201602007/2/R1. Datum uitspraak: 28 november 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend te Eijsden, gemeente Eijsden-Margraten, en de raad van de gemeente Eijsden-Margraten, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2091, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zesentwintig weken na de verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 2 februari 2016, waarbij de raad het bestemmingsplan "[locatie] te Eijsden" heeft vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht. Bij beschikking van 1 december 2017, in zaak nr. 201602007/3/R1, heeft de Afdeling de bij de tussenuitspraak gestelde termijn verlengd tot 1 maart 2018. Bij brief van 27 februari 2018 heeft de raad medegedeeld dat bij besluit van 20 februari 2018 het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld teneinde de gebreken die in de tussenuitspraak zijn geconstateerd te herstellen. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een reactie ingediend naar aanleiding van de zienswijze van [appellant]. Vervolgens heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de StAB) desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [appellant], [belanghebbende] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. De Afdeling heeft de zaak tijdens een nadere zitting behandeld op 8 augustus 2018, waar [appellant], bijgestaan door mr. P.M.E.P.J. Joosten, rechtsbijstandverlener te Roermond, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Schrijnemaekers, advocaat te Eindhoven, en ing. H. Luth en ir. R.J.P. Henderickx, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door [gemachtigde], gehoord. Overwegingen Het beroep tegen het besluit van 2 februari 2016 1. Het bij besluit van 2 februari 2016 vastgestelde plan voorziet in maximaal vier woningen op het perceel van [belanghebbende] aan de [locatie] te Eijsden. In het verleden was hier een melkveehouderij aanwezig. Deze is in 2009 verplaatst naar de Leentjesweg ongenummerd te Eijsden. [appellant] exploiteert buiten het plangebied een fruitteeltbedrijf met een totaal areaal van ruim 10 hectare fruitboomgaard. Ten westen van het plangebied heeft [appellant] grond in eigendom met daarop fruitbomen. Het betreft in overwegende mate laagstambomen met een hoogte van ongeveer 4 m. In het bij besluit van 2 februari 2016 vastgestelde plan zijn onder meer gronden met de bestemming "Groen" opgenomen die fungeren als beschermingszone tussen de voorziene woningen en het fruitteeltbedrijf van [appellant]. Hier is voorzien in een aarden wal van 1 m hoog met daarop een zogenoemde dubbele windhaag van 3 m hoog. Deze dubbele windhaag bestaat uit twee op een afstand van 5 m van elkaar gelegen gaashekwerken van 3 m hoog, waarlangs hedera ofwel klimop wordt aangeplant. Hiermee is sprake van een ook in de winter groenblijvende haag. [appellant] vreest - ondanks deze beschermingszone - te worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van eventuele klachten van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen over zijn bedrijf. Daarbij voert [appellant] met name aan dat hij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, waardoor bij de toekomstige bewoners van de woningen blootstelling aan drift - ofwel nevel - van bespuitingen kan optreden. Dit is te meer aan de orde gezien de korte afstand van de voorziene woningen met bijgebouwen en tuinen ten opzichte van zijn fruitteeltbedrijf, aldus [appellant]. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangehouden afstand van 16,5 m tussen het fruitteeltbedrijf van [appellant] en de voorziene woningen met bijgebouwen en tuinen in dit geval aanvaardbaar is. De raad heeft daartoe verwezen naar het rapport "Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen" van maart 2015 van Plant Research International, onderdeel van Wageningen UR Business Unit Agrosysteemkunde (hierna: het PRI-rapport), het rapport "[locatie] in Eijsden, Locatiespecifiek onderzoek spuitzone" van 1 augustus 2016 van SPA ingenieurs (hierna: SPA-rapport) en het rapport "Aanvullend onderzoek spuitzone [locatie] in Eijsden" van 20 december 2016 van SPA-WNP ingenieurs (hierna: het SPA-WNP-rapport). De StAB heeft - voorafgaand aan de tussenuitspraak - tweemaal een deskundigenbericht uitgebracht. In het eerste deskundigenbericht is ingegaan op de bruikbaarheid van het PRI-rapport. In het tweede deskundigenbericht is ingegaan op het SPA-rapport en het SPA-WNP-rapport. 2. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat de raad als uitgangspunt een afstand van 50 m hanteert tussen gevoelige objecten en terreinen waar het planologisch mogelijk is om open fruitteelten te realiseren. De Afdeling heeft vervolgens, met verwijzing naar haar uitspraak van 23 september 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ8308, opgemerkt dat toepassing van een vuistregel van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid in de fruitsector waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt in het algemeen niet onredelijk is en ook dat vermindering van de afstand van 50 m aanvaardbaar kan zijn vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval en na afweging van alle betrokken belangen. De Afdeling heeft vervolgens in de tussenuitspraak overwogen dat de verwijzing van de raad naar het PRI-rapport niet kan worden aangemerkt als een deugdelijke motivering voor de in dit geval aanzienlijke verkleining van de afstand van 50 m die als vuistregel geldt. Hierbij is van belang geacht dat in het eerste deskundigenbericht is geconcludeerd dat het PRI-rapport onvoldoende deugdelijke grondslag biedt voor een locatiespecifiek onderzoek, welke bevinding de raad niet gemotiveerd heeft weersproken. De Afdeling is in de tussenuitspraak tot het oordeel gekomen dat de raad ook met zijn verwijzing naar het SPA-rapport en het SPA-WNP- rapport geen deugdelijke motivering heeft gegeven voor de aanzienlijke verkleining van de genoemde afstand van 50 m. In dat kader heeft de Afdeling onder meer opgemerkt dat er bij de berekeningen in het SPA-rapport en het SPA-WNP-rapport is uitgegaan van een driftreductie van 97%, welke aanname is gebaseerd op een onderzoek dat betrekking had op een elzenhaag in een situatie met fruitbomen waarbij de elzenhaag significant hoger was dan de fruitbomen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak overwogen dat uit zowel het eerste als tweede deskundigenbericht naar voren komt dat die situatie in meerdere opzichten verschilt van de thans aan de orde zijnde situatie. In de eerste plaats is in dit geval de op een aarden wal staande dubbele windhaag niet hoger, maar gelijk aan de hoogte van de fruitbomen. In de tweede plaats is in dit geval geen sprake van een elzenhaag, maar van hedera. 3. Verder is de Afdeling in de tussenuitspraak ingegaan op het betoog van [appellant] dat in het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 3 maart 2015 staat dat het vastgestelde bestemmingsplan een maximale termijn van realisatie van de woningen dient te bevatten van vijf jaar na de vaststelling van het bestemmingsplan. 3.1. In dit kader is in de tussenuitspraak verwezen naar artikel 2.4.1, van de Omgevingsverordening Limburg 2014, waarin het volgende is vermeld: "[…] Artikel 2.4.2 Nieuwe woningbouw 1. Een ruimtelijk plan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg voorziet niet in de toevoeging van nieuwe woningen aan de bestaande planvoorraad. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. nieuwe woningen die voldoen aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde 'Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg'; […]". In de beleidsregel "Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg" staat het volgende: "De Omgevingsverordening Limburg 2014, paragraaf 2.4, Wonen Zuid-Limburg is niet van toepassing indien: […]; C. naar het oordeel van het college van gedeputeerde staten wegens bijzondere omstandigheden de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de belangen die worden gediend met de Omgevingsverordening, of […]." Uit de plantoelichting blijkt dat het van toepassing zijn van de "Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg" op de bouw van de voorziene woningen een enorme lastenverzwaring voor de initiatiefnemer betekent en dat uitvoering geven aan deze kwaliteitscriteria concreet met zich brengt dat het plan niet-uitvoerbaar wordt. De raad heeft het college van gedeputeerde staten van Limburg daarom verzocht om paragraaf 2.4 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 niet van toepassing te verklaren. Vervolgens heeft het college van gedeputeerde staten bij besluit van 3 maart 2015 die paragraaf niet van toepassing verklaard. Daarbij heeft het college van gedeputeerde staten gesteld dat bij dit bestemmingsplan sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld onder C van de aanhef van de gewijzigde beleidsregel "Kwaliteitscriteria nieuwe woningen Zuid-Limburg", waarbij de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de belangen die worden gediend met de verordening. In het besluit van 3 maart 2015 staat verder dat het vastgestelde bestemmingsplan een maximale termijn van realisatie van de woningen dient te bevatten van vijf jaar na de vaststelling van het bestemmingsplan. 3.2. Artikel 5 van de planregels luidt als volgt: "5.1 Bestemmingsomschrijving 5.1.1. De op de verbeelding als zodanig aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen […]" Lid 5.7 luidt als volgt: "5.7.1 Wijzigingsbevoegdheid naar ‘Agrarisch met waarden’ Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bestemming van de voor 'Wonen' aangewezen gronden te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch met waarden’, doch met dien verstande dat het wijzigen eerst mag geschieden indien de bestemming ‘Wonen’ niet binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gerealiseerd." 3.3. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak vastgesteld dat - vanwege de voorwaarde uit het besluit van het college van gedeputeerde staten van 3 maart 2015 inhoudende dat het plan een maximale termijn van realisatie van de woningen dient te bevatten van 5 jaar na de vaststelling van het plan - in het ontwerpbestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting was opgenomen, maar dat deze naar aanleiding van de vooroverlegreactie van het college van gedeputeerde staten is gewijzigd in de wijzigingsbevoegdheid in artikel 5, lid 5.7, van de planregels. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat met deze wijzigingsbevoegdheid niet is gewaarborgd dat wordt voldaan aan deze voorwaarde uit het besluit van 3 maart 2015. Daartoe heeft de Afdeling overwogen dat een wijzigingsbevoegdheid geen verplichting inhoudt om tot een bestemmingswijziging over te gaan, zodat het plan het toelaat dat de bestemming "Wonen" gehandhaafd blijft, ook wanneer er 5 jaar na de vaststelling van het plan nog geen woningen zijn gerealiseerd. De Afdeling heeft in dit kader in de tussenuitspraak opgemerkt dat aan de voorwaarde uit het besluit van 3 maart 2015 had kunnen worden voldaan door in de planregels behorend bij de bestemming "Wonen" een voorwaardelijke verplichting op te nemen die ertoe strekt dat wonen binnen het plandeel met de bestemming "Wonen" uitsluitend is toegestaan indien en voor zover de desbetreffende woning binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gerealiseerd. 4. Gelet op de hierboven weergegeven overwegingen uit de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 20 februari 2016 niet toereikend is gemotiveerd en derhalve is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het beroep van [appellant] is derhalve gegrond, zodat dit besluit dient te worden vernietigd. Het beroep van rechtswege tegen het besluit van 20 februari 2018 5. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen om - wat betreft de ontoereikende motivering van de verkleining van de afstand die als vuistregel wordt aangehouden tussen gevoelige objecten en terreinen waar het planologisch mogelijk is om open fruitteelten te realiseren - het besluit hetzij nader te motiveren, hetzij te wijzigen door een andere planregeling vast te stellen. De Afdeling heeft daarbij opgemerkt dat de raad in dat laatste geval kan bezien of een hogere windhaag tussen de woningen met bijgebouwen en tuinen en de fruitboomgaard met mogelijk een andere samenstelling dan hedera vanuit ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar is. Verder heeft de Afdeling de raad in de tussenuitspraak opgedragen om - ten aanzien van het geconstateerde gebrek met betrekking tot de wijzigingsbevoegdheid van artikel 5, lid 5.7, van de planregels - het besluit te wijzigen. 6. Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 20 februari 2018 het plan gewijzigd vastgesteld. Daarbij heeft de raad de beschermingszone tussen de voorziene woningen en het fruitteeltbedrijf van [appellant] aangepast. Deze dient thans te bestaan uit drie windhagen van 4 m, te weten twee elzenhagen met daartussenin een coniferenhaag, bovenop een grondwal van 1 m hoog. Hiermee is nog steeds sprake van een ook in de winter groenblijvende haag. Verder heeft de raad een voorwaardelijke verplichting in het plan opgenomen, die inhoudt dat wonen binnen de bestemming "Wonen" uitsluitend is toegestaan indien en voor zover de desbetreffende woning binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan is gerealiseerd. 7. De Afdeling stelt vast dat het besluit van 20 februari 2018 een besluit tot wijziging van het oorspronkelijke bestreden besluit is en dat dit ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding is. Het beroep van [appellant] is van rechtswege gericht tegen dit besluit. Hetgeen [appellant] in zijn zienswijze en nadien, onder meer ter zitting, naar voren heeft gebracht, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van het beroep van rechtswege tegen dat besluit. [appellant] stelt onder meer dat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht omdat de bekendmaking van het gewijzigde besluit te laat heeft plaatsgevonden. Verder betoogt [appellant] in het bijzonder dat hij - ondanks de aangepaste beschermingszone - zal worden belemmerd in zijn bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden als gevolg van de voorziene woningen. [appellant] stelt in dit verband dat de beschermingszone geen goed woon- en leefklimaat in de voorziene woningen garandeert, zodat de toekomstige bewoners van de voorziene woningen over zijn bedrijf kunnen gaan klagen. [appellant] vreest met name dat eventuele klachten van die bewoners ertoe zullen leiden dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen alsnog op een deel van zijn gronden beperkt of uitgesloten zal worden. Tenslotte voert [appellant] ook nog enige beroepsgronden aan over een algemeen onderzoek van het RIVM en de geldigheid van de beoordeling van het college van gedeputeerde staten in het eerdergenoemde besluit van 3 maart 2015. Bekendmaking 8. [appellant] voert aan dat de bekendmaking van het besluit eerst op 7 maart 2018 heeft plaatsgevonden, derhalve buiten de door de Afdeling geboden termijn, die tot 1 maart 2018 liep, zodat de raad niet heeft voldaan aan de bij de tussenuitspraak gegeven opdracht. 8.1. In de beslissing van de tussenuitspraak staat het volgende: "draagt de raad van de gemeente Eijsden-Margraten op om binnen zesentwintig weken na de verzending van deze tussenuitspraak: 1. met inachtneming van overweging 12 de in de overwegingen 4.4 en 5.6 geconstateerde gebreken te herstellen; 2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst van de opdracht mede te delen en het gewijzigde besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen." Bij beschikking van 1 december 2017 heeft de Afdeling de termijn verlengd tot 1 maart 2018. 8.2. De Afdeling stelt vast dat de opdracht uit de tussenuitspraak, bezien in samenhang met de beschikking, met zich bracht dat de raad uiterlijk op 1 maart 2018 een gewijzigd besluit diende te nemen en dat besluit vervolgens "zo spoedig mogelijk" bekend diende te maken. De bekendmaking van het besluit mocht derhalve - anders dan [appellant] veronderstelt - plaatsvinden ná 1 maart 2018. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling derhalve geen grond voor het oordeel dat de raad heeft gehandeld in strijd met de bij de tussenuitspraak gegeven opdracht. Reeds hierom faalt het betoog. Beschermingszone 9. [appellant] voert aan dat de planregels, nu die de hoogte van de hagen alleen voor de eindsituatie regelen, voor de periode daaraan voorafgaand niet voorzien in voldoende bescherming voor de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. 9.1. Op de verbeelding is aan een strook grond de bestemming "Groen" toegekend en de functieaanduiding "specifieke vorm van groen - landschappelijke inpassing". Voorts is aan een groot deel van het plangebied de bestemming "Wonen" toegekend. In artikel 5, lid 5.5.3, van de planregels is onder het kopje "Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing" het volgende bepaald: "Het bouwen op en het (doen/laten) gebruik(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.