← Nederland

ECLI:NL:RVS:2019:1795

201903408/2/A

  1. Datum uitspraak: 3 juni 2019 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend te Amsterdam, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 maart 2019 in zaken nrs. 19/1461 en 19/1476 in het geding tussen: [verzoeker] en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 7 december 2018 heeft het college de tweede bewonersparkeervergunning van [verzoeker] ingetrokken met ingang van 1 februari
  2. Bij besluit van 6 maart 2019 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de intrekkingsdatum gewijzigd in 1 mei
  3. Bij mondelinge uitspraak van 27 maart 2019, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 11 april 2019, heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Bij deze brief heeft [verzoeker] ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 mei 2019, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. M.M.M. Buiter, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Vries, zijn verschenen. Overwegingen
  4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
  5. [verzoeker] heeft na zijn verhuizing naar een andere buurt twee parkeervergunningen op het adres waar hij woonachtig is, het aantal dat hij ook in zijn oude buurt had. Uit een reguliere controle van de gemeente bleek dat de tweede parkeervergunning niet aan de voorwaarden van de Parkeerverordening 2013 voldoet en nooit heeft voldaan. Die tweede parkeervergunning was dus ten onrechte verleend en is daarom door het college ingetrokken.
  6. [verzoeker] heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de intrekking van de tweede parkeervergunning te schorsen totdat op zijn hoger beroep is beslist omdat hij gebruik wil blijven maken van de parkeervergunning en zo geen extra kosten hoeft te maken. Zoals ter zitting toegelicht heeft [verzoeker] op dit moment een parkeerplaats voor zijn tweede auto in een garage voor € 200,- per maand. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij die kosten niet kan dragen. Met het verzoek is daarom geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt.
  7. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
  8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, griffier. w.g. Van Altena w.g. Van Tuyll van Serooskerken voorzieningenrechter griffier Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2019 290.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.