(69)Ook daarover bestaat geen zekerheid wanneer de vrijstelling van de beoordelingsverplichting alleen is gebaseerd op de aanname dat er gemiddeld genomen geen stijging van stikstofdepositie zal plaatsvinden. 150. In de praktijk betekent dit dat het bemesten of beweiden van nieuwe gronden of wijzigingen in deze activiteiten die tot extra stikstofdepositie in beschermde habitats kunnen leiden, volgens artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn moeten worden beoordeeld voordat de instanties daarvoor toestemming mogen geven. De stikstofdepositie die door het bemesten of beweiden van bepaalde agrarische gronden wordt veroorzaakt, is qua omvang waarschijnlijk zeer beperkt. Het lijkt evenwel niet uitgesloten dat in bepaalde gevallen significante gevolgen voor beschermingszones kunnen optreden. In dat verband moet met name worden gedacht aan een zeer intensief gebruik van gronden in de onmiddellijke nabijheid van beschermde habitats die al onder een aanzienlijke belasting te lijden hebben. In andere gevallen is het wellicht niet al te moeilijk significante gevolgen uit te sluiten. 23.3. De Afdeling stelt op grond van het voorgaande vast dat uit het onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan de uitzondering op de vergunningplicht niet volgt dat op grond van objectieve omstandigheden met zekerheid kan worden uitgesloten dat het bemesten afzonderlijk of in combinatie met andere projecten voor geen enkel Natura 2000-gebied significante gevolgen zal hebben. 23.4. In de reactie op het arrest stellen Gelderland en Limburg dat ‘uit onderzoek is gebleken dat significante gevolgen in vrijwel alle gevallen kunnen worden uitgesloten, omdat de emissie, en daarmee ook de depositie als gevolg van bemesten op het merendeel van de individuele landbouwpercelen gelijk aan of kleiner is dan de emissie en depositie op de Europese referentiedatum, zodat deze depositie niet leidt tot andere of grotere negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden, in vergelijking met de situatie ten tijde van de relevante referentiedatum’. Zij hebben in dat verband ook gewezen op de Tijdreeksanalyse waarin de emissies en deposities door het weiden en bemesten van de vier betrokken agrarische bedrijven in beeld zijn gebracht. De Tijdreeksanalyse laat ook bij de betrokken agrarische bedrijven een dalende trend in de emissies en deposities door het weiden en bemesten zien. Gelderland en Limburg leiden daaruit af dat uitgesloten is dat het bemesten door de vier betrokken agrarische bedrijven significante gevolgen kan hebben. 23.5. Daargelaten dat niet duidelijk is op welk onderzoek Gelderland en Limburg in algemene zin doelen, overweegt de Afdeling dat een conclusie dat ‘in vrijwel alle gevallen significante gevolgen kunnen worden uitgesloten’, niet de vereiste zekerheid biedt dat kan worden uitgesloten dat het bemesten afzonderlijk of in combinatie met andere projecten voor geen enkel Natura 2000-gebied significante gevolgen zal hebben. 23.6. De Tijdreeksanalyse geeft de ontwikkeling van de emissies en deposities door het weiden en bemesten bij de vier betrokken bedrijven aan in de periode 1994-2016. Ten opzichte van de referentiedata is op bedrijfsniveau een dalende trend zichtbaar, maar in een aantal gevallen heeft wel een tussentijdse stijging van de depositie plaatsgevonden. Die stijgingen hangen volgens de Tijdreeksanalyse met name samen met het rouleren van landgebruik. In de Tijdreeksanalyse wordt geconcludeerd dat hoewel de depositiebijdrage op bedrijfsniveau jaar op jaar van elkaar verschilt in positieve of negatieve zin, er op basis van deze langjarige historische gegevens (periode 1994-2016) geen reden is om aan te nemen dat het voortzetten van weiden en bemesten op deze percelen kan leiden tot significante verslechtering in de beschouwde Natura 2000-gebieden. De Afdeling is van oordeel dat op basis van de Tijdreeksanalyse niet kan worden uitgesloten dat de toekomstige bemestingsactiviteiten bij deze vier bedrijven significante gevolgen voor stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura 2000-gebieden zullen hebben. Zoals het Hof al aangaf en de Tijdreeksanalyse bevestigt, zijn voor de vraag of deze activiteiten significante gevolgen kunnen hebben de plaats waar en de intensiteit waarin deze plaatsvinden relevante factoren. Dat de toe- en afnames van de deposities over een groot aantal jaren bezien uitmiddelen is, anders dan waarvan Gelderland en Limburg uitgaan, niet relevant voor de beoordeling of op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het bemesten van gronden significante gevolgen kan hebben. Op basis van deze gegevens is dus niet verzekerd dat de toekomstige bemestingsactiviteiten door deze bedrijven geen significante gevolgen kunnen hebben. Dat wel relevant voor de vraag of verzekerd is dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen geen betrekking kan hebben op projecten die onder artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn vallen. 23.7. Het voorgaande betekent dat Gelderland en Limburg niet worden gevolgd in hun standpunt dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen uitsluitend betrekking heeft op activiteiten die onder artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn vallen omdat op grond van objectieve gegevens is uitgesloten dat het bemesten van agrarische percelen in Nederland significante gevolgen kan hebben. Uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen verbindend? 24. Uit het voorgaande volgt dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen ziet op alle (toekomstige) bemestingsactiviteiten ongeacht de plaats waar, de wijze waarop en in welke intensiteit deze worden uitgevoerd. Deze toekomstige bemestingsactiviteiten zijn - een mogelijke uitzondering daargelaten - niet te duiden als één-en-hetzelfde project met de bemestingsactiviteiten die voor de referentiedata waren toegestaan. Bovendien is op basis van het onderzoek dat aan de uitzondering op de vergunningplicht ten grondslag ligt niet op grond van objectieve gegevens uitgesloten dat het bemesten van gronden dat in Nederland plaatsvindt voor geen enkel Natura 2000-gebied significante gevolgen zal hebben. Dat betekent dat niet is uitgesloten dat onder de categorale uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen ook projecten vallen die significante gevolgen kunnen hebben en waarvoor slechts op basis van een individuele passende beoordeling toestemming kan worden verleend. 24.1. Een volgende vraag is of de strijd met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn moet leiden tot onverbindendheid van de bepalingen uit de verordeningen of slechts tot het buiten toepassing laten ervan in gevallen waarin de in die bepalingen gemaakte uitzondering zou leiden tot een met de Habitatrichtlijn strijdig resultaat. Daarbij betrekt de Afdeling dat de bepalingen uit de verordeningen de individuele agrariërs geen houvast bieden voor de beoordeling of voorgenomen bemestingsactiviteiten onder het tweede of derde lid, van artikel 6 van de Habitatrichtlijn vallen. Daarom ziet de Afdeling uit oogpunt van rechtszekerheid en handhaafbaarheid geen ruimte voor het buiten toepassing laten van de uitzondering op de vergunningplicht in bepaalde gevallen. Daarom acht de Afdeling de categorale uitzondering op de vergunningplicht voor het op of in de bodem brengen van meststoffen in artikel 3.93, onderdeel b, van de Omgevingsverordening Gelderland en artikel 3.2.1, onderdeel b, van de Omgevingsverordening Limburg 2014, onverbindend. 24.2. Het voorgaande betekent dat agrarische bedrijven voor het op of in de bodem brengen van meststoffen een Wnb-vergunning nodig hebben, als het bemesten - kort gezegd - een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben op stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Voor het relevante beoordelingskader voor de vergunning wordt verwezen naar 5.6. 24.3. Het voorgaande betekent voorts dat MOB en Leefmilieu belang hebben bij de beoordeling van hun beroepen tegen de besluiten waarbij hun verzoeken om handhavend op te treden tegen het weiden van vee zijn afgewezen. BEOORDELING BEROEP TEGEN DE BESTREDEN BESLUITEN 25. Limburg en Gelderland hebben bij de aan de orde zijnde besluiten op bezwaar de weigering om handhavend op te treden tegen het weiden van vee en het uitrijden van mest door de betrokken vier bedrijven gehandhaafd. Gelderland en Limburg stellen dat het weiden van vee en het bemesten van gronden geen projecten maar andere handelingen zijn, die waarschijnlijk ook al plaatsvonden voor de referentiedatum. Verder veronderstellen zij dat de activiteiten geen negatieve gevolgen voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden zullen hebben. Nader onderzoek naar die gevolgen vinden Gelderland en Limburg onevenredig bezwarend omdat de staatssecretaris in maart 2015 heeft aangekondigd dat het weiden van vee en het bemesten van gronden zal worden uitgezonderd van de Nbw-vergunningplicht. 25.1. MOB en Leefmilieu betogen dat Gelderland en Limburg ten onrechte bij de besluiten op bezwaar de weigering om handhavend op te treden tegen de betrokken vier veehouderijen hebben gehandhaafd. Volgens MOB en Leefmilieu zijn het weiden van vee en het bemesten van gronden projecten en zijn deze vergunningplichtig op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. De bedrijven hebben geen Nbw-vergunning voor deze activiteiten, zodat volgens MOB en Leefmilieu de overtredingen vaststaan. MOB en Leefmilieu stellen voorts dat Gelderland en Limburg de weigering om handhavend op te treden ten onrechte baseren op een voornemen om deze activiteiten uit te zonderen van de vergunningplicht. Een dergelijke uitzondering achten MOB en Leefmilieu in strijd met artikel 6 van de Habitatrichtlijn. 25.2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. 25.3. Zoals uit deze uitspraak volgt hebben Gelderland en Limburg zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het weiden van vee en het bemesten van gronden geen projecten zijn als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Bovendien volgt uit deze uitspraak dat de bedrijven [locatie 1] in Aalten, [locatie 2] in Weert en [locatie 3] te Heijen beschikken over een Nbw-vergunning die aanvulling behoeft omdat het weiden van vee, dat deze bedrijven doen, daarbij niet is beoordeeld. Deze bedrijven weiden het vee zonder vergunning, zodat anders dan Gelderland en Limburg in de bestreden besluiten stellen, kan worden vastgesteld dat sprake is van een overtreding. Verder volgt uit deze uitspraak dat het bemesten van gronden een project is als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998. Bovendien hebben Gelderland en Limburg met de overgelegde Tijdreeksanalyse niet aannemelijk gemaakt dat het bemesten dat door deze bedrijven plaatsvond voor de referentiedatum en dat daarna heeft plaatsgevonden kan worden beschouwd als één-en-hetzelfde project (zie 22.6). De bedrijven bemesten hun gronden zonder Nbw-vergunning, zodat anders dan Gelderland en Limburg in de bestreden besluiten hebben gesteld, kan worden vastgesteld dat sprake is van een overtreding. De betogen van MOB en Leefmilieu slagen. 25.4. Ten aanzien van de vraag of sprake was van bijzondere omstandigheden, zoals concreet zicht op legalisering, op grond waarvan behoorde te worden afgezien van handhaving, overweegt de Afdeling het volgende. In de brief van 2 maart 2015 (Kamerstukken II, 2014-2015, 32 670, nr. 94) waarnaar Gelderland en Limburg verwijzen, kondigt de staatssecretaris aan dat een algemene maatregel van bestuur in procedure zal worden gebracht die voorziet in een vrijstelling van de vergunningplicht als neergelegd in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 voor het weiden van vee en het aanwenden van meststoffen. Deze brief vormt een reactie op de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:316, waarin duidelijk werd dat het weiden van vee en het bemesten van gronden Nbw-vergunningplichtig konden zijn. De Afdeling is van oordeel dat de aankondiging van het voornemen om een uitzondering op de vergunningplicht bij algemene maatregel van bestuur te gaan regelen, onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat ten tijde van de bestreden besluiten in juni en juli 2015 sprake was van een concreet zicht op legalisering. Dat geldt in het bijzonder voor een periodieke activiteit als het bemesten dat plaatsvond tijdens het bemestingsseizoen 2015. Gelderland en Limburg hebben in die brief bovendien ten onrechte aanleiding gezien om geen onderzoek naar de gevolgen van het weiden en bemesten door de vier betrokken bedrijven te doen. De betogen van MOB en Leefmilieu slagen. 25.5. In hetgeen MOB en Leefmilieu hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten niet berusten op een draagkrachtige motivering. De bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De beroepen zijn gegrond, zodat de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd. 25.6. Gelderland en Limburg zullen met in achtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar moeten nemen. Daarbij is het volgende van belang. 25.7. Uit deze uitspraak volgt dat de betrokken agrarische bedrijven in strijd met - thans - artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb handelen door zonder vereiste Wnb-vergunning vee te weiden en gronden te bemesten. De reden waarom de betrokken bedrijven geen Wnb-vergunning hebben voor deze activiteiten is dat de bevoegde bestuursorganen zich jarenlang op het standpunt hebben gesteld dat deze activiteiten niet vergunningplichtig waren. Toen duidelijk werd dat deze activiteiten wel vergunningplichtig waren werd bovendien voorzien in een uitzondering op de vergunningplicht. De betrokken bedrijven kan derhalve geen verwijt worden gemaakt dat zij geen Wnb-vergunning hebben voor het weiden van vee en het bemesten van gronden. De Afdeling acht dit van belang voor de totstandkoming van de alsnog te nemen besluiten op bezwaar. Zij licht dat als volgt toe. 25.8. Gelderland en Limburg zijn bevoegd om tegen de overtreding van de bepalingen van de Wnb door de betrokken bedrijven op te treden met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom en dienen in beginsel van deze bevoegdheid gebruik te maken, tenzij concreet zicht op legalisering bestaat. Voor concreet zicht op legalisering is vereist dat er een ontvankelijke aanvraag voor een Wnb-vergunning voor de betrokken activiteit is ingediend, op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of een vergunning kan worden verleend. 25.9. Omdat er voor de vier betrokken bedrijven tot deze uitspraak geen aanleiding bestond om (
- i)een aanpassing van hun Wnb-vergunning te vragen voor het weiden van vee en (
- ii)een Wnb-vergunning te vragen voor het bemesten van gronden, dienen de betrokken bedrijven, voordat opnieuw beslist wordt of handhavend wordt opgetreden, alsnog in de gelegenheid te worden gesteld om dergelijke aanvragen te doen. Een termijn van drie maanden is daarvoor redelijk. Die termijn vangt aan nadat het bestuursorgaan deze gelegenheid heeft geboden, waarbij het tevens aangeeft welke gegevens de bedrijven bij de aanvraag voor de vergunningen dienen te overleggen, zodat de bedrijven ook daadwerkelijk in de gelegenheid zijn een ontvankelijke vergunningaanvraag te doen. 25.10. Nadat de geboden termijn voor het doen van een aanvraag voor de vergunningen is verstreken dienen Gelderland en Limburg de voorbereiding van de besluiten op bezwaar in de handhavingszaken ter hand te nemen. Indien alsnog aanvragen voor een Wnb-vergunning voor het weiden en/of het bemesten zijn ingediend, betrekken Gelderland en Limburg deze aanvragen bij de beoordeling of concreet zicht op legalisering bestaat. Omdat de aanvragen feiten of omstandigheden betreffen die bekend zijn geworden na het horen en die voor de beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang kunnen zijn (art. 7:9 Awb), worden MOB en Leefmilieu in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. Wordt binnen de geboden termijn geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een vergunningaanvraag te doen dan kan zonder dat MOB en Leefmilieu in de gelegenheid worden gesteld te worden gehoord, een beslissing op bezwaar worden genomen die ertoe te strekt dat handhavend wordt opgetreden tegen het weiden van vee en/of het bemesten van gronden. 25.11. Gelderland en Limburg dienen ervoor zorg te dragen dat de besluiten op bezwaar, zowel over het weiden van vee als het bemesten van gronden uiterlijk 1 februari 2020 zijn genomen, zodat zowel aan de bedrijven als aan MOB en Leefmilieu voor aanvang van het bemestingsseizoen 2020 duidelijkheid wordt geboden. 26. Gelderland en Limburg dienen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Over de door MOB en Leefmilieu verzochte vergoeding van kosten van de door hen ingeschakelde deskundigen overweegt de Afdeling als volgt. Voor de kosten van het deskundigenrapport ‘het advies over de huidige stand der kennis rond de meting en modellering van stikstofdepositie, opgesteld door het Louis Bolk Instituut, is aan de Werkgroep Behoud de Peel, de medeopdrachtgever van het rapport, een vergoeding toegekend in de uitspraak van heden, ECLI:NL:RVS:2019:1603. Verder wordt overwogen dat de verzochte advieskosten van de deskundige dr.ir. A.B. van den Burg, zonder dat dit een weerslag heeft gekregen in een rapport, niet voor vergoeding in aanmerking komen. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen gegrond; II. vernietigt: - het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 23 juni 2015, kenmerk 2014-012606 (zaaknr. 201506170/2/R2; [locatie 1] in Aalten); - het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 14 juli 2015, kenmerk 2015/47469 (zaaknr. 201506807/4/R2; [locatie 2] in Weert); - het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 14 juli 2015, kenmerk 2015/47379 (zaaknr. 201506815/3/R2, [locatie 3] in Heijen); - het besluit van het college van gedeputeerde staten van Limburg van 14 juli 2015, kenmerk 2015/47337 (zaaknr. 201506818/3/R2, [locatie 4] in Haler). III. draagt het college van gedeputeerde staten van Gelderland en Limburg op om uiterlijk 1 februari 2020 met inachtneming van deze uitspraak en hetgeen daarin is overwogen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen en deze op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken; IV. veroordeelt de colleges van gedeputeerde staten van Gelderland en Limburg ieder voor de helft tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van de beroepen en de prejudiciële procedure bij het Hof van Justitie opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 21.390,90 (zegge: eenentwintigduizend driehonderdnegentig euro en negentig cent), waarvan € 17.408,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan € 1158,70 is toe te rekenen aan de reis-, verblijf- en verletkosten van de deskundige, en waarvan € 2824,20 de kosten van de uitgebrachte deskundigenrapporten betreffen; dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting; bij betaling van genoemd bedrag en voor zover van toepassing de verschuldigde omzetbelasting aan een van hen heeft het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting voldaan; V. - gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) vergoedt (zaaknr. 201506170/2/R2), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; - gelast dat het college van gedeputeerde staten van Limburg aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en Vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van 3 x € 331,00 = € 993,00 (zegge: negenhonderdrieënnegentig euro) vergoedt (zaaknrs. 201506807/4/R2, 201506815/3/R2, 201506818/3/R2), met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier. w.g. Van Ettekoven w.g. Verbeekvoorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019 388. BIJLAGE Habitatrichtlijn Artikel 6 1. De Lid-Staten treffen voor de speciale beschermingszones de nodige instandhoudingsmaatregelen; deze behelzen zo nodig passende specifieke of van ruimtelijke-ordeningsplannen deel uitmakende beheersplannen en passende wettelijke, bestuursrechtelijke of op een overeenkomst berustende maatregelen, die beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen natuurlijke habitats van bijlage I en de soorten van bijlage II die in die gebieden voorkomen. 2. De Lid-Staten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. 3. Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden. Natuurbeschermingswet 1998 (tot 1 januari 2017) Artikel 19d 1. Het is verboden zonder vergunning, of in strijd met aan die vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, van gedeputeerde staten […], projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling,[…], de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Wet natuurbescherming (vanaf 1 januari 2017) Artikel 2.4 1. Gedeputeerde staten leggen, indien dat nodig is voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, aan degene die in hun provincie een handeling verricht of het voornemen daartoe heeft, een verplichting op om: a. informatie over de handeling te verstrekken; b. de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen; c. de handeling overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften uit te voeren, of d. de handeling niet uit te voeren of te staken. 2. Ingeval in het belang van de bescherming van een Natura 2000-gebied een onverwijlde tenuitvoerlegging van een besluit als bedoeld in het eerste lid noodzakelijk is, kunnen gedeputeerde staten het besluit bekendmaken door mondelinge mededeling aan degene die de handeling verricht of het voornemen daartoe heeft. Gedeputeerde staten stellen het besluit zo spoedig mogelijk alsnog op schrift en zenden dit toe of reiken dit uit aan de belanghebbenden. 3. […]. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een verplichting als bedoeld in het eerste of derde lid. Artikel 2.7 1.[…] 2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. 3. Gedeputeerde staten verlenen een vergunning als bedoeld in het tweede lid uitsluitend indien is voldaan aan: a. artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid, wanneer de vergunning betrekking heeft op een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, of b. artikel 2.8, negende lid, wanneer zij betrekking heeft op andere handelingen dan projecten als bedoeld in onderdeel a. Artikel 2.8 1.een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. 2. [...] 3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. 4.-8. […] 9. Voor een andere handeling als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, houden gedeputeerde staten bij het verlenen van de vergunning rekening met de gevolgen die de handeling kan hebben voor een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied. Artikel 2.9 3. Het verbod, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, is niet van toepassing op projecten en andere handelingen, behorende tot door provinciale staten bij verordening aangewezen categorieën van projecten, onderscheidenlijk andere handelingen, indien ten aanzien van het project, onderscheidenlijk de handeling is voldaan aan bij of krachtens die verordening gestelde regels. […] 4. Op grond van het derde lid kunnen uitsluitend categorieën van: a. projecten als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, worden aangewezen ten aanzien waarvan op voorhand op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat zij afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied zullen aantasten; b. andere handelingen als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel b, worden aangewezen ten aanzien waarvan op voorhand rekening is gehouden met de gevolgen die de handeling kan hebben voor