(2017)af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving. Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur […]. 10.
- […] Wanneer het voorgaande plan een zodanig samenstel van bebouwing niet mogelijk maakt, of het gebied niet als behorend bij zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel kan worden aangemerkt, kunnen omstandigheden als bijvoorbeeld de situering van het plangebied aansluitend aan bebouwing en omgeven door een doorgaande weg, de aanduiding van het plangebied in de toepasselijke provinciale verordening als bestaand stedelijk gebied en de vermelding van het gebied in een structuurvisie, er in beginsel niet aan afdoen dat het plangebied niet voldoet aan de eisen die artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro stelt om als bestaand stedelijk gebied te kunnen worden aangemerkt […]." 8.
- Niet in geschil is dat de gronden van het plangebied in het voorheen geldende bestemmingsplan "Bleiswijk Overbuurtsche Polder" voor het grootste deel de bestemming "Agrarische doeleinden" hadden. De bestaande woningen waren aangewezen als bedrijfswoningen. Binnen het plangebied gold dus overwegend een agrarische bestemming. Dit betekent dat het voorgaande plan niet reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakte binnen het plangebied. Het gebied kan op grond van het voorgaande plan ook niet als behorend bij een zodanig bestaand stedenbouwkundig samenstel worden aangemerkt. Dat het plangebied, zoals de raad stelt, in de provinciale verordening is aangeduid als bestaand stedelijk gebied, kan er volgens de hiervoor geciteerde overzichtsuitspraak in beginsel niet aan afdoen dat een plangebied niet voldoet aan de eisen die artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, van het Bro stelt om als bestaand stedelijk gebied te kunnen worden aangemerkt. De Afdeling verwijst in dit verband ook naar haar uitspraak van 24 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4654 (Lansingerland). In wat de raad heeft gesteld, zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die leiden tot een ander oordeel. 8.
- Omdat het plangebied niet tot het bestaand stedelijk gebied behoort, had de raad moeten motiveren waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan plaatsvinden. De raad heeft gekeken naar de beschikbare ruimte op reeds bestaande bedrijventerreinen in Lansingerland, maar nagelaten te onderbouwen of er binnen bestaand stedelijk gebied geen andere locaties zijn die kunnen worden benut - door herstructurering, transformatie of anderszins - voor een kleinschalig bedrijventerrein met maximaal 5 woon-/werkeenheden en bedrijvigheid tot milieucategorie
- Een zodanige motivering ontbreekt. Dit betekent dat het bestreden besluit in zoverre in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het betoog slaagt. 8.
- Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat op de onderhavige locatie alleen in de ontwikkeling had mogen worden voorzien indien deze locatie was opgenomen in het Programma ruimte van de provincie Zuid-Holland, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte 2014 luidt: "Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: […] b. indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte." Voor de beoogde ontwikkeling is een locatie van ongeveer 1,7 ha nodig. Als de ontwikkeling al buiten bestaand stads- en dorpsgebied zou kunnen worden gerealiseerd, behoeft de locatie derhalve niet te zijn opgenomen in het Programma ruimte. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 2.1.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening ruimte
- Het betoog faalt. 8.
- Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte geen afstemming met het provinciebestuur heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling als volgt. De raad stelt dat het plan tijdens de planprocedure formeel is aangeboden aan het provinciebestuur door middel van het "e-formulier". De provincie heeft in het kader van de plantoetsing geen overlegreactie gegeven op het plan en ook geen zienswijze naar voren gebracht of een reactieve aanwijzing gegeven, aldus de raad. [appellant sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze weergave van de gang van zaken onjuist is. Daargelaten in hoeverre afstemming met het provinciebestuur in dezen vereist is, mist het betoog van [appellant sub 1] daarom feitelijke grondslag. Het betoog faalt. Strijd met provinciale en gemeentelijke structuurvisie
- [appellant sub 1] betoogt dat het plan in strijd is met de provinciale en gemeentelijke structuurvisie. In de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit is het perceel [locatie 1] volgens hem opgenomen als "verspreid glas buiten glastuinbouwgebied". In de gemeentelijke structuurvisie Lansingerland uit 2010 is het perceel niet opgenomen als bouwlocatie of project. Hij stelt dat de raad het bestreden plan op initiatief van een projectontwikkelaar heeft geschreven, zonder dat het past binnen de structuurvisies. 9.
- De raad stelt dat de ontwikkeling niet in strijd is met de gemeentelijke structuurvisie. Het plangebied ligt in de aanduiding "behoud cultuurhistorisch waardevolle karakter linten" en niet binnen de aanduiding "glastuinbouw". Volgens de raad past het plan bij de schaal en maat van het bebouwingslint en is het plan daarom in lijn met de gemeentelijke structuurvisie. 9.
- De Afdeling stelt vast dat het perceel aan de [locatie 1] in de structuurvisie "Visie Ruimte en Mobiliteit" van de provincie Zuid-Holland niet staat opgenomen als "verspreid glas uit glastuinbouwgebied". De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met deze provinciale structuurvisie. De Afdeling overweegt dat het perceel aan de [locatie 1] in de gemeentelijke structuurvisie Lansingerland uit 2010 is aangeduid als "behoud cultuurhistorisch waardevolle karakter linten". Ontwikkeling en transformatie binnen het lint wordt in de structuurvisie niet uitgesloten, mits de ontwikkeling past bij de schaal en maat van het lint. In paragraaf 3.1.3 van de plantoelichting is vermeld dat de beoogde ontwikkeling zorgt voor een verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit van het lint en past binnen de schaal en maat van het lint. Dit standpunt wordt door de raad nader onderbouwd in de Beeldkwaliteitsparagraaf, die als bijlage 2 bij de planregels is gevoegd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan past binnen de schaal en maat van het lint. Wat [appellant sub 1] heeft aangevoegd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan strijdig is met de gemeentelijke structuurvisie Lansingerland. Het betoog faalt. Verkeer
- [appellant sub 2] betoogt dat het plan leidt tot een toename van de verkeersintensiteit en daarmee van verkeersonveilige situaties rond de Hoekeindseweg, omdat de toename aan verkeer niet binnen de bestaande wegenstructuur kan worden opgevangen. De verkeerssituatie aan de Hoekeindseweg kan niet los worden gezien van de verkeerssituatie op de N209, die al jaren onveilig is, aldus [appellant sub 2]. Ter zitting heeft [appellant sub 2] toegelicht dat de N209 een gevaarlijke weg is, waar zich geregeld calamiteiten voordoen. De Hoekeindseweg wordt intensief gebruikt door fietsende scholieren, die de gevolgen van hun gedrag in het verkeer nog niet goed in kunnen schatten. De raad neemt ten onrechte het standpunt in dat verkeersonveilig gedrag van fietsers niet onder de verantwoordelijkheid van de raad als wegbeheerder vallen, aldus [appellant sub 2]. 10.
- De raad stelt dat het de verantwoordelijkheid van de provincie Zuid-Holland als wegbeheerder is om de weg veilig in te richten. Daarnaast worden verkeersdeelnemers, waaronder fietsende scholieren, geacht zich aan de geldende verkeersregels te houden, aldus de raad. De Hoekeindseweg is een openbare erftoegangsweg die openstaat voor alle verkeer, met een maximumsnelheid van 60 km/uur. De inrichting van de weg is volgens de raad in overeenstemming met de essentiële herkenbaarheidskenmerken die het CROW aanbeveelt. Vanwege het ontbreken van vrij liggende fietspaden langs de N209 zijn fietsers afhankelijk van de Hoekeindseweg. Voor alle parallelwegen langs de N209 geldt dat de aanwezigheid van fietsers in relatie tot het snelverkeer een aandachtspunt is voor de wegbeheerder provincie Zuid-Holland, aldus de raad. De raad stelt verder dat op de Hoekeindseweg ter hoogte van de beoogde ontwikkeling de verkeersintensiteit van het snelverkeer laag is. Ten gevolge van het plan zal de intensiteit van het snelverkeer naar verwachting oplopen van ongeveer 665 naar 1.100 motorvoertuigbewegingen per etmaal, hetgeen volgens de raad acceptabel is. De intensiteit in het drukste spitsuur neemt omgerekend toe van ongeveer één naar twee voertuigen per minuut. Fietsers zullen van deze stijging geen significante hinder ondervinden, aldus de raad. 10.
- De raad heeft onderzoek laten doen naar de verkeersgeneratie van de nieuwe functies op de Hoekeindseweg. De resultaten hiervan zijn neergelegd in de Notitie verkeer BP [locatie 1] Lansingerland van Sagro Milieu Advies Zeeland B.V. van 30 april
- Volgens deze notitie lopen de verkeersbewegingen op de Hoekeindseweg op met maximaal 435 voertuigen per etmaal tot ongeveer 1.085 per etmaal. Volgens de raad is de Hoekeindseweg mede vanwege de rijbaanbreedte en vormgeving met suggestiestroken aan weerszijden meer een erftoegangsweg type 1 (ETW-1), die volgens het CROW intensiteiten tot 5.000 à 6.000 mvt/etmaal kan verwerken, dan een erftoegangsweg type 2 (ETW-2), waarvoor de grens bij 3.000 mvt/etmaal ligt. De verkeersbelasting blijft echter ruim onder de 3.000 mvt/etmaal, aldus de raad. Wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze bevindingen onjuist zijn. Hoewel de verkeersintensiteit zal toenemen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een overbelaste situatie geen sprake zal zijn. Het betoog faalt. Woon- en leefklimaat
- [appellant sub 2] betoogt dat het plan zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. Hij voert aan dat zijn woongenot door het bestreden plan direct zal afnemen, omdat het bedrijventerrein voor geluid- en stankoverlast zal zorgen en zijn vrije uitzicht zal verdwijnen. Volgens hem is de Staat van Bedrijfsactiviteiten ten onrechte niet verder aangescherpt, aangezien activiteiten toegestaan blijven die vergelijkbaar zijn met wel uitgesloten bedrijven. Zo zijn hotels en cafés niet toegestaan, maar dansscholen en fitnesscentra wel, terwijl deze bedrijven een hoog horecagehalte hebben en in de avond en nacht geopend kunnen zijn. Ook worden er bedrijven toegelaten die een grote belasting geven op het wegennet. [appellant sub 2] stelt verder dat direct naast het plangebied illegale bebouwing staat waar het gemeentebestuur ten onrechte niet tegen optreedt. [appellant sub 2] heeft daarom geen vertrouwen in de daadkracht van het gemeentebestuur en vreest voor onderverhuur, leegstand, criminaliteit en illegale uitbreiding van bedrijfsactiviteiten op het voorziene bedrijventerrein. 11.
- De raad stelt dat bij de planvorming op zorgvuldige wijze rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 2]. Daartoe voert de raad aan dat bij het toestaan van bedrijfsactiviteiten in de Staat van Bedrijfsactiviteiten gebruik is gemaakt van de milieuzonering volgens de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). De omgeving van het plangebied is volgens de raad aan te merken als "gemengd gebied". Het plan staat bedrijven toe tot maximaal milieucategorie
- Aan de richtafstanden voor bedrijvigheid van deze categorie in deze omgeving wordt voldaan, aldus de raad. Daarbij is een aantal bedrijven met milieucategorie 2 op de Staat van Bedrijfsactiviteiten doorgehaald, omdat deze volgens de raad in andere gebieden thuishoren of te veel verkeer generen. De raad stelt dat fitnesscentra of een dansschool geen hoog horecagehalte hebben en vanuit een ruimtelijk oogpunt passend zijn op deze locatie, ook al is de behoefte aan andere bedrijvigheid groter. Om de mogelijkheden voor de ontwikkelaar en de haalbaarheid van het plan niet te zeer te verkleinen worden er niet nog meer bedrijven van de Staat van Bedrijfsactiviteiten gehaald, aldus de raad. 11.
- Uit paragraaf 6.5 van de plantoelichting blijkt dat de raad aansluiting heeft gezocht bij de VNG-brochure. Gelet op de bedrijvigheid in de directe omgeving en de ligging nabij hoofdinfrastructuur (provinciale weg N209) heeft de raad de omgeving op goede gronden aangemerkt als gemengd gebied. Volgens de VNG-brochure bedraagt de aanbevolen richtafstand tussen bedrijven van milieucategorie 2 en woningen in een gemengd gebied ten minste 10 meter. Blijkens de verbeelding voorziet het plan erin dat het bouwvlak voor bedrijfsbebouwing op ten minste 20 meter van het woonperceel van [appellant sub 2] is gelegen. In de eerste 10 meter van de bedrijfsbestemming is geen bouwvlak opgenomen en is alleen bedrijvigheid van milieucategorie 1 toegestaan. Omdat de aanbevolen richtafstanden uit de VNG-brochure ruimschoots worden aangehouden ziet de Afdeling in wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Voorts ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat extra bedrijven met milieucategorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten hadden moeten worden uitgesloten om overlast te voorkomen. Ten aanzien van het uitzicht overweegt de Afdeling dat aan een geldend bestemmingsplan in het algemeen geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. In wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid een zwaarder gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang bij de uitvoering van het plan dan aan het belang van [appellant sub 2] bij het behoud van het bestaande uitzicht vanaf zijn perceel. Ten aanzien van het aspect verkeer verwijst de Afdeling naar wat zij hiervoor, onder 10.2, heeft overwogen. Voor zover [appellant sub 2] wil opkomen tegen illegale bebouwing, overweegt de Afdeling dat tegen illegale activiteiten handhavingsprocedures open staan. Het betoog faalt. Landschappelijke inpassing
- [appellant sub 2] betoogt dat volgens de plantoelichting groene inpassing op grond van de Visie Transformatiegebied vereist is, maar uit het bestreden besluit blijkt niet hoe deze inpassing wordt gegarandeerd. Het is volgens hem dan ook onduidelijk of het plan op dit punt voldoet aan het gemeentelijk beleid. 12.
- De raad stelt dat bij de vaststelling van het bestreden besluit aan de bestemming "Bedrijventerrein" een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing is toegevoegd. Daarin wordt verwezen naar de Beeldkwaliteitsparagraaf, die is aangevuld met een inrichtingsschets/ beplantingsplan. Verder is er een aanvullende overeenkomst gesloten met de ontwikkelaar, waarin is afgesproken dat de exploitant zich verplicht om de eisen en voorwaarden uit het landschappelijk inpassingplan bij de ontwikkeling in acht te nemen. 12.
- Artikel 3, lid 3.2.2, sub 3.2.2b "Voorwaardelijke verplichting - 2", van de planregels luidt: "De bouw van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen is uitsluitend toegestaan indien voorzien wordt in de realisatie en instandhouding van een landschappelijke inpassing binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' en 'Verkeer', een en ander conform de inrichtingsschets/beplantingsplan zoals opgenomen in de Beeldkwaliteitsparagraaf, dat is opgenomen als Bijlage 2 bij de regels." 12.
- Door middel van artikel 3, lid 3.2.2, sub 3.2.2b, van de planregels wordt gewaarborgd dat de bouw van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen uitsluitend kan plaatsvinden, indien landschappelijke inpassing conform de inrichtingsschets en het beplantingsplan van de Beeldkwaliteitsparagraaf wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. In paragraaf 3.1.3 van de plantoelichting heeft de raad toegelicht dat in het plan de ontwikkeling van het perceel [locatie 1] verder is uitgewerkt op basis van de Visie Transformatiegebied, wat onder meer betekent dat veel aandacht dient uit te gaan naar een degelijke landschappelijke inpassing. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de wijze van landschappelijke inpassing zoals neergelegd in de Beeldkwaliteitsparagraaf (bijlage 2 bij de planregels) en de inrichtingsschets en het beplantingsplan die daarin zijn opgenomen, niet stroken met de Visie Transformatiegebied. Het betoog faalt. Wet natuurbescherming
- [appellant sub 2] betoogt dat het onzeker is of het aspect flora en fauna niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Hoewel op 31 oktober 2017 een geactualiseerde Natuurtoets is opgesteld, volgt hieruit dat aanvullende onderzoeken nodig zijn. Omdat deze bij de vaststelling van het plan nog niet waren afgerond staat volgens [appellant sub 2] niet vast of er, als deze nodig zijn, ontheffingen krachtens de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) kunnen worden verleend en of eventuele daaraan te verbinden voorschriften niet aan de uitvoering van het plan in de weg staan. 13.
- De raad voert aan dat de relativiteit in de weg staat aan inhoudelijke behandeling van de betrokken beroepsgronden van [appellant sub 2], omdat [appellant sub 2] niet wordt geraakt in het belang bij de bescherming van de soorten. De raad stelt inhoudelijk dat uit de Natuurtoets van 31 oktober 2017 de aanbeveling volgt dat nog nader ecologisch onderzoek moest worden gedaan naar de vleermuis, de huismus en de ransuil. Deze onderzoeken lopen nog, omdat uit de soortenstandaard volgt dat er meerdere toetsmomenten moeten plaatsvinden. Bepaalde aspecten, zoals de kraam- of zomerverblijfplaatsen van vleermuizen, kunnen pas in het voorjaar en de zomer van 2019 onderzocht worden. De raad stelt dat het plan desalniettemin kon worden vastgesteld, omdat er redelijkerwijs geen aanknopingspunten bestaan voor het oordeel dat het soortenbeschermingsregime aan de planrealisatie in de weg staat. Indien een ontheffing van de Wnb nodig blijkt, zijn voldoende mitigerende maatregelen te treffen, zoals natuurinclusief bouwen en de wijze van de terreininrichting, aldus de raad. 13.
- Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." 13.
- [appellant sub 2] beroept zich ter onderbouwing van zijn stelling dat het plan niet uitvoerbaar is, op de strijdigheid met de Wnb. De ingeroepen norm uit de Wnb strekt tot bescherming van diersoorten en hun nesten en vaste rust- of verblijfplaatsen. Het daadwerkelijke belang waarin [appellant sub 2] dreigt te worden geraakt als gevolg van het plan, is het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving. In haar uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1386, was de Afdeling - gelet op de afstand van ongeveer 25 meter tussen het perceel van appellant en een nestlocatie - van oordeel dat het belang van de appellant bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving zo verweven was met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kon worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De nestlocatie diende tot de directe woon- en leefomgeving van de appellant te worden gerekend. De Afdeling stelt vast dat het perceel van [appellant sub 2] direct aan het plangebied grenst. Of er zich nest-, rust-, of verblijfplaatsen in het directe aan het perceel van [appellant sub 2] grenzende plangebied bevinden is, omdat nog nader ecologisch onderzoek moet worden gedaan, op voorhand niet uit te sluiten. Gelet hierop kan het belang van [appellant sub 2] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving zo verweven zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat in zoverre dan ook niet aan de bespreking van deze beroepsgrond in de weg. 13.
- De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. 13.
- Bij de voorbereiding van het plan heeft Ecoresult B.V. het rapport Natuurtoets In het kader van de Wet natuurbescherming en Verordening van 31 oktober 2017 opgesteld. In het rapport wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkelingen negatieve effecten kunnen hebben op (potentieel) aanwezige voortplantings-, nest-, rust-, en/of verblijfplaatsen van respectievelijk de huismus, de ransuil en gebouwbewonende vleermuizen. Volgens de Natuurtoets is er voor deze soorten aanvullend veldonderzoek nodig. Als er voortplantings-, nest-, of verblijfplaatsen van de huismus en gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied worden aangetroffen kan de Wnb worden overtreden en is een ontheffing van de Wnb vereist, aldus het rapport. 13.
- De raad heeft ter zitting gesteld dat de onderzoeken in het kader van de Natuurtoets nog lopen. Mochten er nest- of verblijfplaatsen van de ransuil, huismus of vleermuizen worden aangetroffen dan worden er volgens de raad mitigerende maatregelen getroffen, zoals het aanpassen van de bouwplannen. 13.
- [appellant sub 2] heeft niet gesteld dat wanneer de bedoelde voortplantings-, nest-, rust-, of verblijfplaatsen van de huismus, ransuil of gebouwbewonende vleermuizen in het plangebied gevonden worden, het onmogelijk is om maatregelen te nemen om te voorkomen dat deze plaatsen worden beschadigd of vernield, dan wel dat de vrijstelling of ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wnb niet mogelijk is. In het aangevoerde ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog faalt. Slotoverweging
- Met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak: - met inachtneming van wat is overwogen onder 8.12 alsnog toereikend te motiveren waarom in de ontwikkeling niet kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied en te onderbouwen of er binnen bestaand stedelijk gebied geen locaties zijn die kunnen worden benut door herstructurering, transformatie of anderszins, - dan wel een nieuw of gewijzigd besluit te nemen, alsmede de Afdeling en andere partijen de uitkomst van voormelde opdracht mede te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast. Proceskosten en griffierecht
- In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: draagt de raad van de gemeente Lansingerland op - om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 8.12 en
- de daar omschreven gebreken in het besluit van 5 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingplan "[locatie 1]" te herstellen, en - de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier. w.g. Daalder w.g. Kuipers lid van de enkelvoudige kamer griffier Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2019 271-913.