201800615/1/A1. Datum uitspraak: 28 november 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], (hierna: [appellante sub 1]) beide gevestigd te [plaats], 2. [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 2B], allen wonend te Bloemendaal, 3. College van burgemeester en wethouders van Bloemendaal, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 december 2017 in zaak nr. 17/3072 in het geding tussen: [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 2B] en het college van burgemeester en wethouders van Bloemendaal. Procesverloop Bij besluit van 15 september, verzonden op 16 september 2016, heeft het college aan [appellante sub 1] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en het maken van een uitweg ten behoeve van het realiseren van een woongebouw met vier appartementen en een ondergrondse parkeergarage aan de Hartenlustlaan 2, 2a, 4 en 4a te Bloemendaal. Bij afzonderlijke besluiten van 22 mei 2017 heeft het college de door [appellant sub 2A] en anderen daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en het bezwaar van [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 11 december 2017 heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 2B], ongegrond verklaard en voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 2A] en anderen gegrond verklaard, het besluit van 22 mei 2017 vernietigd, voor zover het college daarbij heeft beslist op de bezwaren van [appellant sub 2A] en anderen, het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak en het primaire besluit geschorst tot de dag na die waarop het nieuw te nemen besluit is bekend gemaakt. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 2B] hoger beroep ingesteld. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het college, [appellante sub 1], [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 2B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 25 januari 2018 heeft het college de bezwaren van [appellant sub 2A] en anderen gegrond verklaard en omgevingsvergunning verleend voor het bouwen in afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van realisering van het hiervoor genoemde bouwplan. [appellant sub 2A] en anderen hebben te kennen gegeven zich niet te kunnen verenigen met het besluit van 25 januari 2018. [appellante sub 1] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 oktober 2018, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. Th. F. Roest, advocaat te Haarlem, en [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 2B], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. B.P. van Overeem, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Visser, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Het bouwplan ziet op de bouw van een woongebouw met vier appartementen met een hoogte van ongeveer 11 m en een ondergrondse garage op het perceel waar voorheen een restaurant was gevestigd. Voorts zullen aan de achterzijde van de appartementen op het adres Hartenlustlaan 2 en 2a vergunningsvrije aanbouwen worden gerealiseerd. Deze aanbouwen zijn geen onderdeel van het bouwplan en de omgevingsvergunning ziet dan ook niet op deze onderdelen van het te bouwen woongebouw. De bij besluit van 15 september 2016 verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteiten bouwen en maken van een uitweg als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). [appellant sub 2A] en anderen en [appellant sub 2B] wonen in de nabijheid van het voorziene woongebouw. Zij verzetten zich tegen verlening van de omgevingsvergunning omdat zij vrezen dat realisering van het woongebouw op deze locatie zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat. Het hoger beroep, voor zover dat is ingediend door [appellant sub 2B] 2. Het college heeft aan het besluit op bezwaar van 22 mei 2017, gericht aan [appellant sub 2B], ten grondslag gelegd dat [appellant sub 2B], die woonachtig is op het adres [locatie] te Bloemendaal, geen belanghebbende is bij de verleende omgevingsvergunning en dat zijn tegen dat besluit gemaakte bezwaar om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 3. [appellant sub 2B] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbende bij het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. [appellant sub 2B] heeft hierover, onder verwijzing naar het rapport van adviesbureau Tjaden van 26 juli 2016, aangevoerd dat hij nadelige effecten zal ondervinden van de bemaling rondom de aan te leggen kelder. 3.1. Om als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het besluit. 3.2. [appellant sub 2B] woont op een afstand van ongeveer 70 meter van de plaats waar het bouwplan zal worden gerealiseerd. Tussen zijn woning en de locatie van het bouwplan is bebouwing aanwezig, waardoor [appellant sub 2B] vanaf zijn perceel geen direct zicht zal hebben op het voorziene gebouw. De door [appellant sub 2B] gevreesde schade aan zijn woning ziet op de gevolgen van de bij de bouwwerkzaamheden uit te voeren bronbemaling. In het door [appellante sub 1] overgelegde e-mailbericht van adviesbureau Tjaden van 17 september 2018 is vermeld dat geen nadelige effecten van de bronbemaling zijn te verwachten voor de omgeving, omdat een grond- en waterkerende damwand zal worden gerealiseerd. In hetgeen [appellant sub 2B] heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien hieraan te twijfelen. Nu de ruimtelijke uitstraling van het voorziene woongebouw, gelet op de aard en omvang ervan, gering zal zijn en evenmin gebleken is dat [appellant sub 2B] anderszins gevolgen van enige betekenis zal ondervinden, heeft de rechtbank de afstand van de woning tot de locatie waar het gebouw zal worden gebouwd terecht te groot geacht om een rechtstreeks bij de verleende omgevingsvergunning betrokken belang te kunnen aannemen. Het betoog faalt. Het hoger beroep van [appellante sub 1] en het incidenteel hoger beroep van het college 4. Het college heeft aan het besluit op bezwaar van 22 mei 2017, gericht aan [appellant sub 2A] en anderen, ten grondslag gelegd dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en dat zich geen andere weigeringsgronden als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo dan wel artikel 2.12, derde lid, van de Algemene plaatselijke verordening Bloemendaal 2017 (hierna: APV) voordoen. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat zij van oordeel is dat de van het bouwplan deel uitmakende hellingbaan gedeeltelijk in strijd is met het bestemmingsplan. Gelet hierop heeft het college naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet mede omgevingsvergunning verleend voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Naar het oordeel van de rechtbank dient het college op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo alsnog te beoordelen of het mogelijk is de gevraagde vergunning met toepassing van artikel 2.12, aanhef en onder a, van de Wabo te verlenen. 5. Ter zitting van de Afdeling hebben [appellant sub 2A] en anderen het ingenomen standpunt dat [appellante sub 1] ten onrechte in de gelegenheid is gesteld om de gronden van het ingestelde hoger beroep aan te vullen en dat de Afdeling de ingediende aanvullende gronden buiten beschouwing moet laten, ingetrokken. 6. [appellante sub 1] en het college betogen dat de rechtbank een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsregeling door te overwegen dat het zich binnen de bestemming "Wonen" bevindende ondergrondse deel van de voorziene hellingbaan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat binnen de bestemming "Wonen" het gebruik ten behoeve van een ondergrondse parkeergarage niet is toegestaan. [appellante sub 1] voert allereerst aan dat de hellingbaan geen onderdeel is van de ondergrondse parkeergarage, maar een daarvan te onderscheiden bouwwerk, geen gebouw zijnde, in de zin van artikel 23.2.3 van de planregels dat is toegestaan. Voorts voert [appellante sub 1] aan dat, voor zover de hellingbaan wel als onderdeel van de pareergarage wordt aangemerkt, dit ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan, omdat een ondergrondse parkeergarage een parkeervoorziening is in de zin van het bestemmingsplan. Het college voert aan dat het gelet op de door de gemeenteraad gehanteerde vaste plansystematiek duidelijk is dat de planwetgever heeft beoogd dat ter plaatse van de aanduiding "Parkeergarage" parkeren onder het gebouw moet plaats vinden, maar dat hiermee ondergronds parkeren op percelen zonder deze aanduiding niet is uitgesloten. 6.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Bloemendaal 2012" rust op het perceel binnen het bouwvlak de bestemming "Horeca-1" met de functieaanduiding "Wonen" en buiten het bouwvlak de bestemmingen "Horeca-1" en "Wonen". Voorts rust op het perceel de dubbelbestemming "Waarde-Archeologie 2". Het voorziene hoofdgebouw met daarin de vier appartementen is gelegen binnen de bestemming "Horeca-1"met functieaanduiding "Wonen". Twee aanbouwen bij het hoofdgebouw bevinden zich binnen de bestemming "Wonen". Het deel van de ondergrondse garage, niet zijnde de hellingbaan, bevindt zich binnen de bestemming "Horeca-1" met functieaanduiding "Wonen". Het ondergrondse deel van de hellingbaan bevindt zich binnen de bestemmingen "Wonen" en "Horeca-1" zonder functieaanduiding "Wonen". Het bovengrondse deel van de hellingbaan bevindt zich in de bestemming "Horeca-1" zonder functieaanduiding "Wonen". 6.2. Ten behoeve van het gebruik van de ondergrondse parkeergarage is op het perceel een hellingbaan voorzien die onder het gebouw een bocht maakt naar de ruimte waar geparkeerd zal worden. Nu de hellingbaan geheel ten dienste staat van het gebruik van de ondergrondse parkeergarage en parkeren onder de appartementen niet mogelijk zal zijn zonder de hellingbaan heeft de rechtbank terecht overwogen dat de hellingbaan bij de parkeergarage hoort. Niet in geschil is dat een deel van het ondergrondse gedeelte van de hellingbaan binnen de bestemming "Wonen" valt. Ingevolge artikel 23.1.1 van de planregels zijn deze gronden bestemd voor parkeervoorzieningen. Ingevolge artikel 23.1.12 van de planregels zijn ter plaatse van de aanduiding "Parkeergarage" de als "Wonen" bestemde bedoelde gronden mede bestemd voor een ondergrondse parkeergarage. Ingevolge artikel 23.2.5, aanhef en onder a, van de planregels is het bouwen van de ondergrondse parkeergarage uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "Parkeergarage". Gelet op de verbeelding en deze planregels, in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank terecht overwogen dat gronden die zijn bestemd voor "Wonen" alleen dan mede voor ondergrondse parkeergarages zijn bestemd indien op die gronden tevens de aanduiding "Parkeergarage" rust. Artikel 23 kan niet anders worden begrepen dan dat met de aanduidingen "Parkeergarage" een restrictie is opgenomen ten opzichte van de in de doeleindenomschrijving opgenomen parkeervoorzieningen. De door [appellante sub 1] gegeven uitleg dat onder parkeervoorzieningen als bedoeld in artikel 23.1.1 ook een ondergrondse parkeergarage wordt verstaan zou de functieaanduiding zinledig maken. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de planregels duidelijk zijn, zodat de rechtbank terecht niet is toegekomen aan bespreking van het door het college in beroep naar voren gebrachte standpunt dat uit de plansystematiek van het bestemmingsplan een andere bedoeling van de planwetgever blijkt. Dat de planwetgever mogelijk heeft beoogd om ondergronds parkeren binnen de bestemming "Wonen" ook mogelijk te maken op percelen zonder de aanduiding "Parkeergarage", wat daarvan ook zij, leidt derhalve niet tot een ander oordeel. Omdat op het perceel geen aanduiding "Parkeergarage" is opgenomen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat een ondergrondse parkeergarage niet is toegestaan op het perceel voor zover daarop de bestemming "Wonen" rust. Dat betekent dat het ondergrondse deel van de hellingbaan dat binnen de bestemming "Wonen" valt, in strijd is met het bestemmingsplan. Het betoog faalt. Het hoger beroep, voor zover dat is ingediend door [appellant sub 2A] en anderen 7. [appellant sub 2A] en anderen wensen een verdergaande vernietiging van het besluit op bezwaar van 22 mei 2017, omdat het bouwplan volgens hen om meer redenen in strijd is met het bestemmingsplan. Zij betogen daartoe allereerst dat de rechtbank heeft miskend dat het ter plaatse van de bestemming "Horeca-1" met de functieaanduiding "Wonen" niet is toegestaan uitsluitend te wonen. Volgens [appellant sub 2A] en anderen is wonen alleen toegestaan in combinatie met horeca. 7.1. Dit betoog slaagt niet. Uit de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende doeleindenomschrijving als neergelegd in artikelen 10.1.1 en 10.1.2 van de planregels volgt dat op gronden binnen de bestemming "Horeca-1", die tevens zijn voorzien van de functieaanduiding "Wonen" zowel gebruik ten behoeve van horeca als gebruik ten behoeve van wonen is toegestaan. Het bestemmingsplan biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat wonen alleen in combinatie met horeca is toegestaan. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de bestemming aldus de mogelijkheid biedt om de gronden voor uitsluitend wonen te gebruiken. 8. [appellant sub 2A] en anderen betogen voorts dat, voor zover uitsluitend wonen wel mogelijk is, de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met artikel 23.2.1 van de planregels, omdat het bouwplan voorziet in vermeerdering van het aantal woningen. Zij voeren hierover aan dat de vier appartementen weliswaar binnen de bestemming "Horeca-1" zijn gesitueerd, maar dat de functieaanduiding "Wonen" tevens van toepassing is. Dit betekent volgens [appellant sub 2A] en anderen dat aangesloten dient te worden bij de in artikel 23 van de planregels opgenomen regels die gelden voor de bestemming "Wonen". [appellant sub 2A] en anderen wijzen er op dat een andere uitleg zou betekenen dat binnen de bestemming "Horeca-1" ruimere bouwmogelijkheden voor wonen bestaan dan binnen de bestemming "Wonen", hetgeen niet de bedoeling van de planwetgever kan zijn geweest, aldus [appellant sub 2A] en anderen. 8.1. De vier appartementen zijn gesitueerd binnen de bestemming "Horeca-1" met de functieaanduiding "Wonen". De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat binnen de bestemming "Horeca-1" de in artikel 23 van de planregels opgenomen bouwregels voor de bestemming "Wonen" van toepassing zijn. De in artikel 23 opgenomen planregels gelden uitsluitend binnen de bestemming "Wonen". De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de restrictie van het niet mogen vermeerderen van het aantal woningen in dit geval niet van toepassing is, zodat het bouwplan daarmee ook niet in strijd kan zijn. Het betoog faalt. 9. [appellant sub 2A] en anderen betogen verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat ter plaatse van de bestemming "Horeca-1" realisering van een ondergrondse parkeergarage is toegestaan. Hiertoe voeren zij aan dat op de verbeelding ter plaatse van het perceel geen aanduiding "Parkeergarage" is opgenomen, zodat het bestemmingsplan niet voorziet in de mogelijkheid tot de aanleg van een parkeerkelder. 9.1. De ondergrondse parkeergarage en het bovengrondse deel van de hellingbaan vallen binnen de bestemming "Horeca-1". De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat deze onderdelen van het bouwplan in strijd zijn met het bestemmingsplan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, zijn op het perceel binnen de bestemming "Horeca-1" parkeervoorzieningen toegestaan. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de ondergrondse parkeergarage niet kan worden aangemerkt als een parkeervoorziening. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat binnen de bestemming "Horeca-1", anders dan bij de bestemming "Wonen", niet de restrictie is opgenomen dat alleen een ondergrondse parkeergarage is toegestaan, als het desbetreffende perceel tevens is voorzien van de aanduiding "Parkeergarage". Het betoog faalt. 10. [appellant sub 2A] en anderen betogen voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen voor de activiteit maken van een uitweg, heeft miskend dat het college de vergunning had moeten weigeren in het belang van het veilig en doelmatig gebruik van de weg als bedoeld in artikel 2.12, derde lid, aanhef en onder b, van de APV. Zij voeren aan dat met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften e en f onvoldoende is gewaarborgd dat bij het verlaten van de inrit voldoende zicht is op passerend verkeer. [appellant sub 2A] en anderen verwijzen in dit kader naar het door hen overgelegde verkeersadvies van WM Verkeersadvies van 15 februari 2018 waaruit volgt dat gebruik van de hellingbaan vanwege de verkeersdruk op de Hartenlustlaan en het ontbreken van een bufferzone tussen de steile smalle hellingbaan en het trottoir alsmede het beperkte zicht vanaf de hellingbaan tot verkeersonveilige situaties kan leiden. 10.1. Het college heeft aan zijn besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor het maken van een uitweg het ambtelijk advies van 1 september 2016 ten grondslag gelegd. De medewerker van het team "Weg en Water" heeft in het advies vermeld dat geen verkeerstechnisch bezwaar bestaat tegen de locatie van de voorziene inrit naar de parkeergarage. Daarbij is eveneens vermeld dat wel moet worden gewaarborgd dat auto's die de inrit verlaten voldoende zicht hebben op het passerend verkeer, waaronder voetgangers, voordat de auto's daadwerkelijk op de stoep staan en dat niet duidelijk is of dat het geval is. 10.2. Het college heeft aan de omgevingsvergunning onder meer de volgende voorschriften verbonden: "e. Gewaarborgd moet worden dat auto's die de inrit verlaten voldoende zicht hebben op het passerend verkeer waaronder voetgangers, voordat de auto daadwerkelijk op het trottoir staat. f. De hellingbaan zal zodanig moeten worden aangelegd/ingericht (zowel fysiek door vormgeving van de hellingbaan als technisch m.b.v. camera'
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.