201800464/1/A2. Datum uitspraak: 3 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellanten], wonend te Heiloo, appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 6 december 2017 in zaak nr. 16/2578 in het geding tussen: [appellanten] en het college van burgemeester en wethouders van Heiloo. Procesverloop Bij besluit van 13 oktober 2015 heeft het college aan [appellanten] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 4.400,00. Bij besluit van 25 april 2016 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij tussenuitspraak van 24 juli 2017 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld het geconstateerde gebrek in het besluit van 25 april 2016 te herstellen. Bij brief van 30 augustus 2017 heeft het college de motivering van het besluit van 25 april 2016 aangevuld. Bij uitspraak van 6 december 2017 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 25 april 2016 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellanten] hebben een nader stuk ingediend De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2019, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door mr. L. Bas en mr. M. van Eeuwen, zijn verschenen. Overwegingen Wettelijk kader 1. Artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening, voor zover hier van belang, luidt: "1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. 2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is: a. een bepaling van een bestemmingsplan, beheersverordening of inpassingsplan, niet zijnde een bepaling als bedoeld in artikel 3.3, artikel 3.6, eerste lid, of artikel 3.38, derde of vierde lid". Artikel 6.4a, eerste lid, luidt: "Voor zover schade die op grond van de artikelen 6.1 tot en met 6.3 voor tegemoetkoming in aanmerking zou komen, haar grondslag vindt in een besluit op een verzoek om ten behoeve van de verwezenlijking van een project bepalingen in een bestemmingsplan op te nemen of te wijzigen dan wel een omgevingsvergunning te verlenen voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, anders dan bedoeld in artikel 6.8 of 6.9, kunnen burgemeester en wethouders met de verzoeker overeenkomen dat die schade geheel of gedeeltelijk voor zijn rekening komt." Inleiding 2. [appellanten] hebben bij brief van 19 december 2014 een verzoek ingediend om tegemoetkoming in de planschade die zij stellen te lijden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Noordoost" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Bij dit bestemmingsplan is aan het terrein ten oosten van hun woning [locatie A], gelegen aan de overzijde van deze straat, de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Ingevolge het daarvóór geldende bestemmingsplan "Oost", zoals dit luidde na de tweede wijziging, golden voor dit terrein de bestemmingen "Verzorgingstehuis" en "Maatschappelijke Doeleinden". Met het bestemmingsplan is beoogd de nieuwbouw voor verzorgingshuis "De Loet" mogelijk te maken. Het college heeft met de Stichting ViVa! Zorggroep een overeenkomst gesloten als bedoeld in artikel 6.4a, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). 3. In het oude plan was op het terrein met de bestemming "Verzorgingshuis" een bebouwingsvlak geprojecteerd met een totale oppervlakte van maximaal ongeveer 4500 m2. Aan de westzijde waren drie vleugels geprojecteerd, door partijen aangeduid als de noordvleugel, de noordwestvleugel en de zuidwestvleugel. In het nieuwe bestemmingsplan zijn op het terrein van het woonzorgcentrum twee bebouwingsvlakken geprojecteerd met een oppervlakte van achtereenvolgens ongeveer 4935 m2 en 540 m2. De bouwvlakken voor de noordwestvleugel en de zuidwestvleugel zijn ten opzichte van het oude bestemmingsplan breder en in noordelijke richting verschoven. Hierdoor is de zuidwestvleugel tegenover de woning van [appellanten] komen te liggen. Besluiten van het college 4. Het college heeft aan het besluit van 13 oktober 2015 het advies van Haute Equipe van 22 september 2015 ten grondslag gelegd. In dit advies is geconcludeerd dat er sprake is van planologisch nadeel, bestaande uit een verslechtering van het uitzicht vanuit de voorzijde van de woning, die met name leidt tot een aangetaste situeringswaarde, een zeer beperkte vermindering van de dag-/zonlichttoetreding in de voorzijde van de woning, intensivering van de directe woonomgeving en verslechtering van de privacysituatie. De waarde van de woning van [appellanten] is als gevolg van de wijziging van de planologische situatie gedaald van € 230.000,00 naar € 221.000,00. Na aftrek van het maatschappelijk risico is de tegemoetkoming vastgesteld op € 4.400,00. Aan het besluit van 25 april 2016, waarbij het besluit van 13 oktober 2015 is gehandhaafd, heeft het college mede het nader advies van Haute Equipe van 26 januari 2016 ten grondslag gelegd. De uitspraken van de rechtbank 5. Bij de tussenuitspraak van 24 juli 2017 heeft de rechtbank geconstateerd dat aan het besluit van 25 april 2016 een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek kleeft, omdat het college onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat alleen aan het einde van de ochtend sprake is van een verslechterde bezonningssituatie. Bij brief van 30 augustus 2017 heeft het college, onder verwijzing naar het nadere advies van Haute Equipe van 29 augustus 2017, de motivering van het besluit van 25 april 2016 aangevuld. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat hiermee het geconstateerde gebrek is hersteld en het besluit van 25 april 2016 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Hoger beroep 6. [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat als gevolg van de wijziging van het bestemmingsplan de parkeerdruk voor de omgeving is toegenomen. Door de schaalvergroting van het nieuwe woonzorgcentrum ten opzichte van het oude verzorgingstehuis moet er nu van een grotere publieks- en verkeersaantrekkende werking worden uitgegaan. Er is door het toegenomen bebouwingsoppervlak op het terrein van het woonzorgcentrum minder ruimte beschikbaar om parkeervoorzieningen aan te leggen. In het advies is onvoldoende gemotiveerd dat voldoende parkeergelegenheid op het terrein van het woonzorgcentrum kan worden gerealiseerd. Of voldoende ruimte beschikbaar is, zal moeten worden berekend en onderbouwd, aldus [appellanten]. Ter zitting hebben zij nog gesteld dat de parkeerplaatsen niet op eigen terrein zijn gerealiseerd, maar op openbaar terrein. 6.1. Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht (zie de overzichtsuitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582 onder 8.3). Bij de bepaling van de waardevermindering is maatgevend welke prijs een redelijk denkend en handelend koper voor de onroerende zaak zou hebben geboden onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het nieuwe planologische regime en op het tijdstip direct daarna, uitgaande van hetgeen maximaal op grond van het oude en nieuwe planologische regime kon worden gerealiseerd (zie de overzichtsuitspraak van 28 september 2016 onder 4.6). 6.2. In het advies van Haute Equipe van 22 september 2015 is vermeld dat van de nieuwe planologische situatie een intensivering van het gebruik van de directe woonomgeving van [appellanten] en daarmee een verkeersaantrekkende werking kan uitgaan, maar dat dit niet noodzakelijkerwijs leidt tot een verhoging van de parkeerdruk op de Bosboom Toussaintweg ter hoogte van hun woning. Het nieuwe bestemmingsplan biedt voldoende mogelijkheid en ruimte om op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid ten behoeve van het woonzorgcomplex te voorzien. In het nadere advies van 26 januari 2016 is daaraan toegevoegd dat [appellanten] miskennen dat de beoordeling van planschade geschiedt aan de hand van een zuiver planologische vergelijking tussen de maximale mogelijkheden van de opeenvolgende planologische regimes. In de oude feitelijke situatie was de hoofdingang gesitueerd aan de andere zijde, aan de Kleijn Barlaken. Ook op grond van het oude bestemmingsplan was het echter mogelijk de hoofdingang van het woonzorgcentrum aan de Bosboom Toussaintweg te situeren. Het in de oude situatie aanwezige gazon kon ook op grond van het oude bestemmingsplan worden ingericht als parkeerterrein. 6.3. De rechtbank heeft in de tussenuitspraak terecht overwogen dat het college op dit punt op het advies van Haute Equipe heeft mogen afgaan. De enkele stelling dat de parkeerbehoefte niet is gekwantificeerd is onvoldoende om daarover anders te oordelen. [appellanten] hebben geen omstandigheden aangevoerd die doen vermoeden dat als gevolg van de wijziging van de planologische situatie parkeerdruk in de openbare ruimte is toegenomen, omdat onvoldoende parkeergelegenheid op het eigen terrein van het woonzorgcentrum kan worden gerealiseerd. De stelling dat de thans gerealiseerde parkeerplaatsen niet op eigen terrein zijn aangelegd, maar op openbaar terrein bij de ingang van het woonzorgcentrum kan niet leiden tot een ander oordeel. Bepalend is dat de parkeergelegenheid is voorzien op de gronden met de bestemming "Maatschappelijk", niet of deze op openbaar of particulier terrein is voorzien. 7. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de nieuwe noordwestvleugel ontbreekt in de planschadeanalyse van het rapport van Haute Equipe. In de tussenuitspraak is in de rechtsoverwegingen 10.1 tot en met 10.3 ten onrechte ingegaan op de bij de eerste wijziging vervallen bouwmogelijkheid voor woondoeleinden ten noordoosten van hun perceel. In het advies is daarom ten onrechte aangenomen dat er sprake was van een planologisch voordeel ten opzichte van de oude situatie, waarin de noordwestvleugel iets zuidelijker is geprojecteerd. 7.1. [appellanten] betogen terecht dat in de tussenuitspraak niet is ingegaan op dit onderdeel van hun beroep. Ook het college heeft in zijn schriftelijke uiteenzetting vastgesteld dat de rechtbank twee gronden van het beroep ten onrechte heeft samengevoegd. Toch kan het betoog niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. In het rapport van Haute Equipe van 22 september 2015 is vermeld dat [appellanten] in de oude situatie konden worden geconfronteerd met bebouwing met een goot- en bouwhoogte tot respectievelijk 10.00 m en 15.00 m op afstanden, gemeten vanuit de voorgevel van hun woning, van 22 meter in zuidoostelijke richting (schuin zicht), 41 meter in oostelijke richting (frontaal zicht) en 27 meter in noordoostelijke richting (schuin zicht). In de nieuwe situatie worden zij geconfronteerd met een bouwhoogte van 11.00 m in oostelijke richting op 11.00 meter afstand recht tegenover hun woning. Op een afstand van ongeveer 39 meter (ook in zuidoostelijke en noordoostelijke richting) mag deze bebouwing 14.00 m hoog zijn. In het nadere advies van 26 januari 2016 is vermeld dat geen sprake is van een verslechtering van de uitzichtsituatie vanuit de noordelijke zijgevel van hun woning en vanuit hun achtertuin. De uitzichtmogelijkheid is met name gericht naar het noordoosten. De meest nabije bebouwingsmogelijkheden in die richting zijn op grond van het nieuwe bestemmingsplan op grotere afstand gesitueerd dan onder het oude bestemmingsplan. Van een reëel verlies van uitzichtmogelijkheden vanuit de achtertuin kan evident geen sprake zijn, nu deze achtertuin aan de van de projectlocatie "De Loet" afgekeerde zijde van de woning is gelegen, aldus het nadere advies. Hieruit blijkt dat in de adviezen van Haute Equipe rekening is gehouden met de wijziging van de situering van de noordwestvleugel. Hetgeen [appellanten] in deze beroepsgrond hebben aangevoerd geeft dan ook geen grond voor het oordeel dat de adviezen waarop het college zijn besluiten heeft gebaseerd op dit onderdeel tekortschieten. Het betoog faalt. 8. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de adviseur een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven. Zij voeren hierover aan dat in het advies van 22 september 2015 ten onrechte wordt gesteld dat vanuit de woning geen zicht bestond op een gedeelte van het bebouwingsvlak van onder meer de noordvleugel, waar een hoogte van 3 m was toegestaan. Het kan dan ook niet anders dan dat in het advies geen rekening is gehouden met de eerste wijziging van het oude bestemmingsplan, waarbij een bebouwingsvlak voor "Wonen" ten noordoosten van de woning en ten westen van het woonzorgcomplex is vervallen. Zonder die eerste wijziging zou er inderdaad geen zicht bestaan op dat gedeelte van het bebouwingsvlak. Van een planologisch voordeel is dan ook geen sprake, aldus [appellanten]. 8.1. In het advies van 22 september 2015 zijn op pagina 15 twee uitsneden van de plankaart afgebeeld. Het gaat om dezelfde kaart, maar op één van de kaarten is handmatig aangegeven dat het door [appellanten] bedoelde bouwblok is vervallen. Verder is op pagina 19, voor zover hier van belang, het volgende vermeld: "De hoofdbebouwing was enkel toegestaan binnen het op de bestemmingsplankaart aangegeven bebouwingsvlak, tot een gezamenlijke oppervlakte van 4500 m2. De toegestane goot- en bouwhoogten bedroegen meest - in ieder geval tegenover aanvragers hun woning - resp. 10,00 en 15,00 meter. Ter plaatse van de noordelijke vleugel gold echter een maximale (goot-
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.