201806324/1/A
- Datum uitspraak: 10 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Kudelstaart, gemeente Aalsmeer, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2018 in zaak nr. 17/7294 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Aalsmeer. Procesverloop Bij besluit van 15 juni 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Bij besluit van 17 november 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Aytemür, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door M.A. Somsen, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding
- [appellant] woont samen met zijn vrouw en twee kinderen in bij zijn moeder. Hij heeft psychische klachten. Hij heeft verscheidene malen verzocht om een urgentieverklaring. 1.
- Bij besluit van 19 november 2015 heeft het college het eerste verzoek afgewezen. Volgens het college was geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem, omdat [appellant] bij zijn moeder inwoont en hij na reactivering van zijn registratie bij Woningnet beschikt over een inschrijfduur van elf jaar, wat voldoende wordt geacht om binnen afzienbare tijd aan een woning te komen. Het college achtte de woonsituatie en de psychische klachten niet ernstig genoeg om de hardheidsclausule toe te passen. Bij besluit van 21 januari 2016 heeft het college het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het tweede verzoek heeft het college bij besluit van 26 september 2016 buiten behandeling gesteld en het bezwaar hiertegen heeft het ongegrond verklaard. 1.
- Naar aanleiding van het derde verzoek heeft het college informatie opgevraagd bij de GGZ. Uit die informatie is het college niet gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden sinds de eerste afwijzing. Het college heeft op grond van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het verzoek afgewezen onder verwijzing naar het besluit van 19 november
- In bezwaar heeft [appellant] aangevoerd dat er nieuwe omstandigheden zijn, te weten het niet kunnen verkrijgen van een woning via Woningnet en het verergeren van zijn psychische klachten. Hij heeft ter onderbouwing van de verergering van de psychische klachten een deel van een rapport van een psychiater, opgesteld op 14 december 2016, overgelegd. Volgens het college heeft [appellant] zijn zoekgebied en het soort woningen waarop hij reageert beperkt, waardoor hij onvoldoende gebruik maakt van de mogelijkheid van Woningnet om een woning te vinden. Verder woont hij nog steeds in bij zijn moeder en is niet gebleken van een significante wijziging in de geestesgesteldheid van [appellant] die maakt dat sprake is van veranderde omstandigheden. Het college heeft het bezwaar daarom ongegrond verklaard. Wettelijk kader
- Artikel 4:6 van de Awb luidt: "
- Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
- Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking." Aangevallen uitspraak
- De rechtbank heeft overwogen dat uit het door [appellant] overgelegde deel van het rapport van de psychiater niet kan worden afgeleid dat de psychische klachten na het laatste inhoudelijke besluit van 19 november 2015 zijn verergerd. [appellant] heeft geen nieuw medisch feit aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college mocht volstaan om met toepassing van artikel 4:6 van de Awb te verwijzen naar die beslissing en het de aanvraag niet inhoudelijk hoefde te behandelen. Hoger beroep
- [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen nieuw medisch feit aannemelijk heeft gemaakt. Het deel van het rapport van de psychiater dat [appellant] heeft overgelegd, was nieuw. Uit het rapport blijkt dat de woonsituatie ervoor zorgt dat de psychische klachten toenemen. Omdat hij nog altijd bij zijn moeder woont, verergert zijn situatie nog steeds. Het college had de aanvraag inhoudelijk moeten toetsen en nadere informatie moeten opvragen, aldus [appellant]. 4.
- Ingevolge artikel 4:6 van de Awb ligt het op de weg van de aanvrager om bij een herhaalde aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te noemen. Een nieuw rapport is op zichzelf geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Het rapport dat [appellant] heeft overgelegd, ziet op de periode vanaf
- In het rapport is namelijk vermeld dat de psychische klachten van [appellant] sinds 2013 in ernst zijn toegenomen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat hieruit niet blijkt dat de psychische klachten na het laatste inhoudelijke besluit zodanig zijn toegenomen dat sprake is van een nieuw medisch feit. De stelling van [appellant], dat zijn psychische klachten dagelijks verergeren zolang hij in zijn ouderlijk huis woont, is evenmin voldoende om dat aannemelijk te maken. De Afdeling ziet in het door [appellant] aangevoerde geen grond om tot het oordeel te komen dat de afwijzing van de aanvraag evident onredelijk is. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de aanvraag mocht afwijzen onder verwijzing naar het besluit van 19 november 2015 en het bezwaar ongegrond mocht verklaren. Het betoog faalt. 4.
- Evenals de rechtbank komt de Afdeling niet toe aan een beoordeling van de overige gronden, die de woonurgentie betreffen. Slotsom
- Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier. w.g. Bijloos w.g. Klein lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2019 176-851.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.