201602812/2/R2. Datum uitspraak: 29 mei 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) in het geding tussen: Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Vereniging Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen, appellanten, en het college van gedeputeerde staten van Utrecht, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 8 maart 2016, kenmerk 817E9147, heeft het college het bezwaar van MOB en Leefmilieu tegen het besluit om niet handhavend op te treden tegen het zonder vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) weiden van vee en bemesten van gronden door de veehouderijen [locatie 1] te Kockengen, [locatie 2] te Leersum, [locatie 3] te Maarsbergen, [locatie 4] te Rhenen, [locatie 5] te Benschop, [locatie 6] te Montfoort en [locatie 7] te Kockengen, ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben MOB en Leefmilieu beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het college heeft bij het bestreden besluit de weigering om handhavend op te treden tegen het weiden van vee en het uitrijden van mest door de betrokken agrarische bedrijven gehandhaafd. Het college heeft overwogen dat het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen zal worden uitgezonderd van de vergunningplicht, zodat concreet zicht op legalisering bestaat. Het college heeft daarbij gewezen op de voorgenomen wijziging van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, waarvan het ontwerp in februari 2016 in het Staatsblad is gepubliceerd. Het college verwacht dat de bepaling op korte termijn in werking zal treden. 2. MOB en Leefmilieu stellen in beroep dat het college de weigering om handhavend op te treden ten onrechte baseert op de uitzondering op de vergunningplicht die in artikel 3a van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 zal worden opgenomen. MOB en Leefmilieu betogen dat de uitzondering op de vergunningplicht onverbindend is omdat deze in strijd is met artikel 6 van de Habitatrichtlijn. 3. Artikel 3a van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit in ontwerp bekend was en vervolgens van 27 april 2016 tot 1 januari 2017 gold, luidde: "Het verbod, bedoeld in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, is niet van toepassing op: a. het weiden van vee; b. het op of in de bodem brengen van meststoffen." 4. Artikel 2 van de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017, luidt: "het verbod bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van de wet, is niet van toepassing op de volgende handelingen: a. het weiden van vee; b. het op of in de bodem brengen van meststoffen." 5. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, geoordeeld dat de uitzondering op de vergunningplicht voor het weiden van vee en het op of in de bodem brengen van meststoffen zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Gelderland en de Omgevingsverordening Limburg 2014 onverbindend is, omdat deze in strijd is met hoger recht, namelijk artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Ditzelfde oordeel geldt voor artikel 3a van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998 en artikel 2 van de Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017. 6. Het voorgaande betekent dat het college voor de vraag of concreet zicht op legalisering bestond niet kon verwijzen naar de voorgenomen wijziging van artikel 3a van het Besluit vergunningen Natuurbeschermingswet 1998. Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. 7. Het beroep is kennelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak en de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, is overwogen. Daarbij is het volgende van belang. 8. Zoals overwogen in de uitspraak van 2 september 2015, 201501163/3/R2, beschikken de betreffende zeven veehouderijen over Nbw-vergunningen, waarbij de gevolgen van het beweiden niet zijn beoordeeld. Voorts beschikken de bedrijven niet over een vergunning voor het bemesten van gronden. 9. In de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1604, is overwogen dat Nbw-vergunningen voor melkveehouderijen met een stalsysteem dat beweiden impliceert aanpassing behoeven. De activiteit weiden van vee dient alsnog te worden vergund. Zolang dat niet is gebeurd vindt het weiden plaats zonder de daarvoor benodigde vergunning. Voorts volgt uit de hiervoor genoemde uitspraak van 29 mei 2019, dat agrarische bedrijven voor het op of in de bodem brengen van meststoffen een vergunning nodig hebben, als het bemesten - kort gezegd - een verslechterend of significant verstorend effect kan hebben op stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. 10. Uit 9 volgt dat de betrokken agrarische bedrijven in strijd met - thans - artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) handelen door zonder vereiste vergunning vee te weiden en gronden te bemesten. De reden waarom de betrokken bedrijven geen vergunning hebben voor deze activiteiten is dat de bevoegde gezagen zich jarenlang op het standpunt hebben gesteld dat deze activiteiten niet vergunningplichtig waren. Toen duidelijk werd dat deze activiteiten wel vergunningplichtig waren werd bovendien voorzien in een uitzondering op de vergunningplicht. De betrokken bedrijven kan derhalve geen verwijt worden gemaakt dat zij geen vergunning hebben voor het weiden van vee en het bemesten van gronden. De Afdeling acht dit van belang voor de totstandkoming van de alsnog te nemen besluiten op bezwaar. Zij licht dat als volgt toe. 11. Het college is bevoegd om tegen de overtreding van de bepalingen van de Wnb door de betrokken bedrijven op te treden met een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom en dienen in beginsel van deze bevoegdheid gebruik te maken, tenzij concreet zicht op legalisering bestaat. Voor concreet zicht op legalisering is vereist dat er een ontvankelijke aanvraag voor een Wnb-vergunning voor de betrokken activiteit is ingediend, op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of een vergunning kan worden verleend. 12. Omdat er voor de zeven betrokken bedrijven tot deze uitspraak geen aanleiding bestond om (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.