(2011)naar 335.000 leghennen in volièrehuisvestiging waaruit blijkt dat er op 30 m afstand van de stal (benedenwinds) een concentratie van 45,5 EU/m3 is en op 160 m afstand van de stal de concentratie nog maar 4,7 EU/m3 is. Nu het emissiepunt in de achtergevel van de nieuwe stal op grote afstand van de woningen aan de Burgemeester Buiskoolweg is voorzien, is het niet te verwachten dat het plan zorgt voor een significante toename van de concentratie endotoxinen ter plaatse van de omliggende woningen, zo staat in de plantoelichting. Voorts is vermeld dat er vergaande technische maatregelen zullen worden genomen om de fijnstofemissie te reduceren, te weten het plaatsen van een warmtewisselaar, en dat hiermee een afname van de concentratie fijnstof en daarmee ook endotoxinen in de omgeving van het pluimveebedrijf wordt bewerkstelligd. De Afdeling stelt vast dat de nieuwe stal is voorzien op een afstand van ongeveer 130 m van de woning van [appellanten sub 1] en de woning van [appellanten sub 2]. Het college en [belanghebbende] hebben ter zitting uiteengezet dat het emissiepunt op grotere afstand is voorzien, te weten op ongeveer 200 m afstand van de woning van [appellanten sub 1] en op ongeveer 260 m afstand van de woning van [appellanten sub 2]. Uit het milieurapport blijkt dat andere aspecten als geur, fijnstof en ammoniak geen belemmering vormen voor de vaststelling van het plan. Bovendien wordt volgens [belanghebbende] een warmtewisselaar geplaatst om de uitstoot van fijnstof en daarmee ook endotoxinen verder te reduceren. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben dit niet betwist. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college het plan vanwege onaanvaardbare gezondheidsrisico’s niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking, zoals het college ter zitting te kennen heeft gegeven, dat in het kader van de beoordeling van de aanvraag om de benodigde omgevingsvergunning stil zal worden gestaan bij de positionering van het emissiepunt en de plaatsing van de warmtewisselaar en dat aan een te verlenen omgevingsvergunning voorts voorschriften kunnen worden verbonden ter beperking van nadelige gevolgen als bijvoorbeeld de uitstoot van endotoxinen. De betogen falen. Verkeer en veiligheid
- [appellanten sub 1] vrezen voor een toename van het verkeer op de Burgemeester Buiskoolweg als gevolg van de uitbreiding van het pluimveebedrijf. Zij voeren aan dat een toename van het vrachtverkeer leidt tot een toenemend aantal gevaarlijke situaties omdat de weg maar 2,5 m breed is en een veel gebruikte fietsroute is. 11.
- Lid 1.24, onder d, van bijlage 1 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Vlagtwedde 2009" luidt: "Verkeersveiligheid: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. tot stand brengen van een verkeersveilige situatie." Lid 1.24, onder f, luidt: "Milieusituatie: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met de milieuaspecten, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. (…)" 11.
- In de plantoelichting staat dat de ontsluiting van het pluimveebedrijf in de huidige situatie via één inrit vanaf de Burgemeester Buiskoolweg plaatsvindt en dat dit niet zal veranderen door dit plan. Door de voorgenomen uitbreiding zal de hoeveelheid vervoersbewegingen enigszins stijgen, maar de vrachtwagens van en naar het bedrijf gaan vrijwel direct op in het heersende verkeersbeeld. Aan de Burgemeester Buiskoolweg zijn veel (agrarische) bedrijven gevestigd, zo staat in de plantoelichting. De Afdeling ziet gelet op de toename van vleeskuikens van 58.000 naar 86.900 onvoldoende grond voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van het verkeer op de Burgemeester Buiskoolweg. Evenmin is aannemelijk geworden dat als gevolg van het plan aldaar een verkeersonveilige situatie zal ontstaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet is gebleken dat in de huidige situatie sprake is van een verkeersonveilige situatie op de Burgemeester Buiskoolweg. Het betoog faalt. Landschappelijke inpassing
- [appellanten sub 2] voeren aan dat ten onrechte geen voorwaarden zijn gesteld aan de inpassing van het bouwvlak in het landschap. 12.
- Lid 1.3.4 van bijlage 1 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Vlagtwedde 2009" luidt: "Erfsingelbeplanting Bij toepassing van nadere eisen, ontheffings- en wijzigingsregels met betrekking tot de bebouwing binnen een agrarisch bouwvlak of wijziging van de omvang van een agrarisch bouwvlak zal de toets aan de landschappelijke waarden mede ingegeven zijn door het aanbrengen van erfsingelbeplanting. De landschappelijke inpassing moet in gevallen waarbij sprake is van aantasting van de bestaande erfsingelbeplanting, verzekerd zijn met een beplantingsplan." Artikel 4 van de planregels luidt: "Tot een strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken, ter plaatse van het perceel [locatie 1] te Sellingen, overeenkomstig de bestemming zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in bijlage 3 bij de toelichting opgenomen landschappelijk inpassingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing; b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken, ter plaatse van de [locatie 1] te Sellingen , overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen één jaar na het tijdstip van onherroepelijk worden van het wijzigingsplan uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de erfinrichtingsmaatregelen conform het in bijlage 3 bij de toelichting opgenomen landschappelijk inpassingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing." 12.
- In de plantoelichting staat dat een erfinrichtingsplan ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing is opgesteld. Het erfinrichtingsplan is in bijlage 5 van de plantoelichting opgenomen. In artikel 4 van de planregels zijn voorwaardelijke verplichtingen opgenomen om te komen tot een goede landschappelijke inpassing. [appellanten sub 2] hebben niet onderbouwd waarom met deze voorwaardelijke verplichtingen de bescherming van het landschap onvoldoende is geregeld. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat onvoldoende is gewaarborgd dat een landschappelijke inpassing zal plaatsvinden. Het betoog faalt. Milieusituatie
- [appellanten sub 2] betogen dat niet is onderbouwd hoe aan de milieueisen zal worden voldaan. Volgens hen moet ook de bestaande stal worden voorzien van optimale milieutechnische voorzieningen. 13.
- Lid 1.3.1, onder a, sub 3, van bijlage 1 van de regels van het bestemmingsplan "Buitengebied Vlagtwedde 2009" luidt: "Niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering Een uitbreiding van bebouwing c.q. nieuwe bebouwing ten behoeve van de niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering in de vorm van het houden van dieren als ondergeschikte (tweede) tak, als onderdeel van een gemengd bedrijf of voor het vergroten van bestaande staloppervlakte bij bestaande, volwaardige niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid kan worden toegestaan, mits:
- (…)
- (…)
- er geen strijdigheid ontstaat met de milieuwetgeving;
- (…) bij beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, kan de aanduiding "bouwperceel niet-grondgebonden agrarisch bedrijf" worden verwijderd. Deze verwijdering kan plaatsvinden wanneer het bedrijf wordt omgezet in een grondgebonden agrarisch bedrijf, alsook kan na beëindiging de wijzigingsbevoegdheid voor functieverandering worden toegepast. Bij omzetting naar een regulier grondgebonden agrarisch bedrijf kan de wijziging zich beperken tot het aanbrengen van de aanduiding "bouwperceel". In dat geval gelden tevens de criteria voor nieuwvestiging van agrarische bedrijven, zoals hierna opgenomen onder 1.3.9." Lid 1.24, onder f, luidt: "Milieusituatie: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen, dient rekening te worden gehouden met de milieuaspecten, zoals hinder voor omwonenden en een verkeersaantrekkende werking. In het bijzonder dient bij de situering en omvang van milieubelastende functies erop te worden gelet dat de mogelijke uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies zo weinig mogelijk wordt beperkt. Omgekeerd dient er bij uitbreiding of nieuwvestiging van milieugevoelige functies op te worden gelet dat bestaande milieubelastende functies zo weinig mogelijk in hun functioneren worden beperkt." 13.
- In paragraaf 5.1 van de plantoelichting staat dat een milieurapport is opgesteld. Dit rapport is opgesteld om de uitgevoerde milieuonderzoeken op het gebied van geur, fijn stof en ammoniak samen te vatten. Uit dit rapport volgt dat een goede milieusituatie kan worden bereikt. Het milieurapport is in bijlage 4 van de plantoelichting opgenomen. In het niet nader onderbouwde betoog van [appellanten sub 2] ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in het kader van de realisering van de voorziene stal niet aan de relevante milieuregelgeving kan worden voldaan. Het betoog faalt. Conclusie
- De beroepen zijn ongegrond. Proceskosten
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart de beroepen ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier. w.g. Hoekstra w.g. Lodeweges voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019 625.