(2009)van het Faunafonds dit voorschrijft. Er dient ten minste één visueel middel en één akoestisch middel in voldoende mate te worden ingezet. Het geweer wordt als akoestisch middel beschouwd." Het Faunafonds geeft verschillende methoden voor verjaging. Afschot is een van de methoden die het Faunafonds noemt. In de Handreiking faunaschade van het Faunafonds wordt nader op de verschillende vormen van preventieve maatregelen ingegaan. Op pagina 17 staat: "Een probleem bij schadepreventie is dat diersoorten kunnen wennen aan maatregelen. Dit geldt zowel voor de visuele middelen als vogelverschrikkers en vlaggen, als voor knalapparaten en geurstoffen. Het is daarom van groot belang dat middelen afwisselend en door elkaar worden toegepast. Visuele middelen dienen voor een optimale werking regelmatig verplaatst te worden en bij voorkeur worden gecombineerd met akoestische middelen of zelf regelmatig het veld inlopen om te verjagen. In bepaalde gevallen kan afschot van één of enkele dieren, als aanvulling op verjagingsmiddelen, de schrik er in houden. Over het algemeen kan gesteld worden dat hoe afwisselender en onvoorspelbaarder middelen worden ingezet, hoe hoger de effectiviteit." Op pagina 34 staat: "Er zijn ook diersoorten die vanuit de wijde omgeving, soms in grote aantallen, op bepaalde landbouwpercelen of -gewassen trekken. Regulering van de stand draagt bij deze soorten nauwelijks bij aan de beperking of voorkoming van de schade. Op het moment dat de schade optreedt zal de plaatselijke jachthouder (in opdracht van de grondgebruiker) de schade kunnen beperken door verjaging door middel van ondersteunend afschot. Zo zal in veel gevallen het afschieten van een beperkt aantal schadeveroorzakende individuen op een schadeperceel voldoende zijn om de schade te beperken of te voorkomen.". In het faunabeheerplan 2012-2017 staat: "In oktober 2009 heeft het Faunafonds de Handreiking Faunaschade uitgebracht. In de Handreiking worden de verschillende preventieve middelen beschreven en de werking toegelicht. Aan bod komen onder andere visuele en akoestische middelen zoals vogelverschrikkers en knalapparaten, het gebruik van geur- en smaakstoffen en afscherming door bijvoorbeeld rasters. In de ontheffing die aan de Faunabeheereenheid is verleend schrijft de provincie voor dat voordat tot afschot mag worden overgaan preventieve middelen worden ingezet." In het faunabeheerplan Roek 2017-2023 staat in hoofdstuk 6: "Er bestaat een reeks van middelen waarmee men kan proberen vogels bij een gewas weg te houden of ervandaan te jagen. Deze preventieve middelen en maatregelen van akoestische en visuele aard kennen het nadeel, dat dieren aan deze middelen wennen en ervaren dat er geen werkelijke dreiging van uitgaat. Hoewel er middelen zijn die enige tijd goed werken, vragen ze erom dat ze permanent worden verplaatst en afgewisseld zodat gewenning zoveel mogelijk wordt voorkomen. Veelal werken ze te kort om het gewas in de kwetsbare periode zodanig te beschermen dat de schade voor de grondgebruiker enigszins acceptabel wordt. Deze gewenning treedt minder op bij de inzet van jachtvogels. Aan het gebruik van preventieve middelen en dan met name de akoestische, kleven ook nadelen. Kan de grondgebruiker vrede hebben met een gaskanon dat de hele dag staat te knallen, niet iedere omwonende is gelukkig met zo’n apparaat. Daar komt bij dat Zuid-Holland nog een reeks van geregistreerde eendenkooien kent. Binnen de afpalingskring moet de rust worden bewaard. […] Het gebruik van gaskanonnen kan ook permanente verstoring van andere diersoorten inhouden. Lasertechniek staat nog in de kinderschoenen. […] de veiligheid van laser voor mens en dier alsmede het effect ten aanzien van andere dieren […] zijn nog onbekend. De lasertechniek is ter preventie van roekenschade overigens van weinig nut. Dit omdat de stralen bij hoge gewassen en in boomgaarden te veel worden gereflecteerd. Daarom moet soms worden teruggegrepen naar afschot ter ondersteuning van verjaging. Door enkele dieren te doden wordt de overige dieren enige tijd ingeprent, dat er ter plaatse wezenlijk gevaar dreigt. In diverse publicaties betreffende van roeken verschillende schadeveroorzakende vogels wordt gemeld dat deze methode het meest effectief wordt geacht. Bij in groepen foeragerende diersoorten als de roek heeft afschot een nog beter effect. Ontstaat er trek op een perceel met kwetsbaar gewas, dan moet men ook vanwege het door de roek groepsgewijs foerageren snel kunnen optreden om de schade te beperken." 8.
- Het college heeft met de verwijzing naar de Handreiking faunaschade en de nadere toelichting in het faunabeheerplan Roek 2017-2023 voldoende onderbouwd waarom aanvullend afschot noodzakelijk is bij verjaging van roeken en daarvoor een efficiënt middel is. De hoogte van de schade is niet een doorslaggevend gegeven voor de vraag of afschot efficiënt is. De hoogte van de schade kan door meerdere oorzaken hoger of lager uitvallen. Afschot is slechts een van de factoren die daarop van invloed kunnen zijn. Het betoog van Faunabescherming faalt.
- NMF betoogt dat de ontheffing onvoldoende specifiek is over de middelen, installaties of methoden die mogen worden aangewend. Zij stelt dat op grond van artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn lidstaten moeten vermelden welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, onder welke voorwaarden afwijkende maatregelen mogen worden genomen en welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend. In de ontheffing moet daarom worden bepaald welke van de wettelijk toegestane middelen mogen worden aangewend voor het doden van roeken, aldus NMF. 9.
- Onder II van de ontheffing is besloten dat het doden is toegestaan met alle wettelijke middelen zoals vermeld in artikel 5 van het Bbsd. 9.
- Artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, c en d, van de Vogelrichtlijn verplicht de lidstaten tot het in de afwijkende bepalingen vermelden welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen en welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen. Artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn strekt niet tot het opnemen van de daarin genoemde vereisten in de ontheffing zelf, maar tot het in de bepalingen, die de ontheffing mogelijk maken, vastleggen van deze vereisten. Artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c en artikel 72 van de Ffw in combinatie met het Bbsd zijn de implementatie van artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. In artikel 5 van het Bbsd zijn de middelen opgenomen. NMF heeft niet onderbouwd waarom de Ffw en het Bbsd niet aan artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn voldoen. Het betoog van NMF faalt. Conclusie
- Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover het besluit van het college van 14 april 2016 en het besluit van het college van 12 juni 2017 om ontheffing te verlenen om roeken te doden op percelen met fruit in de werkgebieden van WBE Alblasserwaard-Oost, inclusief WBE Tielerwaard-West, WBE Vijfheerenlanden en WBE De Hoeksche Waard en op percelen met maïs in het werkgebied van WBE Alblasserwaard-Oost, inclusief WBE Tielerwaard-West, zijn vernietigd.
- Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 september 2017 in zaken nrs. 16/3826 en 16/4946, voor zover de rechtbank het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14 april 2016 en het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 12 juni 2017 om ontheffing te verlenen om roeken te doden op percelen met fruit in de werkgebieden van WBE Alblasserwaard-Oost, inclusief WBE Tielerwaard-West, WBE Vijfheerenlanden en WBE De Hoeksche Waarden en op percelen met maïs in het werkgebied van WBE Alblasserwaard-Oost, inclusief WBE Tielerwaard-West, heeft vernietigd; III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan Stichting Faunabeheereenheid Zuid-Holland het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier. w.g. Borman w.g. Rietberg voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018
- Bijlage Vogelrichtlijn Artikel 1
- Deze richtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van toepassing is. Zij betreft de bescherming, het beheer en de regulering van deze soorten en stelt regels voor de exploitatie daarvan. Artikel 9
- De lidstaten mogen, indien er geen andere bevredigende oplossing bestaat, om onderstaande redenen afwijken van de artikelen 5, 6, 7 en 8: a. - in het belang van de volksgezondheid en openbare veiligheid, - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer, - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren, - ter bescherming van flora en fauna; […]
- In de afwijkende bepalingen moet worden vermeld: a. voor welke soorten mag worden afgeweken, b. welke middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden zijn toegestaan, c. onder welke voorwaarden met betrekking tot het risico en onder welke omstandigheden van tijd en van plaats deze afwijkende maatregelen mogen worden genomen, d. welke autoriteit bevoegd is te verklaren dat aan die voorwaarden is voldaan, en te beslissen welke middelen, installaties of methoden mogen worden aangewend, binnen welke grenzen en door welke personen, e. welke controles zullen worden uitgevoerd. Ffw Artikel 4 (vervallen per 01-01-2017)
- Als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt: a. [...] b. alle van nature op het Europese grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde vogels behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten; [...] Artikel 9 (vervallen per 01-01-2017) Het is verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Artikel 68 (vervallen per 01-01-2017)
- Wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat en indien geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort, kunnen gedeputeerde staten, voorzover niet bij of krachtens enig ander artikel van deze wet vrijstelling is of kan worden verleend, ten aanzien van beschermde inheemse diersoorten, het Faunafonds gehoord, ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9 tot en met 15, 15a, 15b, tweede lid in samenhang met het eerste lid, 16, 17, 18, 53, eerste lid, onderdelen c en d, 72, vijfde lid, en 74: […] c. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren; Artikel 72 (vervallen per 01-01-2017)
- Bij algemene maatregel van bestuur worden, voorzover noodzakelijk in afwijking van artikel 15, de middelen aangewezen waarmee, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 65 tot en met 70, dieren mogen worden gevangen of gedood. Als middelen worden slechts aangewezen middelen die geen onnodig lijden van dieren veroorzaken.
- Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, worden tevens de middelen aangewezen waarmede de zwarte rat, de bruine rat en de huismuis mogen worden bestreden. Naast middelen als bedoeld in het eerste lid zijn tevens toegelaten middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten.
- Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, worden regels gesteld met betrekking tot het gebruik van de in het eerste en tweede lid bedoelde middelen. Deze regels betreffen in ieder geval: a. de soorten waarop de middelen betrekking hebben; b. de afmetingen van de gronden waarop de middelen gebruikt mogen worden en c. de vaardigheden waarover bij het gebruik van de middelen beschikt moet worden.
- Bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kan tevens worden bepaald dat het gebruik van middelen afhankelijk kan worden gesteld van de toestemming daartoe van gedeputeerde staten.
- Het is verboden dieren te vangen of te doden met andere dan de in het eerste of tweede lid bedoelde middelen of in strijd met de toestemming, bedoeld in het vierde lid of de regels die op grond van het derde lid worden gesteld.
- Voorzover het bij of krachtens het eerste tot en met het derde lid is toegestaan gebruik te maken van het geweer, is het bepaalde bij of krachtens de artikelen 54 en 55 van overeenkomstige toepassing. Bbsd (vervallen per 01-01-2017) Artikel 5
- Onverminderd artikel 50 van de wet, zijn als middelen als bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de wet waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood aangewezen: a. geweren; b. honden, niet zijnde lange honden; c. jachtvogels; d. fretten; e. kastvallen; f. vangkooien; g. klemmen, niet zijnde pootklemmen; h. buidels; i. lokvogels, mits niet blind of verminkt; j. kunstmatige lichtbronnen; k. middelen die krachtens de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn toegelaten of vrijgesteld, en l. rodenators. […]
- De middelen, genoemd in het eerste lid, onderdelen e, f en j, mogen niet worden gebruikt voor het doden of vangen van: a. vogels als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet, en b. dieren die behoren tot de soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, of in bijlage V, onderdeel a, bij richtlijn 92/43/EEG. Wnb Artikel 1.1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: […] gunstige staat van instandhouding van een soort: staat van instandhouding van een soort waarvoor geldt dat: a. uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en b. het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en c. er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden; Artikel 3.1
- Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Artikel 3.3
- Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 of artikel 3.2, zesde lid, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. […]
- Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: […] 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; […] c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Artikel 3.17
- Ten behoeve van de beperking van de omvang van een populatie van vogels als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, of van dieren van soorten als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, verlenen gedeputeerde staten ontheffing als bedoeld artikel 3.3, eerste, vierde en vijfde lid, 3.4, tweede lid, 3.8, eerste en vijfde lid, 3.9, tweede lid, of 3.10, tweede lid, in samenhang met artikel 3.8, tweede lid, indien deze beperking nodig is: a. ingeval van vogels: […] 3°. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren, of […] Artikel 9.5 […]
- Ontheffingen als bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Flora- en faunawet gelden als ontheffingen als bedoeld in 3.17, eerste lid. Artikel 9.10 […]
- Beroepszaken, gericht tegen besluiten krachtens de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet of de Boswet die zijn bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden behandeld en beslist overeenkomstig de bepalingen van die desbetreffende wetten.