weijerswold zullen veroorzaken. Zij brengt naar voren dat de vier turbines een gemiddelde verlaging van de opbrengst van haar windturbines met 1,84% tot gevolg hebben, hetgeen overeenkomt met 1.191 MWh/a. Zij verwijst daarbij naar een samenvatting van 5 september 2017 van een rapport van CUBE Engineering GmbH. BVT Holding brengt ten slotte naar voren dat geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat door de windturbines van windpark Weijerswold en de windturbines van het windpark in Duitsland tezamen onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woningen in Duitsland zal optreden. BVT Holding vreest dat zij daardoor niet meer aan de in Duitsland geldende regelgeving kan voldoen. 9.
- In de plantoelichting staat dat bij de locatiekeuze en de beoordeling van de landschappelijke effecten en de cumulatieve gevolgen voor geluid en slagschaduw rekening is gehouden met het bestaande windpark in Duitsland en met de herstructurering van dat windpark. De raad heeft toegelicht dat naar aanleiding van overleg met BVT Holding een afstand van minimaal 435 m tot de Duitse windturbines wordt aangehouden. Hij heeft er op gewezen dat de afstanden tussen de Nederlandse en de Duitse turbines groter zijn dan de afstanden tussen de Duitse turbines onderling. Het door BVT Holding gestelde energieverlies van 1,84%, hetgeen overeenkomt met 1.191 MWh/a, is volgens de raad dusdanig beperkt dat dit tot het normaal maatschappelijk of bedrijfsrisico dient te worden gerekend. 9.
- BVT Holding heeft haar stelling dat het energieverlies van 1,84% onaanvaardbare gevolgen heeft voor haar bedrijfsvoering niet met concrete gegevens onderbouwd. Hetgeen BVT Holding heeft aangevoerd geeft daarom geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het windpark Weijerswold niet zodanige gevolgen heeft voor het windpark dat door BVT Holding wordt geëxploiteerd, dat de raad van vaststelling van het plan had moeten afzien. 9.
- Het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) schrijft in artikel 3.14a voor dat de windturbines aan de norm dienen te voldoen van ten hoogste 47 dB Lden en ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Zoals hierna onder 21 ook is overwogen volgt uit de plantoelichting dat de raad bij de beoordeling welke geluidhinder hij in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar acht aansluiting heeft gezocht bij deze norm. Voor cumulatieve geluidhinder zijn geen normen in het Activiteitenbesluit opgenomen. 9.
- Voor het windpark is onderzoek verricht naar de te verwachten geluidbelasting. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek" van Sweco van 24 mei 2017 (hierna: geluidrapport). In het geluidrapport is ingegaan op de cumulatieve gevolgen van het windpark in Duitsland en het windpark Weijerswold voor de woningen in Weijerswold en over de grens in Duitsland. Volgens dit rapport blijft de cumulatieve geluidbelasting van de windturbines van de twee windparken ter plaatse van de meest dichtbijgelegen woningen in Duitsland onder 47 dB Lden en 41 dB Lnight. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat de cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van deze woningen aanvaardbaar is daarom niet onredelijk. BVT Holding heeft haar vrees dat desondanks niet kan worden voldaan aan de Duitse wet- en regelgeving over geluid niet met concrete gegevens onderbouwd. De Afdeling ziet daarom in hetgeen zij daarover heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad het plan niet heeft mogen vaststellen. 9.
- Het betoog faalt. HET BEROEP VAN VERENIGING TEGENWIND EN VAN VERENIGING TEGENWIND EN ANDEREN TOEPASSELIJKHEID VAN DE CRISIS- EN HERSTELWET
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat niet is voldaan aan artikel 11, tweede lid, van het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet omdat niet in de kennisgeving van het ontwerpbesluit is vermeld dat de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing is. Zij stellen dat zij daardoor in hun rechtspositie zijn geschaad. Zij voeren aan dat zij pas in de beroepsprocedure gronden hebben kunnen aanvoeren tegen de omstandigheid dat deze wet van toepassing is. Zij brengen daarnaast naar voren dat het onwenselijk en onredelijk is om de procedure in het kader van de Chw te stroomlijnen omdat zij na de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden mogen aanvoeren. 10.
- Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Chw, gelezen in samenhang met categorie 1, onderdeel 1.2, van bijlage I bij die wet, volgt dat afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing is op de bestreden besluiten. 10.
- Er bestaat geen wettelijke verplichting om ook in de kennisgeving van de ontwerpbesluiten de toepasselijkheid van de Chw te vermelden. Zoals in de Nota van Toelichting bij het Besluit uitvoering Chw is vermeld (Stb. 2010, 289, p. 23), heeft artikel 11 van het Besluit uitvoering Chw betrekking op de beroepsfase. Verder ziet de Afdeling in hetgeen de Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat zij zijn benadeeld omdat niet in de bekendmaking van de ontwerpbesluiten erop is gewezen dat de Chw van toepassing is. De in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw opgenomen bepalingen waar Vereniging Tegenwind en anderen zich op beroepen, zien immers uitsluitend op de beroepsprocedure. Met artikel 1.6 en artikel 1.6a van de Chw heeft de wetgever beoogd vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen. Deze bepalingen maken het voor Vereniging Tegenwind en anderen niet onmogelijk om hun beroepsrecht uit te oefenen. Het betoog faalt. INSPRAAK
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat bij de totstandkoming van de bestreden besluiten onvoldoende gelegenheid tot inspraak is geboden, zodat in strijd met de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) is gehandeld. Zij voeren daartoe aan dat artikel 6, vierde lid, van het verdrag verplicht om te voorzien in vroegtijdige inspraak. Volgens hen zijn omwonenden onvoldoende betrokken bij de besluitvorming en hebben zij geen invloed kunnen uitoefenen op de inspraak in de procedure. Zij stellen dat zij onder tijdsdruk zijn gezet, waardoor zij onvoldoende de tijd hebben kunnen nemen om hun argumenten naar voren te brengen. Het voorgaande geldt, zo brengen zij naar voren, ook voor de procedure omtrent de Structuurvisie Coevorden 2013-2023 (hierna: gemeentelijke structuurvisie), waarin Weijerswold als locatie voor windenergie is aangewezen. Daarbij voeren zij aan dat de informatievoorziening in verband met de gemeentelijke structuurvisie gebrekkig is geweest, omdat het huis-aan-huisblad waarin daarvan kennis is gegeven niet in het gebied Weijerswold wordt verspreid. Bovendien was het door de vele inspraak- en communicatiemomenten voor hen onduidelijk wanneer zij welke argumenten naar voren moesten brengen, aldus Vereniging Tegenwind en anderen. Zij wijzen er verder op dat het bewonersplatform, waarmee de initiatiefnemers van het windpark overleg hebben gevoerd, niet de visie van alle omwonenden representeert. Zij stellen ten slotte dat er op het voorgaande geen inhoudelijke reactie is gegeven in de thematische beantwoording van de zienswijzen in de Nota van antwoord zienswijzen Windpark Weijerswold (hierna: Nota van antwoord zienswijzen). 11.
- De Afdeling overweegt onder verwijzing naar hetgeen onder 28.5 is overwogen in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer dat het plan en de omgevingsvergunningen niet vallen binnen de reikwijdte van artikel 7 van het Verdrag van Aarhus. Het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen daarover faalt. 11.
- De Afdeling overweegt verder, onder verwijzing naar hetgeen zij onder 26 en volgende van haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer heeft overwogen, dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de nationale regelgeving zoals die is neergelegd in artikel 7.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer gelezen in verbinding met artikel 2, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), artikel 3.8 van de Wro en afdeling 3.4 van de Awb, geen correcte implementatie vormt van het Verdrag van Aarhus. Deze bepalingen brengen met zich dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van de vormvrije m.e.r-beoordeling. 11.
- Het ontwerpplan, de ontwerpen van de omgevingsvergunningen, de vormvrije m.e.r.-beoordeling en de daarbij behorende stukken hebben met ingang van 4 maart 2017 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. De kennisgeving van de terinzagelegging is gepubliceerd in de Staatscourant en in een lokaal huis-aan-huisblad. De ontwerpbesluiten en de daarop betrekking hebbende stukken konden in het gemeentehuis van Coevorden en op internet worden geraadpleegd. Zoals hierna onder 104.2, 104.3 en 111.1 wordt overwogen, treffen de beroepsgronden over gebreken in de terinzagelegging geen doel. Voor het overige is niet in geschil dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan, zodat een ieder de mogelijkheid heeft gehad om door het indienen van een mondelinge of schriftelijke zienswijze zijn reactie op de ontwerpbesluiten te geven. De ingekomen zienswijzen zijn van een inhoudelijke reactie voorzien in de Nota van antwoord zienswijzen. Voor zover Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat in de thematische beantwoording van de nota geen inhoudelijke reactie op de zienswijzen is gegeven, overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat in de Nota van antwoord zienswijzen niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, op zichzelf geen aanleiding is voor het oordeel dat de bestreden besluiten niet voldoende zijn gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. 11.
- Uit het voorgaande volgt dat met de inspraakprocedure over het ontwerpplan, de ontwerpvergunningen en de daarbij behorende vormvrije m.e.r.-beoordeling is voldaan aan de nationale regelgeving zoals die is neergelegd in de hiervoor genoemde bepalingen. Anders dan Vereniging Tegenwind en anderen betogen, is met deze inspraakprocedure een inspraakmogelijkheid geboden op een vroeg genoeg moment. Gelet hierop kan hetgeen is aangevoerd over de inspraak in eerdere fases van de besluitvorming niet tot de conclusie leiden dat geen reële mogelijkheid tot inspraak is geboden op een moment dat alle opties nog open waren. De inspraak in eerdere fases van de besluitvorming staat hier op zichzelf ook niet ter beoordeling. De totstandkoming van de gemeentelijke structuurvisie staat in deze procedure evenmin ter beoordeling. Reeds daarom ziet de Afdeling in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen daarover hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het plan gebrekkig tot stand is gekomen.
- Vereniging Tegenwind heeft haar betoog dat de raad milieu-informatie als bedoeld in het Verdrag van Aarhus niet ter beschikking van het publiek heeft gesteld niet geconcretiseerd. Reeds hierom kan deze beroepsgrond niet slagen. OBJECTIVITEIT ONDERZOEKEN
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat de onderzoeken en rapporten die aan de bestreden besluiten ten grondslag zijn gelegd niet zijn verricht onderscheidenlijk opgesteld door onafhankelijke en objectieve instanties. Zij voeren aan dat vrijwel alle onderzoeken zijn verricht en rapporten zijn opgesteld in opdracht van de raad, het college, de initiatiefnemers of het Ministerie van Economische Zaken (thans het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat). Zij wijzen er verder op dat opdrachtgevers die betrokken zijn bij projecten die voortvloeien uit de doelstellingen van het Energieakkoord gebruik maken van steeds dezelfde onderzoeksbureaus. De bestreden besluiten zijn daarom niet zorgvuldig en niet zonder vooringenomenheid tot stand gekomen, aldus Vereniging Tegenwind en anderen. 13.
- De enkele omstandigheid dat onderzoeken worden uitgevoerd in opdracht van het bevoegd gezag of de initiatiefnemer van een project is naar het oordeel van de Afdeling geen reden om op voorhand te twijfelen aan de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van die onderzoeken. Datzelfde geldt voor het feit dat bepaalde onderzoeksbureaus ook onderzoek hebben verricht ten behoeve van andere windenergieprojecten. De Afdeling ziet daarom in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd over tekortkomingen wat betreft de objectiviteit geen aanleiding voor het oordeel dat de raad en het college de rapporten van de geraadpleegde onderzoeksbureaus niet aan de bestreden besluiten ten grondslag hadden mogen leggen. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar hetgeen zij onder 44.2 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer heeft overwogen. Voor zover Vereniging Tegenwind en anderen bezwaren over de juistheid van de inhoud van de onderzoeksrapporten naar voren hebben gebracht, worden die besproken bij de behandeling van de beroepsgronden over de desbetreffende onderwerpen. Het betoog faalt. HET BESTEMMINGSPLAN TOETSINGSKADER
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. DRAAGVLAK
- Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen voeren aan dat er geen draagvlak is voor het windpark. Vereniging Tegenwind en anderen brengen in dit verband naar voren dat het bewonersplatform, waarmee de initiatiefnemers overleg hebben gevoerd, niet de visie van alle omwonenden representeert. Volgens hen is niet duidelijk welke rol de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW) daarbij heeft gespeeld. 15.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 47.1, is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor in de omgeving voldoende draagvlak bestaat. Het bevoegd gezag moet een afweging maken tussen het belang dat is gemoeid met het realiseren van het windpark in verband met het streven naar een duurzame energievoorziening en de belangen van de omwonenden. Het ontbreken van draagvlak is in die belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. Het bestaan van draagvlak is dan ook niet beslissend voor de rechtmatigheid van het besluit van de raad. 15.
- De Afdeling zal hierna aan de hand van de beroepsgronden die hierover zijn aangevoerd beoordelen of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het windpark noodzakelijk is. Ook zal de Afdeling hierna aan de hand van de beroepsgronden de aanvaardbaarheid van de gevolgen van het windpark voor de omgeving beoordelen, bijvoorbeeld wat betreft hinder door geluid en slagschaduw, externe veiligheid en de inpassing van de windmolens in het landschap. 15.
- De betogen over draagvlak falen. NUT EN NOODZAAK
- Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat nut en noodzaak niet zijn aangetoond. Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat het Energieakkoord, waarop de raad zich in de besluitvorming heeft gebaseerd, verouderd is en buiten toepassing moet worden gelaten omdat het akkoord onredelijk uitwerkt. Vereniging Tegenwind stelt dat het Energieakkoord uit 2013 moet worden geëvalueerd en bijgesteld. Vereniging Tegenwind en anderen brengen verder naar voren dat uit de Nationale Energieverkenning van 19 oktober 2017 volgt dat de energiedoelstellingen in 2023 worden gehaald, zodat het realiseren van wind op land niet meer nodig is. Zij wijzen verder op het Regeerakkoord 2017-2021 "Vertrouwen in de toekomst" van 10 oktober
- Daaruit volgt volgens hen dat het beleid over windenergie alleen is gericht op het realiseren van windenergie op zee in plaats van op land. Vereniging Tegenwind en anderen voeren aan dat windenergie een achterhaalde vorm van duurzame energie is met veel nadelen voor de omgeving en dat de raad voor een andere vorm van duurzame energie had moeten kiezen. Daarbij wijzen zij op zonneparken, wind op zee en op het toepassen van "kinetic power plant" en biogas uit zeewier. Volgens hen ontbreekt een deugdelijk onderzoek naar nut en noodzaak van windenergie op land in vergelijking met andere vormen van duurzame energieopwekking. Vereniging Tegenwind stelt dat alternatieve vormen hadden moeten worden onderzocht. Nederland is niet geschikt voor windenergie, aldus Vereniging Tegenwind en anderen. Volgens Vereniging Tegenwind en anderen heeft zonne-energie veel minder nadelen voor de omgeving, bestaat hiervoor meer draagvlak en draagt deze vorm van energieopwekking beter bij aan de sociaaleconomische ontwikkeling van de regio. Ook voor wind op zee bestaat volgens hen meer draagvlak en de energie-opbrengst is hoger dan van wind op land. Zij stellen dat de raad zijn standpunt dat zonne-energie minder rendabel is dan windenergie op land niet goed heeft gemotiveerd. Zij verwijzen op dit punt ook naar de motie van Smaling, die door de Tweede Kamer is aangenomen. Daarin is de regering onder meer verzocht alternatieven, zoals zonneparken, volwaardig mee te wegen in de besluitvorming over investeringen in duurzame energie, mede vanwege de weerstand tegen windparken. Voorts heeft de raad volgens Vereniging Tegenwind en anderen ten onrechte niet betrokken dat planschade een grote kostenpost is bij windenergie op land vanwege waardedaling van woningen en evenmin dat de grondkosten hoog zijn. Zij betwisten in dit verband de juistheid van de maatschappelijke kosten- en batenanalyse die is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken (thans het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat). Zij verwijzen daarbij naar een financieel haalbaarheidsonderzoek dat is verricht door DNV-GL over zonne-energie in het gebied waar het windpark De Drentse Monden en Oostermoer wordt gerealiseerd en naar een analyse van PNO over de slaagkans voor het toekennen van subsidie voor het realiseren van een zonnepark in Coevorden. Zij betogen ten slotte dat nut en noodzaak van het windpark niet vaststaan omdat het elektriciteitsnet niet geschikt is om de fluctuaties in het energieaanbod door windenergie op te vangen. Omdat stroompieken uit windenergie niet kunnen worden opgeslagen, gaat energie verloren, aldus Vereniging Tegenwind en anderen. 16.
- De door Vereniging Tegenwind en anderen genoemde Nationale Energieverkenning uit 2017 en het Regeerakkoord 2017-2021 zijn na de vaststelling van het plan tot stand gekomen. Omdat de Afdeling het besluit tot vaststelling van het plan toetst aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit, kan hetgeen over die documenten is gesteld niet worden betrokken in de beoordeling. De Afdeling laat de beroepsgronden daarover daarom buiten inhoudelijke beschouwing. 16.
- In de plantoelichting staat dat het project bijdraagt aan de nationale, provinciale en gemeentelijke ambities met betrekking tot duurzame energie. Met het windpark Weijerswold beoogt de raad invulling te geven aan de doelstelling voor windenergie op land die is opgenomen in het Energieakkoord uit
- Zoals de raad heeft toegelicht in het verweerschrift, geldt voor Nederland in EU-verband de doelstelling dat in 2020 14% van het totale bruto-eindverbruik aan energie afkomstig is uit hernieuwbare bronnen, oftewel duurzame energie. In het Energieakkoord is de EU-taakstelling overgenomen en is daarnaast een taakstelling van 16% duurzame energie in 2023 opgenomen. Daarbij is tevens bepaald dat in 2020 6.000 MW aan windenergie op land moet worden opgewekt. Tussen het rijk en de provincie Drenthe is afgesproken dat minimaal 286,5 MW aan windenergie in de provincie is gerealiseerd in
- In het provinciale beleid, waaronder de provinciale Omgevingsvisie Drenthe 2014 (hierna: Omgevingsvisie), zijn ter uitvoering van deze doelstelling zoekgebieden aangewezen voor windenergie. In 2013 hebben het college van gedeputeerde staten van de provincie Drenthe en de gemeenten waar de zoekgebieden zijn gelegen de Gebiedsvisie windenergie Drenthe opgesteld (hierna: de Gebiedsvisie). In de Gebiedsvisie zijn onder meer de zoekgebieden "Weijerswold en omgeving" en "Uitbreiding Europark" in de gemeente Coevorden aangewezen voor de realisatie van windturbines. Deze twee zoekgebieden heeft de raad van de gemeente Coevorden ook opgenomen in de in december 2013 vastgestelde gemeentelijke structuurvisie. De raad stelt in het verweerschrift dat om de landelijke doelstelling uit het Energieakkoord te halen alle vormen van duurzame energie nodig zijn. De raad heeft daarnaast, volgens de Nota van antwoord zienswijzen, in aanmerking genomen dat het realiseren van zonne-energie meer ruimte in beslag neemt en een grotere investering vergt dan het realiseren van windenergie. De raad heeft verder gewezen op de op verzoek van de Tweede Kamer naar aanleiding van de motie Smaling opgestelde maatschappelijke kosten- en batenanalyse, die door Vereniging Tegenwind en anderen wordt genoemd. Daarin staat dat windenergie op land de meest kosteneffectieve optie is tot 2023 en zelfs tot
- 16.
- Hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen naar voren hebben gebracht over alternatieve vormen van energieopwekking komt grotendeels overeen met hetgeen is aangevoerd in de zaak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. De Afdeling heeft onder 51.2 in de uitspraak over dat windpark overwogen dat hetgeen door appellanten was aangevoerd geen aanleiding gaf voor het oordeel dat het bevoegde gezag er ten onrechte van is uitgegaan dat windenergie op land een kosteneffectievere vorm van duurzame energieopwekking is dan zonne-energie. Dat wordt bevestigd in de maatschappelijke kosten- en batenanalyse, zo is in die uitspraak overwogen. De Afdeling ziet in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen en Vereniging Tegenwind naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor een andere conclusie over het windpark Weijerswold. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de maatschappelijke kosten en batenanalyse rekening is gehouden met het effect van windparken op land voor de waarde van woningen en met kosten voor grondgebruik. De Afdeling neemt verder in aanmerking dat het door Vereniging Tegenwind en anderen genoemde haalbaarheidsonderzoek van DNV-GL alleen betrekking heeft op het windpark De Drentse Monden en Oostermoer en dat de door hen genoemde analyse van PNO slechts in gaat op de slaagkans voor het verkrijgen van subsidie voor een zonnepark in Coevorden. Uit deze documenten kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat een zonnepark in Coevorden rendabeler is dan een windpark. 16.
- Vereniging Tegenwind en anderen hebben geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat bij pieken in het aanbod een zodanige hoeveelheid opgewekte elektriciteit verloren gaat dat aan nut en noodzaak moet worden getwijfeld. 16.
- De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat de raad in redelijkheid het nut en de noodzaak van het windpark heeft kunnen aannemen voor het leveren van een bijdrage aan de landelijke, provinciale en gemeentelijke doelstelling voor duurzame energie. 16.
- De betogen falen. LOCATIEKEUZE Grenstractaat
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat een verdrag tussen Nederland en Duitsland uit 1824 in de weg staat aan het realiseren van het windpark op de beoogde locatie. Zij voeren daartoe aan dat dit verdrag bebouwing binnen 276 m van de grens verbiedt. 17.
- In 1824 hebben het Koninkrijk der Nederlanden, de Verenigde Rijken van Groot-Brittannië en Ierland en het Koninkrijk van Hannover een grenstractaat gesloten. In artikel 5 van het tractaat is bepaald dat geen gebouwen binnen een afstand van 376 Nederlandsche ellen en zeven palmen of 100 Rijnlandsche roeden mogen worden opgericht. De Afdeling begrijpt het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen zo dat zij een beroep doen op die bepaling. 17.
- Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 17.
- De door Vereniging Tegenwind behartigde collectieve belangen en de belangen van de belanghebbende omwonenden namens wie zij beroep heeft ingesteld strekken tot het behoud van een goede kwaliteit van de leefomgeving. De ingeroepen bepaling van het grenstractaat heeft kennelijk niet de strekking die belangen te beschermen. Gelet op artikel 1 van het grenstractaat is artikel 5 opgenomen om geschillen in verband met de locatie van de grens te beperken. Artikel 8:69a van de Awb staat er daarom aan in de weg dat het plan wegens de gestelde strijd met het tractaat wordt vernietigd. De Afdeling laat deze beroepsgrond daarom buiten inhoudelijke bespreking. Zoekgebied
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat het plangebied, dat langs de grens met Duitsland is gelegen, net buiten het zoekgebied in Coevorden valt dat in de Omgevingsvisie voor grootschalige windenergie is aangewezen. Zij verwijzen naar de afbeelding van kaart 7 van de Omgevingsvisie die zij in hun nader stuk van 1 juni 2018 hebben opgenomen. Zij betogen dat het plan daarom in strijd met het provinciale beleid is vastgesteld. 18.
- De raad stelt dat het plangebied deel uitmaakt van het zoekgebied voor windenergie dat in zowel de Omgevingsvisie als de provinciale Omgevingsverordening Drenthe (hierna: Omgevingsverordening) is aangewezen. 18.
- In de Omgevingsvisie staat dat de Omgevingsvisie onder meer een provinciale structuurvisie is als bedoeld in de Wro. In artikel 2.4, tweede lid, van de Wro is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de voorbereiding, vormgeving, inrichting en beschikbaarstelling van structuurvisies. In artikel 1.2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is bepaald dat gedeputeerde staten de structuurvisie elektronisch beschikbaar stellen. In het tweede lid is bepaald dat er een landelijke voorziening is waar de visies, plannen, besluiten en verordeningen, bedoeld in het eerste lid, raadpleegbaar zijn. In artikel 1.2.3, eerste lid, is bepaald dat een structuurvisie elektronisch wordt vastgesteld. Van een zodanig elektronisch document wordt tevens een papieren versie gemaakt. In het tweede lid, is bepaald dat indien de inhoud van een elektronisch document als bedoeld in het eerste lid tot een andere uitleg aanleiding geeft dan de papieren versie, het eerstgenoemde document beslissend is. 18.
- In de Omgevingsvisie wordt voor het zoekgebied voor grootschalige windenergie verwezen naar kaart
- De Afdeling stelt vast dat het plangebied deel uitmaakt van het zoekgebied op kaart 7 van de Omgevingsvisie die beschikbaar is gesteld op de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl. Verder is in artikel 3.29 van de Omgevingsverordening bepaald dat een ruimtelijk plan alleen kan voorzien in de toepassing van windenergie indien dit geschiedt via realisering van windturbineparken in gebieden die als "Windenergie (zoekgebied)" zijn aangeduid op de bij deze verordening behorende kaart D
- De Afdeling stelt vast dat het plangebied deel uitmaakt van het gebied dat op deze kaart is aangeduid als zoekgebied. Daarnaast staat in de Omgevingsvisie dat voor de verfijning van het zoekgebied de Gebiedsvisie is opgesteld. In de in de Gebiedsvisie opgenomen visiekaart is de omgeving van Weijerswold aangewezen als zoekgebied voor windenergie. Het plangebied valt ook binnen dat zoekgebied. 18.
- Het betoog faalt. Alternatieve locaties en clustering
- Vereniging Tegenwind en anderen brengen naar voren dat alternatieve locaties niet zijn bepaald, beschreven en beoordeeld. Vereniging Tegenwind betoogt ook dat alternatieve locaties niet zijn bezien. Vereniging Tegenwind en anderen stellen het vermoeden te hebben dat alleen het plangebied in beeld is gekomen als locatie omdat door aan te sluiten bij de windturbines in Duitsland alleen daar kan worden voldaan aan de in de Omgevingsvisie gestelde eis dat een cluster van ten minste vijf windturbines moet worden gerealiseerd. Zij stellen ook dat eerdere bestuurlijke gedragingen, financiële redenen, afspraken en toezeggingen doorslaggevend zijn geweest bij de keuze voor de locatie. Zij wijzen erop dat diverse partijen verschillende andere locaties voor het plaatsen van de windturbines hebben voorgedragen en dat BVT Holding, de exploitant van het windpark in Duitsland, zich niet met het windpark Weijerswold kan verenigen. 19.
- De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen. 19.
- In de Omgevingsvisie staat dat de maat en schaal van een groot deel van het landschap van Coevorden, Emmen en het oostelijke veenkoloniale gebied zich het beste leent voor het realiseren van de provinciale doelstelling voor windenergie. Zoals hiervoor onder 18.3 is overwogen, maakt het plangebied deel uit van het zoekgebied dat in de op provinciaal en gemeentelijk niveau opgestelde Gebiedsvisie is opgenomen. In de Gebiedsvisie staat dat uitgangspunt is dat wordt aangesloten bij verwante functies. Dit is aanleiding geweest, aldus de Gebiedsvisie, om in de gemeente Coevorden locaties te zoeken op of in de directe omgeving van het Europark en tegen de achtergrond van bestaande windturbines op Duits grondgebied nabij Weijerswold. Weijerswold is volgens de Gebiedsvisie een geschikte locatie omdat aansluiting kan worden gezocht met windparken in Duitsland. Het zoekgebied dat in de Gebiedsvisie is aangewezen is voorts overgenomen in de gemeentelijke structuurvisie. Ook in de gemeentelijke structuurvisie staat dat de keuze voor de locatie van het zoekgebied is bepaald door de aanwezigheid van windturbines net over de grens in Duitsland. Daarin staat verder dat de initiatiefnemer van het project voor het plaatsen van windturbines overleg dient te voeren met bewoners en instanties over de meest geschikte locatie voor de windturbines binnen het zoekgebied. In de plantoelichting is vermeld dat door de initiatiefnemers een haalbaarheidsstudie is opgesteld en een bewonersparticipatieproces is gevoerd. Het overleg tussen de bewoners, die door het bewonersplatform zijn vertegenwoordigd, en de initiatiefnemers heeft er toe geleid dat de turbines op meer dan 600 m afstand van de dichtstbijzijnde woningen zijn geprojecteerd, aldus de plantoelichting. 19.
- In de Omgevingsvisie staat dat solitaire windmolens niet zijn toegestaan, maar in ten minste een cluster van vijf moeten worden gerealiseerd. Ook in artikel 3.29 van de Omgevingsverordening is bepaald dat windturbines ten minste in een cluster van vijf worden gerealiseerd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2447, onder 15.2, over het windpark Hulteweg in Coevorden, kan uit de Omgevingsvisie worden afgeleid dat provinciale staten van Drenthe de clusteringseis van vijf windturbines in hun provinciale beleid en regels hebben opgenomen om te voorkomen dat in de provincie versnipperd over het landschap solitaire windturbines worden gerealiseerd. In de plantoelichting staat dat, omdat wordt aangesloten bij de windturbines die in Duitsland staan, wordt voldaan aan dit door de provincie gestelde vereiste. 19.
- De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in hetgeen Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor de in het plan voorziene locaties voor de windturbines langs de grens met Duitsland heeft kunnen kiezen. Daarbij betrekt de Afdeling dat zij geen concrete andere locaties binnen het zoekgebied hebben aangedragen voor het oprichten van de windturbines. Daarnaast is de locatie van de windturbines naar aanleiding van overleg tussen de initiatiefnemers en het bewonersplatform op meer dan 600 m van de dichtstbijzijnde woningen geprojecteerd. Voorts wordt aangesloten bij de windturbines in Duitsland waarmee aan het door de provincie gestelde clusteringsvereiste kan worden voldaan. De omstandigheid dat de exploitant van het Duitse windturbinepark, BVT Holding, zich niet kan vereniging met het plan, maakt het voorgaande niet anders. 19.
- Het betoog faalt. STEDELIJKE ONTWIKKELING
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat zich strijd voordoet met artikel 3.1.6, tweede en derde lid, van het Bro en met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van de Wabo. 20.
- In artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bepaald dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Deze voorwaarden gelden ook als een omgevingsvergunning, die wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wabo een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, nu ingevolge artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) in dat geval artikel 3.1.6 van het Bro van overeenkomstige toepassing is. 20.
- Zoals de Afdeling reeds eerder heeft geoordeeld in de uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:709, onder 6, over het windpark Krammer is een windturbinepark geen stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Strijd met die bepaling doet zich daarom niet voor. Er is geen vergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wabo. Artikel 3.1.6, derde lid, van het Bro is evenmin aan de orde. Het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen faalt. GELUID Normen
- De windturbines dienen te voldoen aan de geluidnormen die in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen. Uit de plantoelichting volgt dat de raad voor de aanvaardbaarheid van geluidhinder voor de vaststelling van het plan aansluiting heeft gezocht bij deze bepaling.
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat de in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnormen onverbindend dienen te worden verklaard of buiten toepassing moeten worden gelaten. Ook hetgeen Vereniging Tegenwind naar voren brengt strekt daartoe. Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat daarbij ook aan het zorgvuldigheidsbeginsel moet worden getoetst, waarbij zij verwijzen naar de conclusie van Advocaat-Generaal Widdershoven over exceptieve toetsing van 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:
- Vereniging Tegenwind en anderen voeren aan dat normen op basis van de dosismaten dB Lden en dB Lnight niet geschikt zijn voor het fluctuerende geluid dat windturbines maken. Zij wijzen erop dat deze normen zijn gebaseerd op de richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en beheersing van omgevingslawaai. Deze normen zijn volgens hen sterk verouderd. Zij wijzen erop dat het geluid van windturbines niet is te vergelijken met het geluid van vlieg- en wegverkeer en het industrielawaai dat in 2002 plaatsvond. Volgens Vereniging Tegenwind en anderen zou een straffactor moeten worden gehanteerd vanwege gewijzigd milieutechnisch inzicht over de hinderlijkheid van het geluid. Vereniging Tegenwind en anderen en Vereniging Tegenwind stellen verder dat de geluidhinder groot is omdat bij de normen wordt uitgegaan van jaargemiddelden. De geluidnormen zijn daarom volgens hen niet handhaafbaar. Volgens Vereniging Tegenwind en anderen is bovendien niet duidelijk op welke wijze een controlemeting wordt uitgevoerd. Vereniging Tegenwind en anderen en Vereniging Tegenwind brengen daarnaast naar voren dat de normen onvoldoende bescherming bieden tegen laagfrequent geluid, waaronder volgens Vereniging Tegenwind en anderen ook infrageluid dient te worden begrepen. Vereniging Tegenwind stelt dat de geluidnormen minder streng zijn dan in andere Europese landen. Zij brengt naar voren dat de NLVOW meent dat de geluidnormen moeten worden aangepast. Voorts voert zij aan dat in Houten veel overlast van windturbines wordt ondervonden. Vereniging Tegenwind en anderen verwijzen ter onderbouwing van hun betoog naar de notitie "Windmolenpark De Drentse Monden; second opinion geluid en laagfrequent geluid" van Peutz van 8 april 2016 die is opgesteld over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. 22.
- Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld. Deze bepaling staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Deze toetsing houdt in dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing dient te laten, indien dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling. Een zodanig voorschrift kan voorts wegens strijd met een algemeen rechtsbeginsel buiten toepassing worden gelaten indien het desbetreffende overheidsorgaan, in aanmerking genomen de feitelijke omstandigheden en de belangen die aan dit orgaan ten tijde van de totstandbrenging van het voorschrift bekend waren of op grond van deugdelijk onderzoek behoorden te zijn, in redelijkheid niet tot vaststelling van dat voorschrift heeft kunnen komen. De rechter heeft echter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. Het is aan het regelgevend bevoegd gezag de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden die bij het nemen van een besluit inhoudende algemeen verbindende voorschriften betrokken zijn, tegen elkaar af te wegen. 22.
- De beroepsgronden die Vereniging Tegenwind en anderen en Vereniging Tegenwind naar voren hebben gebracht over het gebruik van de dosismaten Lden en Lnight, het hinderlijke karakter van windturbines, jaargemiddelden, handhaafbaarheid en de vergelijking met de normstelling in andere Europese landen komen overeen met beroepsgronden die in de zaak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer naar voren zijn gebracht. De Afdeling heeft onder 99 en volgende van de uitspraak van 21 februari 2018 over dat windpark deze beroepsgronden behandeld en geconcludeerd dat er geen aanleiding is voor het oordeel dat de geluidnormen neergelegd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit onverbindend moeten worden geacht of buiten toepassing moeten blijven. Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen hebben geen argumenten aangevoerd op grond waarvan nu tot een andere conclusie gekomen zou moeten worden. Het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen dat ook getoetst moet worden aan het zorgvuldigheidsbeginsel, geeft geen grond voor een ander oordeel, reeds omdat zij dat niet hebben onderbouwd. Het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen dat er een veranderd milieutechnisch inzicht is in de beoordeling van de hinderlijkheid van geluid, is evenmin onderbouwd. De Afdeling wijst erop dat zij in de uitspraak van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504, onder 21.1, over het windpark De Veenwieken en onder 105 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer heeft overwogen dat "signalen" omtrent een "wellicht" veranderend milieutechnisch inzicht bij het beoordelen van de hinderlijkheid van windturbinegeluid waarbij als "suggestie" het mogelijk toepassen van een straffactor voor de hinderlijkheid van het geluid wordt genoemd in de in die zaken uitgebrachte deskundigenberichten, onvoldoende zijn voor het oordeel dat het bevoegd gezag bij de planvaststelling, vooruitlopend op een mogelijke aanpassing van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit door het regelgevend gezag, de in het Activiteitenbesluit voor windturbines neergelegde geluidnormen niet meer had mogen hanteren. De door Vereniging Tegenwind gestelde omstandigheden dat in Houten veel overlast wordt ondervonden van windturbines en dat de NLVOW meent dat de normen moeten worden aangepast, geven evenmin aanleiding voor die conclusie. Zoals de Afdeling onder 108 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer heeft overwogen zijn er in Nederland geen wettelijke normen voor laagfrequent geluid of infrageluid. Het betoog dat ertoe strekt dat had behoren te worden voorzien in een afzonderlijke norm voor laagfrequent geluid en infrageluid, omdat de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen normen daartegen geen bescherming bieden, ziet daarom niet op die normen. Het kan daarom niet leiden tot het oordeel dat de geluidnormen onverbindend moeten worden geacht of buiten toepassing moeten blijven. 22.
- De betogen falen. Geluidonderzoek - Algemeen
- In het kader van de voorbereiding van het plan is onderzoek verricht naar geluidhinder die door de windturbines wordt veroorzaakt. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek" van Sweco van 24 mei 2017 (hierna: geluidrapport), dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. In het geluidrapport staat dat het onderzoek is uitgevoerd overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift windturbines, dat in bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) is opgenomen.
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de normen voor geluid ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid bij artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit heeft kunnen aansluiten voor de boordeling van de aanvaardbaarheid van geluidhinder. Het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen dat in het geluidrapport ten onrechte geen straffactor is gehanteerd vanwege gewijzigd milieutechnisch inzicht over de hinderlijkheid van het windturbinegeluid leidt niet tot een andere conclusie. De Afdeling verwijst daarbij naar hetgeen zij hiervoor onder 22.2 heeft overwogen. - Bronvermogen
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat onduidelijk is of het in het geluidonderzoek gehanteerde bronvermogen van de windturbines representatief is, omdat het toe te passen type windturbine nog niet bekend is. Volgens hen is niet uitgesloten dat geen rekening is gehouden met de onzekerheid per windsnelheid. 25.
- In artikel 3.15, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat metingen van de geluidemissie ter bepaling van de bronsterkte van een windturbine of een combinatie van windturbines worden uitgevoerd overeenkomstig de bij ministeriële regeling te stellen eisen. In paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling zijn daarover bepalingen opgenomen. In de Activiteitenregeling wordt verwezen naar bijlage 4 bij de regeling, waarin het Reken- en meetvoorschrift windturbines is opgenomen. In het Reken- en meetvoorschrift windturbines staat dat de geluidemissie van windturbines afhankelijk is van de windsnelheid op ashoogte, waarbij wordt uitgegaan van een jaargemiddelde situatie. In het Reken- en meetvoorschrift windturbines staat niet, zoals ook is overwogen onder 113.2 in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, dat rekening dient te worden gehouden met een mogelijke onzekerheid. 25.
- In het geluidrapport is vermeld dat de initiatiefnemer een lijst van 7 verschillende typen windturbines heeft overgelegd waaruit het te plaatsen type zal worden gekozen. Uit deze lijst is voor het onderzoek naar de geluidbelasting gekozen voor het type windturbine GE 130, dat vergeleken met de andere typen uit de lijst de hoogste jaargemiddelde bronsterkte heeft. Daardoor is uitgegaan van een worstcasescenario, aldus het rapport. 25.
- Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat de geluidbelasting is onderschat omdat van een bronvermogen is uitgegaan dat niet representatief is. Het betoog faalt. - Basisregistratie Adressen en Gebouwen
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat het toepassen van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (hierna: BAG) voor het bepalen van de positie van geluidgevoelige gebouwen onzorgvuldig is. Volgens hen is niet duidelijk of daarin alle geluidgevoelige gebouwen zijn betrokken. Daarnaast is niet duidelijk of de juiste versie van de BAG is gebruikt, aldus Vereniging Tegenwind en anderen. 26.
- In het geluidrapport staat dat de BAG, waarin gemeentelijke basisgegevens over alle gebouwen en adressen zijn verzameld, is gebruikt voor het bepalen van de ligging van gebouwen en geluidgevoelige bestemmingen. In het verweerschrift is toegelicht dat op het moment van het uitvoeren van het geluidonderzoek gebruik is gemaakt van de op dat moment meest actuele beschikbare versie van de BAG. Voorts is het geluidrapport volgens het verweerschrift geactualiseerd nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage had gelegen, omdat nieuwe objecten aan de BAG waren toegevoegd. Dat heeft echter niet tot andere conclusies geleid, aldus het verweerschrift. 26.
- Vereniging Tegenwind en anderen hebben geen concrete argumenten aangevoerd ter ondersteuning van hun stelling dat de gegevens uit de BAG niet geschikt zijn. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor de conclusie dat van een onjuiste versie van de BAG is uitgegaan. De Afdeling ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het geluidrapport heeft mogen baseren omdat is uitgegaan van de BAG. Het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen faalt. - Woningen aan [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] en andere gevoelige objecten
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] ten onrechte zijn aangemerkt als woningen die tot het windpark behoren. Zij brengen naar voren dat de geluidbelasting ter plaatse van deze woningen te hoog is. Voorts is volgens hen niet duidelijk of alle geluidgevoelige objecten in het geluidonderzoek zijn betrokken. Vereniging Tegenwind betoogt dat de bewoners van woningen die zijn aangewezen als behorende tot de inrichting ten onrechte niet zijn beschermd tegen hinder door geluid. 27.
- In het verweerschrift is toegelicht dat de woningen aan [locatie 1] en [locatie 3] in het geluidrapport ten onrechte als deelnemer aan het windpark zijn aangeduid. De woning aan [locatie 2] is niet als zodanig in het geluidrapport opgenomen. 27.
- Uit het geluidrapport volgt dat de geluidbelasting op de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] is onderzocht. Volgens het geluidrapport kan ter plaatse van deze woningen aan de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit opgenomen normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight worden voldaan. Voorts bevinden zich volgens het geluidrapport geen andere geluidgevoelige objecten en ook geen woningen die horen bij het windpark binnen de geluidcontouren van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen hebben geen concrete gegevens naar voren gebracht op grond waarvan in zoverre aan het geluidrapport moet worden getwijfeld. De betogen falen. - Geostrofe wind en windrichting
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat onduidelijk is of in het geluidrapport rekening is gehouden met het optreden van het verschijnsel geostrofe wind op grotere hoogte gedurende de nachtperiode. Volgens hen is evenmin duidelijk of de windrichting is betrokken, zoals in het Reken- en meetvoorschrift windturbines is voorgeschreven. Ten slotte betogen zij dat in strijd met het Reken- en meetvoorschrift windturbines het gehanteerde geluidvermogen in het geluidrapport ten onrechte niet is gerelateerd aan de windsnelheid op ashoogte. 28.
- Zoals de Afdeling onder 103 heeft overwogen in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer volgt uit de Nota van Toelichting bij het Besluit wijziging milieuregels windturbines van 14 oktober 2010 (Stb 2010, 749), waarbij artikel 3.14a in het Activiteitenbesluit is opgenomen, dat de methode voor het berekenen van de geluidbelasting is aangepast opdat rekening wordt gehouden met de windsnelheid in de nacht op grotere hoogten. Deze aangepaste methode is, anders dan Vereniging Tegenwind en anderen kennelijk menen, neergelegd in het Reken- en meetvoorschrift windturbines, dat in bijlage 4 van de Activiteitenregeling is opgenomen. Zoals hiervoor onder 23 is overwogen, volgt uit het geluidonderzoek dat het is verricht overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift windturbines. Er is geen aanleiding voor de conclusie dat desondanks geen rekening is gehouden met het verschijnsel van geostrofe wind. Verder is in het geluidrapport in aanmerking genomen dat bij de meteocorrectie in het Reken- en meetvoorschrift windturbines rekening is gehouden met de overheersende windrichting uit het zuidwesten, waardoor een verhoogde geluidbelasting in noordoostelijke richting optreedt. Ook volgt uit het geluidrapport dat is uitgegaan van de windsnelheid op ashoogte voor het bepalen van de jaargemiddelde geluidemissie. 28.
- Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen over het verschijnsel geostrofe wind, de windrichting en de windsnelheid op ashoogte hebben aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat het onderzoek niet overeenkomstig het Reken- en meetvoorschrift windturbines is uitgevoerd. Het betoog faalt. - Cumulatie
- Vereniging Tegenwind stelt dat in het geluidonderzoek onvoldoende rekening is gehouden met cumulatieve geluidhinder vanwege de windturbines in Duitsland en de voorziene windturbines van het windpark Weijerswold tezamen. Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat bij het bepalen van de cumulatieve geluidbelasting onvoldoende rekening is gehouden met de windturbines die in Duitsland staan en evenmin met geluid dat wordt veroorzaakt door wegverkeer, industrie, landbouw, waaronder ventilatoren van droogschuren en agrarische machines, en gas- en oliewinninginstallaties. De grenswaarden zouden volgens hen daardoor kunnen worden overschreden. Zij stellen verder dat geen inzicht is geboden in de wijze van berekenen van de cumulatieve geluidbelasting van de windturbines. Zij voeren daartoe aan dat niet duidelijk is of is uitgegaan van de juiste bronsterkten en welke methode is gebruikt. Zij stellen dat de methode Miedema niet mag worden toegepast, waarbij zij verwijzen naar de notitie van Peutz van 8 april 2016 die over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is opgesteld.
- In het Activiteitenbesluit zijn, zoals hiervoor onder 9.3 is overwogen, geen normen opgenomen voor de cumulatieve geluidbelasting. Het betoog dat grenswaarden worden overschreden faalt daarom.
- De raad stelt zich onder verwijzing naar het geluidrapport op het standpunt dat de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is. Voorts heeft de raad het rapport "Cumulatieve geluidbelastingen Windpark Weijerswold" van Pondera van 22 mei 2018 (hierna: rapport van Pondera) overgelegd. Daarin is het resultaat van een nadere berekening van de cumulatieve geluidbelasting opgenomen, waarmee zijn standpunt wordt bevestigd. 31.
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat het rapport van Pondera buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dit rapport laat is ingediend en een zodanige omvang en technische inhoud heeft, dat zij daar niet adequaat op hebben kunnen reageren. Op grond van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken indienen, ter onderbouwing van eerder naar voren gebrachte standpunten. Het rapport van Pondera is op 24 mei 2018 bij de Raad van State ingekomen. De raad heeft het rapport dus meer dan tien dagen voor de zitting van 14 juni 2018 ingediend, zodat de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb gestelde termijn in acht is genomen. Dit neemt niet weg dat het overleggen van stukken in strijd met de goede procesorde kan zijn, indien deze verwijtbaar zodanig laat zijn ingediend dat de andere partij wordt belemmerd daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. De Afdeling is van oordeel dat dat in dit geval niet aan de orde is. Het rapport heeft een omvang van 5 pagina’s en bevat daarnaast een bijlage met invoergegevens en een bijlage met rekenresultaten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het rapport niet een zodanige inhoud en omvang dat Vereniging Tegenwind en anderen daarop niet adequaat hebben kunnen reageren of dat de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins is belemmerd. Gelet hierop zal de Afdeling het rapport van Pondera in de beoordeling betrekken.
- In het geluidrapport zijn de resultaten opgenomen van een berekening van de geluidbelasting van de op te richten windturbines en de windturbines die net over de grens in Duitsland staan tezamen. De windmolens in Duitsland zullen worden vervangen door andere windturbines. De geluidbelasting van de windturbines tezamen in die nieuwe situatie is ook berekend. In het geluidrapport staat van welke typen Duitse windturbines is uitgegaan en wat het bronvermogen op ashoogte is. De invoergegevens van de Duitse windturbines zijn opgenomen in bijlage 2 van het geluidrapport. Vereniging Tegenwind en anderen hebben geen concrete gegevens naar voren gebracht op grond waarvan in zoverre aan de juistheid van het rapport moet worden getwijfeld. In het geluidrapport zijn de contouren bepaald van de berekende cumulatieve geluidbelasting van de windturbines in Duitsland en de windturbines waar het plan in voorziet van 47 dB Lden en 41 dB Lnight. Deze contouren reiken niet tot aan de gevels van gevoelige objecten. Gelet daarop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de cumulatieve geluidbelasting van de voorziene windturbines en de windturbines in Duitsland aanvaardbaar is.
- De raad heeft naar voren gebracht dat het door regulier agrarisch gebruik van gras- en bouwland veroorzaakte geluid beperkt is in plaats, omvang en duur. Volgens de raad is de bijdrage van de windturbines aan het daardoor veroorzaakte geluid aanvaardbaar. Het enige industrielawaai dat in de omgeving te horen is, is volgens de raad de geluidemissie van de putlocaties voor oliewinning van de NAM in Schoonebeek. Daarbij heeft de raad het onderzoek "Geluidsprognose putlocaties ten behoeve van oliewinning Schoonebeek" van 20 oktober 2005 overgelegd dat is verricht naar het geluid dat door de putlocaties wordt veroorzaakt. De bijdrage daarvan is volgens de raad gering en zal daarom, ook gezien de afstand van deze locaties tot de woningen, niet leiden tot een onaanvaardbare situatie. Vereniging Tegenwind en anderen hebben geen concrete gegevens naar voren gebracht op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de raad zich niet op dat standpunt heeft mogen stellen.
- In het rapport van Pondera is het geluid van de voorziene windturbines, de nieuwe windturbines in Duitsland en het geluid van het verkeer op de Europaweg betrokken. De geluidbelasting van de bestaande Duitse windturbines is niet betrokken, omdat deze turbines minder geluid maken dan de nieuwe windturbines in Duitsland, zo staat in het rapport. In het rapport van Pondera is de aanvaardbaarheid van de cumulatieve geluidbelasting bepaald aan de hand van de methode Miedema. Volgens de methode Miedema is de kwaliteit van de akoestische omgeving bij een geluidbelasting van 50 dB Lden of minder, goed, bij een geluidbelasting van 55 dB Lden of minder, redelijk, bij een geluidbelasting van 60 dB Lden of minder, matig, en bij een geluidbelasting van 65 dB of minder, tamelijk slecht. 34.
- De notitie van Peutz, waarnaar Vereniging Tegenwind en anderen verwijzen, gaat over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. In deze notitie staat dat bij de waardering van het geluid in de methode Miedema geen onderscheid wordt gemaakt naar het type woonomgeving. Volgens de notitie zou de cumulatieve geluidbelasting in een landelijke omgeving beperkt moeten blijven tot maximaal 41 dB Lden. De Afdeling begrijpt het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen over de methode Miedema waarbij zij verwijzen naar deze notitie aldus dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de landelijke omgeving van het windpark Weijerswold. 34.
- In het rapport van Pondera staat dat het plangebied in een stil agrarisch (landelijk) gebied ligt. Volgens het rapport varieert de akoestische kwaliteit van de omgeving in de bestaande situatie van goed, naar redelijk tot matig en tot tamelijk slecht. In het rapport staat dat door de komst van de windturbines de akoestische kwaliteit van de omgeving ook zal variëren van goed tot tamelijk slecht. Voor een beperkt aantal toetspunten zal de akoestische kwaliteit volgens de schaal van Miedema verslechteren met één stap. In een beperkter aantal gevallen zal de akoestische kwaliteit volgens de schaal van Miedema met twee stappen verslechteren, van goed naar matig. Op drie toetspunten vindt een verslechtering plaats van matig naar tamelijk slecht door een maximale toename van 0,6 dB. 34.
- De Afdeling ziet in de enkele omstandigheid dat het windpark is gesitueerd in een landelijke omgeving geen grond voor het oordeel dat de methode Miedema niet mag worden toegepast. De raad heeft daarom in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om de omgeving van het plangebied als een bijzondere omstandigheid aan te nemen op grond waarvan tot een andere waardering van de cumulatieve geluidbelasting zou moeten worden gekomen. Daarbij betrekt de Afdeling dat een verslechtering van de cumulatieve geluidbelasting inherent is aan het realiseren van een windpark in een relatief stille agrarische omgeving.
- Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen naar voren hebben gebracht geen grond voor het oordeel dat de raad zich, gelet op het belang dat is gemoeid met het realiseren van het windpark, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de cumulatieve geluidbelasting aanvaardbaar is.
- De betogen falen. - Overige beroepsgronden van Vereniging Tegenwind en anderen en Vereniging Tegenwind over het geluidrapport
- Voor zover Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat het geluidonderzoek en het rapport van Pondera voor het overige niet voldoen aan de daaraan in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling gestelde eisen, overweegt de Afdeling dat zij deze stelling niet hebben geconcretiseerd. Dat geldt ook voor de stelling van Vereniging Tegenwind dat de in het geluidrapport gebruikte uitgangspunten en daarin opgenomen conclusie niet juist zijn en de gebruikte cijfers inconsistent zijn. Deze betogen falen reeds daarom. - Conclusie geluidonderzoek
- Hetgeen Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd geeft geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op de conclusies in het geluidrapport heeft mogen baseren. Gevolgen (laagfrequent)geluid voor de gezondheid
- Vereniging Tegenwind en anderen vrezen dat het geluid van de windturbines gevolgen heeft voor de gezondheid. Zij wijzen daarbij in het bijzonder op de gevolgen van laagfrequent geluid en piekgeluid. Zij stellen dat niet wordt voldaan aan het voorzorgsbeginsel als bedoeld in artikel 191, tweede lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Zij voeren daartoe aan dat er wetenschappelijke onzekerheid is over de gezondheidseffecten en dat daarom onderzoek had moeten worden verricht om die effecten uit te kunnen sluiten. Zij wijzen er in dit verband op dat het onderzoek dat is aangekondigd naar de gezondheidsstatus van omwonenden dient te worden afgewacht. Volgens Vereniging Tegenwind en anderen heeft de raad voor zijn standpunt dat er geen gevolgen voor de gezondheid zijn te verwachten zich ten onrechte gebaseerd op het rapport "Windturbines: invloed op de beleving en de gezondheid van omwonenden" van het RIVM uit 2013 (hierna: rapport van het RIVM uit 2013) en het Kennisbericht Geluid van windturbines van juni 2015 in het kader van de Pilot Kennisplatform Windenergie (hierna: Kennisbericht uit 2015). Ter ondersteuning van hun betoog verwijzen Vereniging Tegenwind en anderen naar een review van het rapport van het RIVM uit 2013 van M. Alves-Pereira van januari
- Zij wijzen erop dat daarin staat dat het rapport van het RIVM uit 2013 niet is gebaseerd op medisch-wetenschappelijk onderzoek en dat gebruik is gemaakt van subjectieve data. Het rapport "Health effects related to wind turbine sound" uit 2017 van het RIVM en de GGD (hierna: rapport van het RIVM uit 2017) kan daarom volgens hen evenmin worden gebruikt ter onderbouwing van het standpunt dat zich geen gezondheidsschade zal voordoen. Zij betwisten verder de juistheid van de notitie van het RIVM van 2 december 2016, omdat deze notitie is opgesteld door I. van der Kamp, die werkzaam is bij het RIVM. Volgens hen moet aan de deskundigheid van het RIVM worden getwijfeld omdat de rapporten van het RIVM ondeugdelijk zijn en niet onafhankelijk zijn opgesteld. Zij stellen dat M. Alves-Pereira in onder meer haar publicatie "The inadequacy of the A-frequency weighting for the assessment of adverse effects on human populations" van juni 2017 gezaghebbend ondubbelzinnig bewijs levert van en over schadelijke gevolgen van laagfrequent geluid. Volgens Vereniging Tegenwind volgt voorts uit het rapport "Meldingen over een bromtoon" uit 2016 van het RIVM dat gezondheidseffecten zullen optreden door laagfrequent geluid. Vereniging Tegenwind en anderen hebben verder gewezen op een in maart 2018 gepubliceerd artikel van een huisarts uit Den Bosch, getiteld "Windmolens maken wel degelijk ziek; Toepassing voorzorgsbeginsel en beter onderzoek zijn nodig", een artikel in het Reformatorisch Dagblad van 30 mei 2018 en een informatiebrief van mei 2018 over onderzoek dat de Rijksuniversiteit Groningen wil verrichten naar hinder door laagfrequent geluid. Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat met deze Nederlandse publicaties in ieder geval een begin van bewijs is geleverd dat zich onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid zullen voordoen. Zij verwijzen daarnaast naar slides van een presentatie van 18 mei 2018 met de titel "Infrasound and Low Frequency Noise: Precautionary Measures" van onder meer Alves-Pereira en naar een artikel in de Allgemeine Zeitung (Mainz) van 5 maart
- 39.
- Volgens de raad volgt uit het rapport van het RIVM uit 2013 dat het geluid van windturbines als hinderlijk wordt ervaren, hetgeen vooral wordt veroorzaakt door het karakter van het geluid. Uit het Kennisbericht uit 2015 volgt, aldus de raad, dat er een duidelijk verband is aangetoond tussen windturbines en hinder, maar dat er geen wetenschappelijk bewijs is voor gezondheidseffecten veroorzaakt door (laagfrequent) geluid. De raad brengt naar voren dat uit het rapport van het RIVM uit 2013 en het Kennisbericht uit 2015 volgt dat sommige mensen hinder ervaren als zij het gevoel hebben dat hun omgevings- of levenskwaliteit verslechtert. Daardoor kunnen zij gezondheidsklachten krijgen. De raad verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt voorts naar het rapport van het RIVM uit
- 39.
- De raad heeft zich niet op een notitie van het RIVM van 2 december 2016 gebaseerd. Het betoog daarover slaagt reeds daarom niet. 39.
- In de uitspraak van 21 februari 2018 over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is over de gezondheidseffecten van windturbinegeluid onder meer gewezen op het rapport van het RIVM uit 2017 dat een overzicht bevat van de conclusies van recente wetenschappelijke onderzoeken over de gezondheidseffecten van windturbinegeluid. Volgens dat rapport is er een relatie tussen slaapverstoring die op individuele basis is gemeld en ergernis over het geluid van windturbines, maar is onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar voor een directe relatie tussen gezondheidsrisico’s en het geluid van windturbines. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 februari 2018 onder verwijzing naar de analyses van het RIVM uit 2013 en 2017 en het Kennisbericht van 2015 geconcludeerd dat verweerders zich in die procedure in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de voorziene windturbines niet zullen leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat naar haar oordeel het voorzorgsbeginsel niet zo ver strekt dat op basis van publicaties waarin slechts een mogelijk verband wordt gelegd tussen windturbines en gezondheidsklachten van de vaststelling van het in die zaak aan de orde zijnde plan had moeten worden afgezien. De door Vereniging Tegenwind en anderen overgelegde publicaties zijn voor de Afdeling geen aanleiding om nu tot een andere conclusie te komen. In de publicatie van de huisarts uit Den Bosch wordt ervoor gepleit om op grond van het voorzorgsbeginsel onderzoek te verrichten naar gezondheidsproblemen vanwege windturbines. De overgelegde brief van de RUG bevat informatie voor eventuele deelnemers aan een nog te verrichten onderzoek naar hinder door laagfrequent geluid. In het artikel in het Reformatorisch Dagblad komen gezondheidsproblemen van dieren en een nertsenfokker aan de orde en worden publicaties aangehaald waarin wordt gesteld dat geen schadelijke gezondheidseffecten zijn te verwachten als ook publicaties waarin wordt gesteld dat die er wel zijn. Voorts betreft het artikel van de Allgemeine Zeitung (Mainz) van 5 maart 2018 een interview met professor Vahl, die stelt dat hij zich kan voorstellen dat gezondheidsproblemen zullen optreden door infrageluid. Deze door Vereniging Tegenwind en anderen overgelegde publicaties geven daarmee geen grond voor de conclusie dat er een direct verband is tussen windturbines en gezondheidsklachten. De door Vereniging Tegenwind en anderen overgelegde publicatie van onder meer Alves Pereira van juni 2017 toont naar het oordeel van de Afdeling dat verband evenmin aan. Daarbij betrekt de Afdeling dat Vereniging Tegenwind en anderen niet concreet hebben onderbouwd uit welke passages van deze publicatie moet worden afgeleid dat er, anders dan in de eerdere publicaties van Alves-Pereira die zijn betrokken in het rapport van het RIVM uit 2017, niet slechts sprake is van een mogelijk verband tussen windturbines en gezondheidsklachten. De slides van de presentatie van 18 mei 2018 van onder meer Alves-Pereira geven evenmin een inhoudelijke wetenschappelijke onderbouwing van de stelling dat er een rechtstreeks verband is tussen windturbines en effecten op de gezondheid. Zoals de Afdeling onder 119.3 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer ook heeft overwogen is het door Vereniging Tegenwind en anderen genoemde rapport "Meldingen over een bromtoon" uit 2016 van het RIVM een richtlijn voor GGD-medewerkers voor het omgaan met klachten en meldingen over een bromtoon en bevat het geen andere conclusies dan die in het rapport van het RIVM uit 2017 zijn opgenomen. Voorts is in dezelfde overweging opgenomen dat de omstandigheid dat het RIVM in haar rapporten uitsluitend onderzoeksresultaten van andere onderzoekers analyseert en niet zelf onderzoek heeft verricht naar de effecten van windturbines op de gezondheid, en de omstandigheid dat één van de opstellers van onderzochte rapporten werkzaam is bij het RIVM, zoals door Vereniging Tegenwind en anderen naar voren is gebracht, op zichzelf niet toereikend voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de deugdelijkheid van de analyses van het RIVM die zijn neergelegd in de rapporten uit 2013 en 2017 en het Kennisbericht uit
- De stelling van Vereniging Tegenwind en anderen dat de deugdelijkheid en de onafhankelijkheid van het RIVM in het algemeen in het geding is, geeft daarvoor ook geen aanleiding. De verwijzing naar een aantal artikelen en programma’s op tv acht de Afdeling daartoe niet voldoende. Gelet op het voorgaande is er ook geen aanleiding voor de conclusie dat de raad niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen voordat het onderzoek naar de gezondheidsstatus van omwonenden, geïnitieerd door de initiatiefnemers van het project en het bewonersplatform, was verricht.
- De betogen over de gevolgen van geluid voor de gezondheid falen. Laagfrequent geluid
- Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen vrezen voor hinder door laagfrequent geluid. Vereniging Tegenwind stelt dat het rapport van het RIVM uit 2013 is verouderd. Vereniging Tegenwind en anderen verwijzen ter ondersteuning van hun betoog onder meer naar de notitie van Peutz van 8 april 2016 over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Daarin staat dat rekening had moeten worden gehouden met de effecten van laagfrequent geluid in de woning. Zij stellen dat uit de uitspraken van de Afdeling van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2269, en van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1965, volgt dat onderzoek moet worden verricht naar laagfrequent geluid. 41.
- De raad stelt dat piekgeluiden en laagfrequent geluid in de in artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit opgenomen normen zijn verdisconteerd. De raad heeft zich in zoverre gebaseerd op de brief van de staatssecretaris aan de Voorzitter van de Tweede Kamer in verband met de Structuurvisie Windenergie Land (Kamerstukken II 2013/14, 33 612, nr. 22, hierna: de brief van de staatssecretaris) en op "Literatuuronderzoek laagfrequent geluid windturbines" van LBP Sight van september 2013 (hierna: literatuurstudie van LBP Sight). Voorts heeft de raad verwezen naar het rapport van het RIVM uit
- 41.
- Er zijn geen wettelijke normen voor laagfrequent geluid. De Afdeling heeft eerder, onder meer onder 49.2 in haar uitspraak over het windpark Wieringermeer van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, onder 25.2 in haar uitspraak over het windpark De Veenwieken van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504, en onder 120.4 in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, geoordeeld dat verweerders in die zaken zich onder verwijzing naar de brief van de staatssecretaris, de literatuurstudie van LBP Sight en onderzoeken van het RIVM in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare hinder door laagfrequent geluid vanwege windturbines zal voordoen. De Afdeling heeft in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer onder verwijzing naar het deskundigenbericht dat in die zaak is uitgebracht voorts overwogen dat niet is te verwachten dat het laagfrequent geluid bij grotere windturbines een substantieel groter aandeel zal krijgen. De Afdeling ziet in hetgeen Vereniging Tegenwind en Vereniging Tegenwind en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding ten aanzien van het voorliggende plan tot een ander oordeel te komen. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de plantoelichting staat dat de omvang van het vermogen van de turbines beperkt zal zijn van 3,0 tot 3,6 MW. Voorts is de notitie van Peutz, waarnaar Vereniging Tegenwind en anderen verwijzen, betrokken in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. De verwijzing van Vereniging Tegenwind en anderen naar de uitspraak van de Afdeling van 23 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2269, en de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1965, geeft geen aanleiding voor een andere conclusie, reeds omdat in deze uitspraken niet het geluid van windturbines aan de orde was, waarbij aan artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit dient te worden voldaan. 41.
- De betogen falen. SLAGSCHADUW EN LICHTSCHITTERING Norm slagschaduw
- De windturbines dienen te voldoen aan hetgeen in artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling voor hinder van slagschaduw is bepaald. Uit de plantoelichting volgt dat de raad voor de aanvaardbaarheid van slagschaduw voor de vaststelling van het plan aansluiting heeft gezocht bij deze bepaling.
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat de in artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling voor hinder van slagschaduw opgenomen norm buiten toepassing moet worden gelaten of onverbindend moet worden verklaard. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen zij naar een notitie van DPA Cauberg-Huygen (hierna: DPA) van 14 november 2016 over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Zij stellen dat de norm verouderd is en niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek, zodat niet bekend is of de norm voldoende bescherming biedt aan omwonenden. Volgens Vereniging Tegenwind en anderen heeft de raad daarom bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid bij de norm kunnen aansluiten voor de beoordeling van de hinder door slagschaduw. 43.
- In de uitspraak van 21 februari 2018 over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 132.1 en volgende, heeft de Afdeling in hetgeen in die zaak naar voren is gebracht geen grond gezien voor het oordeel dat het regelgevend gezag niet tot vaststelling van artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling heeft kunnen besluiten. Daarbij heeft de Afdeling de door Vereniging Tegenwind en anderen overgelegde notitie van DPA van 14 november 2016 betrokken. Zij hebben in het kader van dit beroep geen concrete gegevens overgelegd op grond waarvan nu tot een andere conclusie moet worden gekomen. De Afdeling ziet daarom ook geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan niet in redelijkheid bij artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling heeft kunnen aansluiten voor de beoordeling van hinder door slagschaduw. Het betoog faalt. De beroepsgronden van Vereniging Tegenwind en anderen over het onderzoek naar slagschaduw
- In het kader van de voorbereiding van het plan is onderzoek naar hinder door slagschaduw verricht. De resultaten van dat onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Onderzoek naar slagschaduwhinder" van 24 november 2016 (hierna: slagschaduwrapport), dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. In het onderzoek is uitgegaan van windturbines met een ashoogte van 122 m en een rotordiameter van 136 m, die het plan maximaal mogelijk maakt. In het slagschaduwrapport staat dat de windturbines dienen te worden voorzien van een stilstandregeling om slagschaduwhinder te voorkomen. - Vertaling van de norm
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat niet duidelijk is van welke vertaling van de norm de raad bij de vaststelling van het plan is uitgegaan. Niet duidelijk is volgens hen of de norm is vertaald naar een waarde van 6 uur slagschaduw per jaar of naar een waarde van 5 uur en 40 minuten. 45.
- Dit betoog mist feitelijke grondslag. Zowel in de plantoelichting als in het slagschaduwrapport staat dat is uitgegaan van een waarde van 5 uur en 40 minuten. In het slagschaduwrapport staat dat dat gelijk is aan 17 maal 20 minuten. - Gehanteerde uitgangspunten
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat de slagschaduwhinder in het onderzoek is onderschat. Zij brengen naar voren dat de in het onderzoek gebruikte gegevens van meteorologische condities ten onrechte zijn gebaseerd op onzekere gegevens. Niet duidelijk is volgens hen hoeveel jaren onder "langjarig" worden begrepen en evenmin hoe de parameters over de zonneschijnverdeling, windrichting en windsnelheid in het onderzoek zijn verwerkt. Dat geldt ook voor de juistheid van de toegepaste correcties, aldus Vereniging Tegenwind en anderen. De bron van de meteogegevens van de distributie van voorkomende windrichtingen is volgens hen in het geheel niet duidelijk. De in het onderzoek gemaakte berekeningen kunnen daarom niet worden gecontroleerd, zo stellen Vereniging Tegenwind en anderen. Ook is volgens hen het verband tussen de optredende windrichting en het percentage van de daglengte dat de zon gemiddeld schijnt niet betrokken. Zij voeren aan dat het gemiddelde aantal zonneschijnuren bij de ene windrichting groter zal zijn dan bij de andere windrichting. Vereniging Tegenwind en anderen brengen verder naar voren dat ten onrechte niet is onderkend dat de duur van de zonneschijn niet op alle dagen in een maand gelijk is. De correctie die is toegepast op de duur van de zonneschijn is daarom volgens hen onderschat. Zij stellen dat had moeten worden uitgegaan van een correctie van de zonneschijn per etmaal. Vereniging Tegenwind en anderen voeren daarnaast aan dat niet duidelijk is wat in het onderzoek onder slagschaduw wordt verstaan. Zij brengen daarbij naar voren dat niet is onderkend dat zich al schaduwwerking voordoet bij een afdekking van de zon van 18,5% en dat geen rekening is gehouden met schaduwwerking in het verticale vlak. Slagschaduw is volgens hen al hinderlijk bij een zeer lage stralingsintensiteit. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen Vereniging Tegenwind en anderen naar de notitie van DPA van 14 november 2016, de notitie van DPA van 19 juni 2017 en de notitie van DPA van 1 september 2017 die zijn opgesteld over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. 46.
- In het slagschaduwrapport staat dat bij het berekenen van de slagschaduwduur het programma WINDPRO v3.1 is toegepast, waarbij gebruik is gemaakt van de langjarig gemiddelde meteorologische gegevens van het KNMI weerstation Eelde. Volgens het slagschaduwrapport is ook de windrichting als parameter ingevoerd, zodat rekening is gehouden met het draaien van de rotorrichting door de wind. In het verweerschrift wordt bevestigd dat gebruik is gemaakt van langjarige weerstatistieken van het KNMI. Daarin is ook toegelicht dat in het programma WINDPRO v3.1 correcties worden toegepast voor de zonneschijnduur, de windrichting en de windsnelheid. De Afdeling ziet daarom geen grond voor de conclusie dat de in het onderzoek gebruikte gegevens van meteorologische condities zijn gebaseerd op onzekere gegevens of dat de herkomst van de bron van de gegevens niet duidelijk is of niet kan worden gecontroleerd. Verder is in het verweerschrift toegelicht dat in het toegepaste programma de werkelijke astronomische daglengte wordt vermenigvuldigd met het percentage dat de zon gemiddeld in de desbetreffende maand schijnt. Vereniging Tegenwind en anderen hebben hun stelling die ertoe strekt dat door uit te gaan van de correctie van de zonneschijnduur in een maand, in plaats van de correctie van de zonneschijnduur per etmaal, sprake is van een zodanige onderschatting van de te verwachten zonneschijnduur dat in zoverre niet meer van de conclusies in het slagschaduwrapport kan worden uitgegaan, niet met concrete gegevens onderbouwd. Dat geldt ook voor het betoog over het toepassen van langjarige gemiddelden in het algemeen. 46.
- In het slagschaduwrapport staat dat onder slagschaduw een bewegende schaduw wordt verstaan, die ontstaat als de zon op de draaiende rotorbladen van de windturbine valt en optreedt aan de andere zijde van de turbine. Daarin staat verder dat objecten op meerdere gevelvlakken slagschaduw van het windpark ondervinden. Er is vanuit gegaan dat slagschaduw altijd via een gevelvlak op het object kan intreden als er schaduwpassage over het object is, waarbij het gevelvlak steeds loodrecht naar iedere windturbine toe is georiënteerd. Daarbij is geen rekening gehouden met aan- of afwezigheid van ramen, oriëntatie van gevels en obstakels zoals bomen en gebouwen die schaduwwerping kunnen verminderen. In het slagschaduwrapport staat daarnaast dat in de berekeningen ervan is uitgegaan dat tot een zonnestand van 3 graden nog slagschaduw zal optreden. Gelet op het voorgaande faalt het betoog dat niet duidelijk is wat in het slagschaduwrapport onder slagschaduw wordt verstaan. De Afdeling ziet in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd verder geen grond voor het oordeel dat in het onderzoek van onjuiste uitgangspunten is uitgegaan voor het bepalen van de hinder door slagschaduw. Zij hebben niet beargumenteerd waarom zich onder een zonnestand van 3 graden nog een zodanig hinderlijk effect voordoet, dat dit in het onderzoek betrokken had moeten worden. 46.
- Voor zover Vereniging Tegenwind en anderen hebben verwezen naar de notities van DPA die over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer zijn opgesteld, overweegt de Afdeling dat deze onder meer gaan over de voor dat windpark verrichte onderzoeken naar de hinder door slagschaduw. Vereniging Tegenwind en anderen hebben niet vermeld in hoeverre deze notities voor de in het slagschaduwonderzoek voor het windpark Weijerswold gehanteerde uitgangspunten relevant zijn. Overigens zijn deze notities in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer betrokken. De Afdeling heeft in die uitspraak overwogen dat er geen aanleiding was voor het oordeel dat verweerders in die zaak zich bij het bepalen van de van slagschaduw te verwachten hinder niet op het onderzoek hebben mogen baseren. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in de verwijzing van Vereniging Tegenwind en anderen naar de notities van DPA geen aanleiding voor de conclusie dat de raad zich niet op het slagschaduwrapport heeft mogen baseren wat betreft de daarin gehanteerde uitgangspunten. Het betoog faalt in zoverre. - Gevoelige en niet gevoelige objecten
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] zich binnen de slagschaduwcontour bevinden. Zij brengen verder naar voren dat het onderzoek naar slagschaduwhinder ten onrechte beperkt is gebleven tot woningen van derden. Zij voeren aan dat onder meer alle woningen en kavels met een woonbestemming, bedrijfsgebouwen, tuinen, erven en agrarische percelen beschermd dienen te worden tegen hinder door slagschaduw. Vereniging Tegenwind betoogt dat de bewoners van woningen die zijn aangewezen als behorende tot de inrichting ten onrechte niet zijn beschermd tegen hinder door slagschaduw. 47.
- Wat onder gevoelige objecten als bedoeld in artikel 3.12 van de Activiteitenregeling wordt verstaan, is bepaald in artikel 1.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit, gelezen in samenhang met artikel 1 van de Wet geluidhinder en artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder. Uit deze bepalingen volgt dat bijvoorbeeld woningen en kinderdagverblijven gevoelige objecten zijn in de zin van artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling, maar bedrijfsgebouwen, kantoren, tuinen, erven en agrarische percelen niet. Dat neemt niet weg dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te beoordelen of ter plaatse van niet gevoelige objecten sprake is van een aanvaardbare mate van hinder door slagschaduw. 47.
- Uit het slagschaduwrapport volgt dat de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] als gevoelige objecten zijn aangemerkt en dat de slagschaduw op deze woningen is onderzocht. De in artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling opgenomen norm voor slagschaduw is een rechtstreeks werkende en handhaafbare norm en heeft tot gevolg dat indien de slagschaduwduur als gevolg van het windpark ter plaatse van deze woningen de norm overschrijdt, de desbetreffende windturbine(s) moet(en) worden stilgezet door middel van een stilstandvoorziening. Vereniging Tegenwind en anderen hebben niet beargumenteerd waarom ter plaatse van deze woningen niet aan de norm voor slagschaduwduur kan worden voldaan. Voorts stelt de Afdeling vast dat er geen woningen zijn die zijn uitgezonderd van bescherming tegen slagschaduwhinder omdat zij zijn aangemerkt als behorende tot de inrichting. Vereniging Tegenwind en anderen hebben daarnaast niet geconcretiseerd dat zich gevoelige objecten binnen de berekende contouren bevinden die niet in het onderzoek zijn betrokken dan wel niet afdoende tegen hinder door slagschaduw worden beschermd. De betogen falen in zoverre. 47.
- De raad stelt zich op het standpunt dat hij de effecten op niet gevoelige objecten aanvaardbaar heeft mogen achten, omdat de verblijfstijd aldaar beperkter is dan in woningen en het verblijf op specifieke momenten plaatsvindt. Verder heeft de raad in aanmerking genomen dat de slagschaduw binnen de contouren meebeweegt met de stand van de zon en de slagschaduw daarom niet lang op één bepaalde locatie zal rusten. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Het betoog faalt in zoverre. - Tabellen
- Vereniging Tegenwind en anderen brengen naar voren dat de resultaten van de berekende slagschaduw in de in het rapport opgenomen tabellen 4, 5, 6 en 7 niet met elkaar zijn te rijmen. Zij wijzen erop dat de slagschaduwduur voor de woningen aan de [locatie 4] in de tabellen 4 en 5 niet verschilt, terwijl de resultaten in de tabellen 6 en 7 voor deze woningen wel een verschil laten zien. Voor de woningen aan de [locatie 5], [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 6] geldt dat de afname van de slagschaduwduwduur in de tabellen 6 en 7 niet is te verklaren gezien de resultaten voor deze woningen in de tabellen 4 en
- Het rapport is volgens hen daarom onzorgvuldig tot stand gekomen. 48.
- In tabel 4 is de slagschaduwduur die woningen aan de Weijerswold ondervinden van de bestaande windturbines in Duitsland opgenomen. In tabel 5 is de slagschaduwduur vermeld die woningen aan de Weijerswold zullen ondervinden van de nieuwe windturbines in Duitsland. In tabel 6 is de cumulatieve slagschaduwduur van de bestaande windturbines in Duitsland en de windturbines die in het windpark Weijerswold zijn voorzien tezamen opgenomen. Tabel 7 betreft de cumulatieve slagschaduwduur van de nieuwe windturbines in Duitsland en de windturbines in het windpark Weijerswold tezamen. 48.
- In het verweerschrift is toegelicht dat het verschil tussen de tabellen waar Vereniging Tegenwind en anderen op wijzen is te verklaren. De Duitse windturbines en de windturbines van het windpark Weijerswold hebben invloed op elkaar. Bij een geringe windsnelheid kan wind worden afgevangen, waardoor een windturbine niet genoeg wind vangt om te draaien, zo staat in het verweerschrift. De Afdeling ziet in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding dit voor onjuist te houden. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de raad zich in zoverre niet op het slagschaduwrapport heeft mogen baseren. Het betoog faalt. De beroepsgrond van Vereniging Tegenwind
- Vereniging Tegenwind betoogt dat onvoldoende rekening is gehouden met de cumulatieve slagschaduwhinder vanwege de windturbines in Duitsland en de voorziene windturbines van het windpark Weijerswold tezamen. Zij stelt verder dat in het slagschaduwrapport gebruikte uitgangspunten en daarin opgenomen conclusie niet juist zijn en de gebruikte cijfers inconsistent zijn. 49.
- Uit het slagschaduwrapport volgt dat de cumulatieve slagschaduwduur van de windturbines in Duitsland en de voorziene windturbines van het windpark Weijerswold in het onderzoek is betrokken. Vereniging Tegenwind heeft haar betoog dat het onderzoek naar de door slagschaduw te verwachten hinder in zoverre onvolledig is niet geconcretiseerd. Het betoog dat in het slagschaduwrapport gebruikte uitgangspunten en daarin opgenomen conclusie niet juist zijn en de gebruikte cijfers inconsistent zijn is evenmin onderbouwd. Het betoog faalt. Conclusie slagschaduwonderzoek
- Gelet op het voorgaande is er geen grond voor het oordeel dat de raad zich bij het bepalen van de van de slagschaduw te verwachten hinder niet op het slagschaduwrapport heeft mogen baseren. Voorwaardelijke verplichting
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat in de planregels had moet worden voorzien in een voorwaardelijke verplichting om te verzekeren dat een stilstandvoorziening word getroffen. 51.
- In artikel 3.12 van de Activiteitenregeling is een regeling opgenomen om slagschaduw te voorkomen of te beperken. Windturbines dienen hieraan te voldoen. In het eerste lid is een stilstandvoorziening voorgeschreven ingeval de daarin gestelde norm voor de slagschaduwduur wordt overschreden. Er is daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het voorschrijven van de stilstandvoorziening in de planregels nodig is om onaanvaardbare hinder door slagschaduw te beperken. Het betoog faalt. Lichtschittering
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat de raad voor de vaststelling van het plan niet in redelijkheid in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij artikel 3.13, eerste lid, van de Activiteitenregeling heeft kunnen aansluiten. Zij betogen dat door het ontbreken van deugdelijke normen niet kan worden gehandhaafd. 52.
- De raad heeft voor de aanvaardbaarheid van lichtschittering voor de vaststelling van het plan aansluiting gezocht bij artikel 3.13, eerste lid, van de Activiteitenregeling. 52.
- De Afdeling ziet in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad bij de beoordeling van de mate van hinder door lichtschittering die hij in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar acht, niet in redelijkheid heeft kunnen aansluiten bij artikel 3.13, eerste lid, van de Activiteitenregeling. Vereniging Tegenwind en anderen hebben hun betoog in zoverre niet geconcretiseerd. Er is voorts geen aanleiding voor de conclusie dat met het plan niet aan deze bepaling kan worden voldaan. Vereniging Tegenwind en anderen hebben hun betoog dat de norm niet kan worden gehandhaafd evenmin onderbouwd. Het betoog faalt. Gevolgen voor de gezondheid door slagschaduw en lichtschittering
- Vereniging Tegenwind en anderen vrezen voor gevolgen voor de gezondheid vanwege hinder door slagschaduw en lichtschittering. 53.
- De raad stelt zich op het standpunt dat op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten voor directe effecten van de windturbines op de gezondheid geen bewijs is. De raad verwijst in dit verband naar de hiervoor onder 39 en volgende genoemde rapporten van het RIVM uit 2013 en 2017 en het Kennisbericht uit
- 53.
- Zoals de Afdeling onder 189.1 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer heeft overwogen, heeft het RIVM onderzoek verricht naar de gezondheidseffecten van windturbines, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van het RIVM uit
- De conclusies zijn bevestigd in het reeds genoemde Kennisbericht uit 2015 en het reeds genoemde rapport van het RIVM uit
- Daaruit volgt dat er geen bewijs bestaat voor directe gezondheidseffecten. De hinder van slagschaduw en lichthinder is daarbij betrokken. Vereniging Tegenwind en anderen hebben geen argumenten aangevoerd op grond waarvan in zoverre nu aan de bevindingen in de rapporten van het RIVM en het Kennisbericht moet worden getwijfeld. Het betoog faalt. OBSTAKELVERLICHTING
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat de raad ten onrechte niet heeft getoetst aan de richtlijnen van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (hierna: NSVV). Voorts brengen zij naar voren dat de visualisaties die aan de besluitvorming ten grondslag zijn gelegd de gevolgen van obstakelverlichting niet volledig in beeld brengen. Zij betogen daarnaast dat ten gevolge van de obstakelverlichting airglow of skyglow zal optreden. Voorts dient volgens hen de duisternis en het donkere landschap te worden beschermd, op grond van artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer. Zij betogen ten slotte dat door het ontbreken van deugdelijke normen over obstakelverlichting niet adequaat kan worden gehandhaafd. 54.
- In de plantoelichting staat dat de obstakelverlichting op de windturbines nodig is in verband met de luchtvaartveiligheid. Overeenkomstig de richtlijnen van de Inspectie Leefomgeving en Transport is een verlichtingsplan opgesteld, aldus de plantoelichting. Volgens de plantoelichting zullen de windturbines worden voorzien van witte, knipperende dagverlichting en rode, vastbrandende nachtverlichting. In de plantoelichting staat dat de lichtintensiteit afhankelijk van de zichtbaarheid kan worden gereduceerd. 54.
- Volgens de raad kan worden voldaan aan de richtlijnen van de NSVV voor het voorkomen van lichthinder. De raad heeft verder toegelicht dat de dagverlichting niet snel zal opvallen. De nachtverlichting zal zichtbaar zijn, maar leidt volgens de raad niet tot een merkbare toename van verlichting van de omgeving, vanwege de omstandigheid dat de lichtbron primair is gericht op het luchtruim, de afstand tot de woningen en de beperkte lichtsterkte. Het verschijnsel van skyglow zal zich daarom evenmin voordoen, aldus de raad. De Afdeling ziet in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om dit onjuist te achten. 54.
- Gelet op de plantoelichting en de toelichting van de raad is er geen aanleiding voor de conclusie dat de hinder ten gevolge van obstakelverlichting niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. Er is daarom grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van obstakelverlichting voor de luchtvaartveiligheid, dan aan het belang van omwonenden bij het gevrijwaard blijven van hinder. De gestelde omstandigheid dat de fotovisualisaties de gevolgen van obstakelverlichting niet voldoende inzichtelijk maken, maakt dat niet anders. Voorts valt niet in te zien dat zich strijd voordoet met de in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer opgenomen begripsomschrijvingen, los van de vraag of dit in het kader van de vaststelling van het plan ter beoordeling staat. Het betoog faalt. VEILIGHEID
- Vereniging Tegenwind en anderen en Vereniging Tegenwind vrezen dat het windpark gevolgen heeft voor de veiligheid. Handboek Risicozonering Windturbines
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat niet kan worden voldaan aan artikel 3.15a van het Activiteitenbesluit. Zij voeren daartoe aan dat de gevolgen voor de externe veiligheid zijn onderschat. Volgens hen heeft de raad bij het onderzoek naar de gevolgen voor de externe veiligheid geen gebruik mogen maken van het Handboek Risicozonering Windturbines (hierna: Handboek), omdat het Handboek is verouderd. Zij stellen dat het Handboek door exceptieve toetsing buiten toepassing moet worden gelaten of onverbindend worden verklaard. Zij verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar de notitie van NRG Risk Management Consultancy (hierna: NRG) van 13 april 2016, die is opgesteld over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Zij stellen dat door het toepassen van het Handboek bij het bepalen van de werpafstand ten onrechte geen rekening is gehouden met het zwaartepunt van het blad en evenmin met het verschijnsel convolutie. Verder is volgens hen het risico op een tipbreuk ten onrechte niet betrokken. Vereniging Tegenwind en anderen voeren daarnaast aan dat niet valt in te zien dat met een blad-pitching systeem een situatie van overtoeren kan worden voorkomen. Zij wijzen erop dat zich technische en softwaremankementen kunnen voordoen die niet worden beschreven in het Handboek. Ook wijzen zij op een incident dat zich langs de grens tussen Coevorden en Schoonebeek heeft voorgedaan waarbij brokstukken van een windturbine zich over een afstand van 1.200 m hebben verspreid, in Duitsland een windturbine is omgevallen omdat het systeem van blad-pitching niet werkte, een burgemeester in Duitsland een bouwstop van windturbines heeft gelast omdat een aantal rotorbladen waren afgebroken en een windturbine in Duitsland door blikseminslag in brand is gevlogen. Vereniging Tegenwind en anderen brengen naar voren dat volgens het RIVM sprake is van een reëel risico op een afstand van 600 m van windturbines. 56.
- In artikel 3.15a, eerste en tweede lid, van het Activiteitenbesluit, zijn risicocontouren voorgeschreven voor het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object onderscheidenlijk 10-5 per jaar voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object. In de plantoelichting staat dat bij het bepalen van de risicocontouren gebruik is gemaakt van uitgangspunten die in het Handboek, versie 3.1, zijn opgenomen. Anders dan Vereniging Tegenwind en anderen kennelijk menen, is het Handboek geen algemeen verbindend voorschrift dat alleen exceptief kan worden getoetst. De Afdeling zal hierna aan de hand van de beroepsgronden beoordelen of de raad gebruik heeft mogen maken van het Handboek bij het bepalen van het plaatsgebonden risico. 56.
- De Afdeling heeft in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer de door Vereniging Tegenwind en anderen overgelegde notitie van NRG betrokken. In die uitspraak heeft de Afdeling onder 163 geconcludeerd dat verweerders in die zaak zich voor het bepalen van de werpafstanden en het plaatsgebonden risico hebben mogen baseren op het in die zaak uitgevoerde onderzoek, voor zover daarbij was uitgegaan van de methodiek in het Handboek. Het aangevoerde gaf toen geen aanleiding voor de conclusie dat de risico’s voor de externe veiligheid daardoor waren onderschat. Daarbij is ingegaan op de door Vereniging Tegenwind en anderen genoemde aspecten van het betrekken van het zwaartepunt van het blad, het verschijnsel convolutie, tipbreuk en pitch control. Vereniging Tegenwind en anderen hebben in het kader van deze zaak geen concrete gegevens overgelegd op grond waarvan wat betreft deze aspecten tot een ander oordeel moet worden gekomen. Daarbij tekent de Afdeling aan dat de windturbines dienen te voldoen aan normen voor onderhoud, die in artikel 3.14 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen, waardoor defecten aan de windturbines, zoals slijtage, tijdig kunnen worden gesignaleerd, en aan normen voor veiligheid, die in artikel 3.14 van de Activiteitenregeling zijn gesteld, waardoor risico’s worden voorkomen dan wel zoveel mogelijk worden beperkt. De omstandigheid dat zich een incident met een windturbine heeft voorgedaan in de omgeving van het plangebied betekent niet dat bij de toepassing van de zogeheten pitch control, waarbij de rotorbladen in de meest gunstige positie worden geplaatst, de kans op een overtoerenscenario niet kan worden beperkt en evenmin dat de in artikel 3.14 van de Activiteitenregeling opgenomen normen tekort schieten. Ook de gestelde omstandigheid dat door het niet functioneren van dat systeem een windturbine in Duitsland is omgevallen, leidt niet tot die conclusie. In het artikel waar Vereniging Tegenwind en anderen in dit verband op wijzen staat overigens slechts dat de plaatselijke politie het vermoeden heeft dat het systeem van pitch control bij de desbetreffende windturbine in Duitsland niet heeft gewerkt. 56.
- De Afdeling ziet gelet op het voorgaande in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd daarom geen aanleiding voor de conclusie dat de gevolgen voor de externe veiligheid in het onderzoek zijn onderschat omdat voor het bepalen van het plaatsgebonden risico gebruik is gemaakt van de uitgangspunten in het Handboek. De raad heeft zich daarom in zoverre op het onderzoek mogen baseren. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad had moeten aansluiten bij de afstand van 600 m die volgens Vereniging Tegenwind en anderen door het RIVM wordt aanbevolen. Overigens zijn er geen woningen die zich op een afstand van minder dan 600 m tot de windturbines bevinden. Het betoog faalt. Vermogen
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat de gevolgen voor de veiligheid zijn onderschat omdat het Handboek is beperkt tot windturbines met een vermogen van maximaal 3 MW, terwijl het plan voorziet in windturbines met een vermogen van 3,6 MW. 57.
- In de plantoelichting staat dat de PR 10-5 contour 68 m is. Dat is gelijk aan de halve rotordiameter van de windturbine, zoals in het Handboek wordt aanbevolen voor deze contour. De PR 10-6 contour van 231 m is, zo staat in de plantoelichting, afgeleid van de generieke gegevens in het handboek voor een turbine die qua maatvoering en vermogen vergelijkbaar is met de turbines die het plan ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, van de planregels mogelijk maakt. Daarbij is, zo heeft de raad in het verweerschrift toegelicht, uitgegaan van een WT4000 turbine met een vermogen van 4 MW, die volgens de raad het beste aansluit bij de turbines die het plan toestaat en is uitgegaan van een worstcasescenario. Het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen geeft geen aanleiding voor de conclusie dat daarmee de risico’s voor de veiligheid zijn onderschat. Het betoog faalt. (Beperkt) kwetsbare objecten
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat de woningen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] zich binnen de PR 106 contour bevinden. Vereniging Tegenwind betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de woningen die zijn aangewezen als behorende tot de inrichting. 58.
- De Afdeling stelt op grond van de door de raad overgelegde kaart waarop de contouren voor het plaatsgebonden risico zijn aangegeven vast dat zich binnen de PR 10-5 en PR 10-6 contouren geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten bevinden. Er bevinden zich geen woningen binnen deze contouren. De betogen falen. Buisleidingen
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat zich strijd voordoet met artikel 11 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (hierna: Bevb). Zij stellen dat de windturbines bovengrondse en ondergrondse buisleidingen kunnen doen falen. Zij maken zich vooral zorgen over de gevolgen in verband met de bovengrondse leiding met nummer
- Volgens Vereniging Tegenwind en anderen heeft de NAM geen eenduidige cijfers over risico’s van windturbines voor het falen van de gasleidingen overgelegd. Daarom is volgens hen een kwantitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) vereist. Zij stellen dat er veel leidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen in het gebied aanwezig zijn. 59.
- Artikel 11 van het Bevb luidt: "
- Bij de vaststelling van een bestemmingplan, op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, wordt een grenswaarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten.
- Bij de vaststelling van een bestemmingsplan op grond waarvan de aanleg van een buisleiding of de aanleg, bouw of vestiging van een beperkt kwetsbaar object bij een buisleiding wordt toegelaten, wordt rekening gehouden met een richtwaarde van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor beperkt kwetsbare objecten.
- Met betrekking tot de vaststelling van een bestemmingsplan op grond waarvan de aanleg, bouw of vestiging van een risicoverhogend object wordt toegelaten in de directe omgeving van de buisleiding zijn het eerste en tweede lid van overeenkomstige toepassing." 59.
- Voor het beoordelen van de indirecte risico’s in verband met de aanwezigheid van een winlocatie en een bovengrondse aardgastransportleiding van de NAM, met leidingnummer 58349, in de omgeving van het windpark is onderzoek uitgevoerd waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een memo van Anteagroup van 7 juni
- Deze memo is als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. In het onderzoek is aangesloten bij het Handboek. Voor bovengrondse buisleidingen wordt in het Handboek geadviseerd de afstand aan te houden die overeenkomt met de maximale werpafstand bij overtoeren. Indien aan deze afstandseis wordt voldaan, is geen QRA nodig, zo staat in het Handboek. De werpafstand in een overtoerenscenario is volgens de memo maximaal 338 m. Omdat de winlocatie en de aardgastransportleiding zich op een afstand van ongeveer 440 m tot de meest dichtbij zijnde windturbine van het windpark bevinden, wordt voldaan aan het Bevb, aldus de memo. 59.
- De Afdeling ziet in hetgeen Vereniging Tegenwind en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding om een grotere afstand aan te houden of een QRA op te stellen op grond van door de NAM over te leggen gegevens over de risico’s. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad heeft verklaard dat de resultaten van de memo aan de NAM zijn voorgelegd. Vereniging Tegenwind en anderen hebben hun stelling die ertoe strekt dat zich leidingen in het gebied bevinden waarmee geen rekening zou zijn gehouden, niet geconcretiseerd. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de raad zich in zoverre niet op de conclusie uit de memo van Anteagroup heeft mogen baseren. Het betoog faalt. IJsafzetting
- Vereniging Tegenwind en anderen betogen dat zich onaanvaardbare gevolgen zullen voordoen door ijsafzetting. Zij betwijfelen of met een ijsdetectiesysteem is gewaarborgd dat bij ijsafzetting tot het stil zetten van de windturbine wordt overgegaan. Zij stellen ook dat een dergelijk systeem niet functioneert. 60.
- De raad heeft naar voren gebracht dat de omstandigheden waarbij ijsvorming kan optreden maar beperkt voorkomen. Voorts zijn de windturbines gesitueerd in open agrarisch gebied, op grote afstand van bebouwing, zo stelt de raad. De raad wijst er daarnaast op dat in de winter, wanneer ijsvorming zich kan voordoen, slechts beperkt gebruik zal worden gemaakt van de agrarische percelen. 60.
- Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het risico op ongevallen door ijsafwerping dusdanig klein is dat niet gesproken kan worden van onaanvaardbare gevolgen voor de veiligheid. De raad heeft zich daarom ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is om in verband met het voorkomen van ijsafzetting een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen, voor zover het betoog van Vereniging Tegenwind en anderen zo moet worden begrepen. Overigens zullen, zo staat in het verweerschrift en volgt ook uit de omgevingsvergunningen, de windturbines worden voorzien van een ijsdetectiesysteem. De enkele niet nader onderbouwde stelling van Vereniging Tegenwind en anderen dat een dergelijk systeem niet functioneert, geeft geen aanleiding voor de conclusie dat de eventuele risico’s op ijsafzetting daarmee niet kunnen worden beperkt. Het betoog faalt. Traumahelikopters
- Vereniging Tegenwind en anderen stellen dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van beperkingen die traumahelikopters zullen ondervinden van de windturbines. Volgens hen had hierover advies moeten worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Drenthe en Groningen. Zij wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:
- 61.
- De raad wijst erop dat de afstand tussen de windturbines zodanig is dat traumahelikopters daar tussendoor kunnen vliegen, dat traumahelikopters geschikt zijn om te manoeuvreren in een dichtbebouwd gebied en dat de windturbines zijn voorzien van obstakelverlichting. 61.
- Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich daarom op het standpunt mogen stellen dat er geen onaanvaardbare gevolgen zullen ontstaan voor traumahelikopters en dat een advies van de Veiligheidsregio daarover niet nodig is. De stelling van Vereniging Tegenwind en anderen dat uit de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2266, volgt dat een advies van de veiligheidsregio in dit geval nodig is, berust op een onjuiste lezing van die uitspraak, zoals de Afdeling ook heeft overwogen onder 174.1 in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Het betoog faalt. Seismische activiteit en vernatting van de bodem
- Vereniging Tegenwind en anderen vrezen voor gevolgen voor de veiligheid in verband met omvallende windturbines door seismische activiteiten. Zij wijzen erop dat zich in het verleden een aantal aardbevingen heeft voorgedaan in het plangebied en recent nog in Emmen. Zij vrezen dat de oliewinning in Schoonebeek, op een afstand van ongeveer 5 km van het plangebied, zal zorgen voor een toename van aardbevingen. Daarnaast brengen zij naar voren dat door vernatting van de bodem de kans bestaat dat de windturbines scheef gaan staan of om zullen vallen. 62.
- De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de raad zich vanwege eventuele aardbevingen of de door Vereniging Tegenwind en anderen gestelde vernatting van de bodem niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat gevolgen voor de veiligheid voor omwonenden aanvaardbaar zijn. Daarbij betrekt de Afdelin
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.