201709371/1/A1. Datum uitspraak: 17 oktober 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Kamperland, gemeente Noord-Beveland, handelend onder de naam [bedrijf], tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2017 in zaak nr. 17/3247 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Infrastructuur en Milieu (thans: Infrastructuur en Waterstaat) Procesverloop Bij besluit van 24 oktober 2016 heeft de minister aan [appellant] een watervergunning verleend voor het plaatsen en behouden van een paviljoen met bijbehorende werken op de [locatie] in Noord-Beveland. Daarbij is bepaald dat de vergunning geldt tot 31 december 2030. Bij besluit van 14 maart 2017 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de vergunning voor onbepaalde tijd verleend. Bij uitspraak van 25 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] en de minister hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 juli 2018, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. W.E. van Haveren, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] exploiteert de horecagelegenheid [horecagelegenheid], dat is gelegen op de waterkering [locatie]. De verleende vergunning is een vergunning onder voorschriften als bedoeld in artikel 6.5, aanhef en onder c, van de Waterwet in samenhang met artikel 6.14 van het Waterbesluit. De vergunning vervangt de vergunning van 19 juni 2009 en strekt tot het plaatsen en behouden van het paviljoen met bijbehorende werken. [appellant] keert zich tegen vergunningvoorschrift 4, waarin is bepaald dat het paviljoen uitsluitend in de periode van 1 maart tot 1 november aanwezig mag zijn. Hij wenst een vergunning voor een zogeheten jaarrond exploitatie. De minister heeft de weigering om een vergunning te verlenen voor een jaarrond exploitatie gebaseerd op zijn beleid dat is neergelegd in de "Beleidslijn kust" van september 2007. De rechtbank heeft geoordeeld dat dit beleid niet kennelijk onredelijk is en dat de minister het beleid juist heeft toegepast. 2. Artikel 6.14, eerste lid, van het Waterbesluit luidt: "Het is verboden zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister als bedoeld in artikel 6.5 van de wet gebruik te maken van waterkeringen in beheer bij het Rijk of van een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen." Artikel 6.21 van de Waterwet luidt: "Een vergunning wordt geweigerd, voor zover verlening daarvan niet verenigbaar is met de doelstellingen in artikel 2.1 of de belangen, bedoeld in artikel 6.11." Artikel 2.1 luidt: "1. De toepassing van deze wet is gericht op: a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. 2. De toepassing van deze wet is mede gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald." Vergunningvoorschrift 4 luidt: "Alle werken, met uitzondering van de stelconplaten, de tegelverharding, het windscherm en de schelpenstroken, mogen uitsluitend seizoensgebonden aanwezig zijn, en wel in de periode van 1 maart tot 1 november." 3. Voor zover [appellant] ter zitting heeft gewezen op een in oktober 2017 ingezette beleidswijziging, merkt de Afdeling op dat het besluit van de minister moet worden getoetst aan de ten tijde van het nemen van dat besluit geldende regelgeving en beleid. In zoverre kan met de beleidswijziging geen rekening worden gehouden. 4. [appellant] betoogt dat de minister de vergunningaanvraag niet integraal aan de Beleidslijn kust had mogen toetsen. Het paviljoen is in het bestemmingsplan "Landelijk gebied 2013" positief bestemd voor een jaarrond exploitatie. De minister heeft over die bestemming in het voorontwerp-bestemmingsplan geen opmerkingen gemaakt. Aangezien de Beleidslijn kust ook wordt gehanteerd als toetsingskader bij planologische beslissingen kon de minister de vergunningaanvraag niet opnieuw toetsen aan de algemene criteria van de Beleidslijn kust, doch slechts aan de nadere voorwaarden, waarbij het met name gaat om de bouwtechnische en civieltechnische eisen, aldus [appellant]. 4.1. Dit betoog faalt. De vaststelling van een bestemmingsplan kent een eigen, op de Wet ruimtelijke ordening gebaseerd toetsingskader, dat verschilt van het toetsingskader dat in artikel 2.1 van de Waterwet is voorgeschreven voor het verlenen van watervergunningen. De omstandigheid dat de minister geen opmerkingen heeft gemaakt over de bestemming die een jaarrond exploitatie van het paviljoen toestaat, doet niet af aan de zelfstandige beoordeling van de minister van de vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet op grond van de daarvoor geldende toetsingscriteria. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de vergunningaanvraag niet mocht toetsen aan de algemene criteria van de Beleidslijn kust. 5. Volgens de Beleidslijn kust geldt voor een initiatief dat in een onbebouwd gebied ligt het 'nee, tenzij-principe'. Het bevoegd gezag kan medewerking verlenen aan ingrepen bij:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.