(3)of de overtollige bedrijfsbebouwing daadwerkelijk zou worden gesloopt. Op al deze drie punten schiet de besluitvorming van de raad tekort en had hij meer onderzoek moeten plegen en beter moeten kunnen uitleggen of en waarom een woonbestemming hier wel of niet kan. Ten eerste heeft de raad onvoldoende onderzocht of op het naastgelegen perceel, [nummer], nog een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer aanwezig was die in de weg zou staan aan een woonbestemming. Aanvankelijk ging de raad uit van een actief bedrijf op [nummer]. Dat was gebaseerd op een bezoek aan de locatie door een milieuambtenaar voorafgaand aan de vaststelling van het plan, waarbij deze heeft geconstateerd dat de hokken er nog waren. Tegenover deze summiere constatering van de aanwezigheid van de hokken, staat de consequente ontkenning van [appellanten] dat hier nog dieren zouden worden gehouden. Kort voor de zitting bij de Afdeling heeft de raad met zijn brief van 21 februari 2019 een nieuw standpunt moeten innemen, namelijk dat er op het perceel [locatie B] geen dieren meer worden gehouden, dat op deze locatie geen inrichting meer aanwezig is in de zin van de Wet milieubeheer en dat er dus geen rekening meer hoeft te worden gehouden met een geurcontour. Op de zitting heeft [persoon A], eigenaar van het perceel [locatie B], juist gesteld dat op dit perceel nog wel een agrarisch bedrijf aanwezig is. Dit alles bij elkaar leidt tot de conclusie dat de raad ten tijde van de vaststelling van het plan en ook daarna de feiten onvoldoende in beeld heeft gehad en meer had moeten doen om die feiten wel in beeld te krijgen. Ten tweede ligt het perceel in een bebouwingslint van de kern Elshout met overwegend woonbestemmingen. Ter zitting is gebleken dat het perceel deel uitmaakt van het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in de provinciale Verordening ruimte. Van in het gebied aanwezige waarden die kunnen worden aangetast is niet gebleken. Ook dit had eerder kunnen blijken, zodat de gestelde onduidelijkheid over mogelijke aantasting van waarden voor de vaststelling van het plan weggenomen had kunnen zijn. Ten derde volgt uit het door [appellanten] overgelegde rapport van Moons Architecten van 5 april 2018 dat de bij de voormalige bedrijfswoning behorende stal een bijzondere cultuurhistorische waarde heeft. Volgens de wijzigingsvoorwaarden in de planregels voor een woonbestemming zou in dat geval geen sloopverplichting gelden. Weliswaar is dit rapport van na de vaststelling van het plan, maar de raad heeft in reactie op dit rapport niet kunnen uitleggen of en waarom hij dit standpunt volgt. Gelet op het voorgaande is de vaststelling van het plandeel onzorgvuldig en wordt de weigering van de raad om aan het perceel een woonbestemming toe te kennen niet gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Het betoog slaagt.
- In wat [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat gaat over het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" voor het perceel [locatie A], is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. 5.
- De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde plandeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en zal daartoe een termijn stellen. Om te voorkomen dat voordat voor het perceel een nieuw plan in werking treedt de bedrijfswoning niet meer door een derde mag worden bewoond, ziet de Afdeling aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, inhoudende dat de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" voor dit plandeel blijven gelden totdat hiervoor een nieuw bestemmingsplan is vastgesteld en in werking is getreden. Proceskosten
- De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten van [appellanten] te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellanten] gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Heusden van 20 december 2016, waarbij het bestemmingsplan "Elshout" is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf" voor het perceel [locatie A] te Elshout; III. draagt de raad van de gemeente Heusden op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het onder II. vernietigde plandeel en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat het onder II. genoemde plandeel blijft gelden tot het tijdstip van inwerkingtreding van het nieuwe besluit zoals bedoeld onder III; V. veroordeelt de raad van de gemeente Heusden tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.319,90 (zegge: dertienhonderdnegentien euro en negentig cent), waarvan € 1.280,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VI. gelast dat de raad van de gemeente Heusden aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier. w.g. Kranenburg w.g. Boermans voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2019 429-875.