201804585/1/A3. Datum uitspraak: 17 april 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2018 in zaak nr. 17/5836 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij brief van 2 februari 2017 heeft de stadsdeelvoorzitter aan [appellant] meegedeeld dat hij is opgenomen in de treiteraanpak van de gemeente Amsterdam. Bij besluit van 31 augustus 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 18 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.A.M. Koolen, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Nota, zijn verschenen. Overwegingen Wet- en regelgeving 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. 2. Op 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) in werking getreden en de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) ingetrokken. Op dit geding is de Wbp van toepassing. Inleiding 3. In de brief van 2 februari 2017 staat dat [appellant] is opgenomen in de zogenaamde treiteraanpak. Met deze aanpak heeft de gemeente Amsterdam in samenwerking met meerdere partners, waaronder de politie, het Openbaar Ministerie, woningbouwcorporaties en Jeugdbescherming Amsterdam, een werkwijze ontwikkeld om bijzondere gevallen van ernstige overlast en intimidatie in de woonomgeving tegen te gaan. Het gaat hierbij om ernstige overlast gericht tegen één of meer specifieke personen of huishoudens, niet om 'gewone' burenruzies. Naast ernstige overlast is daarbij vaak sprake van bedreiging, vernieling van eigendommen of mishandeling. 3.1. Bij het besluit van 31 augustus 2017 heeft het college het bezwaar van [appellant] onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief van 2 februari 2017 geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De brief behelst geen publiekrechtelijke rechtshandeling nu deze niet gericht is op rechtsgevolg. De treiteraanpak is geen sanctie of maatregel die wordt opgelegd. De aanpak is niet meer dan een gecoördineerde aanpak van verschillende partijen die handelen binnen reeds bestaande wettelijke kaders, taken en bevoegdheden. Daar vindt geen verandering in plaats, anders dan dat de verschillende organisaties een persoon extra aandacht geven, door een op maat gesneden aanpak aan te bieden, teneinde verdere conflicten te voorkomen. De brief is volgens het college overhandigd op basis van de informatieverplichting die is opgenomen in artikel 33 en artikel 34 van de Wbp. In artikel 45 van de Wbp is een dergelijke feitelijke handeling ook niet gelijkgesteld aan een besluit. De aangevallen uitspraak 4. De rechtbank heeft overwogen dat het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat de brief van 2 februari 2017 niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens de rechtbank wordt in de brief aangekondigd dat een onderzoek zal worden gestart. Deze aankondiging is naar het oordeel van de rechtbank een feitelijke mededeling die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de brief van 2 februari 2017 de mededeling inhoudt dat gegevensuitwisseling zal plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een mededeling als bedoeld in artikel 34 van de Wbp en is deze mededeling evenmin gericht op enig rechtsgevolg. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] zich kan wenden tot de civiele rechter of de Autoriteit Persoonsgegevens, indien hij van mening is dat zijn persoonsgegevens niet in overeenstemming met de wet of niet op behoorlijke en zorgvuldige wijze worden verwerkt. Daarnaast kan hij gebruik maken van de hem in de artikelen 35 en 36 van de Wbp toegekende rechten tot inzage en wijziging, aldus de rechtbank. Beoordeling in hoger beroep 5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief van 2 februari 2017 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hij voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de aankondiging dat een onderzoek wordt gestart een feitelijke mededeling is die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Volgens [appellant] is de brief wel gericht op rechtsgevolg gezien de gevolgen ervan. De brief is volgens [appellant] een laatste waarschuwing die een verandering heeft teweeggebracht in zijn rechtspositie aangezien hij zich aan voorwaarden uit de brief dient te houden. Verder voert hij aan dat ook mededelingen dat gegevens verwerkt gaan worden gelden als besluit in de zin van de Awb. 5.1. In het kader van de treiteraanpak worden door de daarbij betrokken instanties persoonsgegevens uitgewisseld. Dit betekent dat de Wbp van toepassing is. De Afdeling heeft eerder overwogen (zie de uitspraak van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3866) dat een brief met de mededeling dat iemand wordt opgenomen in de zogenaamde treiteraanpak dient te worden aangemerkt als een notificatie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wbp. Dat op de opname in de treiteraanpak ook bestuursrechtelijke en civielrechtelijke maatregelen kunnen volgen, leidt niet tot het oordeel dat de brief is gericht op rechtsgevolg, nu die maatregelen niet uit de onderhavige brief voortvloeien, daarvoor aparte besluitvorming nodig is en de opname in de treiteraanpak voor het nemen van die maatregelen geen vereiste is. Een dergelijke brief is derhalve niet gericht op enig rechtsgevolg en daarmee geen besluit als bedoeld in artikel 45 van de Wbp, gelezen in samenhang met artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, aldus de Afdeling in de uitspraak van 28 november 2018. De Afdeling heeft kennis genomen van de door de raadsman van [appellant] ter zitting gegeven toelichting. Zij is er hierdoor van overtuigd geraakt dat opneming in de treiteraanpak ingrijpende gevolgen kan hebben voor de betrokkene. Dat aan die opneming een zorgvuldige vaststelling van de feiten en afweging van betrokken belangen voorafgaat, is daarom van groot belang. Dat neemt echter niet weg dat, zoals overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2018, de mededeling dat iemand is opgenomen in de treiteraanpak niet is gericht op rechtsgevolg en de Afdeling aan een beoordeling in hoeverre de opneming zorgvuldig is voorbereid dus niet kan toekomen. De Afdeling volgt de stelling van [appellant] dat de brief voor hem wel rechten en plichten met zich breng niet. Zoals het college in het besluit van 31 augustus 2017 heeft toegelicht, leidt de opname van [appellant] in de treiteraanpak niet tot enigerlei verplichting voor hem en is de brief enkel overhandigd op basis van de informatieverplichting die is opgenomen in artikel 33 en artikel 34 van de Wbp. De opname in de treiteraanpak heeft dus geen verandering in de rechtspositie van [appellant] teweeggebracht. De Afdeling ziet daarom in het betoog van [appellant] geen aanleiding om terug te komen van het in de uitspraak van 28 november 2018 opgenomen oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat tegen de brief van 2 februari 2017 geen bezwaar kon worden gemaakt. Het betoog faalt. 6. Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat tegen de brief van 2 februari 2017 onvoldoende rechtsbescherming openstaat. Hij wil direct kunnen opkomen tegen zijn opname in de treiteraanpak. Het correctierecht van artikel 36 van de Wbp biedt alleen achteraf, als zijn gegevens al zijn verzameld, rechtsbescherming. Dit is volgens [appellant] in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 6.1. Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd kan niet afdoen aan het oordeel dat de brief van 2 februari 2017 geen besluit is. Van een verzoek op grond van de artikel 36 van de Wbp is thans geen sprake, zodat de vraag of het daarin opgenomen correctierecht voldoende rechtsbescherming biedt mede bezien in het licht van artikel 6 van het EVRM, in dit hoger beroep niet aan de orde kan komen. Het staat [appellant] vrij om alsnog een verzoek om inzage in en correctie en verwijdering van zijn persoonsgegevens in te dienen als bedoeld in de artikelen 15, 16 en 17 van de AVG. In een besluit op een dergelijk verzoek moet de verwerkingsverantwoordelijke vermelden of, en zo ja welke, hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. In het geval van [appellant] betekent dit dat daarbij ook de in de treiteraanpak opgenomen persoonsgegevens en de rechtmatigheid van de verwerking daarvan aan de orde zullen komen. Mocht hieruit blijken dat persoonsgegevens van hem onrechtmatig zijn verwerkt, dan is de verwerkingsverantwoordelijke verplicht deze persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te verwijderen. Het betoog faalt. Slotsom 7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Proceskosten 8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier. w.g. Lubberdink w.g. Klein lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2019 176-859. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Rome, 04-11-1950 Artikel 6 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. 2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. 3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten: a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging; c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen; d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt. Algemene verordening gegevensbescherming Artikel 15 1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.