201703385/1/R
- Datum uitspraak: 29 mei 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen:
- Stichting Landschap Oldambt, gevestigd te Nieuweschans, gemeente Oldambt,
- [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Veendam,
- [appellant sub 3] en anderen, allen wonend te Veendam en Wildervank, gemeente Veendam,
- [appellant sub 4], wonend te Meeden, gemeente Midden-Groningen,
- Stichting Platform Tegenwind N33, gevestigd in de gemeente Midden-Groningen, en anderen (hierna: Platform Tegenwind en anderen),
- [appellant sub 6], wonend te Meeden, gemeente Midden-Groningen,
- [appellant sub 7], wonend te Meeden, gemeente Midden-Groningen,
- [appellante sub 8], gevestigd te Scheemda, gemeente Oldambt,
- [appellant sub 9], wonend te Veendam,
- [appellante sub 10], wonend te Meeden, gemeente Midden-Groningen,
- [appellante sub 11], gevestigd te Muntendam, gemeente Midden-Groningen,
- Stichting Platform Tegenwind N33 gevestigd in de gemeente Midden-Groningen, en anderen (hierna: Platform Tegenwind),
- Dorpsraadcoöperatie Meeden u.a., gevestigd te Meeden, gemeente Midden-Groningen,
- [appellant sub 14], wonend te Meeden, gemeente Midden-Groningen,
- [appellant sub 15], wonend te [woonplaats],
- [appellant sub 16], wonend te Muntendam, gemeente Midden-Groningen,
- [appellant sub 17], wonend te Meeden, gemeente Midden-Groningen,
- [appellant sub 18], wonend te Scheemda, gemeente Oldambt, beweerdelijk handelend namens Vereniging Dorpsbelangen Scheemda,
- [appellant sub 19], wonend te Veendam,
- [appellant sub 20], wonend te Zuidbroek, gemeente Midden-Groningen, en
- de minister van Economische Zaken, thans: de minister van Economische Zaken en Klimaat, en de minister van Infrastructuur en Milieu, thans: de minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: de ministers),
- het college van gedeputeerde staten van Drenthe,
- het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam,
- het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Menterwolde, thans gemeente Midden-Groningen,
- de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: de staatssecretaris), thans: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 10 februari 2017 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s aan innogy Windpower Netherlands B.V. (hierna: Innogy) een watervergunning als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Waterwet verleend voor het lozen van mogelijk verontreinigd hemelwater afkomstig van een nieuw te bouwen transformatorstation voor het windpark N33, deelgebied Eekerpolder, aan de Zevenwoldsterweg te Meeden. Bij besluit van 16 februari 2017 hebben de ministers het inpassingsplan "Windpark N33" vastgesteld. Het plan voorziet in 35 windturbines in de gemeenten Midden-Groningen, Veendam en Oldambt. Bij besluit van 17 februari 2017 heeft de staatssecretaris aan Innogy, Windpark Vermeer Noord B.V. (hierna: Vermeer Noord), Windpark Vermeer Midden B.V. (hierna: Vermeer Midden) en Windpark Vermeer Zuid B.V. (hierna: Vermeer Zuid) ontheffing verleend van de verbodsbepalingen uit artikel 3.1 en artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam en de toenmalige gemeente Menterwolde hebben omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend voor de windturbines. Deze omgevingsvergunningen betreffen elk een deelgebied van het windpark. Bij besluit van 28 februari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en e, van de Wabo aan Vermeer Zuid een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten, bouwen en aanleggen van een windpark, bestaande uit 4 windturbines met een inkoopstation op de percelen, kadastraal bekend gemeente Veendam, sectie I, nummer 2529, en gemeente Wildervank, sectie A, nrs. 2598, 2960, 2962, 2839 en sectie M, nrs. 454, 455 en plaatselijk bekend oostelijk van de Rijksweg N33, globaal tussen de Jan Kokweg en de Dalweg 36 te Wildervank. Bij besluit van eveneens 28 februari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en e, van de Wabo aan Vermeer Midden een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten, bouwen en aanleggen van een windpark bestaande uit vier windturbines en een inkoopstation op de percelen, kadastraal bekend gemeente Veendam, sectie N, nrs. 76, 366, 367 en 265, plaatselijk bekend nabij de Rijksweg N33, globaal tussen de Noorderweg en Zuidwending en evenwijdig aan de Vosseveld te Veendam. Bij besluit van 28 februari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Menterwolde op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c en e, van de Wabo aan Innogy een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten, bouwen en aanleggen van een windpark bestaande uit 15 windturbines, 15 kraanopstelplaatsen en een transformatorstation voor het deelpark Eekerpolder. Bij besluit van eveneens 28 februari 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van de toenmalige gemeente Menterwolde op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c en e, van de Wabo aan Vermeer Noord een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten, bouwen en aanleggen van een windpark bestaande uit 12 windturbines, 12 kraanopstelplaatsen en een inkoopstation voor het deelpark Vermeer Noord. Bij besluit van 28 februari 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen aan Innogy, Vermeer Noord, Vermeer Midden en Vermeer Zuid op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb een vergunning verleend voor het windpark N
- Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid. Bij besluit van 28 september 2017 heeft het college van gedeputeerde staten de vergunning op grond van de Wnb van 28 februari 2017 gewijzigd. De ministers hebben het inpassingsplan gewijzigd vastgesteld. Dit besluit is namens de toenmalige minister van Infrastructuur en Milieu ondertekend op 29 september 2017 en namens de toenmalige minister van Economische Zaken op 9 oktober
- Tegen één of meer van deze besluiten hebben appellanten beroep ingesteld. De ministers, het college van gedeputeerde staten, het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Veendam en Menterwolde hebben een verweerschrift ingediend. Innogy, Vermeer Noord, Vermeer Midden en Vermeer Zuid hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, gezamenlijk schriftelijke uiteenzettingen gegeven. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Een aantal partijen heeft een zienswijze daarop naar voren gebracht. Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft op 15 november 2018 - gevoegd met de zaken 201709167/1/R3, 201807375/1/R3 en 201708737/1/R3 - ter zitting uitsluitend de beroepsgronden behandeld die betrekking hebben op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., ECLI:EU:C:2016:
- Ter zitting van 15 november 2018 is een aantal partijen verschenen of heeft zich laten vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen. Voorts zijn Innogy, Vermeer Noord, Vermeer Midden en Vermeer Zuid ter zitting als partij gehoord. De overige beroepsgronden heeft de Afdeling ter zitting behandeld op 28 en 29 januari
- Voorafgaand aan deze zitting heeft een aantal partijen nadere stukken ingediend. Ter zitting is een aantal partijen verschenen of heeft zich laten vertegenwoordigen. Ook verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen. Voorts zijn Innogy, Vermeer Noord, Vermeer Midden en Vermeer Zuid ter zitting als partij gehoord. Overwegingen INLEIDING
- De bestreden besluiten maken de oprichting van het windpark N33 met bijbehorende voorzieningen mogelijk. Het windpark ligt op het grondgebied van de gemeenten Midden-Groningen, Oldambt en Veendam en bestaat uit 35 windturbines met een maximale ashoogte van 140 m, een maximale rotordiameter van 130 m en een maximale tiphoogte van 200 m. De windturbines hebben samen een vermogen van ongeveer 120 MW. Innogy, Vermeer Noord, Vermeer Midden en Vermeer Zuid zijn de initiatiefnemers van het project en de beoogde exploitanten van het windpark. Het windpark is verdeeld in drie deelgebieden, te weten een noordelijk deelgebied, een midden deelgebied en een zuidelijk deelgebied. Het noordelijke deelgebied bestaat uit 27 windturbines, het midden deelgebied uit 4 windturbines en het zuidelijke deelgebied eveneens uit 4 windturbines. Met het windpark wordt beoogd een bijdrage te leveren aan de doelstelling voor de opwekking van duurzame energie uit het Nationaal Energieakkoord en aan de doelstelling uit de Structuurvisie Windenergie op land (hierna: SvWOL) om voor 2020 in de daarvoor aangewezen gebieden grootschalige windprojecten te realiseren met een vermogen van in totaal 6.000 MW.
- Het windpark is planologisch mogelijk gemaakt in het inpassingsplan. Ter uitvoering van het inpassingsplan zijn omgevingsvergunningen, een watervergunning en vergunningen en een ontheffing op grond van de Wnb verleend.
- Appellanten zijn bewoners en ondernemers uit het plangebied of de omgeving daarvan, bewonersorganisaties en rechtspersonen die opkomen voor algemene belangen op het gebied van onder meer natuur, milieu, landschap en cultuurhistorie. Zij verzetten zich tegen de aanleg van het windpark.
- In de omgeving van het windpark N33 bestaat veel weerstand tegen het park. Die weerstand is blijven bestaan na de wettelijke inspraakprocedures en inspanningen van de ministers en initiatiefnemers om de weerstand te verminderen dan wel weg te nemen, zoals informatiebijeenkomsten en de aanstelling van een gebiedscoördinator. Omwonenden zijn, zo begrijpt de Afdeling, van opvatting dat in het bijzonder zij met grote nadelige gevolgen van het windpark worden geconfronteerd, terwijl de voordelen ervan niet aan hen toevallen. Een en ander heeft, zo is gesteld, geleid tot polarisatie en aantasting van de sociale cohesie. De Afdeling onderkent deze weerstand en de gevolgen daarvan. De Afdeling hecht er echter aan te benadrukken dat de betekenis die zij daaraan kan en mag toekennen, beperkt is. De Afdeling moet zich beperken tot het toetsen van de besluiten van verweerders aan het recht aan de hand van de beroepsgronden die appellanten daartegen naar voren brengen. De Afdeling kan niet zelf beslissen over de wenselijkheid of de onwenselijkheid van het windpark op deze locatie. Deze uitspraak bevat dan ook slechts het oordeel van de Afdeling over de vraag of de bestreden besluiten, gelet op de aangevoerde beroepsgronden, de toetsing aan geschreven en ongeschreven recht kunnen doorstaan. OPZET UITSPRAAK
- In deze uitspraak wordt een groot aantal onderwerpen besproken die hieronder zijn weergegeven. Algemeen deel - ontvankelijkheid (overwegingen 7 - 21); - goede procesorde (overwegingen 22 en 23); - omvang van het geding (overwegingen 24 - 27); - toepassing rijkscoördinatieregeling (overwegingen 28 en 29); - overige procedurele beroepsgronden (overwegingen 30 - 36); - totstandkoming van het deskundigenbericht van de StAB (overweging 37); - objectiviteit onderzoeken (overweging 39); - D’Oultremont (overwegingen 40 - 43). Inpassingsplan - toetsingskader (overweging 44); - draagvlak (overweging 45); - nut en noodzaak en alternatieve vormen van duurzame energie (overwegingen 46 - 49); - locatiekeuze en de inrichting van windpark N33 (overwegingen 50 - 61); - voorlopige bestemming op grond van artikel 7o van het Besluit uitvoering Chw (overwegingen 62 - 74); - aanduiding "Overige zone-woning in de sfeer van het windpark" (overwegingen 75 - 84); - geluid (overwegingen 85 - 104); - slagschaduw en lichtschittering (overwegingen 105 - 118); - obstakelverlichting (overweging 119); - veiligheid (overwegingen 120 - 133); - verkeersveiligheid (overwegingen 134 - 136); - trilling, bodem en waterhuishouding (overwegingen 137 - 139); - gezondheidseffecten anders dan vanwege geluid (overweging 140); - LOFAR (overweging 141); - natuur (overwegingen 142 - 145); - landschappelijke en cultuurhistorische waarden in en nabij het plangebied (overwegingen 146 - 153); - beschermde dorpsgezichten, rijksmonumenten en archeologie (overwegingen 154 - 156); - maatschappelijke en sociaaleconomische gevolgen (overwegingen 157 - 160); - financiële en economische uitvoerbaarheid van het inpassingsplan (overwegingen 161 - 169); - het beroep van [appellante sub 8] en gevolgen voor andere agrariërs (overweging 170); - overige beroepsgronden over gevolgen voor het woon- en leefklimaat van afzonderlijke appellanten en schade (overweging 171); - totaalbeoordeling afweging belangen van omwonenden (overweging 172); - de beroepen van Platform Tegenwind, Platform Tegenwind en anderen en [appellant sub 4] over het inpassingsplan voor het overige (overwegingen 173 - 191); - gewijzigde vaststelling van het inpassingsplan (overwegingen 192 - 199). Omgevingsvergunningen - algemeen (overwegingen 201 - 206); - het bouwen van een bouwwerk (overwegingen 207 - 219); - het oprichten en in werking hebben van een inrichting (overwegingen 220 - 230). Maatwerkvoorschriften - geluid (overweging 231); - lichtschittering (overweging 232); - obstakelverlichting (overweging 233). Wnb-vergunning en wijziging daarvan (overwegingen 234 en 235) Overige beroepsgronden - overige beroepsgronden van [appellant sub 4] (overwegingen 236 en 237); - overige beroepsgronden van Platform Tegenwind en anderen (overwegingen 238 en 239); - herhaling zienswijzen (overweging 240); - vragen aan Europese instellingen (overweging 241). Conclusie en proceskosten - besluiten tot vaststelling en wijziging van het inpassingsplan (overwegingen 242 - 244); - omgevingsvergunningen (overweging 245); - besluiten op grond van de Wnb (overwegingen 246 en 247); - watervergunning (overweging 248); - proceskosten (overwegingen 249 - 251); - elektronisch plan (overweging 252).
- De relevante regelgeving is opgenomen in de uitspraak dan wel in bijlage I bij deze uitspraak. De in bijlage I opgenomen regelgeving is de regelgeving geldend ten tijde van het nemen van de bestreden besluiten. Bijlage I maakt deel uit van de uitspraak. ONTVANKELIJKHEID
- De Afdeling gaat hierna bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de beroepen eerst in op het inpassingsplan en de omgevingsvergunningen. Vervolgens komen de op grond van de Wnb verleende vergunning en de wijziging daarvan en de ontheffing op grond van de Wnb aan de orde. INPASSINGSPLAN EN OMGEVINGSVERGUNNINGEN TIJDIGHEID VAN HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 20]
- De ministers hebben hun betoog dat [appellant sub 20] niet tijdig beroep heeft ingesteld tijdens de tweede zitting ingetrokken. TIJDIGHEID VAN HET BEROEP VAN PLATFORM TEGENWIND
- De ministers stellen dat het beroepschrift van Platform Tegenwind buiten de beroepstermijn is ingediend. De ministers voeren aan dat niet is aangetoond dat het beroepschrift daadwerkelijk tijdig ter post is bezorgd. Dit beroep dient daarom volgens de ministers niet-ontvankelijk te worden verklaard. 9.
- De bestreden besluiten zijn bekendgemaakt op 16 maart 2017, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is geëindigd op 28 april
- 9.
- Platform Tegenwind heeft een afschrift overgelegd van een bewijs van afgifte van PostNL van een aangetekende verzending op 26 april 2017 die is gericht aan het adres van de Raad van State. De Afdeling ziet geen grond eraan te twijfelen dat dat het beroepschrift van Platform Tegenwind betreft. Er is daarom geen aanleiding voor de conclusie dat het beroepschrift van Platform Tegenwind niet binnen de termijn is ingediend. Er is in zoverre geen grond het beroep van Platform Tegenwind niet-ontvankelijk te verklaren. HET BEROEP VAN [APPELLANT SUB 15]
- De ministers betwisten de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 15]. De ministers voeren aan dat [appellant sub 15] zijn stelling dat hij schade heeft geleden door de bestreden besluiten vanwege de waardevermindering van zijn woning in Meeden niet heeft geconcretiseerd. 10.
- [appellant sub 15] heeft zijn woning aan de [locatie 1] in Meeden nabij het plangebied verkocht en is verhuisd naar een woning in Rijnsburg. [appellant sub 15] stelt dat hij schade heeft geleden door de bestreden besluiten vanwege de waardevermindering van zijn woning in Meeden. Hij wil die schade verhalen op de rijksoverheid en de initiatiefnemers. 10.
- [appellant sub 15] was ten tijde van de vaststelling van het inpassingsplan en het verlenen van de omgevingsvergunningen eigenaar van de woning in Meeden. De woning is nadien in eigendom overgedragen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat de uitkomst van de procedure over de rechtmatigheid van de voorliggende besluiten, waarmee het windpark mogelijk wordt gemaakt, van belang is voor de mogelijkheid om de door [appellant sub 15] gestelde schade, wat daar ook van zij, te verhalen. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat hij geen procesbelang meer heeft. HET BEROEP VAN OOSTERHOFF, BEWEERDELIJK INGESTELD NAMENS VERENIGING DORPSBELANGEN SCHEEMDA
- In artikel 6:4, derde lid, van de Awb is bepaald dat het instellen van beroep bij een bestuursrechter geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij die rechter. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef, van de Awb wordt een beroepschrift ondertekend. Wanneer degene die het beroepschrift heeft ondertekend niet voor zichzelf maar voor een ander in beroep komt, zal van de bevoegdheid tot het instellen van het beroep moeten blijken. Indien hieraan niet is voldaan, kan het beroep ingevolge artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen. 11.
- [appellant sub 18] heeft in het door hem ingediende beroepschrift verklaard dat beroep wordt ingesteld namens Vereniging Dorpsbelangen Scheemda. Uit het overgelegde uittreksel van de Kamer van Koophandel volgt dat [appellant sub 18] voorzitter van deze vereniging is. Artikel 10 van de overgelegde statuten van Vereniging Dorpsbelangen Scheemda luidt: "
- Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging.
- De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan de voorzitter tezamen met de secretaris.
- Het bestuur kan volmacht verlenen aan één of meer bestuursleden alsook aan anderen, om de vereniging binnen de grenzen van die volmacht te vertegenwoordigen.
- (…)". 11.
- Uit de statuten volgt dat [appellant sub 18] niet in zijn hoedanigheid van voorzitter alleen bevoegd was om Vereniging Dorpsbelangen Scheemda in rechte te vertegenwoordigen. [appellant sub 18] heeft bij het beroepschrift geen machtiging gevoegd waaruit volgt dat hij door het bestuur van de vereniging is gemachtigd het beroepschrift in te dienen, als bedoeld in artikel 8:24, eerste lid, van de Awb. [appellant sub 18] is overeenkomstig artikel 6:6 van de Awb de gelegenheid geboden om dit verzuim te herstellen binnen een daartoe gestelde termijn. Daarbij is vermeld dat, indien dat niet gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. [appellant sub 18] heeft de gestelde vertegenwoordiging niet aangetoond. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Het beroep dat door [appellant sub 18] beweerdelijk is ingesteld namens Vereniging Dorpsbelangen Scheemda is daarom niet-ontvankelijk. DE OVERGELEGDE LIJST VAN PERSONEN BIJ HET BEROEPSCHRIFT VAN PLATFORM TEGENWIND EN ANDEREN
- Bij het beroepschrift van Platform Tegenwind en anderen is een lijst van personen overgelegd die met Platform Tegenwind en anderen beroep hebben ingesteld. Deze lijst moet, zo is tijdens de tweede zitting bevestigd, worden gecorrigeerd in die zin dat de personen die niet meer op de later overgelegde geactualiseerde lijsten zijn vermeld, worden geacht hun beroep te hebben ingetrokken. AFSTAND VAN MEER DAN TIEN KEER DE TIPHOOGTE
- Uit artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat uitsluitend belanghebbenden beroep bij de Afdeling kunnen instellen tegen de bestreden besluiten. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen. 13.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 23 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2271, onder 3.2, is geen sprake van een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang indien de gevolgen van de activiteit voor de woon-, leef-, of bedrijfssituatie van betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, onder 7, over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer (hierna: uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer) volgt dat de Afdeling er in beginsel van uitgaat dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte de gevolgen van het windpark op het gebied van onder meer geluid- en slagschaduwhinder en zicht dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij de planologische besluitvorming over dat windpark ontbreekt. In veel gevallen bestaat ook buiten deze afstand zicht op het windpark, vooral als het windpark in open landschap ligt. De Afdeling gaat er echter van uit dat de gevolgen van het zicht op het windpark voor het woon- en leefklimaat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte in beginsel te beperkt zijn om nog te kunnen spreken van gevolgen van enige betekenis, zo staat in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. 13.
- Het inpassingsplan en de omgevingsvergunningen maken windturbines met een tiphoogte van maximaal 200 m mogelijk. Indien ervan wordt uitgegaan dat op een afstand van meer dan tien keer de tiphoogte geen gevolgen van enige betekenis worden ondervonden, dan betekent dit dat omwonenden wonend op een afstand van meer dan 2.000 m van de dichtstbijzijnde windturbine behorende tot het windpark N33 geen belanghebbende zijn. 13.
- De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 3A], die met [appellant sub 3] en anderen beroep heeft ingesteld, [appellant sub 16], [appellant sub 5A], die met Platform Tegenwind beroep heeft ingesteld, en een aantal natuurlijke personen die met Platform Tegenwind en anderen beroep hebben ingesteld op een afstand van meer dan 2.000 m van de dichtstbijzijnde windturbine wonen. De vereniging Dorpsbelangen Nieuw Scheemda en ’t Waar, die het beroepschrift van Platform Tegenwind heeft ondertekend, heeft volgens haar statuten als doel het in stand houden en bevorderen van de leefbaarheid in de ruimste zin van het woord in de dorpen Nieuw Scheemda en ’t Waar. De Afdeling stelt vast dat deze dorpen op meer dan 2.000 m van het windpark zijn gelegen. 13.
- [appellant sub 3] en anderen stellen dat op een afstand van meer dan 2.000 m van het windpark gevolgen van enige betekenis zijn te verwachten, zodat omwonenden die buiten deze afstand wonen als belanghebbende zijn aan te merken. Platform Tegenwind en anderen betogen dat omwonenden die op meer dan 2.000 m van het windpark wonen op grond van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) als belanghebbenden moeten worden aangemerkt, omdat een ieder toegang tot de rechter zou moeten hebben. Zij stellen verder dat moet worden afgeweken van het in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer neergelegde uitgangspunt, omdat de situatie bij het windpark N33 niet overeenkomt met de situatie bij het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. Het gaat volgens Platform Tegenwind en anderen bij het windpark N33 om ernstige, structurele cumulatieve hinder door slagschaduw, verlichting, trillingen, blootstelling aan pulserend (laagfrequent) geluid en externe veiligheidsrisico’s van een windpark, ook vanwege het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, dat zich volgens hen op korte afstand van het windpark N33 bevindt. Zij stellen dat vanwege de ruimtelijke uitstraling van en het zicht op de windturbines een afstand van 2.300 m als uitgangspunt zou moeten worden gehanteerd. Zij wijzen verder op de cumulatieve effecten van het windpark met andere ruimtelijke ingrepen die nabij het plangebied plaatsvinden, waaronder gas- en zoutwinning, een stikstoffabriek en andere industriële activiteiten. 13.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 3 april 2019, over het windpark Battenoord, ECLI:NL:RVS:2019:1064 (hierna: uitspraak over het windpark Battenoord), onder 11.1, is het stellen van de eis dat een particulier die toegang tot de bestuursrechter wil verkrijgen een rechtstreeks betrokken belang moet hebben, in overeenstemming met (de implementatie van) het Verdrag van Aarhus. Het betoog van Platform Tegenwind en anderen daarover faalt. 13.
- De Afdeling acht de effecten op een afstand van meer dan 2.000 m van het windpark niet zodanig, dat sprake is van gevolgen van enige betekenis. De omstandigheid dat in de omgeving van het plangebied andere ontwikkelingen plaatsvinden betekent op zichzelf niet dat van het windpark gevolgen van enige betekenis zijn te verwachten op een grotere afstand dan 2.000 m. Verder is de kortste afstand tussen de windturbines van het windpark N33 en het windpark De Drentse Monden en Oostermoer ongeveer 4 km. Die afstand acht de Afdeling niet zo klein dat op grond daarvan bij de beoordeling van de belanghebbendheid van het gehanteerde uitgangspunt van tien keer de tiphoogte moet worden afgeweken. [APPELLANTE SUB 11]
- [appellante sub 11] stelt eigenaar te zijn van diverse bouwkavels in [appellant sub 4] en daarom gevolgen te ondervinden van het windpark. Bij brief van 17 december 2018 is [appellante sub 11] verzocht aan te geven om welke percelen dit gaat en wat de afstand van deze percelen tot de dichtstbijzijnde windturbines is. [appellante sub 4] heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek. Zij is evenmin ter zitting verschenen. Daarom gaat de Afdeling ervan uit dat [appellante sub 11] geen gevolgen van enige betekenis van het windpark zal ondervinden. Zij is dus niet als belanghebbende bij de bestreden besluiten aan te merken. CONCLUSIE ONTVANKELIJKHEID INPASSINGSPLAN EN OMGEVINGSVERGUNNINGEN
- Gelet op het voorgaande zijn [appellante sub 11], [appellant sub 3A], [appellant sub 16], de vereniging Dorpsbelangen Nieuw Scheemda en ’t Waar en [appellant sub 5A] geen belanghebbenden bij de vaststelling van het inpassingsplan en de omgevingsvergunningen. De natuurlijke personen die het beroepschrift van Platform Tegenwind en anderen hebben ondertekend en die op een afstand van meer dan 2.000 m van de dichtstbijzijnde windturbine wonen, zijn opgenomen in bijlage II bij deze uitspraak. Ook deze personen zijn geen belanghebbenden bij de vaststelling van het inpassingsplan en de omgevingsvergunningen. De beroepen van [appellante sub 4], [appellant sub 16] en de vereniging Dorpsbelangen Nieuw Scheemda en ’t Waar, het beroep van [appellant sub 3] en anderen, voor zover het door [appellant sub 3A] is ingesteld, en het beroep van Platform Tegenwind, voor zover het door [appellant sub 5A] is ingesteld, tegen deze besluiten zijn niet-ontvankelijk. Het beroep van Platform Tegenwind en anderen tegen deze besluiten is niet-ontvankelijk, voor zover het door de in bijlage II bij deze uitspraak vermelde natuurlijke personen is ingesteld. Ook het beroep dat door [appellant sub 18] beweerdelijk is ingesteld namens Vereniging Dorpsbelangen Scheemda is niet-ontvankelijk. VERGUNNING OP GROND VAN DE WNB EN WIJZIGING DAARVAN
- De Afdeling stelt op grond van de beroepschriften en het verhandelde ter zitting vast dat de beroepen van [appellant sub 3] en anderen, Platform Tegenwind, Platform Tegenwind en anderen en [appellant sub 18], beweerdelijk ingesteld namens Vereniging Dorpsbelangen Scheemda, mede zijn gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van 28 februari 2017 tot verlening van een vergunning op grond van de Wnb (hierna: de Wnb-vergunning). De beroepen van Platform Tegenwind en Platform Tegenwind en anderen zijn ook gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van 28 september 2017 tot wijziging van de Wnb-vergunning.
- Het beroep dat door [appellant sub 18] beweerdelijk is ingesteld namens Vereniging Dorpsbelangen Scheemda is niet-ontvankelijk, omdat niet is aangetoond dat [appellant sub 18] gemachtigd was om namens de vereniging beroep in te stellen. De Afdeling verwijst op dit punt naar hetgeen onder 11.2 is overwogen.
- De Afdeling volgt het betoog van het college van gedeputeerde staten dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn, omdat de woningen en/of percelen van appellanten zich op te grote afstand bevinden van de Natura 2000-gebieden waarop de Wnb-vergunning en de wijziging daarvan betrekking hebben, niet. Voor de ontvankelijkheid van de beroepen van natuurlijke personen is immers niet de afstand tot de Natura 2000-gebieden bepalend, maar is van belang of ter plaatse van de woningen of percelen van appellanten gevolgen kunnen worden ondervonden van het windpark waarvoor de Wnb-vergunning is verleend. Voor rechtspersonen is van belang of zij door de gevolgen van het windpark worden geraakt in de belangen die zij krachtens hun statuten en feitelijke doelstellingen in het bijzonder behartigen. Dit wordt op dezelfde manier beoordeeld als bij het inpassingsplan en de omgevingsvergunningen. Gelet hierop en onder verwijzing naar de overwegingen 13 tot en met 15 is de Afdeling van oordeel dat het beroep van [appellant sub 3], voor zover ingesteld door [appellant sub 3A], tegen het besluit van gedeputeerde staten van 28 februari 2017 niet-ontvankelijk is. Ditzelfde geldt voor de beroepen van Platform Tegenwind, voor zover ingesteld door de vereniging Dorpsbelangen Nieuw Scheemda en ’t Waar en [appellant sub 5A], en van Platform Tegenwind en anderen, voor zover ingesteld door de in bijlage II bij deze uitspraak vermelde natuurlijke personen op een afstand van meer dan 2.000 m van het windpark, tegen de besluiten van gedeputeerde staten van 28 februari 2017 en 28 september
- ONTHEFFING OP GROND VAN DE WNB
- De Afdeling stelt op grond van de beroepschriften en het verhandelde ter zitting vast dat de beroepen van Platform Tegenwind en anderen en [appellant sub 18], beweerdelijk ingesteld namens Vereniging Dorpsbelangen Scheemda, mede zijn gericht tegen het besluit van de staatssecretaris van 17 februari 2017 tot verlening van een ontheffing op grond van de Wnb (hierna: de Wnb-ontheffing).
- Het beroep dat door [appellant sub 18] beweerdelijk is ingesteld namens Vereniging Dorpsbelangen Scheemda is niet-ontvankelijk, omdat niet is aangetoond dat [appellant sub 18] gemachtigd was om namens de vereniging beroep in te stellen. De Afdeling verwijst op dit punt naar hetgeen onder 11.2 is overwogen.
- Bij de beoordeling of een appellant belanghebbende is bij een ontheffing die op grond van de Wnb is verleend, is de ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval het windpark N33 - niet van belang. Bepalend is of de handeling waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de appellanten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 9.1). In dit geval is de handeling waarvoor de ontheffing is verleend het doden van vogels en vleermuizen door aanvaringen met de windturbines in het windpark. De aanvaringen doen zich voor ter plaatse van de windturbines. De afstand van de woningen van de bewoners die met Platform Tegenwind en anderen beroep hebben ingesteld tot de windturbines bedraagt ten minste 660 m. Gelet op deze afstand is niet aannemelijk dat de effecten van de windturbines op de vogel- en vleermuissoorten waarvoor de ontheffing is verleend enige ruimtelijke uitstraling op omwonenden zullen hebben en daarmee invloed zullen hebben op de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Appellanten hebben geen gegevens naar voren gebracht die op dit punt tot een ander oordeel moeten leiden. De enkele omstandigheid dat soorten die aanvaringsslachtoffer kunnen worden van de windturbines in de omgeving van omwonenden voorkomen, omdat zij daar vliegen of foerageren, is daarvoor onvoldoende. De statutaire doelstelling van de stichting Platform Tegenwind is het behartigen van belangen van (rechts)personen die tegen de realisatie zijn van windmolens langs de N33 ter hoogte van de gemeenten Veendam en Menterwolde en het verrichten van al hetgeen met het vorenstaande verband houdt. De stichting komt hiermee naar het oordeel van de Afdeling uitsluitend op voor het belang van een goed woon- en leefklimaat van de bewoners in het genoemde gebied. De statutaire doelstelling is niet gericht op de bescherming van natuurbelangen als zodanig. Dit betekent dat de stichting alleen belanghebbende is voor zover het windpark ruimtelijke uitstraling op deze bewoners zal hebben en invloed zal hebben op de kwaliteit van hun directe leefomgeving. Zoals hiervoor is overwogen, is dat in dit geval vanwege de afstand tot de windturbines niet het geval. Gelet op het voorgaande zijn Platform Tegenwind en anderen geen belanghebbenden bij het besluit van de staatssecretaris van 17 februari 2017 tot verlening van de Wnb-ontheffing. Hun beroep tegen dit besluit is daarom niet-ontvankelijk. GOEDE PROCESORDE
- Platform Tegenwind en anderen betogen dat het nadere stuk van de ministers over de sfeerwoningen van 14 januari 2019 te laat is ingediend en daarom wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Zij wijzen erop dat de Afdeling de ministers bij brief van 19 december 2018 heeft verzocht om inzichtelijk te maken wat de relatie is tussen de eigenaren/bewoners van de sfeerwoningen en het windpark en dat de termijn daarvoor op 9 januari 2019 is verstreken. Daarnaast betogen Platform Tegenwind en anderen dat het verweerschrift van de ministers wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat dit buiten de daarvoor gestelde termijn is ingediend. 22.
- De brief van de ministers over de sfeerwoningen van 14 januari 2019 bevat een verzoek aan de Afdeling om zelf in de zaak te voorzien door de aanduiding "Overige zone - woning in de sfeer van het windpark" uit het plan te verwijderen. De Afdeling ziet geen reden om deze brief wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Het stuk en de bijbehorende notitie van Pondera is niet zodanig van aard en omvang dat de andere partijen hier niet adequaat op hebben kunnen reageren of dat de goede voortgang van de procedure anderszins wordt belemmerd. Verder is van belang dat het om informatie gaat die naar aanleiding van het verzoek van de Afdeling is verstrekt. 22.
- De Afdeling heeft de ministers bij brief van 12 mei 2017 verzocht om een verweerschrift in te dienen. Daarbij is een termijn gesteld tot en met 31 mei
- Het verweerschrift is ontvangen op 9 juni
- Hoewel het verweerschrift hiermee na de gestelde termijn is ingediend, ziet de Afdeling geen reden om het verweerschrift wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. Tussen de ontvangst van het verweerschrift en de behandeling ter zitting is ongeveer anderhalf jaar verstreken. Niet valt in te zien dat dit te kort zou zijn voor Platform Tegenwind en anderen om adequaat op het verweerschrift te reageren.
- Innogy, Vermeer Noord, Vermeer Midden en Vermeer Zuid betogen dat het nadere stuk van Platform Tegenwind en anderen van 11 januari 2019 wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Volgens hen is dit stuk weliswaar binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb opgenomen termijn ingediend, maar is het stuk met de bijbehorende bijlagen te omvangrijk om er adequaat op te kunnen reageren. Innogy, Vermeer Noord, Vermeer Midden en Vermeer Zuid zijn bovendien van mening dat Platform Tegenwind en anderen dit stuk eerder hadden kunnen indienen, ook omdat sinds het instellen van het beroep en het uitbrengen van het deskundigenbericht lange tijd is verstreken. Tijdens de tweede zitting hebben Innogy, Vermeer Noord, Vermeer Midden en Vermeer Zuid toegelicht dat het hun onder meer om de nadere argumenten en bijlagen over het onderwerp gezondheid gaat. 23.
- Het nadere stuk van Platform Tegenwind en anderen van 11 januari 2019 bestaat uit 75 pagina’s en 25 bijlagen. De Afdeling ziet echter geen reden om dit stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. De andere partijen worden naar het oordeel van de Afdeling niet belemmerd om adequaat op dit stuk te reageren en de goede voortgang van de procedure wordt ook niet anderszins belemmerd. De Afdeling betrekt daarbij dat het nadere stuk van 11 januari 2019 weliswaar omvangrijk is, maar inhoudelijk voor een groot deel herhalingen van eerder aangevoerde standpunten en argumenten bevat met enkele aanvullingen. OMVANG VAN HET GEDING
- De Afdeling stelt vast dat de beroepen niet zijn gericht tegen het besluit van 10 februari 2017 van het dagelijks bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s.
- Platform Tegenwind en anderen hebben hun beroepsgronden over Wildervanksterdallen 1 tijdens de tweede zitting ingetrokken. Ook hebben zij hun betoog over de voorwaardelijke verplichting in artikel 4, lid 4.1.3, van de planregels tijdens de tweede zitting ingetrokken.
- Uit artikel 1.1, eerste lid, van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw), in samenhang met onderdeel 1.2 van bijlage I, en artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Elektriciteitswet 1998, en in samenhang met onderdeel 2.1 van bijlage I bij de Chw, volgt dat afdeling 2 van de Chw van toepassing is op de bestreden besluiten. In artikel 1.6a van de Chw is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. 26.
- Platform Tegenwind en anderen hebben eerst in hun zienswijze op het deskundigenbericht naar voren gebracht dat de ministers ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de gevolgen van een hack van de software van de windturbines. Voorts hebben zij eerst in een nader stuk van 2 november 2018 gronden naar voren gebracht die ertoe strekken dat in strijd met richtlijn 2001/42 (hierna: de SMB-richtlijn) geen MER is gemaakt wat betreft de normen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) en de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: Activiteitenregeling) voor windturbines. Eerst in hun nadere stuk van 11 januari 2019 hebben zij gronden naar voren gebracht over de gevolgen van zwaar exceptioneel verkeer vanwege de aanleg van het windpark en verkeersgevaarlijke situaties. Ook eerst in dat stuk hebben zij aangevoerd dat zich een evidente privaatrechtelijke belemmering voordoet, omdat een kabeltracé is geprojecteerd over gronden van [appellant sub 9], waarvoor [appellant sub 9] geen toestemming heeft gegeven. Voorts stellen zij eerst in dat stuk dat er opstalrechten en beklemrechten zijn wat betreft gronden waarop de windturbines zijn geprojecteerd. Deze beroepsgronden dienen op grond van artikel 1.6a van de Chw buiten inhoudelijke beoordeling te blijven.
- De beroepsgronden over het zicht en de gevolgen voor de veiligheid heeft [appellante sub 8] niet in haar beroepschrift, maar pas in de zienswijze op het deskundigenbericht van 21 december 2017 naar voren gebracht. Verder heeft zij eerst in het nader stuk van 11 januari 2019 gronden aangevoerd over gevolgen voor de woon-, werk- en leefomgeving en de gezondheid van het gezin en de loonwerkers. Deze beroepsgronden dienen op grond van artikel 1.6a van de Chw eveneens buiten inhoudelijke beoordeling te blijven. TOEPASSING RIJKSCOÖRDINATIEREGELING
- Het inpassingsplan, de watervergunning, de omgevingsvergunningen, de Wnb-vergunning en de Wnb-ontheffing zijn gecoördineerd voorbereid met toepassing van de rijkscoördinatieregeling uit artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro). Uit artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Elektriciteitswet 1998 volgt dat de procedure als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro van toepassing is op de aanleg en uitbreiding van een productie-installatie, met inbegrip van de aansluiting van die installatie op een net, met een capaciteit van ten minste 100 MW, indien het betreft een installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie. Artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro maakt de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van een rijksinpassingsplan en daarbij behorende uitvoeringsbesluiten mogelijk.
- [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 19] en Platform Tegenwind en anderen voeren aan dat de rijkscoördinatieprocedure niet had mogen worden toegepast, omdat het windpark niet kan worden aangemerkt als één productie-installatie in de zin van artikel 9b van de Elektriciteitswet
- Zij betogen dat het windpark bestaat uit drie afzonderlijke onderdelen zonder geografische, technische, functionele of organisatorische samenhang. Deze appellanten brengen in dit verband naar voren dat het windpark bestaat uit drie clusters. Dit zijn cluster 1, dat bestaat uit 27 windturbines in een clusteropstelling ten noorden van de kern Meeden, cluster 2, dat bestaat uit 4 windturbines in een lijnopstelling ten oosten van Veendam en ten noorden van Ommelanderwijk, en cluster 3, dat bestaat uit 4 windturbines in een lijnopstelling ten zuidoosten van Veendam en ten zuiden van Ommelanderwijk. Volgens appellanten bestaat er tussen deze clusters geen geografische, technische, functionele of organisatorische samenhang. Zij wijzen daarbij in de eerste plaats op de afstand tussen de clusters en op de afstand tot het nabijgelegen windpark Drentse Monden en Oostermoer. Volgens [appellant sub 3] en anderen is het windpark N33 bovendien niet als één geheel herkenbaar. Zij bestrijden het standpunt van de ministers dat voor de inpassing van het windpark nu eenmaal een groot gebied nodig is. Het gebrek aan geografische samenhang wordt volgens [appellant sub 3] en anderen veroorzaakt doordat bij de inpassing alleen is gekeken naar de verdeling van de windturbines over de grondposities van de initiatiefnemers. Verder hebben zij gesteld dat variant 6 in het milieueffectrapport op een veel kleinere oppervlakte voorzag in een vermogen van 120 MW. De technische samenhang ontbreekt volgens [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 4], [appellant sub 2], [appellant sub 19] en Platform Tegenwind en anderen, omdat de drie clusters elk een eigen transformatorstation hebben en de exploitant van elk cluster zelf de aansluiting op het elektriciteitsnet verzorgt. Daarnaast is in het plan niet vastgelegd dat in elk cluster hetzelfde type windturbine wordt geplaatst. Deze appellanten stellen daarnaast dat er geen functionele samenhang is, omdat er geen gemeenschappelijk gebruik wordt gemaakt van ruimtes of bedrijfsmiddelen en er vier afzonderlijke omgevingsvergunningen zijn aangevraagd en verleend. Verder ontbreekt de organisatorische samenhang volgens hen, omdat cluster 1 deels wordt geëxploiteerd door het samenwerkingsverband Windpark N33 - waarvan Vermeer Noord deel uitmaakt - en deels door Innogy en de clusters 2 en 3 alleen door het samenwerkingsverband. [appellant sub 4] stelt daarnaast onder meer dat Innogy zich door andere onderzoeksbureaus heeft laten bijstaan dan het samenwerkingsverband, dat het samenwerkingsverband en Innogy zich tijdens overleggen apart laten vertegenwoordigen en dat zij eigen personeel en middelen hebben. Platform Tegenwind en anderen stellen daarnaast dat de milieueffectrapportage niet gezamenlijk is uitgevoerd, omdat variant 6 - waarin Innogy is betrokken - pas is onderzocht nadat het onderzoek naar de varianten 1 tot en met 5 al was afgerond. Ook stellen zij dat de initiatiefnemers het niet eens konden worden over een voorkeursvariant en dat de vergunningaanvragen niet gezamenlijk zijn voorbereid of op elkaar zijn afgestemd. [appellant sub 3] en anderen betogen eveneens dat de initiatiefnemers aanvankelijk niet wilden samenwerken, maar dat uiteindelijk naar organisatorische samenhang is toegewerkt. De initiatiefnemers hebben volgens hen nooit de bedoeling gehad om één samenhangend windpark te realiseren. Volgens [appellant sub 3] en anderen is het niet de bedoeling van de wetgever geweest om al te spreken van één productie-installatie als twee partijen geforceerd samen vergunningaanvragen indienen en uit kostenoverwegingen gezamenlijk een milieueffectrapport laten opstellen, terwijl er verder geen samenhang is. 29.
- Ter beoordeling staat of de rijkscoördinatieregeling terecht is toegepast. Omdat de rijkscoördinatieregeling is toegepast voor het windpark N33 als geheel, is daarvoor bepalend of het gehele windpark kan worden aangemerkt als één productie-installatie. 29.
- In de uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1228, over het windpark Wieringermeer (hierna: uitspraak over het windpark Wieringermeer), onder 6.2 en 6.3, en de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 24.3, heeft de Afdeling onder verwijzing naar de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 9b van de Elektriciteitswet 1998 overwogen dat voor het aanmerken van een windpark als één productie-installatie van belang is of sprake is van een geografische, technische, functionele of organisatorische samenhang. Die vereisten zijn niet cumulatief. 29.
- De ministers stellen zich op het standpunt dat er geografische en organisatorische samenhang bestaat tussen de drie clusters van het windpark. Daarom is volgens de ministers sprake van één productie-installatie en is de rijkscoördinatieregeling van toepassing. 29.
- Over de geografische samenhang overweegt de Afdeling het volgende. Het windpark zal bestaan uit drie clusters. Het totale gebied waarin de windturbines komen te staan, is ongeveer 3,7 bij 11 km groot. Uit de verbeelding blijkt dat de afstand tussen cluster 1 en cluster 2 ongeveer 3,4 km bedraagt en die tussen cluster 2 en cluster 3 ongeveer 2,8 km. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat er ondanks de onderlinge afstand van enkele kilometers tussen de verschillende clusters geografische samenhang. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat de windturbines, zoals de ministers naar voren hebben gebracht, in onderlinge samenhang zijn gepland in een gebied dat daarvoor specifiek is aangewezen in de SvWOL, met een kleine uitbreiding van het projectgebied op verzoek van de provincie Groningen. Verder hebben de ministers toegelicht dat voor een windpark van 120 MW een groot gebied nodig is en dat de inrichting mede is bepaald door de beschikbare ruimte, natuur- en landschappelijke waarden en de ligging van woningen en andere gevoelige objecten. Rekening houdend met deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de onderlinge afstanden tussen de clusters niet zo groot zijn, dat geen sprake meer is van geografische samenhang. Dat voor de in het milieueffectrapport onderzochte variant 6 een kleiner gebied wordt gebruikt, doet daar niet aan af. Het voorkeursalternatief is namelijk in het milieueffectrapport juist beoordeeld als geschikter dan variant 6 vanwege de effecten voor de omgeving, waaronder geluidhinder in het noordelijke deelgebied. Appellanten hebben ook betoogd dat het windpark niet als één geheel herkenbaar is. Voor het bestaan van geografische samenhang is echter niet zonder meer vereist dat de windturbines in het gehele windpark op dezelfde manier moeten worden opgesteld in lijn- of clusteropstellingen of dat alle opstellingen hetzelfde type windturbine moeten bevatten. Overigens hebben de ministers toegelicht dat in het midden en zuiden van het windpark identieke windturbines worden geplaatst, net als in het noordelijke deel. De relatief korte afstand van ongeveer 4 km tot het windpark De Drentse Monden en Oostermoer betekent niet dat er geen geografische samenhang bestaat tussen de drie clusters van het windpark N
- Daarbij is mede van belang dat deze twee windparken in de SvWOL zijn beschouwd als afzonderlijke windparken, waarvoor afzonderlijke gebieden zijn aangewezen. 29.
- Over de organisatorische samenhang overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt voorop dat de organisatorische samenhang moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten. Anders dan [appellant sub 3] en anderen betogen, zijn de achterliggende bedoelingen of beweegredenen van de initiatiefnemers niet doorslaggevend. Alleen al daarom kan hun betoog hierover niet slagen. De Afdeling is van oordeel dat op grond van de feiten zoals die zich in dit geval voordoen, kan worden aangenomen dat er organisatorische samenhang bestaat tussen de drie clusters van het windpark. De clusters hebben verschillende exploitanten. Voor cluster 1 zijn dit Innogy en Vermeer Noord, voor cluster 2 Vermeer Midden en voor cluster 3 Vermeer Zuid. Vermeer Noord, Midden en Zuid werken samen in het samenwerkingsverband Windpark N
- De ministers hebben gesteld dat alle initiatiefnemers een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten. Niet gebleken is dat dit onjuist is. Daarnaast blijkt uit de stukken dat er één milieueffectrapport is opgesteld en dat de initiatiefnemers gezamenlijk de aanvragen voor de Wnb-vergunning en de Wnb-ontheffing hebben ingediend. Het betoog van Platform Tegenwind en anderen dat de milieueffectrapportage niet gezamenlijk is uitgevoerd, omdat variant 6 pas later is onderzocht, slaagt niet. In de definitieve versie van het milieueffectrapport is variant 6 onderzocht, beoordeeld en vergeleken met de overige varianten. Op basis van die vergelijking is een voorkeursalternatief bepaald en zijn de milieueffecten daarvan beoordeeld. Variant 6 vormt daarmee een volwaardig onderdeel van het milieueffectrapport en de onderzoeken die in verband daarmee zijn verricht. Verder hebben de ministers erop gewezen dat over de keuze van de windturbines en tijdens de bouwfase en de exploitatiefase afstemming tussen de initiatiefnemers zal plaatsvinden. Uit de stukken blijkt dat de initiatiefnemers onder meer afspraken hebben gemaakt over het gezamenlijk uitvoeren van boscompensatie, monitoring van aanvaringsslachtoffers en preventieve maatregelen voor broedende vogels tijdens de aanlegfase. Daarnaast hebben de initiatiefnemers afspraken gemaakt over de tegemoetkoming aan omwonenden in de vorm van een gebiedspakket en hebben zij herhaaldelijk samen nieuwsbrieven verspreid en ervaringsbijeenkomsten georganiseerd. Naar het oordeel van de Afdeling is dit voldoende om van organisatorische samenhang te spreken. De Afdeling verwijst op dit punt ook naar de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 24.
- Zoals in die uitspraak is overwogen, is bovendien niet vereist dat één van de exploitanten zeggenschap heeft over het geheel. 29.
- Gelet op het voorgaande bestaat er geografische en organisatorische samenhang tussen de drie clusters van het windpark. Dit is voldoende om het gehele windpark N33 aan te merken als één productie-installatie in de zin van artikel 9b, eerste lid, van de Elektriciteitswet
- Of er ook sprake is van technische en/of functionele samenhang, hoeft daarom niet te worden beoordeeld. De ministers hebben de rijkscoördinatieregeling terecht toegepast. De betogen falen. OVERIGE PROCEDURELE BEROEPSGRONDEN KENNISGEVING EN MEDEDELING VAN DE VASTGESTELDE BESLUITEN
- Platform Tegenwind en Platform Tegenwind en anderen voeren aan dat in de kennisgeving van de bestreden besluiten ten onrechte niet is vermeld dat het inpassingsplan gewijzigd is vastgesteld. Zij wijzen met name op de toevoeging van de ontsluitingsstructuur van het windpark ten opzichte van het ontwerpplan. [appellant sub 2] en [appellant sub 19] voeren aan dat zij ten onrechte niet persoonlijk op de hoogte zijn gesteld van de terinzagelegging van de definitieve besluiten. Zij wijzen in dit verband op de artikelen 3:41, eerste lid, en 6:17 van de Awb. 30.
- Deze beroepsgronden hebben betrekking op mogelijke onregelmatigheden van na de datum waarop de bestreden besluiten zijn genomen en kunnen daarom de rechtmatigheid van die besluiten niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan en de andere bestreden besluiten. WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN HET ONTWERPPLAN
- Platform Tegenwind en Platform Tegenwind en anderen voeren aan dat het plan zodanig is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan, dat de ministers een nieuw ontwerp ter inzage hadden moeten leggen. Zij wijzen in het bijzonder op de wijzigingen die zijn aangebracht in de planregels. Platform Tegenwind en anderen noemen in dat verband de toevoeging van een alternatief kabeltracé voor een deel van de ondergrondse hoogspanningsleiding. 31.
- De ministers kunnen bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen aanbrengen ten opzichte van het ontwerp. Alleen als de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, moet de wettelijke procedure opnieuw worden doorlopen. Ten opzichte van het ontwerpplan is een alternatief kabeltracé toegevoegd voor een deel van de ondergrondse hoogspanningsleiding nabij het transformatorstation Meeden. Bij de uitvoering van het plan moet een keuze worden gemaakt tussen het oorspronkelijke en het alternatieve kabeltracé. Het alternatieve tracé vormt maar een klein deel van de totale lengte van het kabeltracé voor de ondergrondse hoogspanningsleiding en houdt een beperkte verlegging in van het oorspronkelijke tracé. Voor het overige hebben Platform Tegenwind en Platform Tegenwind en anderen niet nader aangeduid welke wijzigingen in de planregels of andere wijzigingen volgens hen tot gevolg hebben dat ten opzichte van het ontwerpplan een wezenlijk ander plan is vastgesteld. Uit de stukken blijkt dat ten opzichte van het ontwerpplan enkele wijzigingen zijn aangebracht in de ontsluiting, wegen en kabeltracés en dat de bouwvlakken voor het inkoopstation voor Vermeer Noord en het transformatorstation Veendam in beperkte mate zijn uitgebreid. Verder zijn onder meer enkele definities in de planregels gewijzigd of aangevuld. Naar het oordeel van de Afdeling zijn de wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan van ondergeschikte aard. Het aantal windturbines, de windturbineposities en de afmetingen van de windturbines zijn niet gewijzigd ten opzichte van het ontwerpplan. Ook de nutsvoorzieningen en kabeltracés zijn niet wezenlijk gewijzigd. Gelet hierop leiden de wijzigingen die ten opzichte van het ontwerp zijn aangebracht niet tot een wezenlijk ander plan. De ministers hoefden daarom geen nieuw ontwerpplan ter inzage te leggen. De betogen falen. BEHANDELING INSPRAAKREACTIES EN ZIENSWIJZEN
- [appellant sub 14] voert aan dat de ministers te weinig aandacht hebben geschonken aan de inspraakreacties die over het concept van de notitie Reikwijdte en detailniveau Windpark N33 bij het milieueffectrapport naar voren zijn gebracht. Volgens hem hebben medewerkers van het ministerie tijdens een informatiebijeenkomst op 6 oktober 2016 bevestigd dat deze inspraakreacties niet tot noemenswaardige aanpassingen in het ontwerpplan hebben geleid. Volgens [appellant sub 14] hadden de ministers de inspraakreacties over de notitie Reikwijdte en detailniveau Windpark N33 alsnog moeten behandelen bij de vaststelling van het definitieve plan. 32.
- In de notitie Reikwijdte en detailniveau Windpark N33 zijn de ontvangen zienswijzen over het concept opgenomen en beantwoord. Anders dan [appellant sub 14] stelt, is dus op deze zienswijzen gereageerd. Dat niet alle zienswijzen individueel zijn beantwoord, maar per onderwerp, is naar het oordeel van de Afdeling niet onzorgvuldig. Overigens is ook in de Antwoordnota Windpark N33 (hierna: de Antwoordnota) een reactie gegeven op zienswijzen over het milieueffectrapport, waaronder zienswijzen over de notitie Reikwijdte en detailniveau Windpark N
- Het betoog faalt.
- [appellant sub 14] voert daarnaast aan dat er naar aanleiding van de zienswijzen over het ontwerpplan vrijwel geen wijzigingen in het plan zijn aangebracht. Volgens hem wekt dit de indruk dat er geen reële inspraak is geboden. [appellant sub 3] en anderen stellen dat er 296 zienswijzen, waarvan er 167 uniek zijn, over het ontwerpplan zijn ingediend. Zij vinden de beantwoording van de zienswijzen onzorgvuldig, omdat de beantwoording slechts 40 pagina’s lang is, onvolledig is en veel zienswijzen met algemeenheden zijn afgedaan. De ministers hebben de zienswijzenprocedure ten onrechte niet gebruikt als moment van heroverweging, aldus [appellant sub 3] en anderen. [appellant sub 20] voert aan dat de ministers de zienswijzen over het ontwerpplan niet zorgvuldig hebben beantwoord. De thematische beantwoording van de zienswijzen is volgens hem te algemeen, niet inhoudelijk en op sommige punten tegenstrijdig of onjuist. [appellant sub 20] wijst daarnaast op een aantal onjuiste verwijzingen in de Antwoordnota. 33.
- In de Antwoordnota hebben verweerders een reactie gegeven op de zienswijzen die over de ontwerpbesluiten naar voren zijn gebracht. De Antwoordnota bevat een thematisch deel van 38 pagina’s, een beantwoording van de inspraakreacties van overheden en een beantwoording van de unieke zienswijzen per indiener. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat verweerders de zienswijzen samengevat weergeven of, zoals in dit geval, gedeeltelijk thematisch behandelen. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat de bestreden besluiten niet voldoende zijn gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Dat de beantwoording in verhouding tot het aantal zienswijzen volgens appellanten kort is en dat de zienswijzen tot weinig aanpassingen in de besluiten hebben geleid, geeft op zichzelf geen grond voor het oordeel dat de beantwoording van de zienswijzen in strijd is met het motiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel. De Afdeling stelt vast dat de beantwoording van de zienswijzen een aantal onvolkomenheden bevat, zoals onjuiste verwijzingen naar andere paragrafen van de Antwoordnota. De Afdeling acht de onvolkomenheden waarop [appellant sub 20] wijst niet van dien aard, dat reeds daarom moet worden geoordeeld dat de bestreden besluiten onzorgvuldig zijn voorbereid of op een ondeugdelijke motivering berusten. De betogen falen. VERDRAG VAN AARHUS
- [appellant sub 4], Platform Tegenwind en Platform Tegenwind en anderen voeren aan dat de ministers bij de voorbereiding van het inpassingsplan hebben gehandeld in strijd met het Verdrag van Aarhus. [appellant sub 4] betoogt dat het Verdrag van Aarhus is geschonden, omdat de ministers de omwonenden niet genoeg in de besluitvorming hebben betrokken en te weinig aandacht hebben besteed aan de locatiealternatieven die omwonenden hebben aangedragen. Platform Tegenwind en Platform Tegenwind en anderen voeren aan dat onvoldoende inspraakmogelijkheden zijn geboden aan omwonenden. Platform Tegenwind en anderen betogen dat in eerdere plannen en documenten, zoals de SvWOL, beslissingen zijn genomen over het windpark en de locatie daarvan. Volgens hen hebben de bevoegde bestuursorganen onvoldoende duidelijk gemaakt wanneer en waarover inspraak mogelijk was. 34.
- De Afdeling begrijpt de betogen zo dat appellanten stellen dat bij de voorbereiding van de bestreden besluiten geen reële inspraak is geboden op een moment dat alle opties nog open waren, vooral omdat al in een eerder stadium beslissingen zijn genomen over de locatiekeuze. Appellanten beroepen zich daarmee kennelijk op artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus. Artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus stemt inhoudelijk overeen met artikel 6, vierde lid, van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26; hierna: de mer-richtlijn). Omdat deze richtlijn in dit geval van toepassing is, zal verder in het midden worden gelaten of aan het Verdrag van Aarhus in zoverre rechtstreekse werking toekomt. De Afdeling verwijst op dit punt naar haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder
- De Afdeling heeft in overweging 28 van die uitspraak geoordeeld dat artikel 6, vierde lid, van de mer-richtlijn correct is geïmplementeerd in het nationale recht, omdat uit de nationale regelgeving neergelegd in de artikelen 7.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectrapportage, en de artikelen 7.11 en 7.32 van de Wet milieubeheer, in samenhang met de artikelen 3.8 en 3.35, vierde lid, van de Wro en afdeling 3.4 van de Awb volgt dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van het milieueffectrapport. De Afdeling heeft verder overwogen dat op het moment dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan of ontwerpbesluit met inbegrip van het milieueffectrapport, nog geen beslissing over het ontwerpplan of ontwerpbesluit is genomen. Inspraak over het ontwerpplan of ontwerpbesluit is naar het oordeel van de Afdeling vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden. Dit betekent dat [appellant sub 4], Platform Tegenwind en Platform Tegenwind en anderen zich niet rechtstreeks kunnen beroepen op artikel 6, vierde lid, van de mer-richtlijn. Vervolgens moet worden getoetst of aan de nationaalrechtelijke bepalingen over inspraak is voldaan. Het ontwerpplan heeft, samen met het milieueffectrapport en de ontwerpen van de uitvoeringsbesluiten van fase 1, met ingang van 30 september 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon een ieder een zienswijze over de ontwerpbesluiten naar voren brengen. De kennisgeving van de terinzagelegging is gepubliceerd in de Staatscourant en lokale huis-aan-huisbladen. De ontwerpbesluiten en de daarop betrekking hebbende stukken konden in de gemeentehuizen van Veendam, Oldambt en de toenmalige gemeente Menterwolde en op internet worden geraadpleegd. Niet in geschil is dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de terinzagelegging en de kennisgeving daarvan, zodat een ieder de mogelijkheid heeft gehad om door het indienen van een mondelinge of schriftelijke zienswijze zijn reactie op de ontwerpbesluiten te geven. De ingekomen inspraakreacties en zienswijzen zijn van een inhoudelijke reactie voorzien in de Antwoordnota. Uit de Antwoordnota blijkt dat deze reacties inhoudelijk in de besluitvorming zijn meegewogen. 34.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 28.2, neemt de omstandigheid dat volgens het Verdrag van Aarhus en de mer-richtlijn bij de besluitvorming terdege rekening dient te worden gehouden met de resultaten van inspraak, niet weg dat het aan het bevoegd gezag is om de ingekomen inspraakreacties af te wegen en te beoordelen of hierin aanleiding wordt gezien voor een aanpassing van het plan of de andere besluiten. 34.
- Gelet op het voorgaande is met de inspraakprocedure over het ontwerpplan, de overige ontwerpbesluiten en het daarbij behorende milieueffectrapport een inspraakmogelijkheid geboden op een vroeg genoeg moment. Hetgeen Platform Tegenwind en anderen hebben aangevoerd over de inspraak in eerdere fases van de besluitvorming kan daarom niet tot de conclusie leiden dat geen reële mogelijkheid tot inspraak is geboden op een moment dat alle opties nog open waren. De inspraak in eerdere fases van de besluitvorming staat hier bovendien op zichzelf niet ter beoordeling. 34.
- De betogen falen. INFORMATIEAVONDEN
- Platform Tegenwind en anderen betogen daarnaast dat ten onrechte geen derde informatieavond is gehouden nadat de informatieavond op 8 juni 2015 was afgelast. Volgens hen konden de ministers niet afzien van een derde informatieavond, omdat de bewoners uit Meeden die de bijeenkomst op 8 juni 2015 wilden bezoeken daardoor niet de gelegenheid hebben gehad een informatieavond bij te wonen. Platform Tegenwind en anderen stellen daarnaast dat het ministerie de stichting de toegang bij de informatieavonden heeft geweigerd. 35.
- De informatieavonden waarop Platform Tegenwind en anderen doelen, hebben plaatsgevonden in de periode waarin het concept van de Aanvullende Notitie reikwijdte en detailniveau Windpark N33 ten behoeve van het milieueffectrapport ter inzage lag. De ministers hebben op 21 mei 2015 een kennisgeving gedaan van het concept van deze aanvullende notitie. In de kennisgeving is de mogelijkheid vermeld om zienswijzen in te dienen en zijn drie informatieavonden aangekondigd. 35.
- Voorop staat dat uit hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer geen verplichting voortvloeit om naar aanleiding van de terinzagelegging van een notitie over de reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport een informatieavond of hoorzitting te houden. Dit betekent dat het niet laten doorgaan van een van de aangekondigde informatieavonden niet in strijd is met een specifiek wettelijk voorschrift. De Afdeling zal wel beoordelen of in dit geval sprake is van strijd met de zorgvuldigheid. 35.
- Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de laatste van de drie informatieavonden, op 8 juni 2015, niet is doorgegaan omdat de locatie door actievoerders was geblokkeerd. Er is geen vervangende informatieavond georganiseerd. Het niet doorgaan van de derde informatieavond is naar het oordeel van de Afdeling niet aan verweerders te wijten. Verder was het in ieder geval nog mogelijk om een schriftelijke zienswijze naar voren te brengen over de Aanvullende Notitie reikwijdte en detailniveau Windpark N33, omdat de termijn daarvoor nog niet was verstreken. Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de Afdeling niet onzorgvuldig dat de aangekondigde derde informatieavond niet is doorgegaan. Het betoog faalt. 35.
- Tijdens de tweede zitting heeft de voorzitter van de stichting Platform Tegenwind een toelichting gegeven over de gang van zaken tijdens de informatieavond in Veendam. Daaruit blijkt dat de stichting heeft geprobeerd om op dezelfde avond op dezelfde locatie een eigen informatieavond te organiseren. De beheerder van de locatie gaf daar geen toestemming voor. Verweerders hebben gesteld dat de vertegenwoordigers van de stichting vervolgens buiten het gebouw een informatiestand hebben ingericht. Zij hebben de vertegenwoordigers van de stichting toen uitgenodigd om met hun informatiestand in de hal van het gebouw te komen staan. Uit deze toelichtingen blijkt dat het betoog van Platform Tegenwind en anderen feitelijke grondslag mist, omdat nergens uit blijkt dat de vertegenwoordigers van de stichting de toegang tot de informatieavond zelf is geweigerd. TOETSINGSADVIEZEN COMMISSIE VOOR DE MILIEUEFFECTRAPPORTAGE
- Platform Tegenwind en anderen betogen dat de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) en haar adviezen niet onafhankelijk en objectief zijn. Volgens hen is de voorzitter van de werkgroep van de Commissie tevens betrokken bij de stichting Natuur en Milieu, die het Energieakkoord mede heeft ondertekend, en is hij daardoor niet onpartijdig. Daarnaast betogen Platform Tegenwind en anderen dat de initiatiefnemers invloed uitoefenen op de toetsingsadviezen van de Commissie. Zij worden daartoe volgens hen in staat gesteld doordat conceptnotities ter beoordeling naar de initiatiefnemers worden gestuurd. 36.
- Uit artikel 2.21, tweede en derde lid, van de Wet milieubeheer volgt dat leden van de Commissie alleen lid van een werkgroep kunnen zijn als zij niet rechtstreeks betrokken zijn of zijn geweest bij de activiteit of bij de alternatieven daarvoor, of bij een plan of besluit bij de voorbereiding waarvan het MER wordt of zou moeten worden gemaakt. Platform Tegenwind en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de voorzitter van de werkgroep die het toetsingsadvies heeft voorbereid rechtstreeks betrokken is geweest bij het windpark N33, de alternatieven voor dat windpark, het inpassingsplan of een van de andere besluiten waarvoor het MER is opgesteld. Betrokkenheid bij windenergie in het algemeen of bij organisaties die voorstander zijn van windenergie is daarvoor onvoldoende. De Afdeling ziet daarom in hetgeen Platform Tegenwind en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de Commissie niet onpartijdig en onafhankelijk over het MER heeft geadviseerd. 36.
- Tijdens de tweede zitting hebben de ministers gesteld dat het concept-toetsingsadvies van de Commissie ter beschikking is gesteld aan de initiatiefnemers. Het concept is daarnaast verstrekt aan de betrokken gemeenten en de provincie Groningen. Volgens de ministers is dit een gebruikelijke praktijk, die het voor de Commissie mogelijk maakt om voldoende informatie te verzamelen en op basis daarvan een goed advies uit te brengen. 36.
- Niet aannemelijk is gemaakt dat de initiatiefnemers oneigenlijke invloed hebben kunnen uitoefenen op de inhoud van de toetsingsadviezen en dat de Commissie niet onafhankelijk of onpartijdig heeft gehandeld. Daarbij is mede van belang dat niet alleen de initiatiefnemers, maar ook de betrokken overheden hebben kunnen reageren op het tussentijdse toetsingsadvies. De Afdeling ziet in hetgeen Platform Tegenwind en anderen hierover hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders het milieueffectrapport en het toetsingsadvies niet aan de bestreden besluiten ten grondslag hebben kunnen leggen. 36.
- Het betoog faalt. TOTSTANDKOMING VAN HET DESKUNDIGENBERICHT VAN DE STAB
- Platform Tegenwind en anderen betogen dat het deskundigenbericht van de StAB onzorgvuldig tot stand is gekomen. Zij stellen dat het deskundigenbericht onjuiste verwijzingen naar de bijlagen bevat, dat een aantal bijlagen onleesbaar is of ontbreekt, dat de inhoud, volgorde, totstandkoming en opmaak voor hen onbegrijpelijk zijn en dat het verslag onvolledig is. Volgens Platform Tegenwind en anderen bevat het deskundigenbericht geen tot weinig vernieuwende en kritische inzichten, is het advies gebaseerd op subjectieve, niet wetenschappelijke, gekleurde, gedateerde aannames van verweerders en geeft de StAB geen eigen oordeel. De StAB geeft volgens hen hiermee geen zelfstandige objectieve en neutrale beschrijving van de feitelijke situatie en de gevolgen van de bestreden besluiten. 37.
- De Afdeling stelt voorop dat aan de algemene, niet concreet onderbouwde stellingen van Platform Tegenwind en anderen over tekortkomingen in het deskundigenbericht geen betekenis kan worden toegekend, reeds omdat deze stellingen niet zijn geconcretiseerd. Het standpunt dat de StAB een andere invulling had moeten geven aan haar onderzoeksopdracht deelt de Afdeling niet. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de StAB de haar gegeven onderzoeksopdracht op haar gebruikelijke en door de Afdeling vaker aanvaarde wijze uitgevoerd. Voor zover appellanten van opvatting zijn dat aan de bevindingen van de StAB inhoudelijke tekortkomingen kleven, komt dit bij de bespreking van de desbetreffende onderwerpen aan de orde. Het betoog faalt.
- Platform Tegenwind en anderen wijzen erop dat in het deskundigenbericht van de StAB geen onderzoek is uitgevoerd naar de te verwachten cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van de (rechts)personen namens wie en die met Platform Tegenwind en anderen beroep hebben ingesteld. Volgens hen zijn deze (rechts)personen daarom benadeeld ten opzichte van de appellanten ten aanzien van wie deze gevolgen van het windpark wel in het deskundigenbericht zijn beschreven. 38.
- In de omstandigheid dat in het deskundigenbericht niet is ingegaan op de te verwachten cumulatieve geluidbelasting ter plaatse van alle (rechts)personen namens wie en die met Platform Tegenwind en anderen beroep hebben ingesteld, is geen grond gelegen om het deskundigenbericht buiten beschouwing te laten. OBJECTIVITEIT ONDERZOEKEN
- [appellant sub 4], Platform Tegenwind en anderen en Platform Tegenwind stellen dat de onderzoeken die aan de bestreden besluiten ten grondslag zijn gelegd niet zijn opgesteld door onafhankelijke en objectieve instanties, aangezien vrijwel alle onderzoeken zijn verricht in opdracht van de ministers en de initiatiefnemers. Bovendien worden de onderzoeksbureaus vaker bij windenergieprojecten betrokken en hebben zij daardoor volgens Platform Tegenwind en anderen tegenstrijdige belangen. 39.
- Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak over het windpark de Drentse Monden en Oostermoer, onder 44.2, is het enkele feit dat onderzoeken worden uitgevoerd in opdracht van het bevoegd gezag of de initiatiefnemer van een project geen reden om op voorhand te twijfelen aan de juistheid en de objectiviteit van de inhoud van die onderzoeken. Datzelfde geldt voor het feit dat bepaalde onderzoeksbureaus ook onderzoek hebben verricht ten behoeve van andere windenergieprojecten. De Afdeling ziet daarom in hetgeen [appellant sub 4], Platform Tegenwind en anderen en Platform Tegenwind hebben aangevoerd over tekortkomingen wat betreft de objectiviteit geen aanleiding voor het oordeel dat verweerders de rapporten van de geraadpleegde onderzoeksbureaus niet aan de bestreden besluiten ten grondslag hebben mogen leggen. Voor zover [appellant sub 4], Platform Tegenwind en anderen en Platform Tegenwind bezwaren over de juistheid van de inhoud van de onderzoeksrapporten naar voren hebben gebracht, worden die beoordeeld bij de behandeling van de beroepsgronden over de desbetreffende onderwerpen, zoals geluid en slagschaduw. Het betoog faalt. D’OULTREMONT
- In paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit en paragraaf 3.2.3 van de Activiteitenregeling zijn bepalingen opgenomen gericht op het voorkomen en/of beperken van onder meer geluidhinder, hinder door slagschaduw, lichtschittering en externe veiligheidsrisico’s van windturbines.
- [appellant sub 2], [appellant sub 19] en [appellant sub 7] stellen dat deze bepalingen moeten worden beschouwd als een plan of programma zoals bedoeld in artikel 2 van de SMB-richtlijn. Volgens hen hebben de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor windturbines aanzienlijke milieugevolgen zodat op grond van artikel 3 van de SMB-richtlijn een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Dat is ten onrechte achterwege gebleven. Zij verwijzen ter ondersteuning van hun betoog naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., ECLI:EU:C:2016:816, (hierna: het arrest D’Oultremont) waarin het Hof onder meer heeft bepaald dat algemene regels ook een plan of programma kunnen zijn als bedoeld in artikel 2 van de SMB-richtlijn. 41.
- Het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn algemeen verbindende voorschriften. Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld. Deze bepaling staat evenwel niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing. Deze toetsing houdt in dit geval in dat de rechter een niet door de formele wetgever gegeven voorschrift buiten toepassing dient te laten, indien dit voorschrift in strijd is met een hogere regeling. 41.
- De ministers hebben voor de beoordeling of het inpassingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening aansluiting gezocht bij de bepalingen die in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling zijn opgenomen voor het in werking hebben van een windturbine. De normen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitregeling zijn rechtstreeks werkend en handhaafbaar, waardoor de naleving van deze normen niet nader hoeft te worden geborgd in de planregels. Dit is echter anders indien gelet op het betoog van [appellant sub 2], [appellant sub 19] en [appellant sub 7] moet worden geconcludeerd dat de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling wegens strijd met hoger recht buiten toepassing moeten worden gelaten en dus niet langer rechtstreeks werkend en handhaafbaar zijn. Gelet daarop ziet de Afdeling aanleiding de betogen van [appellant sub 2], [appellant sub 19] en [appellant sub 7] over het arrest D’Oultremont inhoudelijk te beoordelen.
- Zoals de Afdeling onder 29 en volgende heeft overwogen in de uitspraak over het windpark Battenoord, vormen de bepalingen die voor het in werking hebben van een windturbine zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling geen plan of programma als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn, zodat reeds om deze reden uit het bepaalde in artikel 2 van de SMB-richtlijn geen plicht om een plan-MER te maken kan voortvloeien. De Afdeling ziet in het aangevoerde dan ook geen aanleiding de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor het in werking hebben van een windturbine wegens strijd met hoger recht buiten toepassing te laten. De betogen falen.
- Voor zover [appellant sub 2], [appellant sub 19] en [appellant sub 7] ook in verband met de omgevingsvergunningen hebben betoogd dat ten onrechte geen plan-MER is gemaakt voor de in het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling opgenomen bepalingen voor het in werking hebben van een windturbine, slaagt dit, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet. INPASSINGSPLAN TOETSINGSKADER
- De ministers zijn op grond van artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro, in samenhang met artikel 9b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Elektriciteitswet 1998, bevoegd om ter verwezenlijking van een onderdeel van het nationaal ruimtelijk beleid een rijksinpassingsplan vast te stellen. Zij moeten in dat plan bestemmingen aanwijzen en regels geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. De ministers hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter kan gelet op de aard van de aan de ministers gegeven bevoegdheid niet zijn eigen oordeel in de plaats stellen van dat van de ministers, aan wie bij hun afweging beleidsruimte toekomt. De ministers kunnen over hun besluitvorming politiek ter verantwoording worden geroepen door de Staten-Generaal. Dit laat onverlet dat de besluitvorming van de ministers over een inpassingplan is onderworpen aan rechterlijke toetsing. Het is dan de taak van de Afdeling om aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij beoordeelt de Afdeling aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden onder meer of het besluit berust op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen en deugdelijk is gemotiveerd. Tevens beziet de Afdeling aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. DRAAGVLAK
- Platform Tegenwind, Platform Tegenwind en anderen, [appellant sub 3] en anderen, [appellant sub 15], Dorpsraadcoöperatie Meeden, [appellant sub 14] en [appellant sub 4] betogen dat er geen draagvlak is voor het windpark. Volgens hen hadden de ministers het plan daarom niet mogen vaststellen. Een aantal appellanten betoogt dat de ministers zich meer hadden moeten inspannen om draagvlak te verkrijgen, onder meer door betere communicatie. Platform Tegenwind, Platform Tegenwind en anderen en Dorpsraadcoöperatie Meeden betogen dat de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan onzeker is door het gebrek aan draagvlak voor het windpark. 45.
- Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer, onder 47.1, is er geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Ook uit het Energieakkoord volgt niet dat een windpark alleen mag worden toegestaan als er genoeg draagvlak bij de omwonenden is. Paragraaf 4.2.1 van het Energieakkoord benadrukt weliswaar het belang van versterking van het draagvlak en noemt onder meer participatie in het windpark als manier om meer draagvlak te creëren, maar bevat op dit punt alleen een inspanningsverplichting. Bij projecten zoals het windpark N33 moeten de ministers een afweging maken tussen het nationale belang van een duurzame energievoorziening en de belangen van de omwonenden. Het ontbreken van draagvlak op lokaal niveau is in die belangenafweging niet zonder meer het meest zwaarwegend en is daarom niet beslissend voor de rechtmatigheid van het besluit van de ministers. Op zichzelf beschouwd kan de omstandigheid dat een groot aantal omwonenden bezwaren heeft tegen de realisatie van het windpark dan ook niet tot vernietiging van het plan leiden. Dit betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt, zoals ook blijkt uit het Energieakkoord, een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het nieuwe windpark dient te maken. Het gebrek aan draagvlak voor het windpark N33 heeft verschillende redenen. Dat zijn onder meer de hinder en schadelijke gevolgen voor de gezondheid die omwonenden vrezen en de aantasting van het landschap in hun woonomgeving. Ook is een aantal omwonenden van mening dat het windpark niet nodig is, dat er andere, meer geschikte alternatieven zijn voor windenergie op land of dat het windpark beter op een andere plaats kan worden gebouwd. De Afdeling zal hierna over deze onderwerpen oordelen aan de hand van de beroepsgronden die daarover zijn aangevoerd. Bij de beoordeling van die beroepsgronden toetst de Afdeling ook of de ministers de belangen van de omwonenden voldoende hebben onderzocht en hebben betrokken in hun belangenafweging over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het windpark N
- 45.
- [appellant sub 3] en anderen hebben in dit verband ook betoogd dat de ministers in strijd hebben gehandeld met het rijksbeleid, dat er volgens hen op is gericht dat de omgeving actief moet worden betrokken bij het beleid en de uitvoering van energieprojecten. Dit kan echter niet tot een ander oordeel leiden. [appellant sub 3] en anderen hebben op dit punt verwezen naar twee brieven van de ministers aan de Tweede Kamer van februari 2016 en januari
- Daarin zijn vijf beleidsuitgangspunten opgenomen voor energieprojecten. Uit de brieven volgt onder meer dat de omgeving zo vroeg mogelijk moet worden betrokken en dat betrokkenen een reële kans moeten krijgen om inbreng te leveren en mee te denken. Het rijksbeleid is daarmee mede gericht op het verkrijgen van draagvlak bij de omwonenden. De brieven maken echter uitdrukkelijk een uitzondering voor lopende projecten. Het windpark N33 was ten tijde van het opstellen van de brieven al in voorbereiding en is daarmee een lopend project, waarop de beleidsuitgangspunten niet van toepassing zijn. Voor zover [appellant sub 3] en anderen hebben betoogd dat de uitzondering voor lopende projecten in dit geval niet hoeft te worden toegepast, omdat in dit geval alternatieven mogelijk zijn die de doelen uit het Energieakkoord niet in gevaar brengen, verwijst de Afdeling naar hetgeen hierover onder 47.3 wordt overwogen. 45.
- De betogen falen. NUT EN NOODZAAK EN ALTERNATIEVE VORMEN VAN DUURZAME ENERGIE
- Met het windpark beogen de ministers een bijdrage te leveren aan de uitvoering van het Energieakkoord. Voor Nederland geldt in EU-verband de doelstelling dat in 2020 14% van het totale bruto-eindverbruik aan energie afkomstig is uit hernieuwbare bronnen, oftewel duurzame energie. Deze doelstelling is neergelegd in Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB 2009, L 140). In het Energieakkoord is de EU-taakstelling van 14% duurzame energie in 2020 overgenomen en is daarnaast een taakstelling van 16% duurzame energie in 2023 opgenomen. Daarbij is tevens bepaald dat in 2020 6.000 MW aan windenergie op land moet worden opgewekt. Het windpark N33 levert hieraan een bijdrage van ongeveer 120 MW. ALTERNATIEVE MOGELIJKHEDEN OM DUURZAAMHEIDSDOELSTELLINGEN TE BEHALEN
- Stichting Landschap Oldambt betoogt dat de prioriteiten ten onrechte zijn gericht op het opwekken van duurzame energie in plaats van op energiebesparing in welk verband zij onder meer wijst op isolatiemogelijkheden, fiscale stimuleringsmaatregelen en zuinigere productieprocessen bij grote energieverbruikers. Met dergelijke maatregelen worden de lasten van de maatregelen die nodig zijn voor het behalen van de energiedoelstellingen evenrediger verdeeld en niet uitsluitend gelegd bij de huishoudens die slechts een beperkte hoeveelheid energie verbruiken, aldus Stichting Landschap Oldambt. Daarnaast betoogt de stichting dat indien tot opwekking van duurzame energie wordt overgegaan, niet langer moet worden gekozen voor de realisatie van windparken in de provincie Groningen - welke provincie volgens de stichting reeds de hoogste bijdrage levert aan de opwekking van windenergie - maar voor de realisatie van windparken op zee. Ook wijst de stichting op de mogelijkheden voor zonne-energie. Voor dergelijke alternatieve vormen voor duurzame energie bestaat volgens de stichting meer draagvlak waarbij de landschappelijke kwaliteit van Oldambt behouden blijft. In dit verband stelt de stichting dat 6.000 MW aan windenergie overeenkomt met slechts 2,7% van het totale energieverbruik in Nederland. Een dergelijk percentage kan volgens de stichting ook met voornoemde energiebesparingsmaatregelen en andere vormen van duurzame energieopwekking worden bereikt. [appellant sub 3] en anderen betogen dat de ministers bij de beoordeling van het nut en de noodzaak van windpark N33 onvoldoende oog hebben gehad voor de concrete situatie. Ter onderbouwing stellen zij dat in de directe omgeving van windpark N33 omvangrijke zonneparken worden gerealiseerd waarmee, evenals met windpark N33, ongeveer 120 MW aan duurzame energie zal worden gegenereerd. Omdat de doelstelling van 120 MW aan duurzame energie reeds met zonneparken wordt behaald en deze zonneparken niet zijn meegerekend in de te behalen energiedoelstellingen, ontbreken volgens [appellant sub 3] en anderen nut en noodzaak voor de realisatie van windpark N
- Zij stellen in dit verband dat de doelstellingen voor duurzame energie neergelegd in het Energieakkoord niet per definitie via windenergie hoeven te worden gerealiseerd. In de motie van Tweede Kamerlid Smaling (Kamerstukken II, 2015/2016, 30 196, nr. 404) is de regering nadrukkelijk opgeroepen om bij de besluitvorming over windparken oog te hebben voor het inwisselen van windenergie voor zonne-energie, zo stellen [appellant sub 3] en anderen. Zij verwijzen in dit verband tevens naar twee brieven van de ministers aan de Tweede Kamer van 1 februari 2016 en 23 januari 2017 (Kamerstukken II, 2015/2016, 31 239, nrs. 211 en 254) waarin volgens hen als beleidsuitgangspunt is neergelegd dat de omgeving actief moet worden betrokken bij het beleid en de uitvoering van energieprojecten, waaronder bij het verkennen van alternatieve oplossingen voor het bereiken van de duurzaamheidsdoelstellingen. De stelling van de ministers dat het vanwege de gemaakte keuzes in het Energieakkoord niet mogelijk is om windenergie bij lopende energieprojecten te vervangen door zonne-energie, omdat dan afbreuk wordt gedaan aan de doelen van het Energieakkoord, delen [appellant sub 3] en anderen gelet op het vorenstaande niet. Ook [appellant sub 4] betoogt dat had moeten worden gekozen voor alternatieve vormen van duurzame energie. Volgens [appellant sub 4] kan met hetzelfde bedrag aan subsidie dat nodig is voor de exploitatie van windpark N33 aanzienlijk meer duurzame energie op andere innovatieve wijze worden opgewekt waarvoor wel draagvlak bij omwonenden bestaat, zoals met zonne-energie. Hij verwijst hierbij evenals [appellant sub 3] en anderen naar de motie van Tweede Kamerlid Smaling en naar de zonneparken die volgens hem reeds in de omgeving van windpark N33 worden gerealiseerd. Met gebruikmaking en intensivering van de potentie voor zonne-energie kunnen de gestelde energiedoelstellingen wel degelijk worden behaald, aldus [appellant sub 4]. Hij wijst hierbij op de verschillende voordelen die zonne-energie volgens hem biedt in vergelijking met windenergie. Omdat de gestelde energiedoelstellingen met zonne-energie kunnen worden behaald, bestaat er volgens [appellant sub 4] vanuit ruimtelijk opzicht geen enkele noodzaak voor de realisatie van windpark N
- Dat in het Energieakkoord is neergelegd dat in 2020 6.000 MW aan windenergie op land moet zijn gerealiseerd, maakt dit volgens [appellant sub 4] niet anders. Omdat het Energieakkoord niet door het parlement is goedgekeurd, kunnen hieraan geen rechten worden ontleend en kunnen nut en noodzaak van windpark N33 niet op het Energieakkoord worden gebaseerd, zo stelt [appellant sub 4]. Platform Tegenwind en anderen betogen dat het Energieakkoord, waarop nut en noodzaak van windpark N33 zijn gebaseerd, verouderd is en buiten toepassing moet worden gelaten omdat het akkoord onredelijk uitwerkt. Platform Tegenwind en anderen verwijzen in dit verband onder meer naar de Nationale Energieverkenning uit
- Hieruit blijkt volgens hen dat de energiedoelstellingen in 2023 reeds worden gehaald waardoor het realiseren van windenergie op land niet meer nodig is. Ook betogen zij dat windenergie op land een achterhaalde vorm van duurzame energie is met veel nadelen voor de omgeving en dat de ministers voor andere vormen van duurzame energie hadden moeten kiezen. Zij wijzen daarbij in het bijzonder op zonneparken en de mogelijkheden voor windenergie op zee. Platform Tegenwind en anderen noemen in hun beroepschrift en nadere stukken verschillende voordelen van zonne-energie en windenergie op zee en dragen argumenten aan waarom het in opdracht van het toenmalige Ministerie van Economische Zaken opgestelde rapport "MKEA zon-PV en wind op land; Vergelijking kosten en maatschappelijke effecten" (hierna: de maatschappelijke kosten- en batenanalyse) volgens hen onjuist is. Hetgeen zij hierover naar voren hebben gebracht, komt overeen met wat hierover is aangevoerd in de zaken over de windparken De Drentse Monden en Oostermoer en Weijerswold Coevorden. Ook stellen Platform Tegenwind en anderen evenals [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 4] dat in de regio van windpark N33 zonneparken worden gerealiseerd met een opgesteld vermogen van meer dan 120 MW waarmee de doelstellingen van windpark N33 al worden behaald. Voor deze zonneparken bestaat wel draagvlak bij de inwoners van de Veenkoloniën, zo stellen Platform Tegenwind en anderen. De betogen van Platform Tegenwind, Dorpsraadcoöperatie Meeden, [appellant sub 14], [appellant sub 15] en [appellant sub 17] over de alternatieve vormen van duurzame energieopwekking komen in essentie overeen met de hiervoor vermelde beroepsgronden. 47.
- De Afdeling stelt voorop dat zij de bestreden besluiten, zoals het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan, toetst aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van de besluiten. Dit betekent dat hetgeen is gesteld over stukken die na de vaststelling van het inpassingsplan tot stand zijn gekomen, zoals de door Platform Tegenwind en anderen genoemde Energieverkenning uit 2017, niet kunnen worden betrokken in de beoordeling en daarom in de uitspraak buiten inhoudelijke beschouwing worden gelaten. Vergelijk overweging 16.1 van de uitspraak van de Afdeling van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3067, over het windpark Weijerswold Coevorden (hierna: uitspraak over het windpark Weijerswold Coevorden). 47.
- Voorts overweegt de Afdeling onder verwijzing naar overweging 49.1 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer dat het Energieakkoord en de wijze van totstandkoming daarvan in deze procedure als zodanig niet ter beoordeling staan. Hetgeen over het Energieakkoord is aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers geen uitvoering hadden mogen geven aan het rijksbeleid dat is gericht op het vergroten van het aandeel duurzame energie, onder meer door middel van een bepaald vermogen aan windenergie op land. Daarbij overweegt de Afdeling dat - anders dan [appellant sub 4] stelt - geen expliciete parlementaire goedkeuring van het Energieakkoord is vereist om dit mede ten grondslag te kunnen leggen aan het inpassingsplan dat de ministers voor windpark N33 hebben vastgesteld. 47.
- De Afdeling stelt verder vast dat hetgeen is aangevoerd over nut en noodzaak van windenergie op land en de alternatieve vormen voor duurzame energie grotendeels overeenkomt met wat hierover is aangevoerd in onder meer de zaken over de windparken De Drentse Monden en Oostermoer en Weijerswold Coevorden. In beide uitspraken heeft de Afdeling onder 51 respectievelijk onder 16 geoordeeld dat verweerders in redelijkheid nut en noodzaak van het windpark hebben kunnen aannemen voor het leveren van een bijdrage aan de doelstelling van 6.000 MW windenergie op land in
- Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat verweerders bij de besluitvorming over het windpark de Europese en landelijke doelstellingen voor het vergroten van het aandeel duurzame energie, zoals onder meer is neergelegd in het Energieakkoord, en de doelstelling van 6.000 MW windenergie op land in 2020 als uitgangspunt mochten hanteren. Verweerders hebben er daarbij in redelijkheid van kunnen uitgaan dat het voor het behalen van de doelstellingen van 14% duurzame energie in 2020 en 16% in 2023 noodzakelijk is om verschillende vormen van duurzame energie naast elkaar toe te passen, zo heeft de Afdeling overwogen. Bij dit oordeel heeft de Afdeling betrokken dat uit de Nationale Energieverkenning 2016 blijkt dat de doelstelling voor 2020 niet zal worden gehaald. Nog afgezien van de omstandigheid dat niet aannemelijk is dat binnen enkele jaren een aandeel van 14% respectievelijk 16% duurzame energie kan worden bereikt zonder de toepassing van windenergie op land, zal het aandeel duurzame energie na 2023 bovendien verder moeten worden vergroot, zo staat in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. De Afdeling ziet geen aanleiding om thans in het kader van windpark N33 tot een ander oordeel te komen. Nu de duurzaamheidsdoelstelling voor 2020 naar verwachting niet wordt gehaald en het aandeel duurzame energie nog verder moet worden vergroot, betekent de omstandigheid dat in de omgeving van windpark N33 reeds zonneparken worden gerealiseerd met een opgesteld vermogen van meer dan 120 MW naar het oordeel van de Afdeling niet dat nut en noodzaak voor de realisatie van windpark N33 ontbreken. Dit geldt eveneens voor de stelling van verschillende appellanten dat windenergie op land een achterhaalde vorm van duurzame energieopwekking is en in plaats daarvan andere vormen van duurzame energie, zoals zonne-energie en windenergie op zee, kunnen worden ingezet. Omdat het voor het zo veel mogelijk behalen van de duurzaamheidsdoelstellingen noodzakelijk is om de verschillende vormen van duurzame energie naast elkaar toe te passen, ziet de Afdeling ook hierin geen aanleiding aan het nut en de noodzaak van windpark N33 te twijfelen. Daarbij wijst de Afdeling er voorts op dat zowel in de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer als in de uitspraak over het windpark Weijerswold Coevorden onder 51.2 respectievelijk onder 16.3 is geoordeeld dat ervan kon worden uitgegaan dat windenergie op land een kosteneffectievere vorm van duurzame energieopwekking is dan zonne-energie. In de stukken die appellanten in het kader van het beroep over het windpark N33 hebben ingediend, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een andere conclusie. De betogen falen. CAPACITEIT VAN HET ELEKTRICITEITSNET
- Ter nadere onderbouwing van hun stelling dat nut en noodzaak voor windpark N33 ontbreken, wijzen Platform Tegenwind en anderen tevens op de capaciteit van het elektriciteitsnet. Volgens hen is het elektriciteitsnet niet geschikt om de fluctuaties in het energieaanbod door windenergie op te vangen. Dit heeft volgens hen negatieve effecten op de betrouwbaarheid en betaalbaarheid van de elektriciteitsvoorziening. [appellant sub 4] stelt dat als gevolg van het grillige verloop van windenergie, de energiecentrales steeds wisselend moeten worden af- en bijgeschakeld. Dit veroorzaakt volgens hem meer CO2-uitstoot dan aan uitstoot wordt bespaard met de productie van elektriciteit met windturbines. [appellant sub 3] en anderen wijzen in hun nadere stukken naar krantenartikelen waaruit volgens hen blijkt dat het elektriciteitsnet onvoldoende capaciteit heeft om de energie die wordt verkregen uit windpark N33 op adequate wijze op te vangen. Ook dit heeft tot gevolg dat nut en noodzaak voor windpark N33 ontbreken, zo stellen [appellant sub 3] en anderen. 48.
- In het verweerschrift van de ministers staat dat de dagelijkse fluctuaties in vraag en aanbod van elektriciteit veel groter zijn dan de fluctuaties in de windopbrengst. Het elektriciteitsnet heeft volgens de ministers voldoende capaciteit om de fluctuaties op te vangen, te meer omdat windenergie maar een relatief klein deel vormt van het totale aanbod op het elektriciteitsnet. 48.
- De Afdeling ziet in het betoog van Platform Tegenwind en anderen over de fluctuaties in het energieaanbod geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de ministers daarover. De Afdeling stelt vast dat het betoog van Platform Tegenwind en anderen in essentie overeenkomt met hetgeen daarover in het beroep tegen het inpassingsplan over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer naar voren is gebracht en waarover de Afdeling onder 54.2 tot eenzelfde standpunt is gekomen. Het betoog van [appellant sub 4] over de af- en bijschakeling van conventionele energiecentrales volgt de Afdeling evenmin. Ook dit betoog geeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de stelling van de ministers daarover. Zoals ook onder 52.1 van de uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer is overwogen, is de Afdeling er niet van overtuigd is dat deze af- en bijschakeling - voor zover die zich al zal voordoen - van een zodanige omvang is, dat windenergie niet wezenlijk zal bijdragen aan de verduurzaming van het energieaanbod. Tot slot vormen ook de door [appellant sub 3] en anderen overgelegde krantenartikelen voor de Afdeling geen aanleiding aan het nut en de noodzaak van windpark N33 te twijfelen. Deze krantenartikelen hebben voornamelijk betrekking op nieuw te realiseren zonneparken. Uit deze krantenartikelen kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden afgeleid dat ook voor windpark N33, dat al sinds lange tijd is voorzien, geen capaciteit beschikbaar is op het elektriciteitsnet. De Afdeling verwijst hierbij ook naar overweging 167.1 van deze uitspraak. 48.
- De betogen falen. OPBRENGST VAN HET WINDPARK
- [appellant sub 4] betoogt dat het nut en de noodzaak van windpark N33 voorts niet vaststaan, omdat de energieopbrengst van het windpark lager zal zijn dan is aangenomen. Volgens [appellant sub 4] is het windpark namelijk voorzien in een windarmgebied. De stelling van de ministers dat windpark N33 energie zal leveren aan meer dan 75.000 huishoudens is volgens [appellant sub 4] ongeloofwaardig, omdat dit aantal volgens hem met alle bestaande windparken in Nederland tezamen nog niet wordt gehaald. Ook [appellant sub 14] plaatst in het kader van het nut en de noodzaak van windpark N33 twijfels bij de energieopbrengst van het windpark. In het noordelijke deel van het windpark zullen volgens hem gelet op de situering van de windturbines zogenoemde "zogeffecten" optreden, waardoor de windsnelheid bij de windturbines in het noordelijke deelgebied niet optimaal is. Ook stelt [appellant sub 14] te betwijfelen of de windsnelheid in het plangebied afdoende is om de windturbines van windpark N33 van voldoende snelheid te voorzien. Deze twijfels worden onderschreven door Platform Tegenwind en anderen. Zij stellen dat ten aanzien van de planlocatie grote onzekerheid bestaat over het windaanbod, omdat geen windmeting op locatie is uitgevoerd. 49.
- Voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan is in het MER dat ten behoeve van windpark N33 is opgesteld, onderzoek gedaan naar de energieopbrengst van windpark N
- De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het als bijlage 5 bij het MER gevoegde rapport "Akoestisch onderzoek, onderzoek naar slagschaduw en productieberekeningen van het op te richten Windpark N33" van 20 november 2015, opgesteld door Pondera Services, in opdracht van Pondera Consult B.V. (hierna: het geluidrapport). Blijkens paragraaf 5.6 van dit rapport varieert de verwachte netto energieproductie van windpark N33 afhankelijk van het windturbinetype tussen de 410.445 en 474.572 MWh/jr. Vermeld is dat daarbij rekening is gehouden met de verliezen door parkrendement, zijnde de invloed op de energieproductie door windsnelheidsverandering, en mitigerende maatregelen voor geluid en slagschaduw. 49.
- De omstandigheid dat de energieproductie van windpark N33 als gevolg van zogenoemde "zogeffecten" en niet optimale windomstandigheden mogelijk lager is dan in bijlage 5 bij het MER is vermeld, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat aan het nut en de noodzaak van windpark N33 moet worden getwijfeld. Voor twijfel aan het nut en de noodzaak van het plan bestaat aanleiding op het moment dat de gemaakte productieberekeningen zodanig afwijken van hetgeen redelijkerwijs is te verwachten dat moet worden geoordeeld dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat windpark N33 een substantiële bijdrage levert aan de invulling van het klimaatbeleid; het doel waarvoor het inpassingsplan is vastgesteld. Voor een dergelijk oordeel ziet de Afdeling in dit geval geen aanleiding. De Afdeling verwijst ter onderbouwing naar hetgeen in het onderstaande onder 168 van deze uitspraak over de gemaakte energieberekeningen voor windpark N33 is overwogen. Uit deze overweging blijkt dat bij de berekening van de energieopbrengst onder meer rekening is gehouden met opbrengstverlies door het tijdelijk stilzetten van de windturbines als mitigerende maatregel alsmede met opbrengstverlies door het zogenoemde wake-effect. Ook is de omstandigheid dat het plangebied een windarm gebied is, zoals appellanten stellen, via de gebruikte meteorologische gegevens al in de berekening van de energieopbrengst betrokken. De Afdeling verwijst naar de overwegingen 168.3 tot en met 168.5 van deze uitspraak. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor de verwachting dat de energieopbrengst van windpark N33 zodanig lager zal zijn dan in het MER is berekend, dat de ministers wat betreft de energieopbrengst in redelijkheid niet van het nut en de noodzaak van windpark N33 konden uitgaan. De betogen falen. LOCATIEKEUZE EN DE INRICHTING VAN WINDPARK N33
- In het onderstaande zal de Afdeling de betogen beoordelen die betrekking hebben op de locatiekeuze en de inrichting van windpark N
- Als eerste zal de Afdeling ingegaan op de aangedragen alternatieve locaties voor windturbines in het buitenland (overweging 51) waarna zal worden ingegaan op de locatiealternatieven binnen Nederland (overweging 52). Vervolgens zullen de beroepsgronden worden beoordeeld die betrekking hebben op de locatie van de windturbines in het licht van het rijks- en provinciaal beleid (overweging 53). Tot slot zal worden ingegaan op de inrichtingsvarianten voor windpark N33 (overwegingen 54 - 59) en de betogen over het aantal windturbines en het opgestelde vermogen (overwegingen 60 en 61). ALTERNATIEVE LOCATIES IN HET BUITENLAND
- Platform Tegenwind en anderen betogen dat Nederland niet geschikt is voor grootschalige windenergie, onder meer vanwege de hoge bevolkingsdichtheid en grootschalige infrastructuur. Daarom hadden volgens hen alternatieve locaties in het buitenland moeten worden onderzocht. Platform Tegenwind en anderen wijzen in dit verband op de in Richtlijn 2009/28/EG geboden mogelijkheid voor een "Joint Project Mechanism", waarbij tussen twee of meer lidstaten gezamenlijk projecten kunnen worden opgezet om aan de in de richtlijn gestelde duurzaamheidsdoelstellingen te voldoen. Volgens hen zijn geschikte alternatieven in het buitenland beschikbaar waarmee op basis van het "Joint Project Mechanism" de voor Nederland gestelde duurzaamheidsdoelstellingen kunnen worden behaald. Voor deze alternatieven hadden de ministers volgens hen moeten kiezen in plaats van medewerking te verlenen aan de realisatie van windpark N
- 51.
- De ministers hebben in het onderzoek naar locatiealternatieven voor windpark N33 gekeken naar de mogelijkheden binnen Nederland. Deze locatiealternatieven hebben de ministers beoordeeld op de aspecten energieopbrengst, leefomgeving, ecologie en landschap. Omdat in het locatieonderzoek is geconcludeerd dat in Nederland locaties beschikbaar zijn waar realisatie van grootschalige windenergie uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar kan worden geacht, hebben de ministers geen aanleiding gezien om ook locaties buiten Nederland in het locatieonderzoek te betrekken. De Afdeling acht deze keuze van de ministers niet onredelijk. De ministers hebben er gelet op het grote aantal projecten dat moet worden gerealiseerd om de grootschalige inzet van duurzame energiebronnen mogelijk te maken in redelijkheid voor kunnen kiezen om een in Nederland beschikbare locatie voor grootschalige windenergie eerst te benutten alvorens te onderzoeken of er ook mogelijkheden zijn om in samenwerking met andere lidstaten projecten buiten Nederland te realiseren om aan de voor Nederland gestelde duurzame energiedoelstellingen te voldoen. Het betoog faalt. ALTERNATIEVE LOCATIES BINNEN NEDERLAND
- Stichting Landschap Oldambt stelt dat in de provincie Groningen wat betreft de energiebehoefte op provinciaal niveau de gestelde duurzaamheidsdoelstellingen al zijn bereikt. De nog te realiseren windparken in Groningen zijn dan ook bedoeld voor de behoefte aan duurzame energie in de andere provincies van Nederland, aldus Stichting Landschap Oldambt. Volgens de stichting worden hiermee de negatieve effecten van de opwekking van duurzame energie, evenals bij de gaswinning, afgewenteld op de inwoners van de provincie Groningen. De stichting stelt dat gelet hierop onderzoek had moet worden gedaan naar alternatieve locaties buiten de provincie Groningen. [appellant sub 2], [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 19] wijzen op een alternatieve locatie in het westelijke deel van het buitengebied van Veendam. Deze locatie is volgens hen vanuit landschappelijk oogpunt meer geschikt voor de plaatsing van windturbines, omdat het grootschalige open agrarische landschap ter plaatse reeds grotendeels is verdwenen. [appellant sub 4] betoogt dat de locatie waar windpark N33 is voorzien niet geschikt is voor de realisatie van een grootschalig windpark, onder meer omdat de locatie is gesitueerd langs het meest dichtbevolkte gebied van Oost-Groningen waar volgens hem reeds hinder wordt ondervonden van grote infrastructurele projecten en gaswinningsactiviteiten met de bijbehorende aardbevingsproblematiek. Volgens hem hebben omwonenden en lagere overheden daarom vanaf het eerste moment gewezen op alternatieve locaties. Zo heeft de Streekraad Oost-Groningen verschillende alternatieve locaties aangedragen, aldus [appellant sub 4]. Hierop is volgens hem ten onrechte niet ingegaan. Ook wijst [appellant sub 4] op een alternatieve locatie ten noorden van de A7, welk alternatief volgens hem als gevolg van onjuiste informatie van de verantwoordelijke gedeputeerde van de provincie Groningen ten onrechte niet is meegenomen in het locatieonderzoek. [appellant sub 4] heeft in dit verband een krantenartikel overgelegd over het volgens hem niet integere handelen van de desbetreffende gedeputeerde. Verder stelt [appellant sub 4] dat ook elders in de regio grondposities zijn aangedragen als deel-alternatief voor windpark N
- Deze alternatieve locaties bieden volgens hem de mogelijkheid de windturbines op een afstand van 2 km van omliggende woningen te realiseren. Ten tijde van de planvorming voor windpark N33 waren deze locaties onbespreekbaar, maar inmiddels worden deze locaties in provinciale stukken wel aangemerkt als geschikt voor windenergie, aldus [appellant sub 4]. Het gebrekkige onderzoek dat op provinciaal niveau heeft plaatsgevonden naar locatiealternatieven en de weerstand bij omwonenden hadden voor de ministers reden moeten vormen een nieuw onderzoek uit te voeren naar alternatieve locaties voor grootschalige windenergie in plaats van zich te beperken tot de reeds in het provinciaal beleid opgenomen locatie langs de N33, zo stelt [appellant sub 4]. Platform Tegenwind en anderen betogen dat sprake is van een achterhaald en gebrekkig onderzoek naar locatiealternatieven en van een onjuiste beleidskeuze door bij het locatieonderzoek in te zetten op concentratiegebieden voor windenergie op land. Volgens hen zijn de belangrijkste motieven voor de gekozen locatie langs de N33 en de reden voor afwijzing van andere locaties niet kenbaar en deugdelijk gemotiveerd. In dit verband stellen zij dat de gekozen locatie op verschillende aspecten minder positief scoort dan andere locatiealternatieven. Zo bestaat grote onzekerheid over het windaanbod ter plaatse en wordt de overlast van de windturbines op onaanvaardbare wijze afgewenteld op het dorp Meeden, aldus Platform Tegenwind en anderen. In hun nadere stukken wijzen zij hierbij ter nadere onderbouwing naar het rapport "RIP Windpark N33; Second opinion technische onderzoeken" van Lievense CSO van 2 november 2016 (hierna: het rapport van Lievense CSO van 2 november 2016) waarin volgens hen op verschillende aspecten kritiek is geuit op de gekozen locatie voor windpark N
- Omdat alternatieve locaties op alle relevante milieuaspecten beter scoren dan de gekozen locatie langs de N33, kan niet anders worden geconcludeerd dan dat de grondposities van initiatiefnemers doorslaggevend zijn geweest bij de locatiekeuze, zo stellen Platform Tegenwind en anderen. Zij dragen verschillende locatiealternatieven aan waarvoor volgens hen wel draagvlak bestaat. Zo wijzen zij evenals [appellant sub 4] op gronden ten noorden van de A7, welke gronden volgens hen met medewerking van de grondeigenaren kunnen worden ingezet voor de realisatie van windturbines. Uit het onderzoek dat Bosch Slabbers Landschapsarchitecten in opdracht van de toenmalige gemeente Menterwolde heeft verricht naar de mogelijkheden voor windturbines ten noorden van de A7 blijkt dat ter plaatse door de grotere afstand tot woonbebouwing een verbetering ontstaat op het gebied van de leefomgeving, zo stellen Platform Tegenwind en anderen. Daarnaast stellen zij dat zich ten noorden van de A7 geen belemmeringen voordoen op het gebied van externe veiligheid, de windturbines ter plaatse goed landschappelijk kunnen worden ingepast en de elektriciteitsopbrengst van windturbines ten noorden van de A7 hoog is. Dat de gronden ten noorden van de A7 desondanks niet in het locatieonderzoek zijn meegenomen, is volgens hen het gevolg van onjuiste informatieverstrekking van de verantwoordelijke gedeputeerde van de provincie Groningen. Voor de locatiealternatieven wijzen Platform Tegenwind en anderen ook op gronden tussen Pekela en Alteveer parallel aan de N
- Met de realisatie van een windpark in dit gebied kunnen ter ontlasting van het dorp Meeden bij windpark N33 twintig windturbines minder worden gerealiseerd, aldus Platform Tegenwind en anderen. Verder noemen Platform Tegenwind en anderen in hun nadere stukken enkele aanvullende locatiealternatieven waaronder de locatiealternatieven die zijn aangedragen door de Streekraad Oost-Groningen. Platform Tegenwind betoogt dat het MER zich slechts uitstrekt tot het plangebied zelf en dat direct voor het voorkeursalternatief langs de N33 is gekozen, zonder dat een alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden. [appellant sub 15] stelt dat inwoners van Meeden zich niet kunnen verenigen met de locatie van de windturbines. Andere reële voorstelen waar wel draagvlak voor is, zijn volgens hem genegeerd. Tot slot wijzen ook Dorpsraadcoöperatie Meeden en [appellant sub 20] op de mogelijkheden voor windenergie aan de noordzijde van de A7 waar een windpark volgens hen op grotere afstand van het dorp Meeden kan worden gerealiseerd. De stelling van de ministers dat de gronden ten noorden van de A7 buiten de in het rijks- en provinciaal beleid aangewezen gebieden voor windenergie zijn gelegen, acht Dorpsraadcoöperatie Meeden geen deugdelijk argument om niet voor dit locatiealternatief te kiezen. Zij wijst er daarbij op dat het plaatsingsgebied voor windpark N33 in afwijking van het rijks- en provinciaal beleid ook richting de Eekerpolder is uitgebreid. Gelet hierop ontstaat de indruk dat willekeur en grondposities bepalend zijn geweest voor de locatie van windpark N33, aldus Dorpsraadcoöperatie Meeden. [appellant sub 20] stelt over het locatiealternatief ten noorden van de A7 dat ter plaatse windturbines kunnen worden gerealiseerd waarmee een veel hogere energieopbrengst kan worden verkregen met minder overlast voor met name de inwoners van Meeden. Hij wijst hierbij op de mogelijkheid voor het realiseren van windturbines van 7,5 MW. 52.
- De Afdeling stelt vast dat in bijlage 2 bij het MER dat ten behoeve van windpark N33 is opgesteld, onderzoek is gedaan naar verschillende alternatieve locaties voor grootschalige windenergie. De stelling van Platform Tegenwind dat geen alternatievenonderzoek heeft plaatsgevonden en dat het MER zich slechts uitstrekt tot het plangebied zelf, mist dan ook feitelijke grondslag. - Afbakening van het zoekgebied en uitgangspunten selectie locatiekeuze 52.
- In paragraaf 1.2 van bijlage 2 bij het MER is voor de afbakening van het zoekgebied voor de locatiealternatieven verwezen naar de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) en de SvWOL. In dit beleid is het zoekgebied Noordoost-Nederland, waar windpark N33 is voorzien, aangewezen als kansrijk gebied voor grootschalige windenergie. In het MER is bij het onderzoek naar de locatiealternatieven voor windpark N33 aangesloten bij dit zoekgebied en is het onderzoek naar alternatieve locaties daarom beperkt tot de provincies Groningen en Drenthe die behoren tot het zoekgebied Noordoost-Nederland. De Afdeling heeft in haar uitspraak over het windpark De Drentse Monden en Oostermoer onder 65.2 geoordeeld dat met de beperking van het alternatievenonderzoek tot de provincies Groningen en Drenthe geen redelijkerwijs te beschouwen alternatieven buiten beschouwing zijn gelaten. De Afdeling ziet in hetgeen in deze procedure is aangevoerd geen aanleiding om ten aanzien van het alternatievenonderzoek dat is verricht voor windpark N33 tot een ander oordeel te komen. Daarbij overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat de provincie Groningen in vergelijking met andere provincies volgens Stichting Landschap Oldambt reeds een hoge bijdrage levert aan de opwekking van (duurzame)energie, geen aanleiding vormt voor het oordeel dat de ministers het locatieonderzoek hadden moeten beperken tot alternatieve locaties gelegen buiten de provincie Groningen. Voor de provincie Groningen is immers vanwege onder meer de grootschalige open landschappen, de aanwezige haven- en industriegebieden en de relatief lage bevolkingsdichtheid in vergelijking met andere provincies relatief meer ruimte voor de realisatie van nieuwe projecten voor de opwekking van duurzame energie. De keuze van de ministers om deze ruimte te benutten, acht de Afdeling op zichzelf niet onredelijk. Of het benutten van de beschikbare ruimte langs de N33 voor de realisatie van een nieuw windpark ook uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar kan worden geacht, wordt in deze uitspraak inhoudelijk beoordeeld bij de onderwerpen die daar specifiek over gaan bijvoorbeeld geluid, slagschaduw en landschap. 52.
- Bij het onderzoek naar de beschikbare locatiealternatieven in de provincies Groningen en Drenthe is uitsluitend onderzoek gedaan naar locaties waar voldoende ruimte beschikbaar is voor de concentratie van een grootschalig windpark van 100 MW of meer. Dit concentratiebeleid is ontleend aan de SvWOL, waarin is vermeld dat concentratie van windturbines zorgt voor een beperking van de effecten op het landschap en het behoud van de afwisseling in de Nederlandse landschappen. Daarnaast is in de SvWOL vermeld dat met grotere geconcentreerde windparken sneller aan de gestelde duurzaamheidsdoelstellingen kan worden voldaan. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding dit concentratiebeleid voor nieuwe windturbines onredelijk te achten. Gelet hierop hebben de ministers zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alternatieve locaties waar onvoldoende ruimte beschikbaar is voor de realisatie van een windpark van 100 MW of meer, in het locatieonderzoek geen in beschouwing te nemen alternatieven vormen. 52.
- In het locatieonderzoek zijn op basis van de ruimte om een windpark van 100 MW of meer te realiseren, het ontbreken van ruimtelijke, wettelijke en technische belemmeringen voor windenergie en de beschikbaarheid van een aangesloten ruimte met beperkte bebouwing, in totaal 12 locatiealternatieven onderzocht in de provincies Groningen en Drenthe. Tot deze locatiealternatieven behoort ook het gebied langs de N33 waar windpark N33 is voorzien.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.