(2007)jaar geleden zijn, betekent daarom niet dat ze niet mogen worden meegewogen door de burgemeester. Zoals de vertegenwoordiger ter zitting heeft toegelicht, kijkt de burgemeester eerst naar veroordelingen in de afgelopen vijf jaar en pas als sprake is van herhaling, naar eerdere veroordelingen, zoals in dit geval is gebeurd. De veroordeling uit 2015 valt binnen de periode van vijf jaar. Uit die veroordeling bleek dat het ging om een misdrijf, rijden onder invloed, waarvoor [appellant] ook eerder was veroordeeld. Daarom heeft de burgemeester ook die veroordelingen bij de besluitvorming betrokken. [appellant] was tijdens het incident op 7 februari 2016 aanwezig in de horeca-inrichting. Hij heeft toen verklaard dat hij in afwezigheid van zijn broer, die de eigenaar en leidinggevende van de inrichting was op dat moment, de zaken voor zijn broer waarnam. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester daarom heeft mogen concluderen dat de overtredingen plaatsvonden onder verantwoordelijkheid van [appellant]. Tijdens het incident op 19 maart 2016 was de broer aanwezig en heeft deze verklaard dat [appellant] eigenlijk de eigenaar is. Zijn broer heeft deze verklaring een dag later blijkens een proces-verbaal van verhoor herhaald. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de burgemeester uit de aanwezigheid van [appellant] op 7 februari 2016 en de verklaring van zijn broer, heeft mogen concluderen dat [appellant] ten tijde van die twee incidenten weliswaar niet in naam, maar wel feitelijk de ondernemer van de horeca-inrichting was en deze incidenten daarom betrokken mochten worden bij de beoordeling van zijn levensgedrag. Omdat aan de feiten en omstandigheden geen beperkingen zijn gesteld, mag de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag feiten en omstandigheden betrekken die niet zijn gerelateerd aan de exploitatie van een inrichting (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5952). Voorts geldt dat de feiten en omstandigheden die de burgemeester mag meenemen in de beoordeling of sprake is van slecht levensgedrag niet tot strafrechtelijke veroordeling hoeven te hebben geleid. Dat de aangifte tegen [appellant] ter zake van mishandeling is geseponeerd neemt niet weg dat er op 13 september 2016 een incident heeft plaatsgevonden. De burgemeester mocht dat bij de beoordeling betrekken. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft gemotiveerd dat [appellant] in enig opzicht van slecht levensgedrag is als bedoeld in artikel 27, eerste lid, onder a, van de DHW gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, onder b, van de DHW en artikel 2:28, vijfde lid, van de APV. De burgemeester heeft de exploitatievergunning en de DHW-vergunning dan ook terecht geweigerd. Nu geen sprake is van een vergunde alcoholhoudende horeca-inrichting heeft de burgemeester overeenkomstig artikel 30e, eerste lid, onder a, gelezen in samenhang met artikel 30c van de Wet op de kansspelen, terecht ook de aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten geweigerd. Slotsom
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier. w.g. Van Ettekoven w.g. Tuyll van Serooskerken voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019
- artikel 6
- Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.
- Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. artikel 8 luidt:
- Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.
- Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Drank- en Horecawet Artikel 8
- Leidinggevenden van het horecabedrijf en het slijtersbedrijf voldoen aan de volgende eisen: a. (…) b. zij zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; c. (…) Artikel 27
- Een vergunning wordt geweigerd indien: a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen; (…). Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 Artikel 4 Onverminderd artikel 3, is een leidinggevende niet binnen de laatste vijf jaar bij meer dan één uitspraak onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Wetboek van Strafrecht wegens dan wel mede wegens overtreding van: a. bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet en de Absintwet; b. bepalingen gesteld bij of krachtens de Wet op de accijns en de Algemene douanewet, voor zover het betreft alcoholhoudende dranken; c. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b , 250ter , 252, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; d. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 j° artikel 8 of j° artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; e. de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; f. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; g. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Wet op de kansspelen artikel 30c
- De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer kansspelautomaten: a. in een hoogdrempelige inrichting; b. in een inrichting, anders dan onder a, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van kansspelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan. art 30e
- De vergunning wordt geweigerd indien: a. door het verlenen der vergunning zou worden afgeweken van het bij of krachtens artikel 30c bepaalde; b. (…). Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Haag Artikel 2:28, vijfde lid De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in indien: a. (…) b. de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.