← Nederland

ECLI:NL:RVS:2018:4020

201808940/2/V

  1. Datum uitspraak: 10 december 2018 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 2 november 2018 in zaken nrs. NL18.18269, NL18.18271, NL18.18273 en NL18.18357 in het geding tussen: [de vreemdeling] mede voor haar minderjarige kind, [kind 1] en [kind 2], en de staatssecretaris. Procesverloop Bij onderscheiden besluiten van 4 oktober 2018 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij brief van 5 oktober 2018 heeft de staatssecretaris de motivering van het besluit op de aanvraag van [de vreemdeling] nader aangevuld. Bij uitspraak van 2 november 2018 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door de vreemdelingen tegen de besluiten van 4 oktober 2018 ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen
  2. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op zijn hoger beroep geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank.
  3. Gelet op de belangen die de staatssecretaris en de vreemdelingen naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen.
  4. Het verzoek moet als kennelijk ongegrond worden afgewezen.
  5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. wijst het verzoek af; II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.S. Bakker, griffier. w.g. Bijloos w.g. Bakker voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2018 393.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.