(504)motorvoertuigen per etmaal gebruik maken van de Chasséstraat. De verwachte verkeersdruk van de planvariant was 568 motorvoertuigen per etmaal. De prognose ging, net als bij de parkeervraag berekening, uit van een reductie voor sommige functies. Zonder reductie zou de verkeersdruk op ongeveer 680 motorvoertuigen uitkomen. Zelfs in deze worstcase situatie komt de verkeersdruk niet boven de acceptabele verkeersintensiteit van 1000 motorvoertuigen per etmaal uit. Er is daarom ook in de planvariant sprake van een verkeersveilige verkeersintensiteit in de Chasséstraat.
- [appellant] betoogt dat het aanvullend onderzoek naar de verkeersveiligheid nog steeds niet deugdelijk is uitgevoerd. Hij voert daartoe aan dat ten onrechte geen verkeerstellingen zijn verricht. Ook is van een te groot en daarmee niet realistisch onderzoeksgebied uitgegaan. Verder voert [appellant] aan dat in het onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de verkeersdrukte juist tussen 17:00 en 19:00 uur in de omliggende straten. 12.
- De Afdeling heeft in haar tussenuitspraak wat betreft de verkeersveiligheid een gebrek in het besluit van 12 april 2016 geconstateerd met betrekking tot de berekening van de verkeerstoename. Deze was gebaseerd op een berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen waarbij een reductie was toegepast vanwege het hotel en het Grand Café. In het aanvullend parkeeronderzoek is deze reductie voor de berekening van de verkeerstoename en daarmee de te verwachte verkeersdruk achterwege gelaten, zodat het geconstateerde gebrek is hersteld. In de huidige procedure na de tussenuitspraak staat uitsluitend ter beoordeling of het algemeen bestuur het gebrek heeft hersteld. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. [appellant] heeft tegen het besluit niet aangevoerd dat ten onrechte geen verkeerstellingen zijn verricht, dat van een te groot onderzoeksgebied is uitgegaan, dat geen rekening is gehouden met de verkeersdrukte tussen 17:00 en 19:00 uur. Naar het oordeel van de Afdeling had [appellant] deze gronden reeds tegen het besluit van 12 april 2016 naar voren kunnen brengen. Om die reden blijven deze gronden buiten inhoudelijke bespreking. overig
- Voor zover [appellant] betoogt dat het besluit van 23 juni 2017 onzorgvuldig en niet consistent is omdat daarin het hotel en het Grand Café steeds in verschillende horeca-categorieën worden ingedeeld, overweegt de Afdeling dat hij deze grond niet heeft aangedragen tegen het besluit van 12 april
- Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het besluit van 12 april 2016 naar voren hadden kunnen worden gebracht. [appellant] heeft deze grond niet tegen het besluit van 12 april 2016 aangevoerd. Naar het oordeel van de Afdeling had [appellant] deze grond reeds tegen het besluit van 12 april 2016 naar voren kunnen brengen. Om die reden blijft deze grond buiten inhoudelijke bespreking. conclusie
- Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 4.5 is overwogen is het hoger beroep gegrond. De uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 juli 2014 in stand blijven, dient te worden vernietigd. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 7.5, 7.7 en 8.2 is overwogen is het beroep tegen het besluit 12 april 2016 gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen van [appellant] tegen de besluiten van 23 juni 2017 zijn ongegrond.
- Het algemeen bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 december 2015 in zaken nrs. 13/4699 en 14/5616, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit van 22 juli 2014 in stand blijven; III. verklaart het beroep tegen het besluit van 12 april 2016 gegrond; IV. vernietigt het besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel West van 12 april 2016, kenmerk 575725; V. verklaart de beroepen tegen de besluiten van 23 juni 2017 ongegrond; VI. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel West tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1782,00 (zegge: zeventienhonderdtweeëntachtig euro), gedeeltelijk toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; VII. gelast dat het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel West aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier. w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Soede voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2018 270.