(1999)638 definitief) in de Gezinsherenigingsrichtlijn opgenomen wegens de speciale behoeften en de kwetsbaarheid van vluchtelingen die minderjarig en zonder begeleiding zijn. Voorts blijkt uit deze toelichting dat deze bepaling is ontleend aan artikel 22 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (het IVRK). Artikel 10, derde lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn is geïmplementeerd in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Indien een vreemdeling voldoet aan de in laatstvermelde bepaling gestelde vereisten, komt hij in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 29, tweede lid, voorheen artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e en f, van de Vw 2000, volgt dat deze verblijfsvergunning is bedoeld voor gezinsleden die tegelijkertijd vluchten dan wel door de vlucht van elkaar zijn gescheiden (Kamerstukken II 1999/2000, 26 732, nr. 7, blz. 47-48). Gelet op het voorgaande, zijn artikel 10, derde lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn en artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, bedoeld voor hereniging van een minderjarige vreemdeling met zijn ouders, indien hij als gevolg van een vluchtsituatie zonder begeleiding van een voor hem verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat is aangekomen of achtergelaten. Deze bepalingen zijn dus niet bedoeld voor hereniging van een minderjarige vreemdeling met een ouder die hem zelf naar het grondgebied van een lidstaat heeft gebracht en hem daar vervolgens zonder begeleiding heeft achtergelaten. De grief faalt. 11. Ten slotte klaagt de vreemdeling in grief III dat de rechtbank niet is ingegaan op haar beroepsgrond dat de staatssecretaris in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld door tegen haar een inreisverbod uit te vaardigen. 11.1. De klacht is terecht voorgedragen maar leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, gelet op het volgende. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat het inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Hij heeft hiertoe verwezen naar zijn weigering om de vreemdeling ambtshalve een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 3.6a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 te verlenen. De vreemdeling heeft in de onder 11. vermelde beroepsgrond, evenals in haar twee zienswijzen, erop gewezen dat haar dochter in een pleeggezin verblijft, dat zij een omgangsregeling heeft en dat zij haar dochter als gevolg van de ondertoezichtstelling niet kan meenemen naar Marokko. Gelet op hetgeen de Afdeling onder 7.2. heeft overwogen, heeft de vreemdeling onvoldoende actuele gegevens verstrekt over de resultaten van de inspanningen die Nidos heeft verricht en de afspraken die Nidos met haar heeft gemaakt, waaronder afspraken over omgang met haar dochter vanaf 1 juni 2017. Onder deze omstandigheden heeft de staatssecretaris niet in strijd met artikel 8 van het EVRM gehandeld door een inreisverbod uit te vaardigen tegen haar. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de staatssecretaris, indien de vreemdeling een aanvraag indient om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, zal beoordelen of hij het inreisverbod moet opheffen. 12. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het, gelet op hetgeen onder 7.2. en 11.1. is overwogen, met verbetering van de gronden waarop zij rust. 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier. w.g. Verheij w.g. De Keizer voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2018 716. BIJLAGE Recht van de Europese Unie Gezinsherenigingsrichtlijn Artikel 2 In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- f)„alleenstaande minderjarige": een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt, zolang hij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene staat, of een minderjarige die zonder begeleiding wordt achtergelaten nadat hij op het grondgebied van de lidstaat is aangekomen. Artikel 10 3. Indien de vluchteling een alleenstaande minderjarige is,
- a)staan de lidstaten de toegang en het verblijf uit hoofde van gezinshereniging toe aan zijn bloedverwanten van de eerste graad in rechtstreekse opgaande lijn zonder de in artikel 4, lid 2, onder a), genoemde voorwaarden toe te passen. Nationale regelgeving Vw 2000 Artikel 29 2 Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend: […] c. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU 2003, L 251). Artikel 30 1 Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt niet in behandeling genomen, indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Vb 2000 Artikel 3.6a 1 Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden verleend: a. aan de vreemdeling wiens uitzetting in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; […] 2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Wet, niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Wet of buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c van de Wet. […] Vc 2000 Paragraaf C1/4.5 Ambtshalve toets Bij afwijzing van de eerste aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als (kennelijk) ongegrond beoordeelt de IND volgens artikel 3.6a Vb ambtshalve of de vreemdeling in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van de gronden genoemd in het artikel 3.6a, eerste lid, Vb, tenzij artikel 3.6a, tweede lid, Vb van toepassing is. De IND behandelt een tweede of opvolgende aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als een eerste aanvraag in de zin van artikel 3.6a Vb, indien de vorige aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 Vw en die afwijzingsgrond niet (meer) van toepassing is. […]