(2009). In de VNG-brochure wordt een recreatiebedrijf aangemerkt als een bedrijf in categorie 3.1. De VNG-brochure houdt rekening met de mogelijkheid dat een concreet bedrijf op basis van de daadwerkelijke hinder ervan gelijk kan worden gesteld met een bedrijf in een lagere milieucategorie. Bij dit uitgangspunt kan - naar de raad terecht heeft gesteld - in het kader van de toetsing aan artikel 6.10, eerste lid, onder d, van de Verordening worden aangesloten. De voorzieningenrechter is er echter niet van overtuigd dat, zoals de raad in de toelichting heeft vermeld, het recreatiebedrijf aan de Kwaalburg 23 vergelijkbaar zal zijn met een bedrijf in milieucategorie 2, reeds omdat geen sprake zal zijn van een ontoelaatbare geluidsbelasting in de omgeving. De voorzieningenrechter acht voorshands onvoldoende onderbouwd dat de ruimtelijke uitstraling van het beoogde recreatiebedrijf zodanig anders is dan die van recreatiebedrijven waarvan in de VNG-brochure wordt uitgegaan, dat het daarmee vergelijkbaar zal zijn met een bedrijf in milieucategorie 2. Daarbij wordt tevens betrokken dat de planregels het mogelijk maken dat het pluimveebedrijf ter plaatse tot 1 januari 2026 mag worden geëxploiteerd, en dat die omstandigheid ook moet worden betrokken bij de beoordeling of wordt voldaan aan artikel 6.10, eerste lid, onder d van de verordening. Gelet op het voorgaande staat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet vast dat artikel 6.10, eerste lid, onder d, van de Verordening niet in de weg staat aan de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling. 7. [verzoeker] en de BMF richten zich voorts tegen een aantal in het plan opgenomen planregels, waaronder de bepalingen met betrekking tot de lengte van de termijn van beëindiging van de pluimveehouderij en de daarmee samenhangende bepalingen over de omvang van de bestaande bedrijfsbebouwing die na die beëindiging is toegestaan. Zij hebben in dat verband onder meer aangevoerd dat de termijn voor voortzetting van de pluimveehouderij te lang is, waardoor gedurende een te lange periode sprake zal kunnen zijn van een dubbele milieubelasting en de initiatiefnemer in die periode niet meer zal investeren in milieuvriendelijker en emissiearmere stalsystemen. Zij achten de bepalingen ondeugdelijk en niet handhaafbaar. 7.1. In artikel 4.4, lid 4.4.2, van de planregels is bepaald dat het na 1 januari 2026 verboden is vee te houden, anders dan ter ondersteuning van het recreatiebedrijf. In het van de bestemmingsomschrijving deel uitmakende artikel 4.1, onder a, b en c, is bepaald (
- a)dat de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd zijn voor een recreatiebedrijf in de vorm van een landschapscamping met bijbehorende voorzieningen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - landschapscamping', (
- b)de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen in gebruik ten behoeve van het recreatiebedrijf niet meer mag bedragen dan 1.000 m² (excl. vakantieverblijven en bedrijfswoning), en (
- c)dat in afwijking daarvan, na beëindiging van de pluimveehouderij, de bestaande bebouwing boven 1.000 m², aanwezig op het moment van vaststellen van het plan, behouden mag blijven ten behoeve van het recreatiebedrijf, wanneer het bevoegd gezag, naar aanleiding van het advies van een door hen aangewezen externe onafhankelijke deskundige, besluit dat deze bebouwing noodzakelijk is ten behoeve van een bedrijfseconomisch toegevoegde waarde voor het recreatiebedrijf. Artikel 4.4, lid 4.4.3, bevat onder de benaming voorwaardelijke verplichting een regeling, erop neerkomende dat, indien geen besluit als in de vorige volzin bedoeld is genomen, een gebruik van het perceel voor wat betreft de landschapscamping slechts is toegestaan, als de oppervlakte aan bedrijfsbebouwing binnen 12 maanden na dat besluit teruggebracht wordt tot 1.000 m². 7.2. De vraag of de in het plan opgenomen constructie van de beëindiging in 2026 van de pluimveehouderij en de daarmee samenhangende planregels zich verdragen met de Wro en het beginsel van de rechtszekerheid, leent zich niet voor beantwoording in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure. De voorzieningenrechter betwijfelt in ieder geval of de in de bestemmingsomschrijving van artikel 4.1, onder c, van de planregels opgenomen bevoegdheid van het bevoegd gezag om te besluiten of na beëindiging van de pluimveehouderij een oppervlakte aan bedrijfsbebouwing van meer dan 1.000 m² noodzakelijk is ten behoeve van een bedrijfseconomisch toegevoegde waarde voor het recreatiebedrijf, in de bodemprocedure stand zal houden. De voorzieningenrechter wijst er in dit verband op dat, naar de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 23 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3971), het opnemen van een nader afwegingsmoment voor wat betreft de in een bestemmingsplan opgenomen bouw- en gebruiksmogelijkheden in beginsel niet aanvaardbaar is, omdat de ruimtelijke gevolgen daarvan bij de planvaststelling moeten zijn beoordeeld en aanvaardbaar geacht. Voorts valt uit artikel 4.1, onder a, b en c af te leiden dat een gebruik van het perceel als landschapscamping en een gebruik van maximaal 1.000 m² van de bestaande bedrijfsgebouwen ervan ten behoeve daarvan zonder meer zijn toegestaan, terwijl uit artikel 4.4, lid 4.4.3, valt af te leiden dat een gebruik van het perceel als landschapscamping slechts is toegestaan als de oppervlakte van de bestaande bedrijfsgebouwen wordt teruggebracht tot 1.000 m², hetgeen tot een rechtsonzekere situatie leidt. De voorzieningenrechter betwijfelt dan ook of het plan ook op deze onderdelen de toets der kritiek in de bodemprocedure zal kunnen doorstaan. 8. Gelet op het voorgaande en de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als het plan in werking treedt, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om bij wijze van voorlopige voorziening het bestreden besluit te schorsen. Daarbij ziet de voorzieningenrechter in de omstandigheden van dit geval aanleiding om de behandeling van de bodemzaak te bespoedigen. De overige gronden van [verzoeker] en de BMF behoeven thans geen bespreking meer. 9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Alphen-Chaam van 15 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kwaalburg 23 te Alphen"; II. veroordeelt de raad van de gemeente Alphen-Chaam tot vergoeding van bij [verzoeker] en Stichting Brabantse Milieufederatie in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van 1037,17 (zegge: duizendzevenendertig euro en zeventien cent), waarvan € 1.002,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; III. gelast dat de raad van de gemeente Alphen-Chaam aan [verzoeker] en Stichting Brabantse Milieufederatie het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier. w.g. Hoekstra w.g. Zijlstra voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 2 november 2018 240.