201709167/1/R3 en 201807375/1/R3 Datum uitspraak: 3 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellante sub 1A] en [appellante sub 1B], beide gevestigd te Nieuwe-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 1]), 2. Stichting Mallemolens, gevestigd te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee , 3. [appellant sub 3A], wonend te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee, en anderen (hierna: [appellant sub 3A] en anderen), 4. [appellant sub 4], wonend te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee, 5. [appellant sub 5] en anderen, allen wonend te Oude-Tonge, gemeente Goeree-Overflakkee (hierna: [appellant sub 5] en anderen), en de raad van de gemeente Goeree-Overflakkee, verweerder; alsmede uitspraak op de hoger beroepen van: 1. [appellante sub 1], 2. Stichting Mallemolens, 3. [appellant sub 3A] en anderen, 4. [appellant sub 5] en anderen, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2018 in zaken nrs. 17/6703, 17/6704, 17/6706, 17/6707, 17/6709, 17/6740 en 17/6741 in het geding tussen: [appellante sub 1], Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 5] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee. Procesverloop Bij besluit van 28 september 2017 heeft de raad het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen beroep ingesteld bij de Afdeling. Bij besluit van 29 september 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) voor de realisatie van windpark Blaakweg. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij besluit van 29 september 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders aan Windpark Suyderlandt B.V. een omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, c en e, van de Wabo voor de realisatie van windpark Suyderlandt. Tegen dit besluit hebben Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen eveneens beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 25 juli 2018 heeft de rechtbank de ingestelde beroepen tegen de voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt verleende omgevingsvergunningen, voor zover ontvankelijk, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen de uitspraak van de rechtbank hebben [appellante sub 1], Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen hoger beroep ingesteld bij de Afdeling. De raad heeft een verweerschrift ingediend en het college van burgemeester en wethouders heeft naar aanleiding van de beroepschriften in hoger beroep een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht in de beroepsprocedure over het bestemmingsplan een deskundigenbericht uitgebracht. Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen en [belanghebbende] hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht. De Afdeling heeft op 15 november 2018 - gevoegd met de zaken 201703385/1/R3 en 201708737/1/R3 - ter zitting uitsluitend de beroepsgronden behandeld die voortvloeien uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., ECLI:EU:C:2016:816. Ter zitting van 15 november 2018 zijn voor windlocatie Battenoord de volgende partijen verschenen: - [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat te Rotterdam; - Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4], vertegenwoordigd door mr. P.A. de Lange en mr. J.J.M. Vrancken, advocaten te Barendrecht; - de raad en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. A.H. Gaastra, advocaat te Schiphol, vergezeld door ing. J. Moelker. Tevens zijn op de zitting van 15 november 2018 als partij gehoord: - Eneco Wind B.V. namens [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde]; - Windpark Suyderlandt B.V.; vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld door [persoon]. Voorts is gehoord de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, vergezeld door mr. J.H. Keinemans, mr. K.M. van Leeuwen-Gerkema, drs T. Lavrijsen en mr. G.J. de Haan-Kamphorst. De overige beroepsgronden heeft de Afdeling ter zitting behandeld op 3 december 2018. Voorafgaand aan deze zitting hebben [appellante sub 1], Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 5] en anderen, het college van burgemeester en wethouders en Windpark Suyderlandt B.V. nadere stukken ingediend. Ter zitting van 3 december 2018 zijn de volgende partijen verschenen: - [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven; - Stichting Mallemolens, vertegenwoordigd door mr. P.A. de Lange en mr. J.J.M. Vrancken; - [appellant sub 3A] en anderen, bij monde van [appellant sub 3A], bijgestaan door mr. P.A. de Lange en mr. J.J.M. Vrancken; - [appellant sub 4], eveneens bijgestaan door mr. P.A. de Lange en mr. J.J.M. Vrancken; - [appellant sub 5] en anderen, bij monde van [appellant sub 5] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. R. van Domselaar, advocaat te Utrecht; - de raad en het college van burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. drs. F.J. Webbink, advocaat te Schiphol, vergezeld door ing. J. Moelker en R. Wigbels. Voorts zijn op de zitting van 3 december 2018 als partij gehoord [belanghebbende] en Windpark Suyderlandt B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], vergezeld door [personen]. Overwegingen INLEIDING 1. De windparken Blaakweg en Suyderlandt bestaan ieder uit drie windturbines met een tiphoogte tot 150 m. Windpark Blaakweg is voorzien in de omgeving van de Blaakweg nabij het dorp Nieuwe-Tonge in de gemeente Goeree-Overflakkee. Dit windpark zal worden geëxploiteerd door [belanghebbende], een samenwerking van Eneco Wind B.V. en Coöperatie Deltawind U.A. Windpark Suyderlandt is voorzien aan de Zuiderlandsezeedijk nabij het dorp Oude-Tonge in de gemeente Goeree-Overflakkee. Dit windpark zal worden geëxploiteerd door Windpark Suyderlandt B.V. Nabij de windparken Blaakweg en Suyderlandt bevindt zich het bestaande windpark Battenoert. Dit windpark bestaat uit vier windturbines met een tiphoogte van 149,5 m. De windparken Blaakweg, Suyderlandt en Battenoert vormen samen windlocatie Battenoord. 2. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen zijn niet gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling neergelegd in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Tegen de verleende omgevingsvergunningen heeft daarom afzonderlijk beroep opengestaan bij de rechtbank. 3. [appellant sub 3A] en anderen, Pietsere en [appellant sub 5] en anderen wonen in de omgeving van de voorziene windparken Blaakweg en Suyderlandt. Zij verzetten zich tegen de realisatie van deze windparken vanwege de negatieve effecten die de windparken volgens hen hebben op hun woon- en leefklimaat. Stichting Mallemolens komt blijkens haar statuten op voor de belangen van omwonenden van de windparken Blaakweg en Suyderlandt die, afhankelijk van de locatie van hun woning, belanghebbende kunnen zijn bij de realisatie van de windparken. [appellante sub 1] is eigenaresse en gebruiker van een agrarisch perceel dat grenst aan de gronden waar de drie windturbines van windpark Blaakweg zijn voorzien. Zij verzet zich uitsluitend tegen de realisatie van windpark Blaakweg vanwege de mogelijke belemmeringen voor haar bedrijfsvoering als gevolg van dit windpark. OPZET VAN DE UITSPRAAK 4. In het onderstaande zal de Afdeling de beroepsgronden gericht tegen het vastgestelde bestemmingsplan en de uitspraak van de rechtbank over de omgevingsvergunningen gelijktijdig onderwerpsgewijs bespreken. Daarbij zal als eerste worden ingegaan op het aspect ontvankelijkheid (overwegingen 6 - 15) en het toetsingskader (overwegingen 16 en 17). Vervolgens komen de procedurele beroepsgronden aan de orde (overwegingen 18 - 24). De Afdeling zal na de bespreking van de procedurele beroepsgronden ingaan op de inhoudelijke beroepsgronden waarbij achtereenvolgens de volgende onderwerpen aan de orde komen: - milieueffectrapport (overweging 25); - nut en noodzaak (overweging 26); - alternatieve locaties (overweging 27); - provinciale plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines (overweging 28); - D’Oultremont (overwegingen 29 en 30); - normen voor windturbinegeluid (overwegingen 31 - 40); - het cumulatieve geluidniveau bij de woningen van appellanten (overwegingen 41 - 52); - slagschaduw (overweging 53); - landschap (overweging 54); - archeologie en cultuurhistorie (overweging 55); - ecologie (overwegingen 56 - 58); - schadevergoeding (overweging 59); - overige beroepsgronden van [appellante sub 1] (overweging 60); Aan het einde van de uitspraak staat de conclusie (overwegingen 61 - 63). 5. De relevante regelgeving is opgenomen in de uitspraak dan wel in de bijlage bij deze uitspraak. De in de bijlage opgenomen regelgeving betreft de regelgeving geldend ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunningen. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. ONTVANKELIJKHEID 6. Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat uitsluitend belanghebbenden beroep kunnen instellen bij de bestuursrechter. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 7. Uitsluitend ten aanzien van het beroep en hoger beroep van [appellant sub 3A] en anderen ziet de Afdeling aanleiding in te gaan op de ontvankelijkheid. 8. Het beroep van [appellant sub 3A] en anderen dat is gericht tegen het bestemmingsplan is ingediend namens [appellant sub 3A], [appellant sub 3B], [appellant sub 3C], [appellante sub 3D], [appellante sub 3E], [appellant sub 3F], [appellant sub 3G], [appellante sub 3H], [appellante sub 3I], [appellant sub 3J] en [appellant sub 3K]. Zij hebben eveneens bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de verleende omgevingsvergunningen voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt. Omgevingsvergunningen 9. In de voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt verleende omgevingsvergunningen is vermeld dat de tiphoogte van de windturbines minder dan 150 m bedraagt. 10. De rechtbank heeft in de uitspraak van 25 juli 2018 geoordeeld dat [appellant sub 3B], [appellant sub 3C], [appellante sub 3E] en [appellant sub 3K] op te grote afstand wonen van zowel windpark Blaakweg als windpark Suyderlandt om belanghebbende te kunnen zijn bij de voor deze windparken verleende omgevingsvergunningen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant sub 3G] en [appellante sub 3H] op te grote afstand wonen van windpark Blaakweg en daarom uitsluitend belanghebbende zijn bij de voor windpark Suyderlandt verleende omgevingsvergunning. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant sub 3F] en [appellante sub 3I] op te grote afstand wonen van windpark Suyderlandt en daarom uitsluitend belanghebbende zijn bij de voor windpark Blaakweg verleende omgevingsvergunning. 11. [appellant sub 3A] en anderen hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [appellant sub 3G] en [appellante sub 3H] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3G]) kunnen zich er niet mee verenigen dat de rechtbank hun beroep gericht tegen de voor windpark Blaakweg verleende omgevingsvergunning niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens hen doet zich in dit geval een bijzondere situatie voor die maakt dat moet worden afgeweken van het in de uitspraak van de rechtbank vermelde uitgangspunt dat een omwonende wonend op een grotere afstand dan tien keer de tiphoogte van de voor hem dichtstbijzijnde windturbine geen belanghebbende is bij de ontwikkeling van het desbetreffende windpark. [appellant sub 3G] voert ter onderbouwing aan dat nabij zijn woning in totaal vier windparken zijn voorzien. Dit betreft het windpark Battenoert en de nog te realiseren windparken Blaakweg, Suyderlandt en Krammer. De vier windparken hebben in onderlinge samenhang bezien tot gevolg dat zijn woon- en leefomgeving onder meer wat betreft het uitzicht en het omgevingsgeluid ingrijpend verandert, aldus [appellant sub 3G]. Hij wijst daarbij op de omvang van windpark Krammer bestaande uit meer dan dertig windturbines. Een dergelijke situatie rechtvaardigt volgens hem dat bij de beantwoording van de vraag of hij belanghebbende is bij de besluitvorming over windpark Blaakweg ruimer wordt gekeken dan het uitgangspunt van tien keer de tiphoogte. Hij stelt ter onderbouwing dat de uitspraak van de Afdeling waarin het uitgangspunt van tien keer de tiphoogte is neergelegd, is gebaseerd op een situatie waarbij geen sprake was van grote omliggende windparken. Tijdens de tweede zitting heeft [appellant sub 3G] ter onderbouwing van zijn betoog voorts verwezen naar het Verdrag van Aarhus en de richtlijn 2003/35/EG die strekt tot uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Aarhus. Volgens [appellant sub 3G] volgt hieruit dat het "betrokken publiek" dat gevolgen ondervindt van het bestreden besluit geacht wordt belanghebbende te zijn bij dat besluit en dat het betrokken publiek een ruime toegang tot de rechter moet worden verleend. Dit betekent volgens [appellant sub 3G] dat bij de beantwoording van de vraag of een omwonende belanghebbende is bij de besluitvorming over een windpark niet zonder meer moet worden aangesloten bij het uitgangspunt van tien keer de tiphoogte. 11.1. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1546, onder 3.1 heeft overwogen, heeft de wetgever bij het instellen van beroep de eis gesteld dat sprake dient te zijn van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang, teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en een rechtsmiddel zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een persoon een voldoende objectief bepaalbaar, actueel, eigen en persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7407, volgt, voor zover hier van belang, dat het stellen van de eis dat een particulier die toegang tot de bestuursrechter wil verkrijgen een rechtstreeks betrokken belang moet hebben, in overeenstemming is met (de implementatie van) het Verdrag van Aarhus. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3G] heeft aangevoerd geen aanleiding om op dit punt thans tot een ander oordeel te komen. 11.2. Ter beoordeling staat dan ook of [appellant sub 3G] een rechtstreeks betrokken belang heeft bij de voor windpark Blaakweg verleende omgevingsvergunning. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, onder 3.2, is geen sprake van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang indien de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. [appellant sub 3G] woont op 1,7 km buiten de afstand van tien keer de tiphoogte van de dichtstbijzijnde windturbine behorende tot het windpark Blaakweg. Uit overweging 7 van de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, in de zaak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer (hierna: uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer) volgt dat de Afdeling er in beginsel van uitgaat dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte de gevolgen van het windpark op het gebied van onder meer geluid- en slagschaduwhinder en zicht dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij de planologische besluitvorming over dat windpark ontbreekt. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3G] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hij, ondanks dat hij buiten de afstand van tien keer de tiphoogte woont van de dichtstbijzijnde windturbine behorende tot windpark Blaakweg, wel een rechtstreeks betrokken belang heeft bij de voor dit windpark verleende omgevingsvergunning. De omstandigheid dat in de omgeving van de woning van [appellant sub 3G] tevens de windparken Battenoert, Suyderlandt en Krammer zijn gesitueerd, maakt dit niet anders. De Afdeling wijst er daarbij op dat van de vier voornoemde windparken uitsluitend het windpark Suyderlandt zich binnen een afstand van tien keer de tiphoogte van de woning van [appellant sub 3G] bevindt. Bij de ontwikkeling van dit windpark is [appellant sub 3G] belanghebbende. Bij de ruimtelijke beoordeling van windpark Suyderlandt kunnen - voor zover relevant - de cumulatieve effecten met de nabijgelegen bestaande en reeds voorziene windparken aan de orde komen. 11.3. Gelet op het vorenstaande deelt de Afdeling de conclusie van de rechtbank dat [appellant sub 3G] geen belanghebbende is bij de voor windpark Blaakweg verleende omgevingsvergunning. Het betoog faalt. Bestemmingsplan 12. In artikel 3, lid 3.1.3, van de planregels van het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" is bepaald dat de windturbines ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - deelpark 1" samen één inrichting vormen en dat dit ook geldt voor de windturbines ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - deelpark 2". De windturbines ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - deelpark 1" zijn de windturbines behorende tot het windpark Blaakweg en de windturbines ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - deelpark 2" zijn de windturbines behorende tot het windpark Suyderlandt. Omdat het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" twee afzonderlijke windparken mogelijk maakt, ziet de Afdeling aanleiding om ook bij het bestemmingsplan bij de ontvankelijkheid onderscheid te maken tussen beide windparken. 13. In artikel 3, lid 3.2.1, onder e, van de planregels van het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" is bepaald dat de tiphoogte van een windturbine ten minste 139 m en minder dan 150 m bedraagt. 14. De rechtbank heeft in haar uitspraak vastgesteld dat van de groep [appellant sub 3A] en anderen de personen [appellant sub 3B], [appellant sub 3C], [appellante sub 3E] en [appellant sub 3K] buiten de afstand van tien keer de tiphoogte wonen van zowel windpark Blaakweg als windpark Suyderlandt. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat [appellant sub 3F] en [appellante sub 3I] buiten de afstand van tien keer de tiphoogte wonen van windpark Suyderlandt en [appellant sub 3G] en [appellante sub 3H] buiten de afstand van tien keer de tiphoogte van windpark Blaakweg. Op de tweede zitting bij de Afdeling hebben [appellant sub 3A] en anderen desgevraagd bevestigd dat de in de uitspraak van de rechtbank vermelde afstanden juist zijn. 15. Gelet op de in de uitspraak van de rechtbank vermelde afstanden concludeert de Afdeling dat het beroep van [appellant sub 3A] en anderen gericht tegen het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" niet-ontvankelijk is, voor zover het beroep is ingesteld namens: a. [appellant sub 3B], [appellant sub 3C], [appellante sub 3E] en [appellant sub 3K]; b. [appellant sub 3G] en [appellante sub 3H], uitsluitend voor zover het beroep betrekking heeft op de bestemming "Bedrijf - Windturbinepark" ter plaatse van het voorziene windpark Blaakweg; c. [appellant sub 3F] en [appellante sub 3I], uitsluitend voor zover het beroep betrekking heeft op de bestemming "Bedrijf - Windturbinepark" ter plaatse van het voorziene windpark Suyderlandt. TOETSINGSKADER Bestemmingsplan 16. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Omgevingsvergunningen 17. De keuze van de raad om de omgevingsvergunningen voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt niet gecoördineerd voor te bereiden met het voor deze windparken eveneens in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" heeft tot gevolg dat ten tijde van de vergunningverlening geen grondslag bestond om de aangevraagde omgevingsvergunningen te toetsen aan het op dat moment nog niet in werking getreden bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord". De aangevraagde omgevingsvergunningen zijn daarom getoetst aan de op dat moment nog geldende bestemmingsplannen "Buitengebied Middelharnis" en "Buitengebied Oostflakkee". Deze bestemmingsplannen bieden geen grondslag voor de verlening van de omgevingsvergunningen. De omgevingsvergunningen zijn daarom onder meer verleend voor de activiteit die is vermeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo: het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan. Daarbij is toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo waar is bepaald dat voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. PROCEDURELE BEROEPSGRONDEN Nader ingekomen stukken bij de rechtbank 18. Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen hebben er in hun hoger beroepschrift op gewezen dat zij bij brief van 27 maart 2018 bij de rechtbank nadere stukken hebben ingediend. Deze nadere stukken heeft de rechtbank volgens hen niet in haar beoordeling betrokken. In de uitspraak van de rechtbank ontbreekt echter een beslissing hierover, zo stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in hun hoger beroepschrift. Dit dient volgens hen tot vernietiging van de uitspraak te leiden. 18.1. In artikel 8:58, eerste lid, van de Awb is bepaald dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX3305) moet bij de toepassing van artikel 8:58, eerste lid, van de Awb de laatste dag waarop nog nadere stukken kunnen worden ingediend, worden bepaald op de elfde dag voor de zitting. De nadere stukken van Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen zijn op 27 maart 2018 op de tiende dag voor de zitting, die bij de rechtbank plaatsvond op 6 april 2018, binnengekomen. De stukken zijn gelet hierop te laat ingediend. De rechtbank heeft bij brief van 28 maart 2018 aan Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen medegedeeld dat de stukken te laat zijn ingediend en dat de rechtbank uiterlijk op de zitting zal beslissen of de te laat ingediende stukken aan het procesdossier worden toegevoegd. Blijkens het proces-verbaal van de zitting heeft de rechtbank ter zitting aan Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen medegedeeld dat de stukken die zij binnen de tiendagentermijn voor de zitting hebben ingediend vanwege de aard van deze stukken buiten beschouwing blijven. Dat dit niet ook in de uitspraak van de rechtbank is vermeld, maakt niet dat deze uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. De Afdeling ziet in hetgeen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen hebben aangevoerd verder geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank de nadere stukken ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Niet valt in te zien waarom Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen hun nadere stukken niet eerder in de procedure bij de rechtbank hadden kunnen indienen. 18.2. Het bovenstaande laat onverlet dat de Afdeling de nadere stukken die Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen ook bij hun hoger beroepschrift hebben overgelegd - voor zover relevant - in deze uitspraak bij de inhoudelijke beoordeling van de aangevoerde beroepsgronden zal betrekken, omdat de nadere stukken een nadere onderbouwing bevatten van de beroepsgronden die reeds bij de rechtbank naar voren zijn gebracht. Bevoegdheid vaststelling bestemmingsplan 19. Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen betogen dat de raad niet bevoegd is voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt een bestemmingsplan vast te stellen. Voor windparken tussen de 5 en 100 MW is die bevoegdheid volgens hen in de Elektriciteitswet 1998 (hierna: Elektriciteitswet) uitdrukkelijk voorbehouden aan de provincie en is de bevoegdheid niet overdraagbaar. Voor zover de bevoegdheid wel overdraagbaar is, stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat niet is voldaan aan de vereisten die in artikel 9f van de Elektriciteitswet aan de overdracht van de bevoegdheid zijn gesteld. 19.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1702, betreffende het windpark Autena, onder 4.2 geoordeeld dat uit artikel 9e, eerste lid, van de Elektriciteitswet niet volgt dat provinciale staten exclusief bevoegd zijn tot het vaststellen van een plan ten behoeve van een windpark met een capaciteit van 5 tot 100 MW. De raad blijft eveneens bevoegd tot het vaststellen van een plan dat voorziet in een dergelijk windpark op het grondgebied van zijn gemeente, zo heeft de Afdeling geoordeeld. Daarbij heeft de Afdeling vermeld dat dit eveneens volgt uit artikel 9e, tweede lid, waarin staat dat provinciale staten in ieder geval van hun bevoegdheid gebruik moeten maken indien de raad een verzoek tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan ten behoeve van een dergelijk windpark heeft afgewezen. 19.2. In de verwijzing van Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen naar artikel 9f van de Elektriciteitswet ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Artikel 9f van de Elektriciteitswet heeft betrekking op het voorbereiden, nemen en bekendmaken van de besluiten aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, van de Elektriciteitswet. Dit zijn de besluiten die zijn vermeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit rijkscoördinatieregeling energie-infrastructuurprojecten (hierna: het Uitvoeringsbesluit). In artikel 1 zijn de zogenoemde uitvoeringsbesluiten vermeld die benodigd zijn om een windpark te realiseren. Het besluit van de raad tot het vaststellen van een bestemmingsplan is niet een dergelijk uitvoeringsbesluit. Artikel 9f van de Elektriciteitswet is daarom niet van toepassing bij de beantwoording van de vraag of de raad bevoegd is voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt een bestemmingsplan vast te stellen. 19.3. Het betoog van Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat de raad niet bevoegd was het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" vast te stellen, slaagt dan ook niet. Bevoegdheid verlening omgevingsvergunningen 20. [appellante sub 1], Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen kunnen zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is voor de verlening van de omgevingsvergunningen voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt. Ter onderbouwing voeren zij het volgende aan. In artikel 9f, eerste en tweede lid, van de Elektriciteitswet is volgens Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen als hoofdregel neergelegd dat het college van gedeputeerde staten de besluiten aangewezen op grond van artikel 9d, eerste lid, - zijnde de besluiten die zijn vermeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit - neemt en de voorbereiding en bekendmaking daarvan coördineert. Het zesde lid biedt volgens hen voor het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid de bevoegdheid tot het nemen van deze besluiten over te dragen. Voor het bestuursorgaan dat de bevoegdheid heeft verkregen, blijft gelet op artikel 9f, eerste lid, van de Elektriciteitswet de verplichting tot coördinatie bestaan, zo stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen. Zij wijzen erop dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan en de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunningen voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt echter niet gecoördineerd zijn voorbereid en bekendgemaakt. Dit heeft volgens hen tot gevolg dat het college van burgemeester en wethouders de besluiten tot verlening van de omgevingsvergunningen onbevoegd heeft genomen. Het college van gedeputeerde staten kon op basis van artikel 9f, eerste en zesde lid, van de Elektriciteitswet namelijk uitsluitend de bevoegdheid tot gecoördineerde besluitvorming overdragen, zo stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen. Voorts betogen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat niet is voldaan aan de eisen die in artikel 107 van de Provinciewet aan de overdracht van een bevoegdheid door het provinciebestuur aan het gemeentebestuur zijn gesteld. Zo ontbreekt volgens hen in dit geval een delegatiebesluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten). Dat het college van gedeputeerde staten en het college van burgemeester en wethouders een overeenkomst hebben gesloten over de overdracht van de bevoegdheid tot vergunningverlening voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt laat volgens Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen onverlet dat ook een delegatiebesluit had moeten worden genomen. Daarnaast is volgens hen evenmin voldaan aan de overige eisen die in artikel 107 van de Provinciewet aan de overdracht van een bevoegdheid door het provinciebestuur aan het gemeentebestuur zijn gesteld. Ook [appellante sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval ten onrechte een delegatiebesluit van het college van gedeputeerde staten ontbreekt. Voorts heeft [appellante sub 1] gewezen op de vereisten die volgens haar in artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet worden gesteld aan de bevoegdheidsoverdracht. Aan het vereiste in artikel 9f, zesde lid, onder a, over de versnelling van het besluitvormingsproces wordt volgens [appellante sub 1] in dit geval niet voldaan. Ter onderbouwing stelt [appellante sub 1] dat als gevolg van het ontbreken van coördinatie tussen het vastgestelde bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunningen verschillende procedures moeten worden gevoerd bij zowel de rechtbank als de Afdeling. Dit heeft volgens [appellante sub 1] naast een onevenredige benadeling van appellanten ook een vertraging van het besluitvormingsproces tot gevolg. Doordat niet is voldaan aan de vereisten die in van artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet aan de bevoegdheidsoverdracht zijn gesteld, is de bevoegdheid tot het verlenen van de omgevingsvergunningen voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt niet overgegaan van het college van gedeputeerde staten naar het college van burgemeester en wethouders en zijn de omgevingsvergunningen voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt onbevoegd verleend, aldus [appellante sub 1]. 20.1. De bevoegdheidsregeling neergelegd in artikel 9f, tweede lid, van de Elektriciteitswet vormt een uitzondering op de algemene wettelijke bevoegdheidsregeling die voor het verlenen van omgevingsvergunningen is neergelegd in onder meer artikel 2.4 van de Wabo. Artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet biedt voor het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid om te bepalen dat het tweede lid niet van toepassing is. Dit betekent dat het college van gedeputeerde staten afziet van het overnemen van de bevoegdheid tot vergunningverlening van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan, waarmee de algemene bevoegdheidsregeling zoals die onder meer is neergelegd in de Wabo weer van toepassing is. De Afdeling verwijst in dit verband naar de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Elektriciteitswet (tijdig realiseren doelstellingen Energieakkoord), Kamerstukken II 2015/16, 34 401, nr. 3, p. 16, waarin is vermeld dat artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet het college van gedeputeerde staten de mogelijkheid geeft af te zien van het overnemen van de bevoegdheid van gemeenten. Het afzien van het overnemen van een bevoegdheid van het in eerste aanleg bevoegde bestuursorgaan is geen delegatie of overdracht van bevoegdheid als bedoeld in artikel 107 van de Provinciewet. Indien het college van gedeputeerde staten toepassing geeft aan artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet zijn de vereisten die in artikel 107 van de Provinciewet aan een overdracht van de bevoegdheid door het provinciebestuur aan het gemeentebestuur zijn gesteld, daarom niet van toepassing. 20.2. In dit geval heeft het college van gedeputeerde staten in september 2016 besloten toepassing te geven aan artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet en af te zien van de uitoefening van de aan hem in het eerste en tweede lid van dit artikel toebedeelde bevoegdheden inzake de besluitvorming over en de coördinatie en voorbereiding van de besluiten die nodig zijn voor het oprichten van onder meer de windparken Blaakweg en Suyderlandt. De Afdeling verwijst naar de besluitenlijst van de vergadering van het college van gedeputeerde staten van 20 september 2016 die het college van burgemeester en wethouders als bijlage bij zijn schriftelijke uiteenzetting heeft overgelegd. Het betoog van [appellante sub 1], Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat een besluit van het college van gedeputeerde staten over de toepassing van artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet in dit geval ontbreekt, mist dan ook feitelijke grondslag en kan reeds hierom niet slagen. 20.3. Doordat het college van gedeputeerde staten heeft afgezien van het overnemen van de bevoegdheid tot vergunningverlening voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt, is het college van burgemeester en wethouders naar het oordeel van de Afdeling bevoegd voor deze windparken de benodigde omgevingsvergunningen te verlenen. De omstandigheid dat de voorbereiding en bekendmaking van de omgevingsvergunningen niet is gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord", doet aan deze bevoegdheid niets af. Uit artikel 9f van de Elektriciteitswet vloeit - anders dan [appellante sub 1], Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen stellen - namelijk geen verplichting voort de voorbereiding en bekendmaking van het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen te coördineren. De in artikel 9f, eerste lid, van de Elektriciteitswet vermelde coördinatie heeft uitsluitend betrekking op de voorbereiding en bekendmaking van de uitvoeringsbesluiten genoemd in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit en niet op de coördinatie van de uitvoeringsbesluiten met bijvoorbeeld een bestemmingsplan. 20.4. Dit betekent voorts dat bij de beantwoording van de vraag of het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" gecoördineerd had moeten worden voorbereid en bekendgemaakt met de voor deze windlocatie verleende omgevingsvergunningen, artikel 9f, zesde lid, van de Elektriciteitswet niet van toepassing is. De Afdeling zal het betoog van [appellante sub 1] dat in dit geval toepassing had moeten worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling neergelegd in artikel 3.30 van de Wro daarom in het onderstaande onder 21 afzonderlijk beoordelen. 20.5. De betogen over de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders om de omgevingsvergunningen te verlenen, falen. Coördinatie 21. Zoals hiervoor onder 2 is vermeld, zijn het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt niet gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wro. De raad heeft op 9 juli 2015 besloten om, anders dan het college van burgemeester en wethouders heeft voorgesteld, in dit geval geen toepassing te geven aan de gemeentelijke coördinatieregeling. [appellante sub 1] betoogt dat in dit geval waarin een bestemmingsplan en omgevingsvergunningen voor eenzelfde ontwikkeling gelijktijdig worden voorbereid en ook vrijwel gelijktijdig worden vastgesteld en verleend, toepassing had moeten worden gegeven aan de gemeentelijke coördinatieregeling neergelegd in artikel 3.30 van de Wro. Het niet toepassen van de coördinatieregeling heeft volgens [appellante sub 1] een onevenredige benadeling van appellanten tot gevolg, omdat drie grotendeels identieke procedures moeten worden gevoerd bij twee verschillende rechterlijke instanties. Bij de rechtbank over de omgevingsvergunningen en bij de Afdeling over het bestemmingsplan en het hoger beroep tegen de omgevingsvergunningen. Het oordeel van de rechtbank dat de raad om hem moverende redenen in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat in dit geval geen aanleiding bestond om de coördinatieregeling toe te passen, is volgens [appellante sub 1] ten onrechte niet gemotiveerd. 21.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9521, overweging 2.5.1, geoordeeld dat blijkens de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van de gemeentelijke coördinatieregeling (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, p. 60) niet is beoogd een verplichting aan te brengen in de bundeling en parallelschakeling van procedures. Dit volgt ook uit de redactie van artikel 3.30, eerste lid, van de Wro waar, kort gezegd, is bepaald dat bij besluit van de gemeenteraad gevallen of categorieën van gevallen "kunnen" worden aangewezen waarin de voorbereiding en bekendmaking van op aanvraag of ambtshalve te nemen besluiten worden gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van een bestemmingsplan. De raad heeft beleidsruimte bij zijn besluit of wordt overgegaan tot coördinatie. Op de tweede zitting heeft de raad toegelicht dat vanwege de verdeeldheid die binnen de gemeente bestaat over de realisatie van nieuwe windparken het door hem wenselijk wordt geacht dat omwonenden zich bij meer dan één rechtelijke instantie over nieuwe windparkontwikkelingen binnen de gemeente kunnen uitlaten. Dit is volgens de raad de reden dat het voorstel van het college van burgemeester en wethouders om bij de nieuwe windparken, zoals de windparken Blaakweg en Suyderlandt, toepassing te geven aan de gemeentelijke coördinatieregeling met algemene stemmen is verworpen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad deze afweging in redelijkheid ten grondslag kunnen leggen aan zijn keuze om in dit geval geen toepassing te geven aan de coördinatieregeling neergelegd in artikel 3.30 van de Wro. Hoewel het begrijpelijk is dat niet alle belanghebbenden het instellen van beroep bij meer dan één rechterlijke instantie over dezelfde ontwikkeling als wenselijk ervaren, betekent dit - in aanmerking genomen de omstandigheid dat artikel 3.30 van de Wro geen verplichting tot coördinatie bevat - echter niet dat moet worden geoordeeld dat de keuze van de raad om voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt geen toepassing te geven aan artikel 3.30 van de Wro in strijd moet worden geacht met enig wettelijk voorschrift of algemeen rechtsbeginsel. 21.2. Het betoog faalt. Inspraak 22. [appellant sub 5] en anderen betogen in hun hoger beroepschrift dat de rechtbank in haar uitspraak heeft miskend dat op geen enkele wijze rekening is gehouden met de op een bestuursorgaan rustende verplichtingen op grond van het Verdrag van Aarhus. Volgens [appellant sub 5] en anderen zijn in dit geval aan omwonenden geen reële mogelijkheden voor inspraak geboden. Ter onderbouwing voeren zij aan dat de besluiten voor de locatiekeuze voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt ten onrechte buiten het bereik van inspraak zijn gehouden. Doordat geen inspraak is geboden bij het vaststellen van de locaties voor windenergie, is in strijd gehandeld met het Verdrag van Aarhus, aldus [appellant sub 5] en anderen. Zij verwijzen daarbij naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., ECLI:EU:C:2016:816, (hierna: het arrest D’Oultremont). Uit dit arrest kan volgens hen worden afgeleid dat besluiten met betrekking tot de locatie van windturbines ook vallen onder de reikwijdte van het Verdrag van Aarhus en derhalve aan inspraak zijn onderworpen. 22.1. De Afdeling stelt voorop dat in overweging 11 van de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3067, over het windpark Weijerswold Coevorden en overweging 28 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat de nationale regelgeving neergelegd in de Wet milieubeheer, de Wro en de Awb op basis waarvan van een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van het milieueffectrapport geen correcte implementatie vormen van het Verdrag van Aarhus. De Afdeling heeft voorts overwogen dat op het moment dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van het milieueffectrapport, nog geen beslissing over het ontwerpplan of ontwerpbesluit is genomen. Inspraak over het ontwerpplan of ontwerpbesluit is vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden, zo heeft de Afdeling geoordeeld. 22.2. Het ontwerpplan en het ontwerp voor de omgevingsvergunningen voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt met het bijbehorende milieueffectrapport hebben met ingang van 2 maart 2017 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Niet in geschil is dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan. De ingekomen zienswijzen zijn van een inhoudelijke reactie voorzien in de nota van beantwoording zienswijzen. Blijkens de nota van beantwoording zienswijzen zijn de ingekomen zienswijzen, waaronder over de locatiekeuze, inhoudelijk in de besluitvorming meegewogen. Met deze inspraakmogelijkheden is, zoals hiervoor onder 22.1 is overwogen, inspraak geboden op een vroeg genoeg moment. 22.3. Daarnaast overweegt de Afdeling dat het betoog van [appellant sub 5] en anderen dat de besluiten over de locatiekeuze voor windenergie ten onrechte buiten het bereik van inspraak zijn gehouden eveneens feitelijke grondslag mist. In paragraaf 3.4 van het ten behoeve van de windparken Blaakweg en Suyderlandt opgestelde milieueffectrapport is er terecht op gewezen dat reeds in de Nota Wervelender van de provincie Zuid-Holland de randen van Goeree-Overflakkee zijn aangewezen als zoekgebied voor de ontwikkeling van windenergie. Het ontwerp voor de Nota Wervelender heeft in 2010 voor inspraak ter inzage gelegen. Ook de door provinciale staten van Zuid-Holland vastgestelde Verordening ruimte 2014, waarin onder meer windlocatie Battenoord is aangewezen als locatie voor windenergie, heeft voor inspraak ter inzage gelegen. Verder heeft op gemeentelijk niveau in 2014 het document "Partiële herziening regionale structuurvisie Goeree-Overflakkee; Windenergie"(hierna: structuurvisie voor windenergie), waarin plaatsingsgebieden voor windenergie zijn aangewezen, voor inspraak ter inzage gelegen. De stelling van [appellant sub 5] en anderen dat de locatiekeuze voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt ten onrechte buiten het bereik van inspraak is gehouden, deelt de Afdeling dan ook niet. 22.4. Het betoog faalt. Schijn van partijdigheid en vooringenomenheid 23. Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen stellen onder verwijzing naar artikel 2.4 van de Awb dat het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten zijn taak zonder vooringenomenheid dient te vervullen en de schijn van partijdigheid dient te vermijden. Volgens hen is hieraan bij de besluitvorming voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt niet voldaan. Ter onderbouwing voeren Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen aan dat de raad en het college van burgemeester en wethouders zich bij de besluitvorming niet hadden mogen laten adviseren door adviesbureau Bosch & Van Rijn, omdat dit adviesbureau ook de initiatiefnemers van de windparken Blaakweg en Suyderlandt bijstaat en gelijktijdig ook bij andere windparkontwikkelingen in de gemeente Goeree-Overflakkee rechtstreeks optreedt als opdrachtnemer voor de gemeente. De schijn van partijdigheid wordt volgens hen namelijk niet alleen gewekt door als bevoegd gezag gebruik te maken van dezelfde deskundige als de initiatiefnemers, maar ook door als bevoegd gezag een deskundige in te schakelen die in het ene geval wordt ingeschakeld om een onafhankelijk advies uit te brengen, terwijl deze deskundige gelijktijdig of betrekkelijk kort voorafgaande aan de verlening van de opdracht tot advisering als deskundige in een of meer gevallen hetzelfde bestuursorgaan als deskundige heeft bijgestaan of geadviseerd. Op de tweede zitting hebben Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in dit verband aangevoerd dat de raad en het college van burgemeester en wethouders erop hadden moeten wijzen dat Bosch & Van Rijn hen in het nabije verleden heeft geadviseerd en bijgestaan. Tevens stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat de schijn van partijdigheid is gewekt doordat de rol van Bosch & Van Rijn als mede-adviseur van de initiatiefnemers in het besluitvormingsproces te groot is geweest. Zij wijzen er daarbij op dat Bosch & Van Rijn onder meer de plantoelichting bij het bestemmingsplan en het milieueffectrapport voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt heeft opgesteld. Bij hun nadere stuk van 22 november 2018 hebben Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in dit verband correspondentie overgelegd tussen medewerkers van de gemeente, Bosch & Van Rijn en de initiatiefnemers. Uit deze stukken blijkt volgens hen dat sprake is van een samenwerking tussen enerzijds de initiatiefnemers en anderzijds de gemeente, met begeleiding van Bosch & Van Rijn, waarin gezamenlijk naar een doel is toegewerkt zonder dat van kritische toetsing sprake is geweest. Zo blijkt uit de overgelegde correspondentie onder meer dat zowel de initiatiefnemers als Bosch & Van Rijn rechtstreeks zijn betrokken bij de beantwoording van de zienswijzen, de wijze van bestemmen en de gestelde voorschriften voor geluid, aldus Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen. Zij stellen dat formeel de raad en het college van burgemeester en wethouders de besluiten hebben genomen, maar dat de besluiten materieel vrijwel volledig tot stand zijn gekomen onder invloed van de initiatiefnemers en Bosch & Van Rijn als adviseur van de initiatiefnemers. In hun hoger beroepschrift hebben Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in dit verband voorts gesteld dat bij de besluitvorming geen oordeel is gegeven over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het project, maar louter en alleen onder druk van provinciaal ingrijpen is ingestemd met de realisatie van de windparken. Verder stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat de gemeente Goeree-Overflakkee financiële belangen heeft in het kapitaal van Deltawind en daarnaast belang heeft bij het innen van leges voor de verleende omgevingsvergunningen. Ook hiermee is volgens hen de schijn van partijdigheid gegeven. De gewekte schijn van partijdigheid is volgens Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen niet weggenomen met de slechts beperkte toetsing die de commissie voor de milieueffectrapportage heeft verricht. Dat de verrichte onderzoeken volgens de raad en het college van burgemeester en wethouders eveneens zouden zijn getoetst door DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: DCMR) is evenmin inzichtelijk gemaakt, aldus Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen. Ook [appellant sub 5] en anderen stellen in hun beroepschrift gericht tegen het bestemmingsplan alsmede in hun hoger beroepschrift dat sprake is van strijd met artikel 2:4, eerste lid, van de Awb. Volgens hen zijn de door Bosch & Van Rijn verrichte onderzoeken niet objectief en te rooskleurig van aard. De raad en het college van burgemeester en wethouders hebben zich hier, mede als gevolg van tijdsdruk bij de initiatiefnemers om zo snel mogelijk de benodigde subsidies te verkrijgen, onvoldoende rekenschap van gegeven, aldus [appellant sub 5] en anderen. 23.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak bij overweging 10.4, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:141, over het windpark Spui (hierna: uitspraak over het windpark Spui), geoordeeld onvoldoende aanknopingspunten te zien voor twijfel aan de onpartijdigheid en vooringenomenheid van het college van burgemeester en wethouders. 23.2. In overweging 9.1 van de uitspraak over het windpark Spui heeft de Afdeling geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat het bevoegd gezag zich bij het nemen van het bestreden besluit heeft laten adviseren door een adviesbureau dat ook werkzaamheden verricht voor de initiatiefnemer(
- s)op zichzelf onvoldoende is voor twijfel aan de onpartijdigheid en mogelijke vooringenomenheid van het bevoegd gezag. De omstandigheid dat de raad en het college van burgemeester en wethouders bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de windparken Blaakweg en Suyderlandt gebruik hebben gemaakt van de onderzoeken van Bosch & Van Rijn, welk bureau tevens werkzaamheden verricht voor de initiatiefnemers, is dan ook op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat in dit geval de schijn van partijdigheid is gewekt. Dat Bosch & Van Rijn volgens Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen ook bij de besluitvorming voor andere windparken in de gemeente Goeree-Overflakkee optreedt als adviseur voor de gemeente - daargelaten de juistheid daarvan - betekent op zichzelf evenmin dat in dit geval de schijn van partijdigheid is gewekt. Blijkens de op de tweede zitting door Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen voorgedragen uiteenzetting over de schijn van partijdigheid en vooringenomenheid maken zij een vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1970. In deze uitspraak was sprake van een afwijzing van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade waaraan adviezen van een planschadebeoordelingscommissie ten grondslag waren gelegd. Een van de leden van deze commissie had de gemeente tijdens en voorafgaand aan de advisering over het planschadeverzoek onder meer als advocaat bijgestaan. In een dergelijke situatie is de schijn van partijdigheid gewekt, zo heeft de Afdeling geoordeeld. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat van belang is dat een advocaat zorg draagt voor de rechtsbescherming van zijn cliënt en dat hij daarbij partijdig is. Deze situatie komt naar het oordeel van de Afdeling niet overeen met de onderhavige situatie waarin niet is gebleken dat Bosch & Van Rijn optreedt of heeft opgetreden als advocaat of gemachtigde van de gemeente Goeree-Overflakkee. Bosch & Van Rijn heeft uitsluitend als adviesbureau op het gebied van windenergie onderzoek gedaan naar en geadviseerd over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van verschillende nieuwe windparkontwikkelingen in onder meer de gemeente Goeree-Overflakkee. De stelling van Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat de raad en het college van burgemeester en wethouders dan wel Bosch & Van Rijn uit eigen beweging kenbaar hadden moeten maken welke werkzaamheden Bosch & Van Rijn thans en in het nabije verleden verricht of heeft verricht voor de gemeente Goeree-Overflakkee, welke stelling zij eveneens hebben ontleend aan de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2016, deelt de Afdeling daarom niet. 23.3. Ter beoordeling staat of in dit geval, gelet op de grote rol die Bosch & Van Rijn en de initiatiefnemers volgens Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in het besluitvormingsproces hebben gehad, niettemin de schijn van partijdigheid is gewekt. Op dit punt stelt de Afdeling onder verwijzing naar overweging 9.1 van de uitspraak over het windpark Spui voorop dat bij een samenwerking tussen het bestuursorgaan en de initiatiefnemer dan wel de adviseur van de initiatiefnemer, die eenzelfde ontwikkeling voorstaan, er in beginsel van moet worden uitgegaan dat ieder van hen zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt. Uit de correspondentie die Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen bij hun nadere stuk van 22 november 2018 hebben overgelegd blijkt dat tussen de initiatiefnemers, Bosch & Van Rijn en de gemeente sprake is geweest van een nauwe samenwerking waarbij veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden. Uit de overgelegde correspondentie kan naar het oordeel van de Afdeling echter niet worden afgeleid dat de raad en het college van burgemeester en wethouders bij de besluitvorming over de windparken Blaakweg en Suyderlandt hun eigen verantwoordelijkheid hebben miskend. Zo kan uit de overgelegde correspondentie bijvoorbeeld niet worden afgeleid dat de onderzoeksresultaten bewust onjuist zijn weergegeven, dat sprake is geweest van een samenspanning dan wel dat bepaalde gegevens bewust niet zijn verstrekt. Daarbij wijst de Afdeling er voorts op dat blijkens de door Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen overgelegde stukken de onderzoeksresultaten van Bosch & Van Rijn onder meer op het gebied van veiligheid en geluid voorafgaand aan de besluitvorming ter nadere beoordeling zijn voorgelegd aan DCMR. Dat Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen desondanks twijfels hebben bij de juistheid en de representativiteit van de door Bosch & Van Rijn verrichte onderzoeken, betekent op zichzelf niet dat ook sprake is van partijdigheid of vooringenomenheid van het bestuursorgaan. De Afdeling tekent hierbij aan dat de inhoudelijke twijfels die zijn geuit over de juistheid van de onderzoeksrapporten van Bosch & Van Rijn worden beoordeeld bij de behandeling van de beroepsgronden over de desbetreffende onderwerpen, zoals geluid. 23.4. Voorts deelt de Afdeling de conclusie van de rechtbank dat de omstandigheid dat de gemeente Goeree-Overflakkee als publiekrechtelijke rechtspersoon aandeelhouder is van Deltawind evenmin betekent dat het verbod opgenomen in artikel 2:4, eerste lid, van de Awb is geschonden. Evenals de rechtbank ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit belang en het mogelijke belang bij het ontvangen van leges die met de vergunningverlening zijn gemoeid, in de procedures over de aanvaardbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling een rol hebben gespeeld. 23.5. De betogen falen. Draagvlak 24. Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen stellen dat geen draagvlak bestaat voor de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt. Volgens hen bestaat op grootschalig niveau verzet tegen de plaatsing van meer windturbines in en nabij Oude-Tonge en Nieuwe-Tonge. Ter onderbouwing stellen zij dat van de 2.383 huishoudens in deze gebieden ongeveer 2.100 een petitie hebben ondertekend tegen de plaatsing van de windturbines. Door de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt desondanks mogelijk te maken, is volgens Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen miskend dat in paragraaf 4.2.1 van het "Energieakkoord voor duurzame groei" opgesteld door de Sociaal-Economische Raad (hierna: het Energieakkoord) is vermeld dat realisatie van de ambitie van 6000 MW windenergie op land vereist dat overheden, bedrijven, agrariërs, werknemers en natuur- en milieuorganisaties actief bijdragen aan versterking van het maatschappelijk draagvlak waarbij het geforceerd doorzetten van projecten contraproductief werkt. Voor het reserveren van meer ruimte voor wind op land is op lokaal en provinciaal niveau maatschappelijk en politiek draagvlak hard nodig, zo staat volgens Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in het Energieakkoord. Het vereiste van maatschappelijk draagvlak is volgens hen bij de planvorming voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt ten onrechte miskend. Ook [appellant sub 4] betoogt dat draagvlak voor de ontwikkeling ontbreekt. 24.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, overweging 47.1, en zoals de rechtbank ook onder 22.1 van haar uitspraak heeft overwogen, is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen mag worden mogelijk gemaakt als daarvoor voldoende draagvlak bestaat bij de bewoners, ondernemers en belangenorganisaties in het gebied. Het bestaan van draagvlak is dan ook niet beslissend voor de rechtmatigheid van de voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt genomen besluiten. Dit betekent echter niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt, zoals ook blijkt uit het Energieakkoord, een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het nieuwe windpark dient te maken. Dit betreft een afweging tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening en onder meer de belangen van omwonenden. Zoals de Afdeling in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer heeft overwogen, is het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau in de belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend. De vraag of bij de besluitvorming over de windparken Blaakweg en Suyderlandt de belangen van omwonenden goed in beeld zijn gebracht en afgewogen, zal in het onderstaande aan de hand van de beroepsgronden over onder meer de locatiekeuze, de hinder door geluid en slagschaduw en de gestelde aantasting van de landschappelijke waarden worden beoordeeld. Dit betekent dat de omstandigheid dat een groot deel van de omwonenden zich heeft gekeerd tegen de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt op zichzelf beschouwd dan ook niet tot vernietiging van de voor deze windparken genomen besluiten kan leiden. De betogen falen. INHOUDELIJKE BEROEPSGRONDEN Milieueffectrapport 25. [appellant sub 4] stelt in zijn beroepschrift gericht tegen het bestemmingsplan dat in het milieueffectrapport dat voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt is opgesteld windpark Krammer louter als een autonoom gebied en een autonome ontwikkeling is beschouwd waarvan de cumulatieve effecten niet in het milieueffectrapport zijn meegenomen. Volgens [appellant sub 4] vormen windpark Krammer en windlocatie Battenoord één samenhangend geheel en hadden de effecten van deze windturbinelocaties in het milieueffectrapport ook integraal als één samenhangend geheel moeten worden beoordeeld. Doordat dit niet is gebeurd, moet het milieueffectrapport opnieuw worden opgesteld, aldus [appellant sub 4]. 25.1. Aan het vastgestelde bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunningen ligt het rapport "Milieueffectrapportage; Bestemmingsplan Windlocatie Battenoord en Omgevingsvergunning Windlocatie Battenoord" opgesteld in november 2016 (hierna: het MER) ten grondslag. In paragraaf 4.5.1 van het MER is vermeld dat op het Krammersluizencomplex een groot windpark in voorbereiding is: het windpark Krammer. In paragraaf 6.2.8 van het MER wordt ingegaan op het cumulatieve geluidniveau met windpark Krammer en in paragraaf 6.6.4 op de landschappelijke interferentie met windpark Krammer. De stelling van [appellant sub 4] dat in het MER geen rekening is gehouden met de cumulatieve effecten van windpark Krammer deelt de Afdeling dan ook niet. De vraag of in het MER en in de onderzoeken die aan het MER ten grondslag liggen bij onder meer de beoordeling van de geluidhinder en de effecten op het landschap op een toereikende wijze rekening is gehouden met de effecten van windpark Krammer, komt in het onderstaande bij de bespreking van de inhoudelijke betogen over geluid en landschap aan de orde. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant sub 4] echter geen aanleiding voor het oordeel dat het MER zodanige gebreken bevat dat reeds om die reden tot vernietiging van het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan voor windlocatie Battenoord moet worden overgegaan. Het betoog faalt. Nut en noodzaak 26. Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen stellen dat de reden van de raad en het college van burgemeester en wethouders om medewerking te verlenen aan de plannen voor de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt uitsluitend is gelegen in de gestelde noodzaak de met de provincie Zuid-Holland afgesproken doelstelling voor de opwekking van duurzame energie te behalen. Deze doelstelling bedraagt 225 MW aan windenergie in de gemeente Goeree-Overflakkee in 2020. Volgens Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen zal de doelstelling ook zonder de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt worden behaald. Zij hebben ter onderbouwing in hun beroepschrift en hoger beroepschrift een overzicht opgenomen van het opgesteld vermogen in MW van de gerealiseerde en nog te realiseren windparken in de gemeente Goeree-Overflakkee. Op basis van dit overzicht concluderen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat geen nut en noodzaak bestaat voor de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt en dat de raad en het college van burgemeesters daarom geen medewerking hadden kunnen en mogen verlenen aan de realisatie van deze windparken. 26.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 11.2 geconcludeerd dat de stelling van Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat de opgave van 225 MW reeds wordt gehaald, geen aanleiding vormt de voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt verleende omgevingsvergunningen te vernietigen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het type windturbine en daarmee het vermogen van de windturbine dat gekozen zal worden in de eerste plaats aan de initiatiefnemer is en niet aan het bevoegd gezag. 26.2. De raad en het college van burgemeester en wethouders hebben tijdens de tweede zitting gesteld dat de aannames die ten grondslag liggen aan het overzicht van Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen onzeker zijn. Een groot deel van de in het overzicht vermelde windparken dient volgens hen nog te worden gerealiseerd waarbij de initiatiefnemers nog geen keuze hebben gemaakt voor een windturbinetype. Hierdoor kan niet worden vastgesteld of de doelstelling van 225 MW ook zonder de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt zal worden behaald, aldus de raad en het college van burgemeester en wethouders. 26.3. In de bijlage bij het hoger beroepschrift hebben Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen het in hun beroepschrift en hoger beroepschrift weergegeven overzicht van de gerealiseerde en nog te realiseren windparken in de gemeente Goeree-Overflakkee opnieuw opgenomen. In het overzicht is een totaal opgesteld vermogen vermeld van 224,65 MW waarbij de windparken Blaakweg en Suyderlandt niet zijn meegerekend. Uit de bij het overzicht vermelde opmerkingen blijkt dat een groot deel van de vermelde windparken is gepland of vergund, maar nog niet gerealiseerd. Voor deze windparken hebben Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen onder meer op basis van de in de aanvraag vermelde bandbreedte voor het vermogen van de windturbines een inschatting gemaakt van het op te stellen vermogen. Gelet op de ruime bandbreedte voor het opgestelde vermogen en het ontbreken van een keuze voor een windturbinetype, deelt de Afdeling de conclusie van de raad en het college van burgemeester en wethouders dat op basis van het door Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen overgelegde overzicht niet kan worden geconcludeerd dat het nut en de noodzaak voor de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt ontbreekt. Daarbij overweegt de Afdeling voorts dat ook indien wel de zekerheid kan worden verkregen dat de voor de gemeente Goeree-Overflakkee gestelde doelstelling voor windenergie op land in 2020 zonder de windparken Blaakweg en Suyderlandt kan worden behaald, dit niet betekent dat het nut en de noodzaak voor de realisatie van deze windparken ontbreken. Daarbij komt bijvoorbeeld ook betekenis toe aan de vraag of op landelijk niveau de duurzaamheidsdoelstellingen worden behaald en of voor de gemeente Goeree-Overflakkee na 2020 aanvullende duurzaamheidsdoelstellingen zijn of zullen worden gesteld. De betogen falen. Alternatieve locaties 27. Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen betogen dat de raad bij de planvaststelling voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt ten onrechte geen rekening heeft gehouden met mogelijke alternatieve locaties voor windenergie. Zij wijzen op de locatie "Plan Diederik", voor welke locatie volgens hen reeds een plan-MER is opgesteld, en de locatie langs de N59. Windturbines langs de N59 veroorzaken geen hinder voor omwonenden, omdat nabij de windturbinelocatie langs de N59 geen woningen zijn gesitueerd, zo stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen. Door de windturbines van de windparken Blaakweg en Suyderlandt op een andere plaats te situeren, wordt volgens hen tevens voorkomen dat in een beperkt gebied in de gemeente Goeree-Overflakkee één grote windturbinelocatie ontstaat met het karakter van een industriële omgeving. Ter onderbouwing stellen zij dat na de realisatie van de windparken Blaakweg en Suyderlandt binnen een straal van slechts 2 km in totaal 52 windturbines zijn gesitueerd waarvan een groot deel met een hoogte van bijna 190 m. Het visuele beeld wijzigt daardoor volgens hen ingrijpend. De aangedragen alternatieve locaties hebben het voordeel dat een spreiding van windturbines in de gemeente plaatsvindt, zo betogen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen. [appellant sub 4] wijst in zijn beroepschrift gericht tegen het bestemmingsplan op de locatie "Den Bommel". Het realiseren van windturbines op deze locatie heeft volgens hem minder negatieve effecten op het gebied van geluid, slagschaduw, ecologie en landschap tot gevolg dan bij de locatie Battenoord. 27.1. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan is gebonden aan de provinciale regels neergelegd in de Verordening ruimte 2014 van de provincie Zuid-Holland. In artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 is bepaald dat een bestemmingsplan nieuwe windturbines alleen toelaat op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op "Kaart 10 Windenergie". Windlocatie Battenoord is op "Kaart 10 Windenergie" bij de Verordening ruimte 2014 aangewezen als locatie voor windenergie. 27.2. De op "Kaart 10 Windenergie" bij de Verordening ruimte 2014 aangewezen locaties voor windenergie komen overeen met de plaatsingsgebieden voor windenergie die zijn aangewezen in de in 2014 door de raad vastgestelde structuurvisie voor windenergie. Aan de Verordening ruimte 2014 en de structuurvisie voor windenergie ligt het planMER ten grondslag dat in 2013 gezamenlijk op provinciaal en gemeentelijk niveau is opgesteld: "PlanMER Windenergie Goeree-Overflakkee" (hierna: het PlanMER). In het PlanMER zijn locaties onderzocht voor grote clusters windturbines en locaties voor kleine clusters windturbines. Tot de onderzochte locaties behoren onder meer de locaties "Polder Diederik" en "Den Bommel Zuid". Tijdens de tweede zitting hebben Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4] desgevraagd bevestigd dat de door hen genoemde alternatieve locaties "Plan Diederik" en "Den Bommel" overeenkomen met de in het PlanMER onderzochte locaties "Polder Diederik" en "Den Bommel Zuid". De Afdeling stelt vast dat deze locaties op "Kaart 10 Windenergie" bij de Verordening ruimte 2014 en in de gemeentelijke structuurvisie voor windenergie niet zijn aangewezen als locatie voor windenergie. Ook de voorgestelde alternatieve locatie langs de N59 bij Hellegatsdam is niet aangewezen als locatie voor windenergie. 27.3. Zoals hiervoor onder 27.1 is overwogen, is de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan gebonden aan de provinciale regels neergelegd in de Verordening ruimte 2014. Doordat in artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 is bepaald dat nieuwe windturbines in het bestemmingsplan alleen kunnen worden toegelaten op gronden binnen de locaties voor windenergie verbeeld op "Kaart 10 Windenergie", stond het de raad niet vrij een bestemmingsplan vast te stellen voor de realisatie van nieuwe windturbines ter plaatse van de locaties "Polder Diederik", "Den Bommel Zuid" of langs de N59 bij Hellegatsdam. Dit is anders indien artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014, zijnde een algemeen verbindend voorschrift, exceptief toetsend, wegens strijd met een hogere regeling of algemeen rechtsbeginsel buiten toepassing dient te worden gelaten. Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4] hebben echter niet onderbouwd waarom de keuze om de locaties "Polder Diederik", "Den Bommel Zuid" en de locatie langs de N59 bij Hellegatsdam niet aan te wijzen als locatie voor windenergie en daarmee de realisatie van nieuwe windturbines ter plaatse in de Verordening ruimte 2014 niet toe te staan, in strijd moet worden geacht met een hogere regeling of algemeen rechtsbeginsel. 27.4. In het kader van het vorenstaande overweegt de Afdeling voorts dat de op de tweede zitting door Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4] naar voren gebrachte stelling dat de Verordening ruimte 2014 in strijd is met hoger recht, namelijk het Verdrag van Aarhus, omdat geen mogelijkheid is geboden voor inspraak, feitelijke grondslag mist en reeds hierom niet kan slagen. Zoals hiervoor onder 22.3 is overwogen, heeft het ontwerp voor de Verordening ruimte 2014 voor inspraak ter inzage gelegen. 27.5. Doordat artikel 2.4.1, eerste lid, van de Verordening ruimte 2014 eraan in de weg staat een bestemmingsplan vast te stellen voor de realisatie van nieuwe windturbines ter plaatse van de locaties "Polder Diederik", "Den Bommel Zuid" en langs de N59 bij Hellegatsdam en het aangevoerde gelet op het vorenstaande geen aanknopingspunten biedt dit artikel wegens strijd met een hogere regeling of algemeen rechtsbeginsel buiten toepassing te laten, vormen de aangedragen alternatieve locaties geen locaties die de raad bij de planvaststelling voor de windparken Blaakweg en Suyderlandt in zijn afweging had kunnen betrekken. De betogen falen. Provinciale plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines 28. Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen betogen dat de windparken Blaakweg en Suyderlandt worden gerealiseerd in strijd met de provinciale plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines neergelegd in de Verordening ruimte 2014 en de Visie ruimte en mobiliteit van de provincie Zuid-Holland. Deze plaatsingsvisie vereist volgens hen dat nieuwe windturbines worden gerealiseerd op locaties waar windenergie wordt gecombineerd met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water. Daarbij dient blijkens de plaatsingsvisie de voorkeur te worden gegeven aan enkelvoudige lijnopstellingen in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen, aldus Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen. De windparken Blaakweg en Suyderlandt voldoen volgens hen niet aan de plaatsingsvisie. Zo wordt windpark Suyderlandt in een hoekopstelling in plaats van een enkelvoudige lijnopstelling gerealiseerd, wordt windpark Blaakweg niet gerealiseerd op een grootschalige scheidslijn tussen land en water en is bij beide windparken geen sprake van de aanwezigheid van grootschalige bedrijvigheid, aldus Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen. [appellant sub 5] en anderen betogen in hun hoger beroepschrift voorts dat de provinciale plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines tevens vereist dat windturbines niet worden gerealiseerd in gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn. Zij stellen dat aan deze voorwaarde in dit geval evenmin wordt voldaan. Ter onderbouwing stellen [appellant sub 5] en anderen dat windturbines met een tiphoogte van bijna 150 m zullen leiden tot een ernstige aantasting en versnippering van het open en cultuurhistorisch waardevolle landschap, omdat de windturbines naar maat en schaal niet passend zijn in het gebied en niet aansluiten op andere windparken in de omgeving. Het enkele feit dat windlocatie Battenoord in de Verordening ruimte 2014 is aangewezen als locatie voor windenergie betekent niet automatisch dat het windpark en de situering daarvan voldoet aan de toetsingsvereisten van de provinciale plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines, zo stellen Stichting Mallenmolens en [appellant sub 3A] en anderen in hun hoger beroepschrift. Volgens hen is niet gebleken dat aan vereisten van de plaatsingsvisie bij de vergunningverlening is getoetst. 28.1. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 9.3 geoordeeld dat zowel windpark Suyderlandt als windpark Blaakweg voldoet aan één van de criteria van de provinciale plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines, zodat van strijdigheid met deze plaatsingsvisie geen sprake is. 28.2. De door [appellant sub 5] en anderen, Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen genoemde provinciale vereisten die volgens hen worden gesteld aan de realisatie van nieuwe windturbines zijn niet opgenomen in artikel 2.4.1 van de Verordening ruimte 2014, in welk artikel de vereisten zijn neergelegd voor de realisatie van nieuwe windturbines in de provincie Zuid-Holland. Op grond van artikel 2.4.1 van de Verordening ruimte 2014 is uitsluitend vereist dat de windturbines worden gerealiseerd binnen de gebieden die daartoe zijn aangewezen op "Kaart 10 Windenergie" bij de verordening. De regels van de Verordening ruimte 2014 bevatten geen nadere eisen over de situering van de windturbines binnen het plaatsingsgebied. Voor strijd met de Verordening ruimte 2014 ziet de Afdeling in het aangevoerde dan ook geen aanleiding. 28.3. In het provinciale beleid, zoals dat onder meer is neergelegd in de Visie ruimte en mobiliteit, is de door Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen genoemde plaatsingsvisie voor windturbines wel vermeld. In paragraaf 4.4.2 van de Visie ruimte en mobiliteit staat dat bij de locaties voor nieuwe windturbines, windenergie wordt gecombineerd met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water. Mede door de grote omvang en ruimtelijke invloed van moderne windturbines is het van belang om deze geconcentreerd te plaatsen in daarvoor geschikte gebieden en versnippering over de hele provincie te voorkomen, zo staat in de Visie ruimte en mobiliteit. Daarbij is vermeld dat de voorkeur wordt gegeven aan enkelvoudige lijnopstellingen en clusters, in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen. In gebieden die vanuit landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of recreatief oogpunt kwetsbaar zijn, is plaatsing uitgesloten, zo staat in de Visie ruimte en mobiliteit. 28.4. De Afdeling stelt voorop dat de raad en het college van burgemeester en wethouders bij de vaststelling van het bestemmingsplan respectievelijk de verlening van een omgevingsvergunning waarbij toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo, niet aan provinciaal beleid zijn gebonden. Wel dient daarmee rekening te worden gehouden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging betrokken dient te worden. 28.5. Anders dan Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in hun hoger beroepschrift stellen, is bij de verlening van de omgevingsvergunningen rekening gehouden met de in het provinciale beleid neergelegde plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines. De Afdeling wijst er daarbij op dat in de omgevingsvergunningen is vermeld dat voor de gemaakte ruimtelijke afweging op basis van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo wordt verwezen naar de toelichting bij het ontwerpbestemmingsplan voor windturbinelocatie Battenoord. In deze toelichting is in paragraaf 2.2 gewezen op de provinciale plaatsingsvisie waaraan in hoofdstuk 4, paragraaf 4.2, van de plantoelichting is getoetst. In het onderstaande zal de Afdeling de verrichte toetsing aan de provinciale plaatsingsvisie voor windturbines beoordelen. 28.6. De Afdeling heeft in haar uitspraak over het windpark Spui onder 20.3 geoordeeld dat een redelijke uitleg van de in de Visie ruimte en mobiliteit neergelegde plaatsingsvisie voor windturbines met zich brengt dat de daarin genoemde criteria, inhoudende dat windenergie wordt gecombineerd met technische infrastructuur, grootschalige bedrijvigheid en grootschalige scheidslijnen tussen land en water, niet cumulatief zijn. In de nota van beantwoording zienswijzen is vermeld dat windturbinelocatie Battenoord is gelegen bij een grootschalige scheidslijn tussen land en water. De Afdeling deelt dit standpunt en wijst er daarbij op dat de windparken Blaakweg en Suyderlandt zich aan de rand van Goeree-Overflakkee bevinden nabij het Grevelingenmeer en Krammer. De door Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 5] en anderen genoemde afstand van 700 m van windpark Blaakweg tot het aangrenzende water acht de Afdeling gelet op de hoogte van de windturbines en de totale omvang van het eiland Goeree-Overflakkee niet zodanig groot dat moet worden geoordeeld dat de windturbines niet aan de rand van het eiland op de scheidslijn tussen land en water worden gerealiseerd. 28.7. Dat de windturbines van windpark Suyderlandt in een hoekopstelling en niet in een rechte lijn zijn gesitueerd, vormt voor de Afdeling evenmin aanleiding te oordelen dat zich in dit geval strijd met de provinciale plaatsingsvisie voor windturbines voordoet. In de Visie ruimte en mobiliteit is vermeld dat de voorkeur wordt gegeven aan enkelvoudige lijnopstellingen en clusters in samenhang met en evenwijdig aan de betreffende infrastructuur en scheidslijnen. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling niet dat is vereist dat de windturbines in één rechte lijn worden gesitueerd. De plaatsingsvisie biedt de ruimte om, zoals in het geval van windpark Suyderlandt, te kiezen voor een hoekopstelling waarbij de windturbines de rand van het eiland volgen om op deze manier de scheidslijn tussen de rand van het eiland en het water te markeren. 28.8. Voor zover [appellant sub 5] en anderen tot slot in hun hoger beroepschrift wijzen op de bescherming die in de plaatsingsvisie wordt toegekend aan landschappelijke en cultuurhistorische waarden en betogen dat deze waarden in dit geval onaanvaardbaar worden aangetast, verwijst de Afdeling naar het hetgeen in het onderstaande onder 54 over de effecten van de windparken Blaakweg en Suyderlandt op het landschap wordt overwogen. Doordat onder 54.4 wordt geconcludeerd dat de betogen op dit punt falen, ziet de Afdeling ook in zoverre geen aanleiding om strijd met de plaatsingsvisie aan te nemen. 28.9. Evenals de rechtbank heeft overwogen, ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de windparken Blaakweg en Suyderlandt in strijd met de provinciale plaatsingsvisie voor nieuwe windturbines worden gerealiseerd. De betogen falen. D’Oultremont Bestemmingsplan 29. In paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) en paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) zijn bepalingen opgenomen gericht op het voorkomen en/of beperken van onder meer geluidhinder, hinder door slagschaduw en lichtschittering en externe veiligheidsrisico’s van windturbines. Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen stellen dat deze bepalingen moeten worden beschouwd als een plan of programma zoals bedoeld in artikel 2 van richtlijn 2001/42 (hierna: de SMB-richtlijn). Volgens hen hebben de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor windturbines aanzienlijke milieugevolgen zodat op grond van artikel 3 van de SMB-richtlijn een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dat is ten onrechte achterwege gebleven. Zij verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar het hiervoor onder 22 genoemde arrest D’Oultremont waarin het Hof onder meer heeft bepaald dat algemene regels ook een plan of programma kunnen zijn als bedoeld in artikel 2 van de SMB-richtlijn. 29.1. De raad heeft bij de beoordeling of het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening aansluiting gezocht bij de bepalingen die in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn opgenomen voor het in werking hebben van een windturbine. Uit de planstukken blijkt dat de raad het bestemmingsplan onder meer niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening acht indien de geluid- en slagschaduwnormen die voor windturbines zijn neergelegd in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling bij woningen van derden worden overschreden. De windparken Blaakweg en Suyderlandt kunnen blijkens de planstukken afhankelijk van de keuze voor het type windturbine bij woningen van derden leiden tot overschrijding van deze geluid- en slagschaduwnormen. In de plantoelichting staat dat met geluidbeperkende maatregelen en met een stilstandvoorziening deze overschrijdingen ongedaan gemaakt kunnen worden. Deze maatregelen zijn, afgezien van de in de planregels opgenomen geluidnorm van 47 dB Lden, niet neergelegd in de planregels. Hieraan ligt ten grondslag dat de normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitregeling rechtstreeks werkend en handhaafbaar zijn, waardoor de naleving van deze normen niet nader hoeft te worden geborgd in de planregels. Dit is echter anders indien gelet op het betoog van Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen moet worden geconcludeerd dat de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling wegens strijd met hoger recht buiten toepassing moeten worden gelaten en dus niet langer rechtstreeks werkend en handhaafbaar zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om bij het bestemmingsplan het betoog van Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen over het arrest D’Oultremont inhoudelijk te beoordelen. 29.2. Het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn algemeen verbindende voorschriften. Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld. Deze bepaling staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Deze toetsing houdt in dit geval in dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing dient te laten, indien dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling. 29.3. De raad stelt dat Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen miskennen dat de betrokken bepalingen van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet een plan of programma inhouden als bedoeld in artikel 2 van de SMB-richtlijn omdat deze bepalingen een programmatisch karakter ontberen. 29.4. Artikel 2 van de SMB-richtlijn luidt: „In deze richtlijn wordt verstaan onder:
- a)plannen en programma’s’: plannen en programma’s, met inbegrip van die welke door de Europese [Unie] worden medegefinancierd, alsook de wijzigingen ervan, - die door een instantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau worden opgesteld en/of vastgesteld of die door een instantie worden opgesteld om middels een wetgevingsprocedure door het parlement of de regering te worden vastgesteld en - die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn voorgeschreven; (…)" 29.5. Zoals hiervoor onder 29.2 is overwogen, houdt exceptieve toetsing onder meer in dat de rechter een voorschrift buiten toepassing dient te laten, indien dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling. De SMB-richtlijn is een hogere regeling zoals hier bedoeld. Als uit deze richtlijn voortvloeit dat voor de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling een milieueffectrapport had moeten worden gemaakt, dan is de richtlijn op dit punt niet correct omgezet in nationaal recht, omdat nationaalrechtelijk geen plicht bestaat om hiervoor een milieueffectrapport op te stellen. Omdat uit de artikelen 2 en 3 van de SMB-richtlijn in de daar genoemde gevallen een onvoorwaardelijke en nauwkeurige verplichting voortvloeit tot het opstellen van een milieueffectrapport, zou in dit geval rechtstreeks aan deze artikelen kunnen worden getoetst. 29.6. Niet in geschil is dat de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn vormgegeven als algemeen verbindende voorschriften. Evenmin is in geschil dat het gelet op het arrest D’Oultremont niet is uitgesloten dat ook bepalingen die zijn vormgegeven als algemeen verbindende voorschriften naar hun inhoud als plan of programma als bedoeld in artikel 2 van de SMB-richtlijn moeten worden aangemerkt. Ook is niet in geschil dat blijkens rechtspraak van het Hof het begrip plan of programma in de SMB-richtlijn ruim moeten worden uitgelegd, mede om te voorkomen dat de planMER-plicht wordt ontweken. 29.7. In zijn uitspraak van 22 maart 2012 (Inter-Environnement Bruxelles e.a., C-567/10, EU:C:2012:159, punt 30) heeft het Hof geoordeeld dat de uitleg van artikel 2, sub a, van de SMB-richtlijn moet stroken met de doelstelling van die richtlijn: "namelijk het tot stand brengen van een toezichtprocedure voor besluiten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, welke besluiten de criteria en regels in verband met de ruimtelijke ordening vaststellen en gewoonlijk betrekking hebben op verschillende projecten die moeten worden uitgevoerd met inachtneming van de regels en procedures waarin deze besluiten voorzien." In het arrest D’Oultremont, punt 50, oordeelde het Hof over de normen die in die zaak aan de orde waren, dat de keuzes die via die normen zijn gemaakt, in het bijzonder met betrekking tot het milieu, ertoe dienen de voorwaarden vast te stellen waaronder toekomstige concrete projecten voor de bouw en exploitatie van windmolenparken kunnen worden vergund. In de conclusie van de Advocaat generaal Kokott van 25 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:39, over de zaak Inter-Environnement Bruxelles ASLB die heeft geleid tot het arrest van 7 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:403 (Inter-Environnement Bruxelles) staat dat het arrest D’Oultremont moet worden bezien tegen de achtergrond van een regelhiërarchie waarin de SMB-richtlijn tot doel heeft dat besluiten die naar verwachting aanzienlijke effecten op het milieu hebben pas worden vastgesteld wanneer die gevolgen zijn beoordeeld. Volgens Kokott is dit de achtergrond van de overweging van het Hof in het arrest D’Oultremont waarin wordt overwogen dat het begrip plannen en programma’s betrekking heeft op "iedere handeling die, door vaststelling van de op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures, een groot pakket aan criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van één of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben". De Afdeling leidt hieruit af dat er sprake is van een plan of programma als er een relatie is met concrete projecten. Ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van de SMB-richtlijn blijkt dat voor het begrip plannen of programma enige concretisering van belang wordt geacht. Zo vermeldt het voorstel voor de SMB-richtlijn: "Het voorstel bevat een omschrijving van de milieubeoordelingsprocedure met betrekking tot de in artikel 2 van de richtlijn aangegeven plannen en programma’s. Het blijft dus beperkt tot de plannings- en programmeringsfase van de besluitvorming en is niet van toepassing op de hoogste niveaus van de besluitvormingspiramide, waar de beleidslijnen in hun meest algemene vorm worden geformuleerd." (Voorstel voor een richtlijn van de raad betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, 4 december 1996, COM
(96)511 def, p. 2). Het door de Europese Commissie opgestelde zogenoemde guidance document "Uitvoering van richtlijn 2001/42 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s" maakt door het gebruik van voorbeelden duidelijk dat daarbij wordt uitgegaan van een relatie met concrete projecten. Als voorbeelden worden genoemd plannen waarin uiteen wordt gezet hoe gronden worden ontwikkeld of waarin regels worden gegeven voor ontwikkelingen die in bepaalde gebieden zijn toegestaan, maar ook een programma voor renovatie van een bepaald stedelijk gebied. De Afdeling leidt uit het bovenstaande af dat "een plan of programma" als bedoeld in artikel 2, sub a, van de SMB-richtlijn een planmatig of programmatisch karakter moet hebben, hetgeen vooronderstelt dat het plan of programma ten minste enige concretisering van een project in zich moet houden. 29.
- Uit het voorgaande volgt dat een algemeen verbindend voorschrift dat voor herhaalde toepassing vatbare regels bevat, zoals de in geding zijnde bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling, slechts moet worden aangemerkt als plan of programma als bedoeld in artikel 2, sub a, van de SMB-richtlijn indien en voor zover die bepalingen een planmatig of programmatisch karakter hebben. Dit houdt in dat de bepalingen door hun inhoud en doelstelling concreet moeten bijdragen aan (de uitvoering van) een of meer projecten. Die concretisering kan zien op de realisatie van het project zelf, maar ook op daaraan voorafgaande besluiten zoals de selectie van geschikte locaties. De Afdeling stelt vast dat de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geen relatie laten zien met enige concretisering van enig windturbineproject zoals hiervoor omschreven, noch in een plannings-, noch in een programmeringsfase. Vastgesteld moet dan ook worden dat de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling niet concreet bijdragen aan de totstandkoming van een of meer projecten of aan de wijze waarop dit zal gebeuren. Deze bepalingen geven slechts randvoorwaarden waaraan iedere inrichting ná realisatie daarvan moet voldoen. Dat deze bepalingen normen stellen waarmee duidelijk wordt aan welke eisen bij het in werking hebben van windturbines moet worden voldaan, maakt niet dat deze bepalingen op zichzelf bijdragen aan de uitvoering van een project zoals bedoeld in de SMB-richtlijn. De bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling kunnen, anders dan Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen betogen, dan ook niet worden gekwalificeerd als een plan of programma als bedoeld in artikel 2, sub a, van de SMB-richtlijn. In dit opzicht verschillen het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling van bijvoorbeeld de in 2014 vastgestelde Structuurvisie Wind Op Land (SvWOL). In die structuurvisie zijn onder meer zoeklocaties voor grootschalige windmolenparken weergegeven. Voor die structuurvisie is een plan-MER opgesteld. Omdat de betrokken bepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling op zich beschouwd niet concreet bijdragen aan een project, volgt de Afdeling Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen niet in hun stelling dat hier de MER-plicht voor plannen is ontweken door voor die bepalingen geen MER op te stellen. Het gegeven dat, zoals Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen stellen, ook in de zaak D’Oultremont een besluit speelde waarin algemene normen stonden voor geluid en slagschaduw van windturbines is evenmin beslissend. Vastgesteld moet immers worden dat in die zaak, maar ook in de arresten van 7 juni 2018 (Thybaut e.a., ECLI:EU:C:2018:401, en Inter-Environnement Bruxelles, ECLI:EU:C:2018:403), besluiten aan de orde waren met een concrete relatie tot planologisch projecten en derhalve wel sprake was van een plan of programma als bedoeld in artikel 2, sub a, van de SMB-richtlijn. 29.
- Gelet op het vorenstaande concludeert de Afdeling dat de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geen plan of programma vormen als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn, zodat reeds om deze reden uit het bepaalde in artikel 2 van de SMB-richtlijn geen plicht om een plan-MER te maken kan voortvloeien. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor het in werking hebben van een windturbine wegens strijd met hoger recht buiten toepassing te laten. Het betoog faalt. Omgevingsvergunningen
- Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen hebben in hun beroepschrift bij de rechtbank een vergelijkbaar betoog naar voren gebracht over het arrest D’Oultremont. De rechtbank heeft in haar uitspraak onder 12.2.2 geoordeeld dat dit betoog faalt. In hun hoger beroepschrift hebben Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen zich niet specifiek tegen dit oordeel van de rechtbank gericht. Gelet hierop bestaat in zoverre geen aanleiding nader op de uitspraak van de rechtbank in te gaan. Normen voor windturbinegeluid
- In artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is bepaald dat een windturbine of een combinatie van windturbines ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder voldoet aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen. Deze geluidnormen gelden per windturbine of combinatie van windturbines. De windparken Blaakweg en Suyderlandt vormen ieder een afzonderlijke combinatie van windturbines. Geluidnorm in de planregels
- In de planregels van het bestemmingsplan "Windlocatie Battenoord" is in aanvulling op artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit als gebruiksregel opgenomen dat de windparken Blaakweg en Suyderlandt tezamen met het bestaande windpark Battenoert de geluidnorm van 47 dB Lden niet mogen overschrijden. Deze gebruiksregel is opgenomen in artikel 3, lid 3.3, onder b, van de planregels. Bepaald is dat het gebruik van de gronden met de aanduiding ‘deelpark 1’ - dit betreft windpark Blaakweg - en ‘deelpark 2’ - dit betreft windpark Suyderlandt - uitsluitend is toegestaan indien ter plaatse van woningen van derden de gecumuleerde geluidbelasting als gevolg van deelpark 1, deelpark 2 en de bestaande windturbines zoals bestemd in het bestemmingsplan Buitengebied (enkelbestemming "Agrarisch met waarden - 1") - dit betreft het bestaande windpark Battenoert - niet meer bedraagt dan 47 dB Lden. - Hoogte van de in de planregels neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden in het algemeen
- Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen kunnen zich niet verenigen met de in de planregels neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden. Volgens hen had de raad in de planregels een lagere geluidnorm moeten opnemen. Ter onderbouwing voeren zij het volgende aan. 33.
- Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen betogen dat windturbinegeluid van maximaal 47 dB Lden onder meer vanwege het hinderlijke pulserende karakter van dit geluid veel hinder en gezondheidsklachten veroorzaakt bij omwonenden. Bij de vaststelling van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit is volgens hen op basis van een vergelijking van de normwaarde van 47 dB Lden met de dosis-effectrelatie aangenomen dat 9% van de omwonenden ernstige hinder ondervindt. Volgens hen is dit percentage in werkelijkheid hoger. Ter onderbouwing stellen zij dat het percentage is gebaseerd op slechts een beperkt aantal onderzoeken in Nederland en Zweden waarvan één onderzoek is uitgevoerd in een heuvelachtig landschap hetgeen volgens hen een drukkend effect heeft op de hinderbevindingen. Het percentage van 9 kent daardoor een grote onzekerheidsmarge, zo stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen. In dit verband wijzen zij tevens op een onderzoek van Van den Berg uit 2008 waarin volgens hen hogere percentages ernstig gehinderden worden genoemd. Naast de omstandigheid dat het percentage ernstig gehinderden een grote onzekerheidsmarge kent, stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen voorts dat bij de keuze voor de normstelling van 47 dB Lden en bij de berekening van het windturbinegeluid onvoldoende rekening wordt gehouden met hogere windsnelheden die bij een nachtelijk stabiele atmosfeer kunnen ontstaan in hogere luchtlagen, ook wel genoemd de geostrofe windeffecten. Verder stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen dat sprake is van een veranderd milieutechnisch inzicht wat betreft de hinderlijkheid van windturbinegeluid. Deze veranderde inzichten zijn volgens hen niet verdisconteerd in de aan artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit ontleende norm van 47 dB Lden. Zij stellen dat het Verdrag van Aarhus vereist dat bij de besluitvorming wordt uitgegaan van actuele milieu-informatie. Over het veranderd milieutechnisch inzicht voeren Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen aan dat de keuze voor de normstelling neergelegd in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit dateert uit 2010 en is gebaseerd op verouderde onderzoeken waarin werd uitgegaan van kleine windturbines met een relatief geringe maatvoering. De toenemende hoogte van windturbines in combinatie met de hogere windsnelheid in de nacht in de hogere luchtlagen, heeft volgens hen een toename van windturbinegeluid tot gevolg. In hun zienswijze op het deskundigenbericht verwijzen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in dit verband naar een grafiek die is opgenomen in het deskundigenbericht over windpark Spui. Daaruit blijkt volgens hen dat bij de gekozen normstelling van 47 dB Lden het percentage gehinderden hoger is dan verwacht en ernstig afwijkt van de dosis-effectrelatie bij andere geluidbronnen. De geostrofe windeffecten, welke effecten zich sterker voordoen bij hogere windturbines, in combinatie met het impulsachtige karakter van het windturbinegeluid zorgen er onder meer voor dat een toeslag van 5 dB op het Lden zou moeten worden toegepast om het aantal ernstig gehinderden te beperken tot 9%, ook wel de straffactor genoemd, zo stellen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen in hun zienswijze op het deskundigenbericht. 33.
- [appellant sub 4] betoogt dat sprake is van onzekerheden en leemten in kennis die voor de raad aanleiding hadden moeten vormen in de planregels een lagere geluidnorm op te nemen dan 47 dB Lden. Zo stelt [appellant sub 4] dat afhankelijk van de geografische en atmosferische omstandigheden het geluid van windturbines op grote afstand hoorbaar kan zijn. Hij stelt in dit verband dat als gevolg van de krachtige wind uit het zuidwesten en als gevolg van de omstandigheid dat geluid verder ‘draagt’ boven water het werkelijke windturbinegeluid hoger kan zijn dan wordt berekend. Zo stelt [appellant sub 4] dat de krachtige zuidwestenwind leidt tot een verhoogde geluidbelasting in noordoostelijke richting, in welke richting zijn woning is gesitueerd. [appellant sub 4] wijst daarnaast op het hinderlijke pulserende en zwiepende karakter van windturbinegeluid en op het verschijnsel amplitudemodulatie. Het ritmische, soms impulsachtige karakter van windturbinegeluid is volgens [appellant sub 4] hoorbaar als regelmatige geluidpieken met een niveau tot ongeveer 5 dB boven het constante geluid van een windturbine. Dit treedt vooral op als de windsnelheid sterker toeneemt met de hoogte wat zich voordoet na zonsondergang als de onderste luchtlagen afkoelen, aldus [appellant sub 4]. Hij stelt in dit verband dat met name in de nachtperiode het geluid van windturbines sterker hoorbaar is. Ten gevolge van de zwakkere koppeling tussen luchtlagen kan ’s nachts op ashoogte van moderne windturbines een hoge windsnelheid optreden, zo stelt [appellant sub 4]. De daarmee gepaard gaande hogere geluidproductie alsmede het hinderlijke pulserende en zwiepende karakter van windturbinegeluid zijn volgens hem onvoldoende verdisconteerd in de geluidnorm van 47 dB Lden. Dit heeft volgens [appellant sub 4] tot gevolg dat in de praktijk de geluideffecten van windturbines afwijken van de berekende geluidwaarden in welk verband hij wijst op een praktijksituatie in Houten. 33.
- [appellant sub 5] en anderen betogen evenals Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen onder verwijzing naar het deskundigenbericht dat is uitgebracht in de zaak over windpark Spui, dat vanwege veranderde milieutechnische inzichten een toeslag van 5 dB op het Lden zou moeten worden toegepast, de zogenoemde straffactor. Ook wijzen zij op het hinderlijke karakter van windturbinegeluid en het percentage omwonenden dat bij een geluidniveau van 47 dB Lden ernstige hinder ondervindt. Over het percentage ernstig gehinderden hebben [appellant sub 5] en anderen tevens een notitie overgelegd van DPA Cauberg-Huygen van 2 november 2018 getiteld: "Bestemmingsplan Windlocatie Battenoord; reactie StAB-verslag" (hierna: notitie van DPA Cauberg-Huygen). In hoofdstuk 3 van deze notitie is vermeld dat bij windturbinegeluid van maximaal 47 dB Lden geen sprake is van een gelijke mate van hinder zoals bij bijvoorbeeld wegverkeerslawaai. Ter onderbouwing is in de notitie van DPA Cauberg-Huygen een vergelijking gemaakt tussen richtwaarden en grenswaarden voor geluid. Ook is in de notitie gesteld dat onduidelijk is op welke wijze het karakteristieke hinderlijke karakter van windturbinegeluid, dat veel hinderlijker is dan het geluid van andere bronnen, is verdisconteerd in de norm van 47 dB Lden. 33.
- De Afdeling stelt voorop dat zij in verschillende uitspraken over de ruimtelijke besluitvorming voor nieuwe windparken al een oordeel heeft gegeven over de vraag of het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan heeft kunnen aansluiten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden. De Afdeling verwijst hierbij onder meer naar haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. In deze uitspraak zijn in overweging 98 en verder vergelijkbare betogen beoordeeld als hetgeen Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen in de onderhavige procedure naar voren hebben gebracht. Zo is onder meer ingegaan op de betogen over het hinderlijke karakter van windturbinegeluid dat als pulserend en fluctuerend wordt aangeduid, het verschijnsel amplitudemodulatie, de omstandigheid dat de norm is gebaseerd op beperkt onderzoek uit Zweden en Nederland, het percentage ernstig gehinderden, de geostrofe windeffecten en de gestelde nieuwe wetenschappelijke inzichten in verband waarmee een toeslag van 5 dB op het Lden zou moeten worden toegepast. De Afdeling heeft in deze betogen geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een windpark niet kan worden aangesloten bij de in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden. In dit verband wijst de Afdeling er ter aanvulling op dat naast de geostrofe windeffecten ook de door [appellant sub 4] genoemde overheersende windrichting vanuit het zuidwesten reeds is verdisconteerd in het Reken- en meetvoorschrift windturbines op basis waarvan gelet op artikel 3.15 van het Activiteitenbesluit de geluidmetingen voor windturbines dienen te worden verricht. Voorts overweegt de Afdeling naar aanleiding van de notitie van DPA Cauberg-Huygen over het percentage ernstig gehinderden nog het volgende. De geluidnorm van 47 dB Lden is sinds 2011 opgenomen in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. Voordien golden de normen van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode. In het rapport "Evaluatie nieuwe normstelling windturbinegeluid" van het RIVM uit 2009 (hierna: RIVM-rapport uit 2009) is vooruitlopend op de aanpassing van de geluidnormen onderzocht welke boven- en ondergrens voor windturbinegeluid kan worden gehanteerd bij de nieuwe normstelling gebaseerd op de dosismaat Lden. Indien het principe van een gelijke mate van hinder wordt toegepast ter bepaling van de bovengrens, zou dat voor windturbines een bovengrens tussen de 47 en 49 dB betekenen op basis van de bovengrenzen bij wegverkeer (58 dB) en railverkeer (68 dB), zo staat in het RIVM-rapport uit
- Dit blijkt uit figuur 1 van het RIVM-rapport uit 2009 waar de relatie tussen de geluidbelasting in Lden en het percentage ernstig gehinderden voor windturbines, wegverkeer, railverkeer en vliegverkeer is afgebeeld. Figuur 1 laat zien dat, onder meer vanwege het hinderlijke karakter van windturbinegeluid, het geluid van windturbines bij lagere niveaus leidt tot meer hinder dan andere geluidbronnen. Uit figuur 1 blijkt dat bij het hanteren van een bovengrens tussen de 47 en 49 dB Lden voor windturbinegeluid sprake is van een vergelijkbaar percentage ernstig gehinderden als bij de bovengrenzen voor wegverkeer van 58 dB Lden en railverkeer van 68 dB Lden. Juist vanwege het hinderlijke karakter van windturbinegeluid is de grenswaarde voor windturbinegeluid dus vastgesteld op 47 dB Lden, lager dan de grenswaarden voor wegverkeer en railverkeer. De stelling in de notitie van DPA Cauberg-Huygen dat de wetgever bij de vaststelling van de norm voor windturbinegeluid van 47 dB Lden is afgestapt van het principe van gelijke mate van hinder en dat voorts onduidelijk is op welke wijze het karakteristieke hinderlijke karakter van windturbines is meegenomen in de normstelling, deelt de Afdeling dan ook niet. 33.
- Tijdens de tweede zitting is aan Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen de vraag gesteld op welke punten zij van mening zijn dat het in eerdere uitspraken gegeven oordeel over de normen voor windturbinegeluid niet kan worden gevolgd. Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4] hebben in reactie hierop gesteld dat volgens hen meer betekenis dient te worden toegekend aan de grafiek die is weergegeven in het deskundigenbericht dat is opgesteld in de zaak over windpark Spui. Uit deze grafiek blijkt volgens hen dat het percentage omwonenden dat ernstige hinder ondervindt van windturbinegeluid in de huidige situatie aanzienlijk afwijkt van het percentage omwonenden dat ernstige hinder ondervindt van andere geluidbronnen. Als oorzaak hebben Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4] tijdens de tweede zitting opnieuw gewezen op de omstandigheid dat de norm van 47 dB Lden tot stand is gekomen op het moment dat windturbines aanzienlijk kleiner waren dan de windturbines die thans ter plaatse van de windparken Blaakweg en Suyderlandt kunnen worden gerealiseerd. Hierdoor zijn onder meer de gevolgen van de geostrofe windeffecten en de amplitudemodulatie in de huidige situatie onvoldoende verdisconteerd in de geluidnorm van 47 dB Lden, zo hebben Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4] tijdens de tweede zitting gesteld. Volgens hen kan dan ook niet langer worden geconcludeerd dat de geluidnorm van 47 dB Lden omwonenden voldoende bescherming biedt tegen de geluidhinder van windturbines. De Afdeling deelt de conclusie van Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4] niet. De grafiek die is weergegeven in het deskundigenbericht over windpark Spui is onderdeel van hetgeen in dat deskundigenbericht is vermeld over de extra hinderlijkheid van windturbinegeluid. In de uitspraak over het windpark Spui heeft de Afdeling in dit verband onder 30.1 geoordeeld dat "signalen" omtrent een "wellicht" veranderend milieutechnisch inzicht bij het beoordelen van de hinderlijkheid van windturbinegeluid waarbij als "suggestie" in het deskundigenbericht het mogelijk toepassen van een straffactor voor de hinderlijkheid van het geluid wordt genoemd, onvoldoende zijn voor het oordeel dat het bevoegd gezag bij de planvaststelling - vooruitlopend op een mogelijke aanpassing van artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit door het regelgevend gezag - de in het Activiteitenbesluit voor windturbines neergelegde geluidnormen niet meer had mogen hanteren. De Afdeling ziet geen aanleiding om in de onderhavige procedure op dit punt tot een ander oordeel te komen. Daarbij betrekt de Afdeling dat in het deskundigenbericht dat is uitgebracht over de windparken Blaakweg en Suyderlandt is vermeld dat er sinds de uitspraak van de Afdeling over onder meer het windpark Spui, voor zover bij de opsteller van het deskundigenbericht bekend, in dit kader geen ontwikkelingen zijn geweest. 33.
- Tijdens de tweede zitting hebben Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen in reactie op de vraag welke omstandigheden een afwijking van bovenvermelde jurisprudentie rechtvaardigen voorts verwezen naar de gewijzigde aanbevelingen van de Wereld Gezondheids Organisatie (WHO) van 10 oktober
- Daarin is volgens hen voor windturbinegeluid een maximaal geluidniveau aanbevolen van 45 dB Lden. Op dit punt stelt de Afdeling voorop dat het besluit tot vaststelling van het plan wordt getoetst aan de hand van de feiten en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. De gewijzigde aanbevelingen van de WHO dateren van na de besluitvorming over de windparken Blaakweg en Suyderlandt, waardoor de Afdeling deze gewijzigde aanbevelingen in beginsel niet in haar beoordeling kan betrekken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3748, overweging 7.4). Tijdens de tweede zitting hebben Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen in reactie hierop gesteld dat de gewijzigde aanbevelingen van de WHO een codificatie zijn van nieuwe inzichten over het hinderlijke karakter en de gezondheidseffecten van windturbinegeluid, welke nieuwe inzichten reeds ten tijde van de vaststelling van het plan bij de raad bekend hadden kunnen en moeten zijn. Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen hebben hun standpunt in zoverre niet nader onderbouwd waardoor de Afdeling geen aanknopingspunten ziet de gewijzigde aanbevelingen van de WHO die dateren van na het bestreden besluit alsnog in de beoordeling te betrekken. 33.
- Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen hebben bij hun betoog over de hoogte van de in de planregels neergelegde geluidnorm tijdens de tweede zitting voorts gewezen op het aspect interferentie van geluid. Op dit punt verwijst de Afdeling naar overweging 45 van deze uitspraak waar wordt overwogen dat geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat interferentie van geluid zich in dit geval zal voordoen. 33.
- De betogen falen in zoverre. - Gezondheidseffecten in relatie tot de hoogte van de in de planregels neergelegde geluidnorm van 47 dB Lden
- Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen, [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen vrezen voorts dat windturbinegeluid van maximaal 47 dB Lden op de gevel van hun woningen zodanige negatieve effecten heeft op hun gezondheid dat de raad ook hierin aanleiding had moeten zien in de planregels een lagere geluidnorm op te nemen. Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen betogen ter onderbouwing dat windturbinegeluid van 47 dB Lden onder meer leidt tot slaapverstoring. Ook [appellant sub 4] betoogt dat bij een dergelijk geluidniveau de kans op slaapverstoring en gezondheidsrisico’s bij direct omwonenden aanzienlijk is. Stichting Mallemolens, [appellant sub 3A] en anderen en [appellant sub 4] wijzen hierbij in het bijzonder op de effecten van laagfrequent windturbinegeluid. Volgens hen verschijnen steeds meer onderzoeken waarin een relatie wordt gelegd tussen de gezondheid van omwonenden en laagfrequent geluid. De verwijzing in de planstukken naar de brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 31 maart 2014 (Kamerstukken II 2013/14, 33 612, nr. 22, hierna: de brief van de staatssecretaris) en het "Literatuuronderzoek laagfrequent geluid windturbines" van LBP Sight van september 2013 (hierna: literatuuronderzoek van LBP Sight) achten Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen niet toereikend voor de conclusie dat zich geen onaanvaardbare hinder ten gevolge van laagfrequent geluid zal voordoen. Het literatuuronderzoek van LBP Sight dateert volgens hen uit een periode waarin kleinere windturbines werden gerealiseerd dan thans het geval is. Ter onderbouwing van hun stelling dat laagfrequent geluid van windturbines nadelige effecten heeft op de gezondheid van omwonenden wijzen Stichting Mallemolens en [appellant sub 3A] en anderen op het artikel "Wind turbine noise; seems to affect health adversely and an independent review of evidence is needed" gepubliceerd in het British Medical Journal uit
- Daarnaast wijzen zij alsmede [appellant sub 4] op een artikel van een huisarts uit Den Bosch, getiteld "Windmolens maken wel degelijk ziek; Toepassing voorzorgsbeginsel en beter onderzoek zijn nodig" en een artikel gepubliceerd in maart 2018 in het Duitse dagblad Allgemeine Zeitung getiteld "Windkraft - Störsender fürs Herz: Mainzer Forscher untersuchen Folgen des Infraschalls". Uit de genoemde artikelen blijkt volgens hen dat laagfrequent geluid van windturbines zodanige negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid dat niet langer kan worden aangenomen dat de geluidnorm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt tegen hinder door laagfrequent geluid. Zij stellen in dit verband dat op grond van het voorzorgsbeginsel een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend aan het voorkomen van gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Ook [appellant sub 5] en anderen kunnen zich niet verenigen met de stelling van de raad dat indien wordt voldaan aan de norm van 47 dB Lden geen sprake zal zijn van hinder door laagfrequent geluid. Zij stellen in dit verband dat in de onderzoeken van het RIVM uitsluitend wordt gesteld dat de norm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt tegen hinder door laagfrequent geluid, maar dat wordt nagelaten dit te onderzoeken en onderbouwen. Ter nadere onderbouwing van hun stelling dat laagfrequent windturbinegeluid wel degelijk nadelige gezondheidseffecten tot gevolg heeft, wijzen [appellant sub 5] en anderen in hun beroepschrift op het voornoemde artikel gepubliceerd in het British Medical Journal uit 2012 en in hun zienswijze op het deskundigenbericht op het onderzoek dat de Universiteit Utrecht in 2015 heeft verricht naar aanleiding van de ernstige mate van geluidoverlast die bewoners uit Houten ondervinden van windturbines. 34.
- In onder meer de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is de Afdeling onder 119.2 nader ingegaan op de effecten van windturbinegeluid op de gezondheid. In het deskundigenbericht dat in die procedure is uitgebracht, is vermeld dat op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten geen bewijs is voor directe effecten van windturbines op de gezondheid. Dit is ook vermeld in het deskundigenbericht dat is uitgebracht over de windparken Blaakweg en Suyderlandt. In de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is in dit verband verwezen naar het onderzoekrapport van de RIVM en de GGD getiteld "Health effects related to wind turbine sound" uit 2017 (hierna: rapport van het RIVM uit 2017) dat een overzicht bevat van de conclusies van recente wetenschappelijke onderzoeken met betrekking tot de gezondheidseffecten van het geluid van windturbines. In het rapport van het RIVM uit 2017 is ingegaan op de hinderlijkheid van met name het typerende ritmische karakter van het geluid van windturbines, aangeduid als amplitudemodulatie, zo heeft de Afdeling overwogen. Volgens het rapport van het RIVM uit 2017 is er een relatie tussen slaapverstoring die op individuele basis is gemeld en ergernis over het geluid van windturbines, maar is onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar voor een directe relatie tussen gezondheidsrisco’s en het geluid van windturbines, zo staat in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Daarbij is vermeld dat volgens het rapport van het RIVM uit 2017 de langdurige ergernis over de hinder van windturbines en het gevoel dat de kwaliteit van de leefomgeving is verminderd of zal verminderen negatieve gevolgen kunnen hebben voor het welzijn en de gezondheid. Dit is echter niet uniek voor windturbines, maar geldt ook voor andere stressoren, zo staat vermeld in het rapport van het RIVM uit
- In dit verband is over laagfrequent geluid overwogen dat in het rapport van het RIVM uit 2017 is geconcludeerd dat er geen wetenschappelijk bewijs beschikbaar is dat de gestelde gezondheidsrisico’s van laagfrequent geluid van windturbines ondersteunt. De Afdeling verwijst in dit verband naar de overwegingen 120.2 en 120.3 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer waar onder verwijzing naar de uitspraak van 4 mei 2016 over het windpark Wieringermeer, ECLI:NL:RVS:2016:1228, is overwogen dat het aangevoerde geen grond biedt voor het oordeel dat verweerders zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de geluidnorm van 47 dB Lden voldoende bescherming biedt tegen laagfrequent geluid. De Afdeling heeft op basis van de hiervoor vermelde overwegingen in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer geconcludeerd dat verweerders zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de gezondheid door geluid dat door de windturbines wordt veroorzaakt, waaronder laagfrequent geluid. Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat de omstandigheid dat het RIVM in haar rapporten uitsluitend onderzoeksresultaten van andere onderzoekers analyseert en niet zelf onderzoek heeft verricht naar de effecten van windturbines op d