(7)afgetrokken. Doordat overdag op het privéterrein, waar de bezetting dan lager is, 6 parkeerplaatsen worden gereserveerd voor artsen, zijn deze bij het overschot/tekort opgeteld." 12.
- Zoals [appellant] stelt, komt in de parkeernota het begrip "wisselplaatsen" niet voor. Anders dan [appellant] veronderstelt, betekent dit echter niet dat de ontwikkeling waarin het plan voorziet reeds om deze reden niet met inachtneming van de parkeernota kan worden gerealiseerd. De wisselplaatsen die in het memo worden genoemd, zijn parkeerplaatsen die overdag beschikbaar zijn voor de gebruikers van het gezondheidscentrum en daarbuiten voor de mensen die boven het gezondheidscentrum wonen. Het feit dat bepaalde functies alleen in bepaalde perioden een parkeerbehoefte met zich brengen, is in de parkeernota onderkend in bijvoorbeeld paragraaf 4.
- [appellant] stelt dat volgens de parkeernota alle benodigde parkeerplaatsen voor het plan in het plangebied zelf moeten worden gerealiseerd. Het memo houdt hier volgens hem ten onrechte geen rekening mee. 13.
- In paragraaf 1.1 van de parkeernota staat dat het uitgangspunt is dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen realiseert. Hierop zijn echter uitzonderingen mogelijk, zoals blijkt uit paragraaf 4.3 (bepaling van het parkeeraanbod) en 5.1 (mogelijkheden afwijken). Reeds hierom faalt het betoog.
- [appellant] betoogt verder dat de waarnemingen in het memo onvoldoende zijn verantwoord. Ter zitting heeft hij toegelicht dat volgens hem geen statistisch significante steekproef is gedaan van de bezetting van parkeerruimte in het centrum van Zevenhuizen. 14.
- In het memo staat op p. 6: "Vorig jaar is door DTV Consultants onderzoek uitgevoerd naar de parkeercapaciteit en parkeerbehoefte (bezetting) in het centrum van Zevenhuizen (bijlage 1). Daarbij is onderscheid gemaakt in secties (bijlage 2). De resultaten uit dit onderzoek zijn gebruikt voor de berekening van de parkeerbalans. In een straal van 100 meter, die gehanteerd wordt als acceptabele loopastand, zijn de secties 4 t/m 9, sectie 11 en sectie 12 gelegen. In deze secties is in de huidige situatie een capaciteit van 114 parkeerplaatsen in de openbare ruimte beschikbaar. In de herinrichting vervallen de 34 openbare parkeerplaatsen bij het oude gemeentehuis en worden 26 nieuwe openbare parkeerplaatsen gerealiseerd op andere locaties in dit gebied. Verder is in het parkeeronderzoek de parkeerdruk gemeten op de vijf meetmomenten. Per meetmoment is de parkeerbehoefte (bezetting) van parkeerplaatsen gemeten. Al deze cijfers komen terug in de eindberekening van de parkeerbalans voor de openbare ruimte." 14.
- Ter zitting heeft de opsteller van het memo toegelicht dat het onderzoek een goede indicatie geeft van de parkeerdruk op verschillende momenten op drie verschillende dagen. Het heeft volgens hem geen toegevoegde waarde vaker te gaan kijken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat dit in het onderhavige geval onjuist is. De enkele stelling dat de steekproef te klein is, is hiertoe onvoldoende. Daarom faalt het betoog.
- [appellant] stelt dat het memo uitgaat van het beoogde gebruik en niet van wat het plan mogelijk maakt. Het memo gaat uit van 40 woningen in plaats van 41 en van 725 m2 commerciële ruimten in plaats van 750 m
- Ook wordt geen rekening gehouden met 200 m2 horeca, aldus [appellant]. 15.
- De raad erkent dat er kleine verschillen bestaan tussen het memo en wat het plan mogelijk maakt. Het memo toont in elk geval aan dat het plan mogelijk is. Ter zitting heeft de raad verder gesteld dat artikel 8, lid 8.3, van de planregels waarborgt dat ontwikkelingen in het plangebied worden getoetst aan de parkeernota. 15.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 9 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1426, dient bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen voor een nieuwe ontwikkeling waarin een bestemmingsplan voorziet te worden uitgegaan van een representatieve invulling van hetgeen ingevolge het plan planologisch maximaal mogelijk is. Vast staat dat dit in het onderhavige geval niet is gebeurd. Hierbij is met name van belang dat het plan maximaal 200 m2 horeca toestaat - waarvoor relatief hoge parkeernormen gelden - terwijl daarmee in het memo in het geheel geen rekening is gehouden. Dit klemt te meer, nu volgens het memo op enkele momenten (bijna) alle beschikbare parkeerplaatsen bezet zullen zijn, zodat in het geval van een hogere parkeerbehoefte een tekort dreigt te ontstaan. Dat de raad met artikel 8, lid 8.3, van de planregels heeft beoogd te voorzien in een regeling die waarborgt dat voldoende parkeerruimte wordt gerealiseerd voor ontwikkelingen in het plangebied, ontslaat de raad niet van de plicht al bij de vaststelling van het plan inzichtelijk te maken dat voor een representatieve invulling van hetgeen planologisch maximaal mogelijk is, kan worden voldaan aan de parkeernota (vergelijking de uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2634, onder 5.2, tweede alinea). Het betoog slaagt. Conclusie
- Gelet op hetgeen hiervoor onder 15.2 is overwogen, heeft de raad het plan vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beslechting van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad zal alsnog inzichtelijk moeten maken dat voor een representatieve invulling van hetgeen ingevolge het plan planologisch maximaal mogelijk is, kan worden voldaan aan de parkeernota. Als alternatief kan de raad ervoor kiezen het plan zodanig te wijzigen dat het niet meer mogelijk maakt dan is beoordeeld in het memo van DTV Consultants van 12 april
- Voor het nieuwe besluit hoeft niet opnieuw toepassing te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb.
- In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Zuidplas op om: a. binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 16 is overwogen het besluit van 20 juni 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Centrum Zevenhuizen" te herstellen, en b. de Afdeling en de betrokken partijen mede te delen op welke wijze uitvoering is gegeven aan de onder a. vermelde opdracht en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier. w.g. Daalder w.g. Jacobs lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018 717.