(2017)geen trams rijden in een situatie die vergelijkbaar is met de toekomstige situatie in Maastricht. Omdat de Regio Citadis in Den Haag het meest vergelijkbare type is, is deze gebruikt als referentie voor Maastricht. Omdat verwacht mag worden dat het toekomstig trammaterieel stiller wordt, is dit een worst-case situatie, aldus het Rapport geluid. 25.
- In reactie op de notitie Tauw heeft de raad de notitie "Tram Maastricht Hasselt - reactie op memo Tauw" van bureau DGMR van 13 juli 2018 overgelegd. Hierin staat dat verwacht wordt dat op de tramlijn Maastricht-Hasselt een moderne versie van een tram gaat rijden. Omdat nog niet precies bekend is welk materieel in Maastricht gaat rijden is voor het akoestisch onderzoek uitgegaan van de geluidemissie van vergelijkbaar lightrailmaterieel dat op dit moment ook op andere tramlijnen wordt gebruikt, zoals op de Randstadrail in Den Haag. Uit onderzoek is gebleken dat dit materieel een stuk stiller is dan het oude Haagse trammaterieel, waarvan de emissiegetallen in het Rmg 2012 zijn opgenomen. Ter onderbouwing van de conclusies uit het Rapport geluid is een extra berekening uitgevoerd, waarbij voor de tram is uitgegaan van de geluidemissie overeenkomstig het Rmg 2012 en verder dezelfde intensiteit, rijsnelheid en bovenbouwconstructie als in het bestemmingsplan. Deze berekening laat ter plaatse van de [locatie 1], 11 en 12, een geluidbelasting zien van maximaal 45 dB (zonder 5 dB aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wgh). Hieruit volgt dat met de tramemissie overeenkomstig het Rmg 2012 voor de tram voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar dat ook de totale geluidbelasting (weg en tram) niet dusdanig toeneemt dat sprake is van reconstructie in de zin van de Wgh, aldus de reactie van bureau DGMR op de notitie Tauw. 25.
- De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat bij het akoestisch onderzoek is uitgegaan van een niet-representatieve situatie, wat betreft het gebruikte trammaterieel. Het betoog faalt. 25.
- Gelet op het hiervoor gegeven oordeel behoeft het betoog van [appellant sub 2] dat de emissiefactoren van het Regio Citadis-materieel zijn onderschat omdat deze berusten op metingen op een recht spoor, geen bespreking. De Afdeling wijst er in dit verband overigens op dat volgens de deskundige op basis van beschikbare onderzoeksrapporten onvoldoende vaststaat dat in bochten een hogere trillingsintensiteit optreedt dan op rechte stukken. Daar komt bij dat de woning van [appellant sub 2] tegenover de eindhalte ligt. Op dit deel van het tracé rijdt de tram over een recht spoor. De dichtstbijzijnde bocht is gesitueerd op een afstand van meer dan 50 m van de woning van [appellant sub 2]. Dit betreft een korte bocht. Het onderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan is volgens het deskundigenbericht in die zin "worst-case". Geluid - aftrek artikel 110g Wgh
- Over de aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wgh merkt de deskundige op dat de raad desgevraagd heeft toegelicht dat de aftrek van 5 dB door middel van een groepsreductie is toegepast op de geluidbelasting vanwege het weg- en tramverkeer. Dit is volgens het deskundigenbericht in overeenstemming met de methodiek van het Rmg
- De Afdeling sluit hierbij aan. Geluid - bodemfactor
- In het deskundigenbericht staat dat de raad in de notitie "Tram Maastricht Hasselt - reactie op memo Tauw" van 13 juli 2018 aanvullende informatie heeft verstrekt over de gehanteerde bodemfactor. Uit het onderschrift bij figuur 4 maakt de deskundige op dat ter plaatse van een witte achtergrond (mogelijk) is gerekend met een akoestisch zachte bodem. Dit zou betekenen dat ter plaatse van de Van Hasseltkade en de Maasboulevard, waar sprake is van een witte achtergrond in de figuur, is uitgegaan van een absorberende bodem. Dit stemt volgens de deskundige niet overeen met de feitelijke en toekomstige situatie. Mogelijk dat het onderschrift bij figuur 4 niet juist is en dat bedoeld is dat ter plaatse van een witte achtergrond is uitgegaan van een akoestisch harde bodem. Indien in het rekenmodel toch van een akoestisch zachte bodem is uitgegaan, is de geluidbelasting zowel in de huidige als toekomstige situatie onderschat. Voor de vraag of er sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh is overigens het verschil in geluidbelasting tussen de huidige en toekomstige situatie bepalend en maakt het dus niet uit of is gerekend met een akoestisch harde of zachte bodem, aldus het deskundigenbericht. 27.
- In reactie op het deskundigenbericht heeft de raad toegelicht dat de kleuren in de hiervoor genoemde figuur 4 door het inscannen van het document niet goed zijn weergegeven. De grijze kleur, die hoort bij een akoestisch harde bodem, is volgens de raad vanwege de lage resolutie van de scan wit uitgevallen. De raad heeft de notitie "Tram Maastricht Hasselt - reactie op memo Tauw" nogmaals overgelegd, in betere kwaliteit. Hieruit volgt dat ter plaatse van de Van Hasseltkade en de Maasboulevard is uitgegaan van een akoestisch harde bodem (grijs). 27.
- De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek bij het modelleren van de omgeving van de Van Hasseltkade en de Maasboulevard, is uitgegaan van een onjuiste bodemfactor. Het betoog faalt. Geluid - cumulatie
- De raad stelt dat in het geluidrapport de cumulatieve geluidbelasting van tram en wegverkeer is berekend. Andere geluidbronnen zijn er volgens de raad niet. In het deskundigenbericht wordt dit standpunt van de raad bevestigd. [appellant sub 2] heeft in reactie op het deskundigenbericht enkel gesteld dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook rekening gehouden moet worden met het geluid van vliegtuigen en bedrijven. Gelet hierop acht de Afdeling evenwel niet aannemelijk dat sprake is van andere relevante geluidbronnen. Het betoog faalt. Geluid - overige onduidelijkheden in het Rapport geluid
- In de notitie Tauw wordt gewezen op een aantal andere onduidelijkheden in het Rapport geluid. In het deskundigenbericht wordt hierop ingegaan. Uit het deskundigenbericht volgt dat, voor zover sprake was van onduidelijkheden, deze zijn opgehelderd in het kader van het deskundigenonderzoek, onder meer in de notitie "Tram Maastricht Hasselt - reactie op memo Tauw" van 13 juli
- Door [appellant sub 2] zijn geen concrete bezwaren hiertegen naar voren gebracht. Conclusie "Rapport geluid"
- Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de Afdeling geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het Rapport geluid zodanige onjuistheden of leemten in kennis vertoont dat de raad dit rapport niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog faalt. Frequentie gebruik tramlijn en nachttrams
- De Afdeling komt toe aan de beoordeling van het betoog van [appellant sub 2] dat bij het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de beoogde dienstregeling van de tram, maar dat het plan een meer intensief gebruik, dat wil zeggen meer tramritten per uur en tramritten in de nachtperiode, niet uitsluit. 31.
- In de plantoelichting staat dat in de planregels is opgenomen dat de voorkeursgrenswaarde voor geluidgevoelige objecten, zoals die is vastgelegd in de Wgh, te weten 48 dB, niet mag worden overschreden. Voor zover hogere waarden zijn vastgesteld gelden deze hogere waarden als norm die niet mag worden overschreden. Als niet aan die waarde voor geluid wordt voldaan, is sprake van strijd met het bestemmingsplan. Vóór aanvang van de aanleg van de tramrails dient te worden aangetoond dat aan deze eisen wordt voldaan. Dit dient te worden aangetoond door middel van berekeningen. Uit het "Rapport geluid" blijkt dat het mogelijk is om een tram binnen deze kaders te laten rijden, aldus de plantoelichting. 31.
- Niet in geschil is dat de raad door middel van de - gelijkluidende - voorwaardelijke verplichtingen van artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, onder a (bestemming "Verkeer) en artikel 6, lid 6.4, onder 6.4.1, onder a (bestemming Verkeer - Verblijfsgebied") heeft beoogd een geluidplafond vast te leggen ter borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving van het tracé. In genoemde bepalingen is vastgelegd dat "het gebruik ten behoeve van […] tramverkeer uitsluitend is toegestaan en uitsluitend mag worden voortgezet indien het geluid op geluidgevoelige objecten niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde dan wel de door het bevoegd gezag vastgestelde hogere waarde". 31.
- De Afdeling is van oordeel dat de intentie van de raad om in het plan vast te leggen dat de geluidbelasting vanwege (alleen) het tramverkeer niet hoger mag zijn dan 48 dB, niet blijkt uit de redactie van de voorwaardelijke verplichting. De hiervoor genoemde bepalingen zijn in zoverre onduidelijk. 31.
- De Afdeling is verder van oordeel dat ook de zinsnede dat "het geluid op geluidgevoelige objecten niet meer bedraagt dan de door het bevoegd gezag vastgestelde hogere waarde", in de context van wat de raad met deze voorwaardelijke verplichting heeft beoogd, onduidelijk is. Voor zover voor bepaalde woningen reeds een hogere geluidwaarde van kracht was voor het vaststellen van het plan, ziet deze geluidwaarde op de geluidbelasting van de weg als zodanig. Indien de raad heeft beoogd vast te leggen dat in de toekomstige situatie de geluidbelasting vanwege de weg door het tram- en autoverkeer gezamenlijk een reeds bestaande hogere geluidwaarde niet mag overschrijden, volgt dit niet duidelijk uit de bepaling. Overigens heeft de raad niet inzichtelijk gemaakt wat de meerwaarde is van een verwijzing naar een reeds van kracht zijnde hogere waarde, nu in de beoogde situatie de geluidbelasting vanwege de tram niet hoger zou mogen zijn dan 48 dB. Indien de raad heeft beoogd de mogelijkheid open te laten dat het college na de inwerkingtreding van het plan het "planologisch geluidplafond" (voor de tram) verhoogt, door alsnog hogere geluidwaarden vast te stellen voor woningen, is dit rechtens niet mogelijk, omdat het geluidonderzoek dat ten grondslag ligt aan het plan hier geen rekening mee houdt. 31.
- Het voorgaande betekent dat artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, onder a en artikel 6, lid 6.4, onder 6.4.1, onder a, van de planregels niet met de vereiste zorgvuldigheid zijn voorbereid. Het betoog slaagt. Trillingen, laagfrequent geluid en booggeluid
- De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van trillingen, laagfrequent geluid en booggeluid zijn vastgelegd in het rapport "Onderzoeken trillingen, laagfrequent geluid en booggeluid" van Arcadis van 12 september
- In dit rapport staat dat voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van trillinghinder gebruik is gemaakt van de SBR B-richtlijn "Hinder voor personen in gebouwen" uit
- Voor het beoordelen van de hinder vanwege laagfrequent geluid is volgens het rapport aangesloten bij de zogeheten methode De Ruiter. Voor het booggeluid is uitgegaan van de veronderstelling dat piekgeluidniveaus van boven de 75 dB(A) op de gevel als hinderlijk worden ervaren. 32.
- In het "Rapport trillingen, laagfrequent geluid en booggeluid" wordt geconcludeerd dat het tracé op een aantal beoordelingspunten leidt tot overschrijding van de normen van het toegepaste beoordelingskader voor trillingen, en daarnaast tot mogelijke overschrijdingen van de gehanteerde normen voor laagfrequent geluid en booggeluid. Mogelijke overschrijdingen van de norm voor trillingen treden vooral op bij de Boschstraat (Sphinxgebouw) en de Maasmolendijk. Overschrijdingen voor laagfrequent geluid treden vooral op bij bebouwing dichtbij het spoor, in dezelfde gebieden als waar ook overschrijdingen mogelijk zijn van de norm voor trillingen. Booggeluid treedt met name op bij krappe bogen, bij de bocht richting het Bassin en bij de eindhalte Mosae Forum. Voor de genoemde locaties is onderzoek verricht naar maatregelen die de hinder beperken. Uit dit onderzoek blijkt dat een zogeheten floating slab track voldoende effect heeft voor het beperken van trillingen en laagfrequent geluid rond het Sphinxgebouw. Bij de Maasmolendijk en de Van Hasseltkade kan volstaan worden met een lichtere maatregel: een elastische mat. Het booggeluid kan voldoende worden gereduceerd door maatregelen als het smeren van voertuigen, eventueel aangevuld met extra spooronderhoud (akoestisch slijpen) en smering in de krappe bogen. Met deze aanpassingen valt ook het booggeluid binnen het heersende binnenstedelijke geluidsbeeld. Na het nemen van de voorgestane maatregelen zijn de gevolgen van trillingen, laagfrequent geluid en booggeluid van de trams op alle locaties in overeenstemming met de normen van het toegepaste beoordelingskader, aldus het "Rapport trillingen, laagfrequent geluid en booggeluid". 32.
- In de door [appellant sub 2] ingebrachte notitie Tauw worden de resultaten van het onderzoek naar de hinder vanwege trillingen, laagfrequent geluid en booggeluid niet gemotiveerd bestreden. In deze notitie staat alleen dat het onderzoek gebaseerd is op aannames, wat betreft trillingen bij de bron (tram), in de overdracht (bodemopbouw) en bij de ontvanger (woning). De gebruikte rekenmodellen hebben daarmee een zeer beperkte nauwkeurigheid. De uitkomsten zijn volgens deze notitie daardoor indicatief. Het is niet uitgesloten dat na realisatie van de trambaan sprake zal zijn van onaanvaardbare hinder als gevolg van (de cumulatie van) trillingen en van laagfrequent geluid en booggeluid bij de woning van [appellant sub 2]. In de notitie Tauw wordt geadviseerd om in het plan te borgen dat na realisatie van het tracé, een evaluatie door middel van metingen plaatsvindt en dat indien nodig aanvullende maatregelen worden getroffen. Trillingen
- In het deskundigenbericht staat dat de trillingen vanwege de tram voor de omgeving van de Van Hasseltkade/Maasboulevard getoetst zijn aan de streefwaarden voor een gewijzigde situatie zoals opgenomen in de SBR-richtlijn deel B "Hinder voor personen in gebouwen". Volgens het deskundigenbericht volgt uit deze richtlijn dat een nieuwe situatie ziet op een nieuwe bron en een gewijzigde situatie op een wijziging van een bestaande bron. Een beoordeling op basis van een nieuwe situatie als bedoeld in de SBR-richtlijn deel B zou volgens de deskundige voor de woning van [appellant sub 2] echter geen verschil maken. Nu de streefwaarden voor een nieuwe situatie naar verwachting niet worden overschreden, behoeft voor trillinghinder vanwege de tram niet te worden gevreesd, aldus het deskundigenbericht. 33.
- Wat betreft de opmerking van [appellant sub 2] over cumulatie van trillingen wijst de Afdeling erop dat in het "Rapport trillingen, laagfrequent geluid en booggeluid" staat dat verschillende bronnen elkaar alleen kunnen versterken als de trillingen op hetzelfde moment optreden én de maatgevende trillingsfrequentie gelijk is. Volgens het deskundigenbericht is dit een juist uitgangspunt. In het deskundigenbericht staat dat de kans dat een bus- en een trampassage op exact hetzelfde moment in een woning een trilling veroorzaken, klein is, maar dit valt volgens de deskundige niet geheel uit te sluiten. De raad heeft desgevraagd voor de woning van [appellant sub 2] berekend dat vanwege een buspassage een maatgevende trillingsfrequentie in de woning optreedt van 10 Hz en vanwege een trampassage van 32 Hz. De maatgevende trillingsfrequentie van een bus is dus veel lager dan de maatgevende trillingsfrequentie van een tram. Trillingen waarvan de trillingsfrequenties niet gelijk zijn, zullen elkaar niet versterken wanneer ze gelijktijdig in de woning optreden. Gelet hierop is een effect vanwege cumulatie van trillingen niet te verwachten. Het betoog faalt. Laagfrequent geluid
- Volgens het deskundigenbericht is laagfrequent geluid getoetst aan de gangbare "methodiek De Ruiter. In de woning van [appellant sub 2] treedt volgens de deskundige geen overschrijding op van de grenswaarden. [appellant sub 2] heeft dit onderdeel van het deskundigenbericht niet gemotiveerd bestreden. Het betoog dat de raad het milieuaspect laagfrequent geluid niet juist heeft beoordeeld faalt. Booggeluid
- In het deskundigenbericht staat dat voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van booggeluid, vanwege het ontbreken van een wettelijk toetsingskader, aangesloten is bij de norm voor het (maximale) geluidniveau in de dagperiode uit de "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening". Volgens het deskundigenbericht zal ter plaatse van de woningen aan de Van Hasseltkade geen overschrijding van de toetswaarde van 75 dB(A) plaatsvinden. Het maximale geluidniveau vanwege booggeluid aan de gevel van de woning van [appellant sub 2] bedraagt 55 dB(A). [appellant sub 2] heeft dit onderdeel van het deskundigenbericht niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling is gelet hierop, en de omstandigheid dat indien nodig (onderhouds)maatregelen getroffen zullen worden voor de (verdere) beperking van het booggeluid van de trams, in de vorm van smeren en/of slijpen, van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de raad de geluidbelasting van het booggeluid heeft onderschat. Het betoog faalt. Luchtkwaliteit
- De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het "Rapport luchtkwaliteit tram Maastricht-Hasselt" van Arcadis van 12 september
- In dit rapport wordt geconcludeerd dat uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat de concentratie luchtverontreinigende stoffen in de door het plan voorziene situatie (ruimschoots) voldoet aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. 36.
- In de door [appellant sub 2] ingebrachte notitie Tauw wordt gewezen op een aantal mogelijke tekortkomingen, althans onduidelijkheden in het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit. In de notitie Tauw wordt niettemin geconcludeerd dat de daarin voorgestelde wijziging van de invoerparameters naar verwachting niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit zodanige onjuistheden of leemten in kennis vertoont dat de raad dit onderzoek niet aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Het betoog faalt. Verkeersveiligheid en -afwikkeling
- [appellant sub 2] betoogt dat het tramverkeer leidt tot een verkeersonveilige situatie en tot problemen met de verkeersafwikkeling in de binnenstad. Volgens [appellant sub 2] ontbreekt een onafhankelijk onderzoek naar de gevolgen van het tramverkeer voor de verkeersveiligheid en -afwikkeling, omdat het bureau Arcadis dat het onderzoek heeft uitgevoerd ook heeft meegewerkt aan de voorbereiding van het bestemmingsplan als zodanig. Het onderzoek gaat ten onrechte uit van de veronderstelling dat trams op het laatste deel van het traject met een snelheid van 30 km/uur rijden. De maximaal toegestane snelheid ter plaatse bedraagt namelijk 50 km/uur. Van belang is volgens [appellant sub 2] dat de tram in de binnenstad de weg deelt met gemotoriseerd verkeer en fietsverkeer. Reeds in de bestaande situatie doen zich problemen voor met de verkeersafwikkeling en worden regelmatig verkeersregelaars ingezet, aldus [appellant sub 2]. 37.
- De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het tramverkeer voor de verkeersveiligheid en -afwikkeling in de binnenstad zijn vastgelegd in het "Rapport verkeerstoets tram Maastricht-Hasselt" van Arcadis van 27 februari 2018 (hierna: Verkeerstoets). In paragaaf 2.5 van dit rapport wordt nader ingegaan op de gevolgen van de tram voor de verkeersveiligheid, gelet ook op het medegebruik van de weg door gemotoriseerd en langzaam verkeer. Uitgangspunt is dat de tram met een lage snelheid van maximaal 30 km/uur over het binnenstedelijk tracé rijdt. De tram kan geen hogere snelheid bereiken vanwege de bochten en kruispunten in het tracé en de tussen- en eindhalte, waarvoor steeds tijdig afgeremd moet worden. Als gevolg hiervan gaat volgens de Verkeerstoets ook de snelheid van het overige verkeer omlaag. Bestaande kruispunten en wegvakken worden met de komst van de tram opnieuw ingericht overeenkomstig de uitgangspunten van "Duurzaam Veilig" en de richtlijnen van CROW. De tram kan daarmee op een veilige manier op het binnenstedelijke wegennet worden ingepast, aldus de Verkeerstoets. 37.
- De raad heeft een nadere toelichting gegeven over de rijsnelheden van de tram in de binnenstad. Na vertrek van de halte Sphinxkwartier trekt de tram op naar een snelheid van 18 km/uur. De afstand tussen de halte Sphinxkwartier en de eerste bocht is te kort om een hogere snelheid te halen waarbij de reiziger nog comfort ervaart. Na de bocht wordt opgetrokken naar 30 km/uur. Vervolgens wordt deze snelheid 4 seconden aangehouden, voordat afgeremd moet worden voor de bocht bij Sluis
- In deze bocht en totdat de tram de bocht verlaten heeft, rijdt de tram met een snelheid van 18 km/uur. Na de bocht bij Sluis 20 wordt opgetrokken naar 30 km/uur. Vervolgens wordt deze "boulevardsnelheid" gedurende 7 seconden aangehouden voordat afgeremd moet worden voor de S-bocht bij de Maastrichter Grachtstraat. De rijsnelheid in de S-bocht bedraagt maximaal 18 km/uur. Vervolgens wordt met deze snelheid doorgereden totdat de tram geleidelijk tot stilstand komt bij de (eind)halte Mosae Forum, aldus de raad. 37.
- In het deskundigenbericht staat dat in stedelijke gebieden een volledige scheiding van vervoerswijzen in veel gevallen niet mogelijk is. In gebieden waar ontmoetingen zijn tussen de verschillen soorten verkeersdeelnemers (automobilisten, fietsers, trams en bussen) kan de verkeersveiligheid worden bevorderd door ervoor te zorgen dat de verschillen in snelheid tussen verkeersdeelnemers worden geminimaliseerd. Volgens de deskundige is het niet ongebruikelijk om een tram te laten meerijden met het autoverkeer, zoals op de Maasboulevard de bedoeling is, en is dit niet verkeersonveilig. Bij lage snelheden van de tram kan de trambestuurder tijdig anticiperen op onverwacht gedrag van andere verkeerdeelnemers en andersom. De deskundige gaat er vanuit dat de tram op het laatste deel van de Maasboulevard met een lage snelheid van ongeveer 18 km/u rijdt. Gelet op de beoogde inrichting van het plangebied, zoals beschreven in de Verkeerstoets en de door de raad gegeven nadere toelichting over de rijsnelheden van de tram in de binnenstad, concludeert de deskundige dat de verkeersveiligheid in de binnenstad kan worden geborgd. 37.
- De Afdeling overweegt dat de omstandigheid dat het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de verkeerssituatie is uitgevoerd door het bureau dat (ook) heeft meegewerkt aan de totstandkoming van het bestemmingsplan, niet betekent dat dit onderzoek reeds daarom ondeugdelijk is. Een dergelijke handelwijze is niet ongebruikelijk. [appellant sub 2] heeft overigens geen concrete omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de onafhankelijkheid van de onderzoekers. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding aan die onafhankelijkheid te twijfelen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd voorts geen aanknopingspunten de hiervoor weergegeven toelichting van de raad over de rijsnelheden niet te volgen. De raad heeft aannemelijk gemaakt dat de tram op het laatste rechte stuk van de Maasboulevard niet harder zal rijden dan 30 km/uur en dat voor de (eind)halte de snelheid nog lager zal zijn. Gelet hierop en de omstandigheid dat in het deskundigenbericht wordt onderschreven dat een verkeersveilige inrichting van de weg mogelijk is, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebruik van de tramlijn niet leidt tot ernstige gevolgen voor de verkeersveiligheid op en in nabijheid van de Maasboulevard. Het betoog faalt. 37.
- Wat betreft de gevolgen van het tramverkeer voor de verkeersafwikkeling overweegt de Afdeling als volgt. In de Verkeerstoets staat dat sprake is van een goede doorstroming indien de I/C-verhouding (intensiteit/capaciteit) lager is dan 80 procent. Uit bijlage A van de Verkeerstoets volgt dat de I/C-verhouding op de Maasboulevard, zowel in de autonome situatie als in de door het plan voorziene situatie, minder dan 50 procent bedraagt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot ernstige problemen met de verkeersafwikkeling op de Maasboulevard. Het betoog faalt. Woon- en leefklimaat
- De Afdeling stelt vast dat [appellanten sub 1] - anders dan [appellant sub 2] - geen concrete beroepsgronden hebben aangevoerd die zien op de gevolgen van het tracé met eindhalte Mosae Forum voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen. Zij hebben alleen gesteld dat de raad ten onrechte heeft gekozen voor het binnenstedelijk alternatief met als eindhalte Mosae Forum, omdat de andere alternatieven minder verstrekkende gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat (in de binnenstad). De beroepsgrond van [appellanten sub 1] over de wijze waarop de raad de alternatieven voor het binnenstedelijke deel van het tracé heeft afgewogen, heeft de Afdeling hiervoor besproken.
- [appellant sub 2], wiens woning op 30 m afstand van het tracé is gelegen, vreest voor aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van geluidoverlast, trillinghinder, laagfrequent geluid, booggeluid en verslechtering van de luchtkwaliteit. Hij betoogt dat hij ernstige overlast zal ondervinden van de eindhalte aan de Maasboulevard, ter hoogte van zijn woning. Ook stelt [appellant sub 2] dat hij vanwege de realisatie van de eindhalte leidt tot onaanvaardbaar verlies van uitzicht. Milieueffecten
- Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de onderzoeken naar geluid, trilling, laagfrequent geluid, booggeluid en luchtkwaliteit is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat wat betreft deze milieuaspecten voor onaanvaardbare overlast niet behoeft te worden gevreesd. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de woning van [appellant sub 2] is gelegen op een locatie waar blijkens het Rapport geluid het omgevingsgeluid reeds in de bestaande situatie betrekkelijk hoog is vanwege in het bijzonder het verkeerslawaai. Overlast vanwege (eind)halte Mosae Forum
- [appellant sub 2] betoogt dat hij ernstige overlast zal ondervinden van de eindhalte aan de Maasboulevard, ter hoogte van zijn woning. Volgens [appellant sub 2] krijgt de tramhalte, gelet ook op de nabije ligging tot de bushalte, het karakter van een OV-station. 41.
- De tramhalte is voorzien op gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - tramhalte". De afstand tussen deze gronden en de woning van [appellant sub 2] bedraagt ongeveer 32 m. Zoals blijkt uit artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.1, van de planregels, zijn op gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", geen gebouwen toegelaten, behoudens gebouwen ten behoeve van "additionele voorzieningen". In artikel 6, lid 6.2, onder 6.6.2, van de planregels is vastgelegd dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouw zijnde, in de vorm van voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer, maximaal 10 m bedraagt. Ingevolge artikel 6, lid 6.2, onder 6.6.2, aanhef en onder d, geldt voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde, een maximale bouwhoogte van 4 m. 41.
- Volgens de raad is de Maasboulevard een drukke weg in het centrumgebied van Maastricht. De verkeersintensiteit ter plaatse is hoog, ook wat betreft het gebruik van de weg door het openbaar vervoer. De tramhalte is voorzien aan de overzijde van de tunnel in de Maasboulevard op een afstand van ruim 30 m tot de woningen aan de Van Hasseltkade. De reizigers die gebruik maken van de halte gaan volgens de raad zuidwaarts naar de binnenstad of komen daar vandaan, of stappen over op de bus. Het ligt volgens de raad niet voor de hand dat veel van deze reizigers gebruik zal maken van het trottoir op de Van Hasseltkade. Volgens de raad leidt de situering van de eindhalte aan de Maasboulevard niet tot ernstige overlast voor de bewoners van de Van Hasseltkade. Evenmin zal sprake zijn van een ernstige aantasting van de privacy. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. De Afdeling wijst in dit verband ook op het deskundigenbericht, waarin staat dat het vanwege de ligging van de tramhalte ten oosten van de tunnelbak aan de Maasboulevard, voor de reizigers die gebruik maken van de halte niet mogelijk is rechtstreeks naar het trottoir van de Van Hasseltkade te lopen. Het betoog faalt. Aantasting uitzicht
- Wat betreft de gevolgen van de tramhalte voor het uitzicht richting en over de Maas, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor is overwogen, is de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de gronden waarop de tramhalte is voorzien, ongeveer 30 m. Op deze gronden zijn blijkens artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.1, van de planregels geen gebouwen toegelaten, behoudens gebouwen voor additionele voorzieningen. Voor deze gebouwen geldt blijkens artikel 12, lid 12.3, onder a, aanhef en onder 2 een bouwhoogte van maximaal 3 m. Ook laat het plan een bestuurdersruimte toe, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - bestuurdersruimte". Dit staat in artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.1, onder b. De bestuurdersruimte mag eveneens maximaal 3 m hoog zijn (artikel 6, lid 6.
- onder 6.2.3 onder b). In 6.2.2 aanhef en onder a, van de planregels is bepaald de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer alsmede de bouwhoogte van voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer niet meer dan 10 m mag bedragen. Voor andere bouwwerken, geen gebouw zijnde, geldt op grond van het bepaalde onder d, een bouwhoogte van 4 m. 42.
- De Afdeling is, gelet op de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de voorziene tramhalte in samenhang met de bouwmogelijkheden ter plaatse, van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een tramhalte aan de Maasboulevard niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van het uitzicht van [appellant sub 2]. Het betoog faalt. Uitvoerbaarheid
- Appellanten betogen dat het plan niet uitvoerbaar is. Volgens hen is niet inzichtelijk gemaakt dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn of zullen worden gesteld voor de realisatie van het tracé van de tramlijn op Belgisch grondgebied. Zonder het Belgische deel van het tracé, heeft het Nederlandse deel geen betekenis. Een actuele raming van de realisatie- en exploitatiekosten van het project ontbreekt. De beschikbare raming dateert uit
- [appellanten sub 1] wijzen in dit verband op de "Nota aan de Vlaamse regering" van de Vlaamse minister van Mobiliteit en Openbare Werken over de stand van zaken met betrekking tot de drie sneltramlijnen uit het zogeheten Spartacusplan. Uit deze nota volgt volgens [appellanten sub 1] dat het exploitatietekort ongeveer 21 miljoen bedraagt. Deze kosten moeten worden gedragen door De Lijn. Volgens [appellanten sub 1] valt evenwel te betwijfelen of de tramverbinding winstgevend zal zijn. 43.
- Volgens de raad hebben de betrokken partijen zich contractueel verbonden het project uit te voeren. De raad wijst in dit verband op de "Kaderovereenkomst tramverbinding Hasselt-Maastricht" van 11 maart 2014 (hierna: Kaderovereenkomst) en de aanvullingen daarop van 15 december 2016 en 1 februari
- Deze aanvullingen zien onder meer op de scopewijziging van het project. Na het sluiten van de Kaderovereenkomst zijn partijen overeengekomen dat de eindhalte van de verbinding Mosae Forum zal zijn, in plaats van het NS-station, aldus de raad. 43.
- In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd. 43.
- In artikel 5.2 van de Kaderovereenkomst staat dat het Vlaams Gewest, een van de betrokken partijen, "gedurende 35 jaar garant staat voor de vervoersdiensten en de exploitatie, conform deze overeenkomst, van de tramverbinding door De Lijn, dan wel een andere door partijen geschikt geachte vervoerder, mits de Nederlandse railinfrastructuur gedurende deze 35 jaar beschikbaar is." Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand er niet van uit had mogen gaan dat het Belgische deel van de tramverbinding financieel uitvoerbaar is en ook zal worden gerealiseerd. Tegen de achtergrond van deze overeenkomst ziet de Afdeling geen beslissende betekenis toekomen aan de recente berichten - uit juni 2018 - in de media, waarop appellanten hebben gewezen en waarin staat dat er in België (politieke) discussie is ontstaan over het beschikbaar stellen van het budget voor de realisatie. Deze berichten doen niet af aan de inhoud van de Kaderovereenkomst zoals hiervoor vermeld. Het betoog faalt. Conclusie
- Het beroep van [appellanten sub 1] is ongegrond. Het beroep van [appellant sub 2] is, voor zover ontvankelijk, gegrond.
- Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wat betreft artikel 4, lid 4.
- onder 4.4.1, onder a en artikel 6, lid 6.
- onder 6.4.1, onder a, van de planregels. Zonder deze bepalingen, waarmee is beoogd een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de binnenstad te waarborgen, kan het plan geen stand houden. Nu niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden hierdoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op de hierna te melden wijze zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd. De Afdeling zal, in het kader van het zelf voorzien, de voorwaardelijke verplichting van artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1 onder a en artikel 6, lid 6.4, onder 6.4.1, onder a, van de planregels, overeenkomstig de intentie van de raad wijzigen en bepalen dat de voorwaardelijke verplichting als volgt komt te luiden: "[h]et gebruik ten behoeve van het in […] genoemde tramverkeer is uitsluitend toegestaan en mag uitsluitend worden voortgezet indien de geluidbelasting vanwege het tramverkeer op geluidgevoelige objecten niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB." Verwerking uitspraak op de landelijke voorziening
- Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl. Proceskosten
- Ten aanzien van [appellanten sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van [appellant sub 2] dient de raad op na de melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant sub 2], voor zover gericht tegen het plandeel met de bestemming "Verkeer - Railverkeer", niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep [appellant sub 2], voor zover ontvankelijk, gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Maastricht van 6 maart 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tram Maastricht-Hasselt", wat betreft artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, onder a, en artikel 6, lid 6.4, onder 6.4.1, onder a, van de planregels; IV. bepaalt dat: a. artikel 4, lid 4.4, onder 4.4.1, onder a, van de planregels als volgt komt te luiden: "[h]et gebruik ten behoeve van het in 4.1, onder e, genoemde tramverkeer is uitsluitend toegestaan en mag uitsluitend worden voortgezet indien de geluidbelasting vanwege het tramverkeer op geluidgevoelige objecten niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB." b. artikel 6, lid 6.4, onder 6.4.1, onder a, van de planregels als volgt komt te luiden: "[h]et gebruik ten behoeve van het in 6.1, onder e, genoemde tramverkeer is uitsluitend toegestaan en mag uitsluitend worden voortgezet indien de geluidbelasting vanwege het tramverkeer op geluidgevoelige objecten niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB." V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover vernietigd; VI. draagt de raad van de gemeente Maastricht op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel IV. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl; VII. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ongegrond; VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Maastricht tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.995,17 (zegge: vierduizend negenhonderdvijfennegentig euro en zeventien cent), waarvan € 1.280,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IX. gelast dat de raad van de gemeente Maastricht aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier. w.g. Van Diepenbeek w.g. Milosavljević voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2019
- BIJLAGE Algemene wet bestuursrecht Artikel 1:2, eerste lid Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Wet geluidhinder Artikel 82, eerste lid Behoudens het in de artikelen 83, 100 en 100a bepaalde is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de gevel, vanwege de weg, 48 dB. Artikel 110g Onze Minister stelt regels op grond waarvan telkens voor een bepaalde periode, al naar gelang de geluidproductie van motorvoertuigen in de betrokken periode hoger ligt dan voor de toekomst redelijkerwijs is te verwachten, bij de berekening en meting van de geluidsbelasting van de gevel van woningen of van andere geluidsgevoelige gebouwen of aan de grens van geluidsgevoelige terreinen op het resultaat een door hem bepaalde aftrek van niet meer dan 5 dB wordt toegepast. Planregels Artikel 1 Begrippen 1.5 additionele voorzieningen: die voorzieningen, die direct of indirect samenhangen met de bestemmingen van dit bestemmingsplan; hieronder zijn in ieder geval begrepen plastieken, standbeelden of andere kunstwerken in het openbaar gebied, kiosken, abri's, telefooncellen, nutsgebouwtjes, voetgangersliften, straatmeubilair of daarmee vergelijkbare nutsvoorzieningen, ondergrondse en bovengrondse stallingsvoorzieningen voor (brom-, snor- en motor-) fietsen, ondergrondse en bovengrondse afvalvoorzieningen en parkeervoorzieningen voor auto's, met uitzondering van parkeergarages. Artikel 4 Verkeer 4.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Verkeer" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegverkeer; b. voorzieningen voor het openbaar vervoer; [..]; e. tramverkeer, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - tramverkeer (sv-tv)"; f. railverkeer, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "railverkeer (rv)"; g. een tramhalte, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - tramhalte" (sv-th); h. een wacht- en keervoorziening voor het tramverkeer; i. voorzieningen voor het tram- en railverkeer; […]; m. trillings- en geluidwerende voorzieningen; n. groenvoorzieningen; o. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.2 Bouwregels 4.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van additionele voorzieningen. 4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer alsmede de bouwhoogte van voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer mag niet meer bedragen dan 10 m; b. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 m; c. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 8 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m. 4.4 Specifieke gebruiksregels 4.4.1 Voorwaardelijke verplichting ten aanzien van geluid a. Het gebruik ten behoeve van het in 4.1 onder e genoemde tramverkeer is uitsluitend toegestaan en mag uitsluitend worden voortgezet indien het geluid op geluidsgevoelige objecten niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde dan wel de door het bevoegd gezag vastgestelde hogere waarde; b. Het bepaalde onder a dient in ieder geval vóór aanvang van de aanleg van de tramrails binnen deze bestemming te worden aangetoond door middel van berekeningen in een schriftelijke rapportage aan het college van burgemeester en wethouders; c. Een handelen in strijd met het bepaalde onder a en b wordt aangemerkt als een gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verkeersontsluiting; b. verblijfsgebied; c. voorzieningen voor het openbaar vervoer; […]; e. tramverkeer, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - tramverkeer" (sv-tv); f. een tramhalte, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - tramhalte" (sv-th); g. een bestuurdersruimte, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - bestuurdersruimte" (sv-be); h. verkeer en vervoer te water; i. trillings- en geluidwerende voorzieningen; […]. 6.2 Bouwregels 6.2.1 Gebouwen Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van: […]; b. een bestuurdersruimte, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - bestuurdersruimte" (sv-be); c. gebouwen ten behoeve van additionele voorzieningen. 6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. de bouwhoogte van palen, masten en portalen voor geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer alsmede de bouwhoogte van voorzieningen ten behoeve van het openbaar vervoer mag niet meer bedragen dan 10 m; b. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 12 m; c. de bouwhoogte van kunstobjecten mag niet meer bedragen dan 8 m; d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 4 m. 6.2.3 Bestuurdersruimte Voor het bouwen van een bestuurdersruimte gelden de volgende bepalingen: a. de ruimte mag uitsluitend bovengronds worden gebouwd; b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m; c. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m². 6.4 Specifieke gebruiksregels 6.4.1 Voorwaardelijke verplichting ten aanzien van geluid a. Het gebruik ten behoeve van het in 6.1 onder e genoemde tramverkeer is uitsluitend toegestaan en mag uitsluitend worden voortgezet indien het geluid op geluidsgevoelige objecten niet meer bedraagt dan de voorkeursgrenswaarde dan wel de door het bevoegd gezag vastgestelde hogere waarde; b. Het bepaalde onder a dient in ieder geval vóór aanvang van de aanleg van de tramrails binnen deze bestemming te worden aangetoond door middel van berekeningen in een schriftelijke rapportage aan het college van burgemeester en wethouders; c. Een handelen in strijd met het bepaalde onder a en b wordt aangemerkt als een gebruik in strijd met het bestemmingsplan. Artikel 12 Algemene bouwregels 12.3 Additionele voorzieningen a. Bouwregels Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van additionele voorzieningen gelden de volgende bepalingen: […];
- de bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van additionele voorzieningen mag niet meer bedragen dan 3 m; […]. Tabel 2.2 bij "Technische bijlage vervoerswaarde"